De Passion

Het staat weer volop in de belangstelling. Vroeger was het voorbehouden aan de conventionele mensen uit een veelheid aan christelijke richtingen, want als één ding al heel lang duidelijk is, dan is dat wel dat christendom alles behalve eenheid betekent. Alleen in de historie van ons kleine landje zijn er al tientallen grotere en kleinere groeperingen te zien die allemaal op hun eigen manier van mening zijn dat ze de enig juiste versie van het geloof in de Heer verkondigen. Maar dat is vanaf het begin al het geval geweest in dat groepje opstandelingen, want dat waren ze, Jezus en zijn discipelen.

Ik denk eigenlijk dat het groepje, in de paar jaar dat het zich maatschappelijk roerde, zich behoorlijk gehaat heeft gemaakt onder de Joodse gemeenschap waarin ze leefden. De grootste blunder die de volgens mij ongelooflijk eigenwijze Jezus maakte was dat hij op een dag alle handel van het tempelplein ramde. Dat deed hij natuurlijk niet alleen. Daar hebben vast al die andere jongens bij geholpen. De huidige christenen zien dat als een daad die de puurheid en de zuiverheid van de inzichten van Jezus onderstreept. Ik kan me echter de andere kant voorstellen. Bedenk: het groepje rond Jezus is een heel kleine groep opstandelingen. Tegenwoordig noemen we een dergelijk groepje binnen onze maatschappelijke context een sekte. Die handel op dat tempelplein (begrijp goed: zoiets als het plein voor de kerk) wordt eraf gedonderd. Die mensen die daar hun brood proberen te verdienen zien hun broodwinning naar de gallemiezen gaan. ‘Nou’, denk ik dan, ‘dat moet je mij eens proberen te flikken met je achterlijke principiële standpunten.’

Ik hoor nu de christenen roepen: ‘Ja, maar dat was heel iets anders.’ En ik zeg: ‘je mag in dit vrije land vinden wat je wil, maar het was niet iets anders. Het was een daad van agressie waarmee je ook in onze tijd zeker niet met een taakstrafje wegkomt.

Ik denk dat er in dat groepje anarchisten, want dat waren ze, enorm veel ruzie is geweest. Ik denk ook dat Judas werkelijk witheet is geweest over een flink aantal van die botte acties.

Tja, ik hoop maar dat ik niemand al te erg op zijn geloofstenen trap, maar ik kan toch nooit nalaten te schrijven wat ik van allerlei maatschappelijke verschijnselen vind. Daarbij probeer ik me dan altijd te verplaatsen in zo’n groep of gebeurtenis. En wat ik dan zie bij dat groepje opstandelingen rond Jezus is dat ze het lang niet altijd met hem eens zijn. Het zou ook te gek voor woorden zijn. Het Joodse volk staat er toch om bekend voortdurend discussies te hebben. Dat kan – net als bij Nederlanders overigens – er wel eens in uitmonden dat ze elkaar voor rotte vis staan uit te schelden. Ik denk dat zoiets bij die Judas al vrij vroeg gebeurd is.

Ik vermoed dat Jezus binnen de groep de intellectuele leider was, maar dat Judas ook lang niet op zijn achterhoofd was gevallen. Gevolg: voortdurende twistgesprekken. Op een gegeven moment vindt Judas het welletjes. Hij ziet Jezus als een gevaar voor de samenleving. En niet alleen dat. Hij ziet hoe de dodelijke consequentheid van Jezus het doel, de maatschappelijke verandering, in gevaar brengt en denkt: we moeten die vent isoleren. Het gaat anders hartstikke fout.

Zijn contact met het Joodse establishment biedt hem de kans om, zoals hij dat ziet, de zaak te redden. Volgens mij wil hij Jezus alleen maar opzij zetten om de beweging te redden. Maar hij heeft geen rekening gehouden met het feit dat het Joodse establishment, de hogepriester en nog een paar van die jongens, hun handen niet willen branden aan een Schriftgeleerde, een Rabbi, want dat was Jezus natuurlijk ook. Dus spelen ze het handig via de Romeinse bezetter. Dat zijn militairen, die maken korte metten met de hele zaak onder het motto: zachte heelmeesters maken stinkende wonden. Daardoor wordt evenwel een soort heilig principe geactiveerd dat tegenwoordig in bepaalde stromingen in sommige van de wereldgodsdiensten ook nog stevig opgeld doet: DE MARTELAARSDOOD. Als dat niet gebeurd was, was er geen christendom ontstaan.

Blijf ik aan het einde van deze bespiegeling toch met een vraag zitten. Was Judas nou een valse verrader of was hij een man van goede wil die de beweging wilde redden. Ik weet namelijk bijna zeker dat hetgeen de Romeinen met Jezus deden zijn bedoeling niet was, want hij heeft zich vol afschuw van het leven beroofd.

Hoe dan ook, zonder Judas was de maatschappelijke stroming die later uitmonden zou in het wereldwijde christendom er nooit gekomen. Of dat erg zou zijn? Tja, ik ben niet slim genoeg om dat te kunnen beantwoorden.

Emotie

Het lijkt de enige bron die ons in beweging zet. Altijd weer is het een min of meer duidelijk gevoel, een gevoel dat de richting al in zich heeft, waardoor ik in beweging kom. Natuurlijk, een gedachte geeft uiteindelijk duidelijk aan wat ik moet gaan doen. Die gedachte wordt echter altijd voorafgegaan door een emotie, een gevoel en gevoel bepaalt mijn stemming. Een gevoel ís altijd een min of meer duidelijke lichamelijke ervaring. Door ervaring hebben we geleerd op een logische rationele manier op een gevoel te reageren. Vaak gebeurt dat trouwens gedachteloos. Simpel voorbeeld: ik heb een ietwat weeïg gevoel in mijn maag, waardoor ik zonder erover na te denken een boterham pak. Waar ik dan weer wel over na denk is wat ik erop zal doen. Die gedachteloze aandrang die we vaak voelen is natuurlijk een gelukkig verschijnsel dat ervoor zorgt dat we veilig en gezond blijven, zonder dat we over elke reactie op een gevoel hoeven na te denken. Maar pas op, er loert gevaar. Er zijn namelijk heel veel mensen en vooral ondernemingen die er belang bij hebben dat we gedachteloos op een gevoel reageren. Reclame maakt namelijk op zeer ruime schaal gebruik van mogelijkheden om door het opwekken van specifieke gevoelens reacties bij ons op te roepen.

Kun je je misschien dat heel flauwe kinderspelletje nog herinneren, waarbij een vriendje tegen je zei: ‘zeg eens één keer ‘ork’. Dat zei je dan. En dan zei dat vriendje: nou twee keer. ‘ork, ork’ zei je dan. Dat ging dan een poosje door: vier keer, vijf keer. En dan zei dat vriendje ineens: ‘soep eet je met een…’ ‘Vork,’ riep je dan spontaan, terwijl je natuurlijk best weet dat je soep met een lepel eet, maar je zei ‘vork’ , omdat het rijmpatroon van dat woordje ‘ork’ dat vanzelfsprekender maakte dan dat je met het juiste antwoord ‘lepel’ zou geven.

Reclame werkt eigenlijk op de zelfde wijze. Reclame probeert namelijk te bereiken dat het voor jouw gevoel vanzelfsprekend is dat je het advies in de reclameboodschap opvolgt. Een geslaagde reclameboodschap laat je als vanzelf dingen doen of kopen zonder je af te vragen of je het nodig hebt, of het wel goed is en zelfs of het misschien riskant is.

Hoe komt het nu dat reclame daar in onze samenleving zo gemakkelijk mee wegkomt. Dat laatste woord gebruik ik niet voor niets, want de reclamemakers komen ermee weg dat ze op grote schaal ons gedrag beïnvloeden en eigenlijk veranderen, zonder dat daarvoor van onszelf uit een noodzaak bestaat. Zij doen dat om daarmee voordeel voor hun opdrachtgevers te bewerkstelligen. Mag dat? Mag je voortdurend pogingen doen het gedrag van mensen te beïnvloeden ten behoeve van je eigen voordeel? Blijkbaar wel, want we worden tegenwoordig doodgegooid met al dan niet effectieve reclame, maar dat is niet altijd zo geweest.

Ik kan me herinneren dat jaren geleden een bepaald soort bioscoop reclame verboden werd. Het was een manier van reclame maken in de tijd voor we nog dagelijks naar de televisie keken, want dat hele verhaal stond nog in de kinderschoenen. Slimme reclamemakers hadden toen echter onderzocht hoe je met filmbeelden het koopgedrag van de bioscoopbezoekers kon beïnvloeden. Het ging als volgt: de film liep door de projector met een snelheid van vierentwintig beeldjes per seconde. Wij zien bij die snelle beeldwisseling een vloeiend bewegend beeld. Een aantal keren hadden ze dan in de film vijf beeldjes vervangen door een reclameboodschap. Die vijf beeldje kwamen dus in ongeveer een vijfde seconde voorbij. Dan stond er bijvoorbeeld drink Coca Cola. En omdat je aandacht op de film gericht was merkte je dat niet op. Het ging ook te snel voor onze ogen om het bewust op te kunnen merken. Toch kwam de boodschap wel ons bewustzijn binnen, maar die wekte alleen maar het gevoel op dat we zin hadden in Coca Cola. Dat konden ze in de bioscoop in de pauze goed aan de verkoop merken. Deze techniek met die beeldjes die je niet bewust waarnam werd subliminal influencing genoemd. Dat was dus een soort stiekeme reclame en in die tijd waren er brave bestuurders die meende als waakhond voor ons welzijn te moeten optreden. Deze vorm van bioscoopreclame werd toen verboden.

Tegenwoordig heeft kostbare research vele technieken ontwikkeld die soortgelijk en nog veel dieper ingrijpend effect hebben dan het simpele truukje met de onopgemerkte beeldjes. Er worden namelijk door de commercie zo ontzettend veel dingen gemaakt en aangeboden, waaraan niemand uit zichzelf behoefte heeft, maar die ze heel graag aan ons willen verkopen. Denk bijvoorbeeld maar eens aan weer een nieuwe smartphone of weer een ander abonnement. Om die reden proberen ze – en heel vaak met succes – ons het gevoel te geven dat we een beter en gelukkiger leven hebben als we zorgen dat we die producten bezitten.Zij zelf weten dat wat ze beweren niet waar is, want we worden er doorgaans niet gelukkiger van. We raken er alleen veel geld aan kwijt. Maar ja, onze hele westerse economie is voor een groot deel gestoeld op het aanzwengelen van een zo groot mogelijke circulatie van geld, ongeacht of datgene waarvoor geld wordt uitgegeven ons een beter en mooier leven geeft.

Ik kan mij voorstellen dat wie dit ook leest bij zichzelf denkt: ‘maar dat wil ik niet. Ik wil niet ongemerkt door mijn gevoel beïnvloed worden en daardoor dingen doen – en voornamelijk kopen waarvan ik achteraf enigszins geërgerd moet vaststellen dat het me alleen maar geld kostte, maar niet gelukkiger maakte.

Dan heb ik goed nieuws en slecht nieuws voor je. Laat ik maar beginnen met het slechte nieuws. Als we allemaal ophouden met het kopen van volstrekt nutteloze dingen – en daarmee bedoel ik dingen die gemakkelijk door goedkopere en eenvoudigere dingen kunnen worden vervangen zonder dat het leven er beroerder van wordt, dan zitten we al heel snel in een wereld die minder glanst, waarin meer armoede is. Het is een duivels dilemma. Het is als het weghalen van een kaart uit een hoog opgebouwd kaartenhuis. Voor je er erg in hebt stort de boel in. Onze samenleving is te gecompliceerd voor ruwe en plotselinge veranderingen.

Maar wat is dan het goede nieuws? Ach, misschien dit: door op elke koopprikkel te reageren ontstaat in een aantal sectoren in de maatschappij een soort wildgroei. Wildgroei is bijna nooit sterk. Wel kan wildgroei erg overwoekeren.

Dus als je nu gewoon je echt serieus afvraagt of je nu echt nodig hebt wat je op weg bent te gaan kopen en ook wat je bijvoorbeeld nog meer met dat geld zou kunnen doen. Misschien wacht je dan nog even met de volgende nutteloze aanschaf. Misschien rem je daarmee de wildgroei wat af, zeker als we het samen doen. Je kunt bijvoorbeeld wat vaker tegen jezelf zeggen: ‘Ik wil niet gedachteloos op prikkels reageren. Ik ben toch geen gedresseerd dier!

Trouwens, maar dat wist je natuurlijk al, wat langzaam groeit is vaak veel sterker dan wat snel groeit.

Glaucoom

Heb ik dat nu alleen of hebben meer mensen dat, vraag ik me af. Voor mij hebben woorden niet alleen een officiële betekenis, maar los van de betekenis roepen ze bij mij ook heel vaak een soort gevoel op. Neem nou bijvoorbeeld eens een woord als hijskraan. Ik heb dus werkelijk geen idee hoe jij dat ervaart, maar bij kraan moet er bij mij iets stromen. Beetje flauw misschien, maar voor mij is een hijskraan een kraan waar heel veel bier uit komt. Ik weet heus wel dat woorden meerdere betekenissen kunnen hebben, homoniemen heet dat taalkundig verschijnsel, maar echt logisch heb ik het nooit gevonden. Soms raak je bij het horen of lezen van een woord ook het spoor bijster. Neem het woord “metronoom”.  Heeft helemaal niets met de metro te maken, moest ook eigenlijk helemaal niet zo heten, maar is zo genoemd omdat het lekker uitspreekt. Dat zie je vaak hoor, dat woorden ontstaan op een manier dat ze lekker gemakkelijk uitgesproken kunnen worden. Die metronoom is een ding dat de speelsnelheid van de muziek tikt, het metrum heet dat. Dat ding moet dus eigenlijk gewoon een metrumtikker heten, want zeg nou zelf, als we het een metrumnoom noemen, dan zitten we nog met het probleem dat iedereen begint te vragen wat nou eigenlijk een noom is. Ik weet het niet, ik heb er nog nooit een in handen gehad. Als je ‘noom’ op internet zoekt, dan blijken de afzonderlijke letters samen soms een afkorting te zijn voor organisaties. Een losse noom is gewoon helemaal niks. Ik zou er bijvoorbeeld totaal geen moeite mee hebben als een metronoom in het vervolg een ritmetikker genoemd werd. Dan weet iedereen in elk geval wat het ding doet. Ook is het zo, volgens mij dan, dat het gebruiken van woorden die, zoals in dit geval afgeleid zijn uit het latijn, de afstand tussen mensen vergroot. Je hebt namelijk de mensen die de meeste uit het latijn afgeleide woorden wel kennen en je hebt de mensen die er nooit van gehoord hebben. Die eerste groep mensen, die al die woorden wel kent, die praat doorgaans op een manier met elkaar die voor die andere mensen tamelijk onbegrijpelijk is. Natuurlijk snappen ze vaak best een aantal van de woorden die worden gezegd, maar door al die onbegrepen uit het latijn afgeleide woorden begrijpen ze toch vaak niet waarover gesproken wordt.

Het ingewikkeld gebruik van onze taal schept afstand tussen mensen en ik heb zelf nooit gemerkt – dat kan aan mij liggen hoor – dat de samenleving daar nou echt van opknapt.

Ja, ik vermoed dat ik weet wat je zeggen wilt, namelijk dat het internationale verkeer in handel, maar zeker ook in wetenschap volstrekt onmogelijk zou zijn als er geen overeenstemming zou zijn over de namen van allerlei begrippen. Absoluut waar maar tussen de dagelijkse koetjes en kalfjes zijn ze meestal niet nodig.

Tegenwoordig heb ik – en waarschijnlijk al een hele tijd – glaucoom in mijn rechteroog. Nou moet je weten dat waar ik vandaan kom, de kop van Noord – Holland, het woord glauwen een heel aparte betekenis heeft. Daar, vermoedelijk in het West-Fries, betekent het namelijk suffig en wezenloos voor je uit staren. Zeg maar, zoals we heel vroeger naar de televisie keken tot het beeld niet meer bewoog. Dat is voor mij glauwen. De enige overeenkomst tussen dat werkwoord, glauwen en glaucoom is dat het opmerken van wat er te zien valt steeds minder wordt. Als je er namelijk niets aan doet wordt een glaucoomoog langzaam blind. Natuurlijk heb ik er wel wat aan laten doen, waarvan ik je de details zal besparen want daar gaat het hier niet om. Wat ik eigenlijk wil zeggen is dat het woord glaucoom bij mij in eerste instantie een gevoel van luie suffige wezenloosheid oproept. Maar dat moet helemaal niet. Als je ermee opgezadeld bent moet je opschieten, hulp zoeken, ingrijpen. Niks suffig en wezenloos voor je uit staren. Opschieten!

Kindermishandeling, of niet?

Zelf heb ik ook vaak de neiging om te denken dat dingen die heel lang geleden gebeurd zijn in mijn werkelijkheid van vandaag niet zoveel invloed meer hebben. Steeds meer kom ik er toch achter dat ik me daarin vaak pijnlijk vergis.

Vlak voor de tweede wereldoorlog werd ik geboren. Het was eerste paasdag, maar ik heb nooit de indruk gehad dat er hierdoor een feestelijk tintje over mijn verdere leven werd gestrooid. Pasen wordt door de christenen gevierd als het feest van de opstanding. Inderdaad, nu ik erover nadenk heb ik in mijn leven tamelijk vaak na een harde klap overeind moeten krabbelen, om verder te kunnen gaan. Het begon eigenlijk al toen ik net zes jaar was. Ik belandde in het ziekenhuis met een gebroken beentje. Het been was vlak boven de knie gebroken. Lastig, want van die mooie metalen plaatjes om een moeilijk breuk aan elkaar te schroeven waren er nog niet. Maar zo stompzinnig als het bij mij mis ging had nou ook weer niet gehoeven.

Je moet namelijk weten dat we twee ziekenhuizen hadden in Den Helder, mijn geboorteplaats. Er was het gemeenteziekenhuis, Parkzicht en er was het katholieke Sint Lidwina ziekenhuis.

Nu wilde het geval dat mijn vader nauwelijks een jaar eerder was teruggekeerd uit de onderzeeboot oorlog in de Middellandse Zee. Daar had hij blijkbaar zoveel contra-argumenten tegen het rotsvaste katholieke geloof uit zijn jeugd opgedaan, dat het gebruik maken van een katholiek ziekenhuis tot elke prijs vermeden diende te worden. Later ging hij er trouwens na een zware maagbloeding zelf wel heen, maar dit ter zijde.

Dat gemeente ziekenhuis had één chirurg, een norse oud marine arts, die misschien best aardig een blindedarmoperatie kon verrichten, maar het repareren van gebroken armen en benen, was iets wat bijna nooit goed ging. Veel van zijn, tja, hoe zal ik het zeggen, nou ja vooruit maar, patiënten kwamen weg met krom en scheef gezette armen en benen. Maar ja, ze hadden er niemand anders voor in dat gemeente ziekenhuisje en bovendien werd hij vrij snel kwaad als iemand er wat van zei, maar dat kan natuurlijk schaamte geweest zijn.

Hoe dan ook, de man nam een op zich verstandig besluit. Hij besloot het beentje in tractie te leggen. Botstukken werden op elkaar gezet, zoals hij dacht dat het moest. Beentje omhoog, pennetje door het hielbeen, beugeltje, gewichten, de hele santekraam.

Er kwam een jongetje op mijn kamertje liggen, Jantje. Jantje had open tuberculose en er waren een paar vliegen in ons kamertje die dat kleine gaatje waar die pen mijn voetje in ging heel aantrekkelijk vonden, nadat ze eerst bij Jantje geweest waren. Jantje was trouwens een week later dood. Ik zie nog het zwarte kistje waarin hij werd afgevoerd. Maar ja, toen was mijn voetje al veranderd in een vurige zwerende bal en kreeg ik, helaas een paar dagen te laat penicilline injecties, waarmee de tuberculeuze fistel binnenin mijn hielbeen nooit afdoende bezworen werd.

Gelukkig ontdekte de dokter dat hij behalve de stommiteit met tuberculeuze Jantje nog een foutje had gemaakt, waardoor hij het beentje opnieuw moest breken en opnieuw zetten. De pen ging toen niet meer door de voet, want die was voorlopig vanbinnen in een dik soort papachtige pus veranderd, maar door de knie. Iedereen hield de adem in, maar Jantje was afgevoerd, zoals ik al zei en bij juffrouw Keizer in de andere hoek van de kamer kwamen zelfs geen vliegen. Bovendien had ik nu een dekenkooi over de lage stelling waarop mijn been nu rustte en hield de penetrante lysolgeur, die vroeger elk zindelijk ziekenhuis kenmerkte, elke vlieg brakend op afstand.

Ik was op drieëntwintig april negentien zesenveertig, de dag voordat mijn moeder veertig jaar zou worden, het ziekenhuis in gegaan en eind juli kwam ik er uit. Ik moest opnieuw leren lopen en in september van dat jaar bracht mijn moeder me in een karretje naar school.

Helaas was dit niet het laatste medische gepruts wat ik in mijn leven mocht meemaken. Er lag nog het een en ander te wachten

Maar wat heeft dat nu allemaal met mij in de tegenwoordige tijd te maken?Nou, ik denk dat ik vaak over-kritisch ben in het contact met artsen. Natuurlijk zijn er gewetensvolle en kundige artsen, maar ik heb langzamerhand voldoende medische kennis om ze steeds weer kritisch te bevragen. Als er genoeg onherstelbare schade is aangericht in je leven, dan ga je toch op den duur wat beter opletten. Dat is voor mijn artsen misschien niet altijd even leuk en het vraagt extra tijd, maar ik was niet verantwoordelijk voor het letsel veroorzakende gepruts van hun voorgangers.

Die lange schaduw werpt mijn medisch verleden nog altijd over mijn huidige houding tegenover de geneeskunde.

Het schijngevecht gaat door

Ja, want een schijngevecht is het. Er wordt gelogen, eromheen gedraaid, nergens op slaande smoezen verzonnen en noem maar op. En waarschijnlijk, maar helaas is dat niet te bewijzen, wordt er tegen betaling of gunsten tegengehouden waar tienduizenden mensen hun gezondheid mee terug zouden kunnen krijgen.

Mijn trouwe lezers weten langzamerhand wel dat ik me behoorlijk kan opwinden over huichelachtigheid en gewichtigdoenerij.

In de vorige uitzending van Dokters van Morgen, een format waar ik mijn eerste inspiratie al kreeg om over bacteriofagen te schrijven, kwam een RIVM bobo aan het woord. Met een smalend lachje liep hij rond in de kliniek in Tbilisi, waar al bijna honderd jaar mensen met deze heilzame virussen worden genezen. Met een gewichtige uitdrukking op zijn gezicht wist hij al zijn rijke wijsheid en ervaring te mobiliseren in de volgende zin: ‘het kan best zijn dat hier succesjes worden geboekt met die eh… bacteriofagen, maar er is nog onvoldoende wetenschappelijk gefundeerd onderzoek gedaan naar de werkzaamheid en de veiligheid van deze therapie.’

Ik dacht: ‘die man is vast lid van dat manipulerende en alles afkrakende anti kwakzalvers clubje. Een argument kwam er niet uit. Ik beschouw de gedragswijze die hij en soortgelijke bobo’s vaak vertonen als “de boot afhouden”. Vooral als je dan later in de zelfde uitzending een Poolse hoogleraar emeritus virologie commentaar op de uitspraken van die minkukel hoort geven. Tja, zegt die hooggeleerde heer dan. Er zijn vele jaren vele succesvolle onderzoeken naar het bestrijden van infecties met bacteriofagen gedaan. Ik denk dat deze meneer (hij doelt op die Hollandse RIVM hark) een beetje achterloopt met het lezen van zijn vakliteratuur.

Als iets dergelijks op goede gronden over jou als wetenschapper wordt gezegd, dan dien je onmiddellijk ontslag te nemen en je in te schrijven als werkzoekende bij de gemeentelijke vuilophaal dienst. Dan leer je misschien nog wat echt hard werken is.

Nou goed, ik weet dat veel mensen mijn bacteriofagen columns volgen. Daarom heb ik ook een berichtje aan de redactie van Dokters van Morgen gestuurd. Natuurlijk kunnen die mensen er ook niets aan doen als ze met RIVM lulsmoezen het bos in worden gestuurd. Maar ik dacht: ik weet zeker dat dit wangedrag ook jullie pijn heeft gedaan en dat zal ik jullie dan ook laten weten. Dus stuurde ik het onderstaande berichtje

Geachte,

Uit het feit dat een botte RIVM medewerker na ampele overweging uit de losse pols roept dat er veel meer onderzoek moet worden gedaan naar de werking, maar ook naar de gevaren van het toepassen van bacteriofagen als therapeutische mogelijkheid bij het bestrijden van resistente bacteriën blijken twee mogelijke oorzaken van dit standpunt: 1. Incompetentie veroorzaakt door een niet te vergeven gebrek aan interesse of 2. Quasi gewichtig de boot afhouden op grond van een verborgen agenda, die mogelijk kan duiden op belangen bij de farmaceutische industrie. Er is, zoals de Poolse wetenschapper terecht enigszins smalend liet weten, meer dan voldoende wetenschappelijk bewijs voor de werkzaamheid en de veiligheid van bacteriofagen therapie. Het Nederlandse standpunt toont een houding waaruit een kwetsende arrogantie spreekt bij mensen voor wie het hoog tijd wordt  dat ze hun verantwoordelijkheden neerleggen en overdragen aan mensen die bereid zijn de vakliteratuur te volgen. Een belangrijke spreuk in deze is de volgende:

ONWETENDHEID WOONT VLAK NAAST GEWETENLOOSHEID.

Met vriendelijke groet, Peter P. van Oosterum

Alleen geld telt

Het rijmt ook nog, maar het is ongerijmd. Ik neem even een stukje over uit een artikel dat ik tegenkwam. Overigens een van de vele artikelen over dit onderwerp.

22 november 2006 1 minuut leestijd

wetenschap

Nieuwe morfine achtige pijnstiller

Franse wetenschappers hebben een klein humaan eiwit ontdekt dat in een lage dosis een sterke pijnstillende werking heeft. In een proefdiermodel voor pijn is een zes keer lagere dosering van het peptide even werkzaam als morfine. De onderzoekers hebben het peptide opiorfine gedoopt. De ontdekking is beschreven in Proceedings of the National Academy of Science van 21 november.

De onderzoekers, verbonden aan het Institut Pasteur, zijn op zoek gegaan naar de pijnstillende stof nadat Japanse wetenschappers een dergelijk pijnstillend peptide (spinorfine) bij koeien hadden ontdekt. De Fransen vonden eerder al een vergelijkbare stof bij ratten (sialorfine) en toonden vervolgens aan dat ook mensen een dergelijk peptide produceren. Opiorfine is aantoonbaar in speeksel.

Om de pijnstillende potentie van opiorfine te meten, hebben de onderzoekers het humane peptide toegediend aan ratten die vervolgens een zogeheten pin-pain-test ondergingen. Bij deze proef worden ratten gedurende drie minuten in een vierkant hok met negen vlakken van 15 bij 15 cm gezet. Het middelste vlak heeft een glad oppervlak. In de acht perifere vlakken steken rechtopstaande spijkers 8 mm door de vloer. Ratten vinden het van nature niet prettig om in het midden van een ruimte te zitten en zijn geneigd de kant op te zoeken. Hoe vaak ze de perifere vlakken opzoeken en hoe lang ze daar verblijven, is een maat voor de onderdrukking van pijn.

Ratten die morfine kregen in een dosering van 6 mg/kilo lichaamsgewicht verbleven gemiddeld 72 seconden op de ‘spijkerbedvlakken’. Met opiorfine in een dosering van 1 mg/kg liepen de ratten daar gemiddeld 61 seconden. Ratten die alleen medium kregen ingespoten, verbleven gemiddeld 4 seconden op de vlakken met spijkers.

De auteurs noemen de bevindingen baanbrekend. De in-vivo resultaten met opi­orfine duiden op mogelijke klinische toepassingen ervan, menen ze.

                               ————————————————————————–

Dit heb ik gewoon van het internet gedownload. Een krantenberichtje betreffende een wetenschappelijk onderzoek. Eigenlijk ging dit onderzoek over een soortgelijk stofje dat vrijkomt bij onze moeders als we geboren worden. Als dat namelijk niet zou gebeuren dan zou elke vrouw wel oppassen om ooit een tweede kind te krijgen, omdat de pijn van de bevalling zo verschrikkelijk zou zijn dat het levenslang traumatiserend zou werken. Gelukkig heeft moeder natuur daar wat op gevonden, een zogenaamd endorfine. Dat zijn morfine achtige stoffen die ons lichaam in de meeste gevallen zelf kan maken als het nodig is.

Het hier bedoelde stofje dat ‘opiorfine’ is genoemd is te meten in ons speeksel. Nee, niet bij iedereen evenveel en nee niet als je door angst en schrik bevangen een heel droge mond en keel hebt. En kijk, dat zien we nu juist gebeuren als er iets moet gebeuren waarvan we weten dat het pijn gaat doen of waarvoor we juist bang zijn dat het pijn gaat doen. Angst stopt namelijk de speekselvloed en daarmee ook de productie van onze natuurlijke pijnstiller.

Hoe dan ook, het stofje is bekend en kan gemaakt worden, Die Franse wetenschappers hebben dat aangetoond. En ze hebben heus niet met zijn allen langdurig in een bakje staan spugen om voldoende speeksel te krijgen. Nee, ze hadden al heel snel in de gaten dat het gemakkelijk was na te maken. Maar heb je het jaartal gezien dat boven het artikel stond. Ja? 22 november 2006. Dat wordt dit jaar dus dertien jaar geleden dat een fantastische pijnstiller werd ontdekt, zes maal zo sterk als morfine en omdat het een lichaamseigen stof is zijn er ook geen bijwerkingen.

Eerlijk gezegd had ik jaren geleden al eens een televisie-uitzending gezien waar in het kennelijk over deze stof ging, hoewel hij daar niet duidelijk werd benoemd. Stel je voor, een Spaanse chirurg doet een knieoperatie bij een mevrouw. De knie wordt geopend, er wordt wat kraakbeen weg geknipt en vervolgens wordt de wond weer gesloten. Al die tijd heeft die mevrouw geen narcose gehad en ook geen plaatselijke verdoving. Wat ze wel kreeg was een bepaald soort plantenblaadjes in haar mond, waardoor ze heel veel speeksel maakte. Ze gaf aan wel iets te voelen, maar in elk geval geen pijn. Ik was toen zo verbijsterd over wat ik gezien en gehoord had, dat ik dagenlang over niets anders kon praten. Door die grote speekselvloed kreeg die mevrouw waarschijnlijk ook een heleboel opiorfine van zichzelf vrij.

Ik geloof trouwens niet dat je dit experiment zomaar met iedereen kunt doen, ongeacht wat voor blaadjes je in zijn mond stopt. Maar wel een prachtig middel die opiorfine.

Mooi toch? Wat zou het een zegen voor de wereld zijn als het gewoon bij het Kruidvat en dergelijke winkels verkrijgbaar zou zijn. Het kan ook onmogelijk duur zijn, want op stoffen die de natuur maakt kun je natuurlijk geen patent nemen.

Ach, natuurlijk, nu snap ik ineens waarom het niet verkrijgbaar is. Er kan geen patent op en daardoor kunnen er geen vette winsten op worden gemaakt. De winsten van BigFarma zijn natuurlijk veel belangrijker dan al die honderden miljoenen mensen die dagelijks creperen van de pijn. Wat dom van me dat ik erover begonnen ben.

Nou, weet je wat, vergeet nou maar dat het binnen afzienbare tijd in de winkel ligt. Wat je natuurlijk wel kunt doen is uitproberen waarmee jij veel speeksel in je mond krijgt, speciaal als je ergens pijn hebt. Kun je zelf merken of het werkt.

En wat de productie betreft, toen die pillen voor de taaislijmziekte zo krankzinnig duur waren heeft een apotheker uit Den Haag zijn nek uitgestoken en is die pillen gaan maken voor een veel lagere prijs. Zulke mensen hebben we nodig. Iemand zou een apotheker moeten vinden die opiorfine maakt. Er kan geen patent op rusten. Hij kan dus nooit in de problemen komen. Dan kunnen we misschien eindelijk pijnbestrijding laten gebeuren zonder al die nare bijwerkingen die de pillen van BigFarma doorgaans hebben.

Nou, kom op mensen, wie vindt die menslievende apotheker.

Een lastige vraag?

Het is een vraag die me echt bezig houdt: kunnen we het winnen? Is het überhaupt te winnen?

Stel je even voor, de hele wereld is gecommercialiseerd. Een klein, zogenaamd handig deel van de wereld heeft ontdekt hoe de eigen voortdurend groeiende rijkdom kan blijven groeien op kosten van het overgrote, niet zo handige deel van de wereld. Dat verschijnsel noemen we in de biologie parasitair leven. Een bepaalde levensvorm hecht zich aan of in een andere levensvorm en leeft op kosten van de inspanningen van die levensvorm. Een mooi voorbeeld kun je zien als een boom wat minder sterk begint te worden. De boom kan oud zijn. Vaak zien we dan dat die boom omgroeid wordt door klimop die met zijn duizenden kleine worteltjes hecht aan de boom, erin binnendringt en leeft van de sappen die de boom uit de bodem haalt. Na een poos zie je die boom dan minder blad krijgen en tenslotte sterven. De klimop gaat dan via de bodem op zoek naar een volgende zwakkeling in bomenland. In de meeste bossen is dit spel van de parasiet op de verzwakte gastheer te volgen. Maar zulk parasitair leven moeten we eigenlijk waarderen. Het ruimt op wat zwak is.

Parasieten komen natuurlijk ook in de dieren – en mensenwereld voor. Ze halen de vitaliteit en het gevoel van welbevinden uit het slachtoffer, maar zorgen er intussen wel voor dat het slachtoffer in leven blijft. Vroeger heel bekend, maar nu gelukkig niet meer zo vaak voorkomend waren bijvoorbeeld de lintwormen, die in de menselijke darm leefden door zich vast te zetten aan de darmwand. Meters lang kon zo’n lintworm worden en heel veel energie wegnemen van de ongelukkige persoon die de pech had hem te herbergen. Ook komt er tegenwoordig noch vaak een bepaalde schimmel voor: candida albicans, de witte candida. Een vervaarlijke tegenstander als je hem in je lichaam hebt en lastig kwijt te raken omdat de schimmeldraden meer dan een meter lang kunnen worden en overal doorheen groeien. Waarschijnlijk is ook hier de veronderstelling mogelijk dat alleen slordig – of slecht verdedigde dieren en mensen slachtoffer van parasieten worden. Dat zou best waar kunnen zijn, maar gevoelsmatig staan we hier toch anders tegenover dan tegenover de parasieten in het rijk der planten en bomen.

Wat in de microwereld van onze lichamen gebeurt, vinden we echter op minstens even grote schaal in de macrowereld die we de samenleving noemen. Er zijn veel parasieten die zich verrijken en een vrolijk quasi belangrijk leven leiden op kosten van anderen. Heel vaak zien we dan zogenaamde een-tweetjes, een ogenschijnlijk toevallig samenspel waarbij twee grote spelers elkaar profijtelijk de bal toespelen. Altijd wordt er bij deze spelletjes gebruik gemaakt van een oeroude – maar zeer effectieve techniek: de lobby. Een paar voor waarschijnlijk iedereen overduidelijk voorbeelden zijn hier op zijn plaats:Eeuwen lang al bezig, maar in de afgelopen eeuw steeds sterker geworden is de wapenindustrie. Overal op de wereld worden oorlogen uitgevochten met de wapens van een wereldwijd conglomeraat aan fabrikanten. Natuurlijk moeten die wapens in handen gelegd worden van de arme stumpers die is wijsgemaakt dat ze of wel vrede moeten gaan brengen, ofwel dat ze strijden voor een goede – en vaak zelfs heilige zaak. In alle gevallen waar het motto “vrede brengen” wordt gebruikt zijn nationale overheden erin gelobbyd. Via heel betrouwbaar ogende, doch doortrapte kanalen wordt een overheid aangemoedigd ergens vrede te gaan brengen met feitelijk slechts één doel, namelijk dat er wapentuig verbruikt wordt. Het vrede brengen lukt uiteraard negen van de tien keer niet, maar de wapenindustrie is er steeds flink mee geholpen. Zelf blijven ze trouwens altijd letterlijk buiten schot. Ik vermoed dat van alle regeringen de Amerikaanse zelf het beste op de hoogte is van het economische spel met de wapens, omdat heel veel bestuurders belangen hebben in die industrie. De kosten worden gedekt door de belastingen die geheven worden, waardoor derhalve elke belasting betalende inwoner van een land meebetaalt aan de weelde van de wapenindustrie. Belangrijke spelers in dit wereldwijde spel met verborgen agenda’s zijn NAVO, Verenigde Naties en vaak ook senatoren, ministers en hoge militairen. Door hun ernstig uitgesproken argumenten lijken de meeste deelnemers in dit spel met de dood van vele onschuldige mensen heel vaak integer. Maar schijn kan behoorlijk bedriegen, zoals we allemaal weten.

Een volgend – en langzamerhand gigantisch een-tweetje, waarschijnlijk tegenwoordig nog groter dan dat tussen de wapen industrie en die andere spelers is het samenspel tussen de fabrikanten die medicijnen ontwikkelen en maken, de farmaceutische industrie, ook wel BigFarma genoemd en de langzamerhand in heel grote conglomeraten samenwerkende zorgverzekeraars.

Net als het eerste een-tweetje treft dit ons namelijk allemaal op pijnlijke wijze. Voornamelijk dankzij een betere hygiëne en gevarieerder voedsel worden we ouder dan vroeger. Die vooruitgang rekent BigFarma zichzelf echter met het grootste gemak toe. Omdat de moderne maatschappij echter vele verlokkingen kent die ofwel met genot, ofwel met gemak van doen hebben zien we steeds weer gecompliceerdere beschavingsziekten komen. Denk aan ouderdomssuikerziekte aan hart – en vaat ziekten, overgewicht, reumatische aandoeningen, een langzamerhand schier oneindige reeks van kankersoorten en noem maar op. Hier zien we dit uiterst bedrieglijke en kostbare een-tweetje in werking.                                                   

Met de moderne medische technieken is steeds meer mogelijk, wordt gezegd. Voor een flink deel is dat ook zo. Voor een niet onbelangrijk ander deel wordt echter in zeer ruime mate over behandeld met medicijnen. Het meest schrijnende voorbeeld zien we bij de neergang van de antibiotica, waarvan zo onvoorstelbaar veel is voorgeschreven dat langzamerhand alle schadelijke ziekteverwekkers immuun zijn en antibiotica niet meer werken. De winst is in die productie blijkbaar gedaald, want de farmacie wenst geen moeite meer te doen om op dit terrein nog vernieuwend onderzoek te doen. Veel meer valt er te verdienen bij de middelen ter bestrijding van zogenaamde zeldzame ziekten. Denk in dit verband aan de middelen tegen specifieke kankersoorten, de middelen die ontwikkeld werden tegen bepaalde spierziekten waaraan vaak kleine kinderen overlijden of zoals enkele jaren geleden gebeurde een middel tegen de taaislijmziekte. Alle middelen in deze laatste groep worden door de farmacie vaak tegen krankzinnig hoge prijzen op de markt gebracht. Het middel tegen de taaislijmziekte werd voor honderdzeventigduizend euro per jaar op de markt gebracht.

Natuurlijk zijn er nauwelijks ouders van ten dode gedoemde taaislijm patiëntjes te vinden die dat kunnen betalen. Maar dan komt de eerder genoemde lobby op gang, want de prijs moet naar een zodanig niveau zakken dat de verzekeraars het gaan betalen. Wat je dan ziet gebeuren is echt heel merkwaardig. Onze minister van volksgezondheid gaat met de fabrikant onderhandelen. Er wordt ook een resultaat bereikt, maar de minister heeft met de fabrikant afgesproken daarover te zwijgen. Wel gaan de verzekeraars nu tot vergoeding over, maar de verhoging van de jaarlijks te betalen premie valt jaar in jaar uit weer tegen. Allemaal betalen wij dus die farmaceutische industrie, die toch al nagenoeg de rijkste tak van industrie ter wereld is.

Jaar in jaar uit wordt dit armetierige toneelstukje opgevoerd. BigFarma komt met iets ogenschijnlijk sensationeels, een doorbraak, de indruk wordt gewekt dat we na deze farmacologische overwinning allemaal minstens een eeuw in blakende gezondheid kunnen leven. Vervolgens roepen de verzekeraars dat het veel te duur is en dat ze het niet gaan betalen. En dan gebeurt het. Telkens weer zien we dan in kranten en nieuwsuitzendingen de vraag: ‘maar wat is dan de prijs van een mensenleven? Daar kan toch onmogelijk een prijs aan gehangen worden. Het leven is toch onbetaalbaar. Het moet toch altijd gered (lees gerekt) worden als dat mogelijk is. Met de tranen in de ogen maken we ons druk om het leed van de ouders van dat vierjarige jongetje dat vanwege de prijs van het medicijn en door de onwilligheid van de verzekeraars nu een zekere dood tegemoet gaat. Met dikke krokodillentranen zitten we naar de talkshows te kijken waar de ongelukkige ouders de kans krijgen ons hun verdriet en verontwaardiging te tonen. ‘Erg hè?’ zeggen we tegen elkaar, ‘die stinkerds van een farmaceuten en zorgverzekeraars denken alleen maar aan zichzelf!’ Maar ik zeg: ‘we kijken naar een toneelstukje voor twee wereldspelers, bedoeld om hun prijzen net iets harder te laten stijgen dan de rest van de prijsindex, want alleen op die manier kunnen ze groeien als economische macht.’ Zolang wij maar standaard farmaceutische middelen blijven gebruiken, terwijl het eigenlijk heel vaak best zonder kan, helpen we deze valsspelers.

Maar kijk eens aan, de grote spelers lijken bedreigd te worden, nee niet ernstig, ze kunnen er nu nog een beetje lacherig over doen. Hoewel, het gaat wel over echte wetenschap en aantoonbare effecten. Een nieuwe benadering die vermoedelijk een groot deel van het gebruikelijke verdienmodel van BigFarma buiten spel gaat zetten. Eerder schreef ik “Een verhaal met een luchtje”.

Door op een zeer geraffineerde wijze de anderhalve kilo bacteriën die in onze darmen leven in een goede natuurlijke samenlevingsbalans te brengen, zouden we straks wel eens veel minder medicijnen van BigFarma nodig kunnen hebben. Die bacteriën blijken namelijk van vitaal belang voor zowel onze lichamelijke als geestelijke gezondheid te zijn.                    In een televisieprogramma, Dokters van Morgen, werd dit duidelijk. Het was een programma van dezelfde makers als dat over de zogenaamde bacteriofagen, die waarschijnlijk alle antibiotica totaal overbodig kunnen gaan maken. Tot kijk en het beste ermee BigFarma.                                   Wel ben ik nu heel erg benieuwd welke geniepige en subversieve activiteiten dit op de gezondheidsmarkt gaat uitlokken. Want ik geloof absoluut niet dat BigFarma het helemaal aan het geneuzel van de antikwakzalver jongens gaat overlaten. Nee, let maar op, ze gaan spectaculaire ramptoestanden laten ontstaan die overduidelijk veroorzaakt lijken te worden doordat er te weinig van hun producten gebruikt worden. En dan zal vast en zeker de halve wereld weer vallen voor het perfect geregisseerde bedrog.

Ik weet overigens best hoe dat komt hoor. De waarheid is vaak zo ingewikkeld dat de perfecte leugen het meestal wint. Maar kom op mensen, je moet niet altijd denken dat ze gelijk hebben omdat ze groot en rijk zijn. Drugsbaronnen zijn tenslotte ook groot en rijk en die deugen ook niet.

Een verhaal met een luchtje

Bij mijn weten zijn er in televisieland nog nooit eerder zulke mooie en vooral hoopvolle verhalen aan de orde geweest. Deze keer ging het verhaal  over poep. Ja, ik hoor het je zeggen, kan dat nou tegenwoordig maar allemaal. Zo hebben wij toch – ik zelf ben dan van behoorlijk ver uit de vorige eeuw – geleerd dat een dergelijk woord in het gewone taalgebruik van nette mensen niet wordt gebruikt. Als het onderwerp al te pas kwam, dan spraken we met enigszins afgewend hoofd over ontlasting of mooier zelfs nog: stoelgang. Alsof nette mensen op een stoel gingen zitten poepen. Maar ja, iedereen begreep wat je bedoelde. Trouwens, eerlijk gezegd kwam dit onderwerp buiten de familie en de eventuele kring van intimi toch echt niet aan de orde. Ik weet nog heel goed dat mijn moeder – mijn vader was druk met oorlog voeren – mij leerde dat ik moest zeggen dat ik “een bah” moest doen als ik de bekende aandrang voelde. Mijn zusje leerde daarentegen onder de regie van mijn vader, die inmiddels uit de strijd was teruggekeerd, dat zij moest melden dat ze moest “pumpen” als het zover was. Allemaal min of meer onschuldige termen die binnen de familiekring nog met een glimlach dienst konden doen om dit onbetamelijke onderwerp aan te roeren.

Nu is poep echter verheven tot iets van immens belang, door het televisieprogramma: Dokters van Morgen. We zagen daar Antoinette Herzberger een programma presenteren, waaruit overduidelijk het vitale belang van de bacterieculturen die ons voedsel in onze darmen bewerken naar voren kwam. En ook vooral waarvan meer en meer bekend wordt wat ze doen, wat ze betekenen voor onze gezondheid en waarom onze poep moet worden geanalyseerd om erachter te komen welke nuttige werkers we aan boord hebben en welke we beslist moeten proberen in te huren.

Een heel klein beetje was ik eigenlijk al voorbereid op deze medische sprong in de donkerbruine duisternis, moet ik eerlijk zeggen, omdat iedereen tegenwoordig op vrijwillige basis deel kan nemen aan een bevolkingsonderzoek, waarvoor je ook een beetje poep moet inleveren en waaruit dan al dan niet geconstateerd kan worden of je darmkanker hebt. Nu moet ik eerlijk zeggen dat ik dat onderzoek tot nu toe uit de weg ben gegaan. Waarschijnlijk in de eerste plaats omdat ik mijn hoofd niet goed helemaal uit het zand kan halen, maar eigenlijk ook, omdat ik dat een beetje een verdienmodel voor de farmacie vindt. Bovendien, zeg nou zelf, er is alsmaar geharrewar over het feit dat we te oud worden en dat de kosten niet meer zijn op te brengen. We moeten al veel langer doorwerken. De pensioenen gaan gestaag naar beneden. Het zou als je met één onwelwillend oog naar de samenleving kijkt economisch een stuk voordeliger zijn als we wat sneller het tijdelijke met het eeuwige verwisselden. De strijd over de vraag hoe lang we nou eigenlijk moeten of mogen leven staat al jaren op het punt los te barsten. De grote spelers zijn natuurlijk de farmacie en de verzekeraars. De bal zijn wij natuurlijk, dat heb ik al lang in de gaten.

Maar nou was er toch in dat programma van Antoinette over die Dokters van Morgen eindelijk een geluid met een heel andere teneur. Eerder had ze al een programma over de bacteriofagen. Ik heb daarover tweemaal op dit weblog geschreven en nu kwam ze weer met een programma waaruit bleek dat we binnenkort die piepkleine cultuur van die miljarden bacteriën in onze darmen op een niet heel erg kostbare manier zodanig kunnen beïnvloeden dat er daar meer verscheidenheid komt. Bij de drie proefpersonen in het programma bleek dat die zich na een aantal weken inwendig betere bacteriën kweken veel gezonder voelden en dat ook werkelijk waren, zowel lichamelijk als geestelijk en dat ze overgewicht heel gemakkelijk kwijtraakten en dat hun lichaamsvormen erop vooruit gingen. En dat allemaal door de enorme toegenomen verscheidenheid van de bacteriën in de darmen.

Tja dacht ik, als de binnenwereld in mijn lijf zo overduidelijk te kennen geeft dat meer soorten en meer variatie bij de inwoners mij gezonder en vitaler maken, zou het dan toch misschien toch ook waar zijn dat een multiculturele samenleven eigenlijk het gezondste en beste is.

Ja kijk en dan ga ik toch weer twijfelen.

Gees(telijk)tige raad

Deze is niet van mij. Hij kwam langs via de mail, maar ik kan het niet laten dit stukje in ieder geval even op mijn weblog te zetten. Met dank aan de schrijfster: Jiska Sanders.

Onderwerp:Leviticus geschreven door Jiska Sanders

In reactie op de Nashville-verklaring, die ook in Nederland ondertekend wordt, vraag ik als voormalig theologie-studente de ondertekenaars het volgende: 
Beste mede-ondertekenaars van het anti-LHBTI-pamflet! 
Hartelijk dank dat jullie ons weer even herinneren aan de onwrikbaarheid van de Bijbel. Wij weten nu weer hoe homosexuele onreinheid en transgenderisme afgekeurd dient te worden omdat de Bijbel dit zegt (Leviticus 18:22). 
Mag ik jullie advies vragen in enkele andere zaken die in de Bijbel staan, waarvan ik ook graag zou willen weten hoe ik die regels moet opvolgen? Want dat alles wat in de Bijbel staat opgevolgd dient te worden, staat uiteraard buiten kijf. 
1. Leviticus 25:44 zegt dat ik slaven mag bezitten, zowel mannelijk als vrouwelijk, maar alleen als ze aangekocht zijn van buurlanden. Geldt dit nou alleen voor Duitsland en België? Een vriend zegt dat Engeland uitgesloten is, omdat de Noordzee er tussen ligt, maar ik zou toch wel heel graag een Brit bezitten! 
2. Ik wil een van mijn dochters als slaaf verkopen, zoals toegestaan volgens Exodus 21:7. Volgens Leviticus 27:4 is een vrouw dertig gram zilver waard, maar onder de twintig jaar is ze maar tien gram zilver waard. Als mijn dochters al wel volgroeid zijn, maar nog geen twintig, wat is dan in deze huidige economie een redelijke prijs?
3. Een vriend zit met het volgende probleem: volgens Leviticus 15:19-24 mag een man geen contact hebben met een vrouw die in haar menstrueel onreine periode zit. Dat is wel wat lastig te zien. Hoe kan een man dit vermijden? Gewoon vragen valt tegenwoordig niet meer zo lekker, de meeste vrouwen nemen hier aanstoot aan. 
4. Als ik een stier op het altaar verbrand als offer, creëert dit een geur die God welgevallig is, aldus Leviticus 1:9. Ik krijg echter klachten van de buurt als ik dit doe. Zij vinden de geur niet welgevallig. Mag ik ze nu neerslaan? 
5. In mijn straat zijn diverse mensen die maar blijven doorwerken op zondag, Sabbath. In Exodus 35:2 staat duidelijk dat ik ze moet doden. Ben ik nu moreel verantwoordelijk om ze zelf te doden, of mag ik de politie vragen dit voor mij te doen? 
6. Varkensvlees (Leviticus 11:7) en oesters en mosselen (Leviticus 11:10) zijn onreine dieren en mogen niet gegeten worden of aangeraakt worden, en wie ze aanraakt wordt zelf ook onrein. In mijn koor zitten een slager en een visboer, kan ik ze nog wel aanraken als ik handschoenen draag? Oh, en hoe zit dat met het aanraken van een voetbal, gemaakt van varkenshuid? 
7. Volgens Leviticus 21:20 mag ik Gods altaar niet naderen als ik een afwijking in mijn zicht heb. Ik moet toegeven dat ik een bril draag, maar met mijn bril zie ik wel scherp… is hier enige onderhandelingsruimte mogelijk? 
8. Een priester moet trouwen met een maagd, aldus Leviticus 21:13. Daar hebben de katholieken dus al een probleem, hoe gaan de protestanten dit oplossen? 
9. Bijna alle mannen en veel vrouwen in mijn omgeving laten hun haar knippen, óók het haar bij hun slapen. Dit is expliciet verboden in Leviticus 19:27. Hoe moeten ze ter dood gebracht worden? 
10. Een oom van mij heeft een zondige boerderij, want hij plant twéé soorten gewassen in één veld. Daarmee overtreedt hij Leviticus 19:19. Zijn kinderen zijn volgens datzelfde bijbelvers ook zondig, want ze dragen kleding gemaakt van meer dan één soort stof: hun jassen zijn van katoen en polyester. Nog lastiger: zijn vrouw heb ik ‘gvd’ horen vloeken. Nou is het best een heel gedoe om het hele dorp bij elkaar te krijgen om haar te stenigen, zoals Leviticus 24:10-16 voorschrijft. Mogen we ze niet gewoon in een privé-familie-aangelegenheid op de brandstapel verbranden, zoals we doen met mannen die het met hun schoonmoeder aanleggen, zoals voorgeschreven in Leviticus 20:14? 
11. Mijn collega’s lezen de horoscoop in de krant. Volgens Leviticus 19:26 mag je je niet inlaten met waarzeggerij. Hoe lang moet ik ze onrein beschouwen? 
Beste ondertekenaars, jullie hebben de Bijbel veel langer en intensiever bestudeerd dan ik, dus jullie kunnen me hier vast bij helpen. Help mij de wijsheid te verkrijgen om hiermee om te kunnen gaan… hoewel ik nog steeds niet zeker weet of het verstandig is om die wijsheid nou wel te vergaren (Spreuken 3:13-18, gelukzalig hij die wijsheid vindt) of niet (Prediker 1:18, veel wijsheid is veel verdriet). Hartelijk dank dat jullie ons nogmaals duidelijk erop gewezen hebben dat als het maar in de Bijbel staat, het nagestreefd moet worden! 
PS Ik zou toch echt heel erg graag een Brit hebben… PS2Onder punt 3: Het is vrouwen niet toegestaan ergens aanstoot aan te nemen, immers, het hebben van een eigen mening is haar verboden. Bovendien, en ik kan dit niet voldoende benadrukken, een man is verheven boven elke vrouw en bovenal zijn eigen vrouw en hij zal daarom nooit en te nimmer voor haar grieven buigen of zelfs maar deze vrezen. Dus de vraag bij punt 3 kan komen te vervallen.

(NB: Tekst gebaseerd op o.a. een brief van Prof. James M. Kauffman, in reactie op een anti-homoseksualiteit-statement van Dr Laura Schlesinger)

L’ígnorité est tres voisine de límoralité.

L’ignorité est tres voisine de l’imoralité. Onwetendheid ligt vlak naast gewetenloosheid.

Lang geleden kende ik een apotheker die de bovenstaande Franstalige spreuk boven zijn bureau in zijn werkkamer had hangen. Ik vermoed dat hij tijdens zijn studie deze spreuk was tegen gekomen, want de tekst stond niet op een van die bekende spreukentegeltjes, maar was tamelijk primitief ingebrand in een plaatje triplex. Toen ik hem naar de betekenis van deze spreuk voor hem vroeg zei hij dat juist de betekenis ervan hem waakzaam hield in zijn voortdurende streven naar de uiterste zorgvuldigheid. En laten we eerlijk zijn. Hoe vaak doen wij niet dingen, terwijl we niet voor honderd procent zeker zijn van de uitkomst. We weten dan gewoon niet of ons handelen het te verwachten succes zal opleveren en of we het met ons geweten kunnen verantwoorden. We wagen het erop.

Als datgene wat ik erop waag mijzelf betreft, dan neem ik het risico dat het verkeerd afloopt. En als dat dan inderdaad gebeurt kan ik bij mezelf denken: ‘dat was niet slim jongen, je had van tevoren beter het risico moeten bedenken.’ Kortom, een eigen handeling uit genegeerde onwetendheid die zich tegen mij keert. Pijnlijk en soms leerzaam. Maar niet gewetenloos. Maar wat nu als het medisch handelen betreft dat door gespecialiseerde artsen wordt toegepast. Een vinding, een manier van werken, een operatiemethode, waarvan de gevolgen op lange termijn niet bekend zijn. Een dergelijke behandeling of operatie kan bijvoorbeeld aanvankelijk een heel goed resultaat opleveren, maar op de lange duur onverwacht negatieve gevolgen meebrengen.

Nu wordt de bovenstaande Franse spreuk actueel. De betreffende arts ziet tot geruime tijd nadat hij zijn werk heeft gedaan goede resultaten. In het begin zijn de patiënten die hij heeft geholpen tevreden met het resultaat. Een poos later beginnen zich echter nadelige gevolgen van de behandeling te manifesteren. Onherstelbare resultaten. Komt dan het geweten om de hoek? Hebben we nu te maken met wanprestatie? Hebben we te maken met een gewetenloze arts die het risico voor zijn patiënten maar op de koop toe nam als hij maar zoveel mogelijk kon opereren en verdienen? Of moeten we denken dat ook de beste arts niet alles van te voren kan weten, dat ook de meest gewetensvolle arts toch mee zal gaan in wat op dat moment wetenschappelijk juist lijkt en dat bovendien risico’s voor iedereen nu eenmaal bij het leven horen en dat ook elke patiënt zelf toestemming heeft gegeven voor het uitvoeren van de bedoelde behandeling?

Nu dat laatste valt natuurlijk niet te ontkennen, waarbij dan wel direct moet worden opgemerkt dat een patiënt als regel niet over toereikende kennis beschikt en in veruit de meeste gevallen met geen mogelijkheid goed kan overzien waarvoor hij toestemming geeft. Hoe dan ook, hij gaf zelf toestemming. Juridisch is er geen speld tussen te krijgen ook niet als er narigheid van komt en hem wordt voorgehouden: ‘je wou toch zelf?’

Tja, daar sta je dan met je allengs toenemende nadelige bijwerkingen ten gevolge van die behandeling die zo noodzakelijk en goed leek. Het wordt waarschijnlijk een ingewikkelde zaak, als die zou worden aangespannen tegen de behandelende arts of zelfs om de methode ter discussie te stellen. Dat doen we meestal dan ook maar niet. Maar medische behandelingen die weinig of geen resultaat opleveren of die zelfs negatief uitpakken komen vaak voor. Soms levert voortschrijdend inzicht, zeg maar nieuwe ontdekkingen, nieuw onderzoek het antwoord waarom een bepaalde behandelwijze in het verleden beter achterwege had kunnen blijven.

Helaas heb ik zelf ervaren hoe zo’n achteraf gezien onnodig uitgevoerde behandeling kan uitpakken. Een jaar of vijftien geleden kneep ik mijn linkeroog dicht en zag tot mijn verbazing dat er plotseling een bocht in de lantaarnpaal voor mijn huis zat. Toen ik mijn oog weer opendeed was die bocht in die paal er niet meer. Ik vroeg aan de opticien waar ik altijd mijn contactlenzen haalde wat hij ervan dacht. ‘Ik zou maar even een afspraak maken bij een oogarts,’ zei hij.

Dat deed ik. Ik kwam bij een wat oudere arts, die mij met allerlei apparatuur diep in de ogen keek en zei: ‘u hebt een maculapucker.’ ‘Een wat?’ zei ik. ‘Een maculapucker,’ zei hij weer. ‘Dat is een kreukje in het vliesje dat over de gele vlek ligt. Dat moet operatief verwijderd worden, anders wordt het een gat en dan wordt uw oog blind.’

Nu heb ik van een heleboel dingen best wel een aardig beetje kennis al zeg ik het zelf, maar in dit geval was ik volledig overdonderd. Jeetje, blind aan een oog en als dan het andere oog…. Nou ja, je slaat dan al snel aan het piekeren. De dokter wist evenwel raad. Hij had een heel knappe collega die operatief – ja, ja, dat was precisiewerk – dat vliesje kon weghalen…

Ik had geen keus, zo voelde ik dat toen. Blind worden aan één oog? Hou toch op zeg. Ik moet er niet aan denken. Als je dan een vuiltje in je andere oog krijgt zie je ineens helemaal niets meer. Laat ik maar vlug een afspraak maken bij die knappe ogendokter. En dat deed ik. Op een ochtend rond een uur of tien moest ik in het AMC zijn. Ik werd in een gemakkelijke stoel gezet en ieder kwartier kwam een van de assistenten mijn oog indruppelen met iets waardoor er al snel geen gevoel meer in zat. Vervolgens werd mij gevraagd in een smal bedje te gaan liggen, waarin mijn hoofd in een soort holte lag, waardoor het niet heen en weer kon rollen en waarmee ik de behandelkamer van de knappe dokter werd ingereden. Nou, ik moet zeggen dat ik aan vrij veel wat ik zag kon merken dat het een heel knappe dokter was. Zo waren er een stuk of zes of misschien zeven coassistenten, allemaal vrouwen, hele knappe vrouwen, de een nog knapper dan de ander. Maar ja, dacht ik, wat wil je. Die dokter is zelf al zo knap. Overigens is me later wel opgevallen dat er veel vrouwen in oogheelkunde werken.

Van de behandeling in het inmiddels gevoelloze oog heb ik eigenlijk weinig last gehad. Een bepaalde injectie aan het begin die deed eigenlijk ook geen pijn, maar het voelde een beetje raar. Wat de dokter nu precies deed weet ik niet en gelegenheid voor al mijn nieuwsgierige vragen was er eigenlijk niet, maar ik hoorde een hoog ruistoontje waarmee de dokter wel een half uur bezig was. Het leek voor mijn gevoel wel alsof hij met een heel klein stofzuigertje bezig was dat vliesje weg te zuigen.

Toen het klaar was ging er een kapje over het oog. Het was een doorzichtig kapje dat er de volgende dag af mocht bij de controle, maar ik had direct na de operatie tot mijn geruststelling al gemerkt dat ik nog steeds kon zien. Ja de kleuren en het licht, ach, het was allemaal een klein beetje anders, maar dat wende.

Nu heb ik zelf altijd de neiging om te denken dat iets klaar is als het gedaan is. Met andere woorden, ik dacht dat het mankement aan mijn rechteroog verholpen was, totdat mijn opticien bij een periodiek onderzoek de oogboldruk in beide ogen mat en opmerkte dat de druk in het geopereerde oog flink hoger was dat in het andere oog. ‘Ik zou maar eens naar de oogarts gaan,’ zei hij. Dat heb ik ook gedaan en sedert dat moment ben ik bezig met het ene soort druppeltjes na het andere in dat oog. De druk blijft te hoog en het vervelende is dat die gevoelige kleine bloedvaatjes en die zenuwuiteindes die bekend staan als staafjes en kegeltjes en die je nodig hebt om te kunnen zien die kunnen niet tegen die verhoogde druk. Dan sterven ze af. Glaucoom heet dat.

Als ik nu mijn goede linkeroog dichtknijp zie ik ietsje scherp in het midden. De buitenring is eigenlijk matglas. Voor de zekerheid houd ik dus altijd twee ogen open.

Allerlei behandelingen heb ik al gehad, vooral oogdruppels, maar ook laser behandeling en injecties in het oog. En als je nou soms denk dat je de invloed van oogdruppels alleen in je oog voelt, dan heb je het mis. Ik heb druppels gehad waarvan ik heel misselijk werd, of waardoor mijn evenwicht achteruit ging of waarvan ik duizelig werd. Het minst erge vond ik nog de druppels, die overigens helemaal niet hielpen, maar waardoor mijn irissen iets donkerder werden. Nu heb ik dan twee verschillende soorten, zogenaamde bètablokkers. Voor de oogboldruk helpen ze, die is omlaag gegaan, maar ik ga er niet beter door zien. Wel raken mijn darmen er verstopt door en moet ik – wat ik in mijn hele leven nog nooit hoefde – laxeerpillen slikken.

Een oude vriend van vroeger zei, toen de ouderdom hem begon te kwellen met allerlei kwaaltjes: ‘als het gelazer met je gezondheid een keer begint kom je van pissebed in kakkebed.’ Nou ja, van de regen in de drup, bedoelde hij natuurlijk.

Toch is er tot slot iets wat ik je moet vertellen. Even terug naar het begin, weet je nog, over risico’s en zo. Ik vroeg mijn huidige oogarts, een aardige en reële jonge vent wat hij vond van die pucker operatie. Hij zei: ‘Je had alleen last van die kronkel in de verticale lijnen als je met je rechteroog keek hè? ‘Ja,’ zei ik. Een beetje peinzend keek hij me aan toen hij zei: ‘Tegenwoordig overwegen we zo’n operatie eigenlijk pas als je die beeldafwijking ziet als je met twee ogen kijkt….. En geloof het of niet, maar daar baal ik dan behoorlijk van.