Snel, sneller, snelst

Een gevoelig onderwerp, ik geef het toe, maar ik ga er toch een stukje over schrijven op gevaar af over te komen als de oude man die ik nu eenmaal geworden ben. Wat mij in elk geval opvalt is dat op elk terrein snelheidswinst het belangrijkste item lijkt te zijn. Zo moeten de elektronische communicatiesystemen – ja, inderdaad, de computers – steeds sneller worden en steeds meer dataopslag te krijgen, waarbij die data blijkbaar steeds sneller gecombineerd en verwerkt moeten kunnen worden.                               Nu kan ik me voorstellen dat wetenschappers en administrerende bedrijven daar baat bij hebben, maar ik niet. Ik gebruik mijn computer om af en toe een betaling te doen en daarbij kan het me echt niet schelen of het bedrag nu vandaag of pas morgen daar aankomt waar ik het naar toe heb gestuurd. Ook gebruik in mijn computer om te schrijven. Wie regelmatig mijn blogs leest weet in elk geval dat ik mij nooit sterk heb gemaakt voor meer snelheid of meer opslagcapaciteit. Lettertjes nemen in het computergeheugen niet overdreven veel ruimte in, dus wat ik met terabytes aan geheugen moet zou ik niet weten. Als ik alles wil volschrijven wat ik nu nog aan geheugenruimte heb moet ik de komende twintig jaar 24 uur per dag doorschrijven ( ik tik met maar twee vingers).                                                                                                Nu begrijp ik wel dat de fabrikanten het verkopen het gemakkelijkst afgaat als ze elke keer iets nieuws te bieden hebben, maar wat de laatste tijd blijkbaar een beetje zoek begint te raken is het onderscheid tussen features en benefits.                                        Wat zeg je, ben je dat ook een beetje vergeten?                                                                Ik leg het uit: de features van een ding, wat het ook is, zijn de opsomming van wat het ding allemaal kan. De benefits zijn altijd voor iedereen die iets aanschaft persoonlijk namelijk wat je eraan hebt, of het voor jou nuttig is.                                                            En nu moet je voor de aardigheid eens kijken naar de features van een paar zaken vol modern technisch vernuft die je recentelijk hebt aangeschaft. En vergelijk dat nu eens met wat je ervan gebruikt. Tien tegen één dat je meer dan de helft niet gebruikt, maar je hebt er wel voor betaald, omdat het ding zoveel kon.

Snel, sneller snelst is in het hele leven doorgedrongen. Weet je nog dat je vroeger op de fiets naar school ging? Altijd had je zowel op de heen – als op de terugweg wind tegen. Dus je spaarde en met je verjaardag kreeg je er nog wat bij en dan kocht je een fiets met versnellingen. Daarmee kon je met wind mee onverantwoord hard rijden, maar het ging lekker, tot je een keer noodlottig met iets in aanraking kwam dat weinig meegaf, waarna je pas drie maanden laren weer op je inmiddels gelukkig gerepareerde fiets kon stappen en intussen beter begrepen had waarvoor die versnellingen nu waren.

Welnu, ook in de fiets heeft de immer gretige industrie het aanbieden van steeds weer nieuwe features doorgevoerd. Eerst waren het de oudere mensen wier conditie het niet meer toeliet dat ze op de fiets aan het verkeer deelnamen die de motivatie vormden voor de fiets met elektrische trapondersteuning. Inderdaad, voor die mensen is het misschien een zegen, want in de fietstas gaan meer en zwaardere boodschappen dan wanneer je met die zware volle tas moet lopen, omdat je niet meer genoeg kracht hebt om te fietsen.                                                                                                                    Goed dan, voor de wat krachteloos wordende mens die nog wel in staat is om het overzicht in het verkeer te houden en die ook op twee wielen zijn evenwicht nog kan bewaren is de ‘elektrische fiets’ misschien een zegen. Mensen die niet lijden aan krachtverlies en die toch zo’n fiets kopen moeten er echter rekening mee houden dat hun prestatievermogen snel terugloopt omdat ze zich bij het fietsen noch nauwelijks hoeven in te spannen. Ik spreek uit ervaring moet ik helaas zeggen. En het is natuurlijk niet klaar, want de fabriek Nooitgenoeg gevestigd te Handelismooi brengt nu forensenfietsen. Met heel weinig inspanning kun je met een gangetje van rond vijfenveertig kilometer per uur de afstand naar je werk binnen een straal van rond dertig kilometer gemakkelijk binnen een uur overbruggen. Hartstikke gezond man, lekker buiten. Natuurlijk ben je niet getraind op die hoge snelheden, dus als het even mis gaat dan breek je tenminste serieus wat botten. Bovendien hoort niemand je ook nog aan komen dus heb je een beste kans om tegen die slome sukkels aan te rossen.                Als je op je scootertje zou gaan dan horen ze in elk geval nog, maar dan vervuil je natuurlijk weer de lucht.

Vaak moet ik nog denken aan die jongens en meiden die van Texel en van Wieringen naar onze HBS in Den Helder kwamen. Elke dag op de fiets. Een rot end weg vonden wij altijd, maar die gasten waren nooit ziek. Volgens mij horen er geen features en wel heel veel benefits bij gezonde inspanning.

Advertenties

Tocht

Warm is het op het ogenblik in ons landje, zo warm dat er hier en daar al mensen aan bezwijken. Was het ooit eerder zo warm en zo lang achter elkaar? Ik heb het eigenlijk niet bijgehouden, de meeste mensen niet, vermoed ik. Af en toe hoor ik wel berichten dat het  niet eerder zo lang droog is geweest, betrouwbare berichten, dat weet ik zeker, want er zijn mensen die dat soort zaken professioneel bijhouden. Ik niet, ik leef bij de dag als het om het weer gaat. Overigens moet ik zeggen dat ik gezegend ben met een lichaam dat glimlachend warmte, kou, regen, storm en noem maar op verdraagt, nou ja, bijna dan. Eigenlijk is er qua weer maar één ding waaraan ik een beetje een broertje dood heb als ik buiten ben en dat is de combinatie met droog weer en storm en dan op het strand zijn. Dat je daar gezandstraald wordt en dat het alleen enigszins te verdragen is als je met de wind mee loopt, maar dat je helaas ook weer terug moet. Maar verder? Nee hoor, doe maar met dat weer. Ik vind alles best.

Oh ja, er is binnenshuis – ja wat heeft dat nou met het weer te maken – ook nog een omstandigheid die ik buitengewoon onaangenaam vind, een omstandigheid die echt mijn humeur volledig kan bederven: tocht! Echt afschuwelijk vind ik dat. Tocht is wind, maar wind hoort buiten, niet binnen. Tocht vind ik een reden om rond te gaan draven en alles potdicht te doen. Wonderlijk trouwens dat dit soort prikkelgevoeligheden heel ver in je leven terug kunnen gaan.

Ik was nog maar een jaar of vier toen we terugkeerden van ons evacuatiedorp, Schagerbrug,  naar Den Helder. Voor de rest van de nog steeds voortdurende tweede wereldoorlog verbleven we bij Opa en Oma Slot in de Van Hoogendorpstraat. Oma was een ouderwetse huisvrouw. Samen met tante Tetje, de jongste zus van mijn moeder moest altijd alles gepoetst, afgestoft, geschrobd, uitgeklopt en noem maar op. Heel vaak stonden dan de voordeur zowel als de achterdeur open en dan waaide het in huis. ‘Het trekt Pee,’ zei Oma dan. Daar had ik echt een hekel aan want je was dan binnen niet echt binnen, want binnen hoort het niet te waaien. Gek eigenlijk dat ik me daar als kind al zo druk om maakte en dat ik dat nog steeds doe.

Buiten in de wind, in de storm voor mijn part, prima! Binnen met de deuren tegen elkaar open om bijvoorbeeld even de pannenkoeken baklucht te verdrijven, ik ga wel even naar boven achter mijn computer zitten. Of, het is smoorheet in huis – ik vind dat wel lekker – en er moet zo’n ventilator heen en weer staan te zwaaien met kunstmatige verkoelende wind. Niet voor mij. Als ik wind wil ga ik wel naar buiten.                            Af en toe denk ik wel eens: hoe komt dat toch, waar heb ik dat van?                              Ik krijg geen enkel beeld voor me bij die vraag.                                                                  Misschien heeft het iets te maken met een huis dat kapot is…was?                                Ik zie geen beelden, maar ik voel het nog steeds.

Knielen voor BigFarma

‘Jaaa,’ werd er gejuicht in de gebouwen van de Amerikaanse multinational Biogen. Er was een kindermedicijn ontwikkeld voor kinderen met een heel zeldzame dodelijke ziekte: SMA (Spinale Musculaire Atrofie). Die kinderen zullen jong sterven na een dramatisch leven, waarin hun spieren steeds minder kunnen tot tenslotte hun nog veel te jonge hartje er ook mee stopt.                                                                                        Wanhopige, diep bedroefde ouders die tot alles bereid zijn als hun kindje maar mag blijven leven. Eerlijk gezegd – en wie mijn blogs vaker leest weet dat – ben ik een ervaringsdeskundige als het gaat om het verliezen van een kind, want mijn Katinka stierf na een lange lijdensweg op zesendertigjarige leeftijd aan de taaislijmziekte. Toen waren er nog geen middelen die echt effect hadden. Later kwam er een middel op de markt dat toen waanzinnig veel geld moest kosten. Onderhandelingen met de fabrikant brachten het idioot hoge winstpercentage van de fabrikant een beetje omlaag. Overigens bleek het middel de gezondheid van mijn tweede dochter met de zelfde nare erfelijke aandoening alleen maar te verslechteren, maar dit terzijde.

De farmaceutische jongens zien maar geen kans die dollartekens uit hun graaierige geesten te krijgen. Blijkbaar zijn ze van mening dat zieke mensen een ideale business opportunity zijn en niet meer dan dat. De bruikbaarheid van antibiotica hebben ze met hun ramsj-praktijken van obsolete middelen in derde wereldlanden al vroegtijdig naar de gallemiezen geholpen, zodat we nu weer wereldwijde infectie uitbraken moeten vrezen. Maar klaar met graaien zijn ze natuurlijk niet. En er bestaat natuurlijk geen betere drijfveer om mensen naar je wanstaltig dure producten te leiden dan de natuurlijke angst voor ziekte en dood die ons allen ingebakken lijkt te zijn.

Terugkomend op een van de nieuwste inkomensbronnen van Big Farma, het middel ‘Spinraza’ voor kinderen met SMA. Volgens de fabrikant moest het middel in het eerste jaar tweehonderdduizend eurootjes kosten. In de volgende jaren zou het dan voor de helft kunnen. Je begrijpt dat de ouders van die in rap tempo achteruit gaande kinderen in wanhoop de haren uit het hoofd trokken en als het kon alles wat ze hadden te gelde maakten om het knielend en smekend aan voeten van de grijnzende farmaceut te leggen. Sommige van die ouders kregen het niet voor elkaar. Bij radar op de tv vertelden ze dat. Konden we allemaal verontwaardigd meehuilen.

Nu is onze minister Bruins van volksgezondheid met zijn Belgische collega samen naar de fabrikant van Spinraza gegaan, Biogen, om te onderhandelen. En raad eens wat, ze hebben iets van de prijs afgekregen en het middel mag nu in het basispakket van de verzekeraars.                                                                                                                      Wat ze eraf hebben gekregen?                                                                                          Nou, dat zit zo: dat mogen ze niet zeggen, dat is deel van de afspraak met Biogen.      Ik weet niet hoe het jou vergaat, maar deze farmaceutische wisseltruc stinkt wat mij betreft weer vele malen erger dan stront.

 

Kijk uit

Het is al weer ruim tien jaar geleden, denk ik.                                                          ‘Vreemd,’ dacht ik.                                                                                                              Buiten op de stoep voor ons huis stond ik en ik keek naar de lantaarnpaal die voor het huis van de buren stond. Ik kneep mijn linkeroog dicht en ik keek naar die paal. Wat ik zag verbaasde me. Ik wist heel zeker dat het een keurige rechte lantaarnpaal was, maar volgens het beeld dat ik met mijn rechteroog waarnam zat er een vreemde bocht in die paal. Die bocht zag ik niet als ik met mijn linkeroog keek en ook niet als ik met twee ogen keek. Ik dacht: ‘ach, manneke toch, je bent halverwege de zestig. Het zou helemaal niet vreemd zijn als je last van staar hebt.’                                                        Dat gedacht hebbende maakte ik een afspraak bij Zonnestraal, het oogziekenhuis in Hilversum. Toen bevond het ziekenhuis zich ook inderdaad nog op het oorspronkelijke landgoed Zonnestraal.

Er was een wat oudere arts, nou ja, van mijn leeftijd denk ik. Hij keek mij diep in de ogen met behulp van allerlei onbegrijpelijke flitsjes en gekleurde streepjes en zei toen: ‘Ja, een heel klein beetje staar heb je wel, maar dat is nog nauwelijks de moeite waard en dat veroorzaakt ook niet het probleem.’                                                                        ‘O, maar wat veroorzaakt dan die kronkel in de verticale lijnen?’ vroeg ik.                        ‘Je hebt een macula pucker,’ zei hij met een geheimzinnige blik in zijn ogen.                Nou, je begrijpt dat mijn wenkbrauwen omhoog schoten. Macula, dat wist ik wel, dat is de gele vlek. Het gebiedje achter in je oog waarmee je scherp ziet, maar pucker? Geen idee.                                                                                                                                    ‘Luister,’ zei de dokter en er verscheen een uitdrukking op zijn gezicht die duidelijk moest maken dat het nu ineens menens was, ‘een pucker is een kreukel in het vliesje dat over je gele vlek ligt. Dat kunnen we niet zo laten, dat moeten we weghalen anders ontstaat er een gat in de macula en wordt je blind aan dat oog.’                                    Daar schrok ik nogal van. Want ja, als zo’n specialist zoiets tegen je zegt, dan moet je wel luisteren, want anders…

De operatie werd uitgevoerd door een heel kundige Italiaanse oogarts in het AMC ziekenhuis. Het duurde alles met elkaar een uur of twee, waarvan het eerste uur gebruikt werd om steeds weer druppels in mijn oog te laten vallen die er voor zorgden dat er helemaal geen gevoel meer in zat. Toen werd ik naar een kleine operatiekamer gebracht en moest ik een lange tijd doodstil liggen. Dat begreep ik natuurlijk wel, want je wilt natuurlijk niet meemaken dat zo’n oogchirurg uitschiet en dat hij dan per ongeluk de helft van het kleine beetje verstand dat achter dat oog zit weg haalt.                            Ik moet zeggen dat ik er op enkele kleinigheden na niets van heb gevoeld. Wel hoorde ik voortdurend een heel hoog gierend geluid, alsof er een klein stofzuigertje bezig was om mijn gekreukelde vliesje weg te zuigen.                                                                        Het was trouwens druk in die kleine operatiekamer. Ik denk dat die knappe Italiaanse oogarts al zijn mooie coassistenten had uitgenodigd om hem als grote meester aan het werk te zien. En passant had ik ook gevraagd om een staarlensje te plaatsen als de boel toch open lag. Dat werd verstandig gevonden want, zeiden ze, als je in een oog gaat rommelen dan versneld dat onbedoeld het troebelen van de lens.

De volgende dag was – laat ik eerlijk zijn – de dag van de grote meevaller. Ik kon kijken met dat oog. Het was tamelijk anders, maar ik dacht: ‘niet zeuren, dat trekt wel bij.’ Welnu, dat laatste is niet het geval. De vervorming van het beeld in mijn rechteroog is en blijft helaas letterlijk aanzienlijk.

Nu heeft zich echter door de tijd heen bij mij een nieuw probleem ontwikkeld, een andere oogaandoening, glaucoom of groene staar. Die aandoening ontstaat als de vochtdruk in de oogbol te hoog is, waardoor de zenuwcellen waarmee je kijkt langzaam van buiten naar binnen afsterven. Er ontstaat dan een groenachtige kleurverandering in het vocht in de oogbol. Vandaar de naam ‘groene staar’. Mijn goede, linkeroog heeft een prachtige lage oogboldruk. Bij het geopereerde rechteroog loopt die druk al jaren steeds weer op tot bedenkelijke hoogten. Ik begin met dat rechteroog ook steeds slechter te zien. Dat is natuurlijk behoorlijk vervelend en ik troost me met de gedachte dat ik gelukkig twee ogen heb, maar leuk is anders.

Ik ging dan maar weer terug naar Zonnestraal en vroeg de ogenjongens – en meisjes hoe dat nou toch komt dat in dat geopereerde oog de druk steeds oploopt. ‘Dat weten we niet,’ zeggen ze dan. En als je dan oppert dat het misschien wel het gevolg is van die pucker operatie of je vraagt bijvoorbeeld – wijsneus die je bent – wat dan de vervangende oogbolvloeistof was die er na de operatie in ging om de bol weer te vullen en op de normale spanning te brengen, dan zeggen ze dat het gewoon water was en dat je lichaam dat al lang heeft ververst en vervangen door lichaamseigen vloeistof. Tja, maar waarop ik nog steeds geen antwoord krijg is de vraag waarom mijn lichaam dan toch voortdurend denkt dat er meer vloeistof bij dat rechter oog moet. En dan kan ik eigenlijk maar één ding bedenken: het meet – en regelsysteempje dat de oogboldruk moet regelen en stabiliseren is bij die goedbedoelde pucker-operatie beschadigd. Maar ja, Ik ben natuurlijk geen oogarts.                                                                                        Wel lijkt het onderwerp mij voor een wetenschappelijk geïnteresseerd aankomend ogendoktertje een heel aardig onderwerpje om op te promoveren, als in de dissertatie tenminste een bruikbare – en afdoend getoetste oplossing wordt aangedragen.

Vanmiddag ga ik maar weer eens laten meten of de oogdruppeltjes die ik nu weer moet gebruiken alweer in voldoende mate de explosie van het oog weten te verhinderen, want ja, als je maar blijft pompen dan knapt zo’n bal op een gegeven moment.              Onzin natuurlijk maar goeie hemel wat een raar gezicht zou dat zijn.

 

Peter P. van Oosterum

Woeker

Wat zou nu een goed criterium voor misdadige woeker zijn? Dat is een lastige vraag met een waarschijnlijk veel gecompliceerder antwoord dan ik hier kan bedenken. Ik ga het toch maar proberen.                                                                                                      De eerste gedachte die het woord woeker bij mij oproept is wildgroei. Wie in zijn tuin wel eens een zogenaamde bruidssluier heeft gehad weet wat ik daarmee bedoel. De plant, een heester is het eigenlijk, overgroeit alles waarvan je aanvankelijk dacht dat het er zo leuk om heen groeide. In dit geval zie je woeker in een ietwat dubbelzinnige betekenis. De bruidssluier geeft heel veel, groei en bloei, maar neemt ook te veel, ruimte. Woeker is in dit geval eigenlijk wildgroei. In het geval van de bruidssluier is dat onschuldig en hoogstens vervelend en bewerkelijk.

Als we echter te maken hebben met wildgroei, woeker dus, in ons lichaam, dan spreken we doorgaans van tumoren. Die kunnen in het gunstigste geval goedaardig – en daarmee niet uitzaaiend zijn of kwaadaardig en wel uitzaaiend. Net als bij de bruidssluier en trouwens ook bepaalde soorten klimop hebben we hier te maken met woekering die we niet willen, moeilijk te beheersen wildgroei.

In feite is het bovenstaande waarschijnlijk bij iedereen bekend. Natuurlijk is de woekering die we maar al te vaak tegenkomen bij zieke mensen en ook bij dieren en die we kennen onder de verzamelnaam ‘kanker’ voor velen een schrikbeeld. Misschien is het ook wel zo dat heel langzaam een aantal oorzaken aan het licht komen die erop kunnen wijzen dat onze manier van leven en ons milieu verantwoordelijk zijn voor sommige vormen van deze gevreesde ziekte.

Sommige filosofen maken een vergelijking die te maken heeft met de relatie tussen het individu en de samenleving waarvan het individu deel uitmaakt. In dat verband stellen ze dan dat een individu op een bepaalde manier ziek kan worden en dat een hele samenleving ook op soortgelijke wijze ziek kan worden. Je zou ook kunnen zeggen dat het totaal van de ziekten van het individu samen de ziekte van de samenleving vormt. Kort gezegd: de ziekten van de mensen zijn de ziekten van de samenleving. Wat ik eigenlijk wil zeggen is dat een samenleving waarin mensen kankers ontwikkelen, wildgroei, woekering, tumoren, die samenleving ontwikkelt als totaliteit ook die wildgroei, die woekering, die kanker. Ja, en als we het nu toch over ziekte hebben, dan hebben we het meteen over medische zorg en over het ontwikkelen van geneesmiddelen. Kijk, daar wilde ik het vandaag nu eens met je over hebben.

Onze eigen individuele ziekteprocessen zijn natuurlijk vaak afschuwelijk, maar het is toch niet de kwaadaardige woekering waarover ik hier wil schrijven. De kwaadaardige woekering, die onze middelen uitput, die ons in toenemende mate belet om een prettig en bevredigend leven te hebben, die voortdurend ten eigen bate gebruik maakt van de gevaarlijke meststof, “angst” en van zeer kleine maar toch prikkelende hoeveelheden van de doorgaans valse pijnstiller, “hoop”. Dit is het op alle mogelijke manieren op slinkse wijze geïmplementeerde programma van de wereldwijde farmaceutische industrie, die langzaam maar zeker als een kankergezwel de hele medische zorg opvreet. Razendsnel stijgen de kosten voor de gezondheidszorg. Niet omdat de salarissen van verplegenden en verzorgers zo sterk stijgen. Ook niet omdat de dokters ineens zulke krankzinnige honoraria vragen. Dat is het allemaal niet. De grote kostenstijgingen zitten in het onbeheersbaar hufterige woekergedrag van de Farmaceutische industrie. Een leger van juristen beschermt de patenten op nieuwe en al lang niet meer zo nieuwe middelen. En ze zijn duur, veel te duur. Er zijn gevallen bekend waarin meer dan honderd keer de kostprijs wordt gevraagd. En ministers van volksgezondheid moeten beleefd en eerbiedig bij die industrie gaan soebatten of het misschien ook ietsje minder kan.

Zoals overal hebben we ook in de zorg navolgers. Zij kijken met onverholen afgunst naar de krankzinnige winsten van de farmaceutische industrie en denken: ‘de kosten gaan toch al omhoog. Laten wij er nog een klein beetje bovenop doen. Dat merken ze niet. De sukkels die het moeten betalen zijn toch al gewend aan het feit dat het steeds duurder wordt in de zorg.’

En wat zie je dan? Er worden peperdure nieuwe ziekenhuizen gebouwd, hele grote. Daarin heb je natuurlijk een leger aan managers nodig om de wanstaltig grote organisaties aan elkaar te koekenbakkeren. Allemaal hebben ze weinig verstand van zorg. Allemaal steken ze ook eigenlijk geen hand naar patiënten uit. En allemaal gaan ze met een vorstelijk salaris naar huis.                                                                                En als het dan allemaal onbetaalbaar wordt?                                                                  ‘Tja, jeetje, wat vervelend nou,’ zeggen de managers dan, bedachtzaam over hun kin wrijvend. ‘Wij zitten hier nu wel lekker rustig te vergaderen, maar we moeten ook een kostenbesparende oplossing bedenken.’ En dan gebeurt het wonder in managers land. Er staat ineens een manager op en hij zegt: ‘Nou, dan sturen we toch gewoon een heleboel verplegend en verzorgend personeel naar huis. Kom op zeg, dan moeten ze maar een beetje efficiënter werken.’ De voorzitter knikt goedkeurend en zegt: ‘een heel goed idee. Eerlijk gezegd heb ik zelf ook even met die gedachte gespeeld.’                      Er klinkt instemmend gemompel en de manager die zojuist het goede idee lanceerde gaat verder met het app-gesprekje dat hij met zijn vriendin aan het voeren was, voordat hij, geïrriteerd om de storing maar wat riep.

Gechargeerd beeld? Och, een beetje misschien.

Goed, ik heb op dit weblog al vaker grommerige teksten over dit onderwerp geschreven. Ik moet maar eens zeggen wat ik vind dat er moet gebeuren ten aanzien van de verschillende kostenposten. Niet dat ik de verbeelding heb dat de uitvoerende – en dus belanghebbende – krachten zich iets van mij zullen aantrekken. Maar altijd denk ik: misschien ontketen ik een volksbeweging die alle idioot uit zijn krachten gewoekerde rotzooi in de zorg met de staart tussen de benen naar huis stuurt. En als dat, wat te verwachten is, niet gebeurt, dan houd ik nog altijd voor mezelf vol dat ik het moet blijven proberen, want dat niet schieten sowieso mis is.

Goed, dan nu mijn aandachtspuntjes:

  1. De farmaceutische industrie. Ze vragen schandelijke prijzen voor hun overigens lang niet altijd volmaakte producten. Oplossing: zoveel mogelijk goedkoop namaken en onderwijl een blijvend wereldwijde oproep doen de schandelijkheid van hun motieven te erkennen en hen aan de schandpaal te zetten. Processen in verband met patenten traineren en steeds alle juridische flauwekul naar buiten brengen, zodat iedereen de ware aard van Big Farma kan zien.
  2. Het bouwen van nieuwe – en steeds grotere ziekenhuizen stoppen. In het onderwijs is al jaren bekend dat steeds grotere scholen geen beter onderwijs opleveren, in tegendeel. Voor ziekenhuizen geld hetzelfde. Kleiner is overzichtelijker. Geen managers nodig en daardoor een betere werksfeer. Ook een grote bron voor kostenbesparing is te vinden in het feit dat bij de bouw altijd de corruptie meespeelt. Dat is een van de ergste vormen van kapitaalvernietiging.
  3. Zorgverzekeraars mogen geen invloed kunnen uitoefenen op het voorschrijfgedrag van artsen. Ook moeten het allemaal organisaties zonder winstoogmerk worden. Het feit dat zorgverzekeraars nu voor een groot deel de inkoop van medicijnen en de levering aan de apotheken bepalen werkt corruptie, maar vooral ook onzorgvuldigheid in productie in de hand. Hier mag zeker het belang van de aandeelhouder niet spreken.

Nou, dit was het dan weer voor vandaag. Ik zou willen zeggen: als je invloed kunt uitoefenen om verbetering en vermenselijking in de zorg te bevorderen en als je kunt helpen die krankzinnige geneesmiddelprijzen aan de kaak te stellen, zodat de hele wereld kan zien dat het eigenlijk boeven zijn die de markten beheersen. Houd je dan vooral niet in.

Gentest vóór zwangerschap

Ik weet niet of jij regelmatig de krant leest. Ik wel in ieder geval. De behoefte om op de hoogte te blijven van wat er in de wereld om mij heen gebeurt voel ik elke dag. Dat leidt er onder meer toe dat ik twee kranten lees. Wij ruilen namelijk met buren in ons straatje. Ik breng daar de Telegraaf in de bus, zodra ik alles wat ik weten wil heb gelezen en mijn buurman stopt met de zelfde motivatie de Gooi en Eemlander bij mij in de bus.

Vanmorgen stond er op de voorpagina van de Telegraaf weer een vette kop: Gentest vóór zwangerschap. Dat trok onmiddellijk mijn aandacht. Mensen die mij kennen weten dat mijn oudste dochter, Katinka, in 2000 overleden is na zesendertig jaar voortdurende strijd tegen de taaislijmziekte en met mijn jongste dochter, Annemieke, die weliswaar al vijfenveertig is, gaat het ook niet fantastisch.

In de krant lees ik dat er nu zes huisartsen een aanvullende opleiding hebben gevolgd om genetisch onderzoek te doen, waarbij negentig genen kunnen worden onderzocht die betrokken kunnen zijn bij zeventig ernstige erfelijke aandoeningen. Ongetwijfeld zullen vele huisartsen volgen, want het bezoek aan de huisarts is natuurlijk veel laagdrempeliger dan het consulteren van de specialist op het gebied van genetica die doorgaans achter de statige façade van het academisch ziekenhuis zijn werk doet. Ook zal het ongetwijfeld veel goedkoper zijn.                                                                            Let wel, het is de bedoeling dat stellen met een kinderwens zich laten testen alvorens ze tot een hoopvolle zwangerschap besluiten.

Een wirwar van gedachten overvalt mij nu. Nog maar kort geleden kwam er vanuit de christelijke hoek zwaar protest. Wanneer uit het onderzoek van de vrucht in de baarmoeder bleek dat het een CF (taaislijmziekte) kindje zou worden, moest toen het recht op abortus zwaar bevochten worden. Voor bepaalde groepen in de christelijke samenleving ligt een dergelijke ingreep namelijk heel gevoelig. Deze gelovigen gaan er namelijk van uit dat, wanneer er uit de liefdevolle verbintenis tussen twee echtelieden een zwaar gehandicapt kindje geboren wordt, dan is dat niet een teken van ongewenste speling van de natuur, een afwijking van hoe het hoort te zijn, nee, zij zien dat anders. Zij zeggen dan: ‘Het is Gods wil dat jullie een gehandicapt kindje krijgen. God wil je op de proef stellen. Dat ongewild mismaakte of ongezonde kindje in de baarmoeder moet geboren worden en niet opgeruimd om plaats te maken voor nieuw en beter toegerust leven.

Ik heb nooit goed begrepen hoe die lieden altijd zo precies weten waarmee God jou om zijn moverende redenen opscheept. Er zijn geen feiten bekend over rechtstreekse contacten met die theoretisch Allerhoogste. Daarom houd ik het er maar op dat ze elkaar braaf napraten in een ietwat dwingende vorm van sociale controle.

Maar nu, kijk nu dan toch wat er gebeurt. Nu kan je voor dat je samen besluit een kindje te maken naar de dokter gaan om daar te laten uitzoeken wat God eigenlijk stiekem voor je in petto had als grote – maar vooral onaangename verrassing in je prille huwelijksgeluk.                                                                                                                    Ik heb ze uit die eerdergenoemde hoek nog niet horen schreeuwen dat het absoluut verboden moet worden om in Gods programmaboekje te kijken om te zien welke misplaatste practical jokes hij je had toebedacht, maar waarschijnlijk zal er wel weer enig gepruttel volgen.

Een ander probleem zie ik echter ook aankomen. Gaandeweg zullen er minder kinderen geboren worden die veel ouderlijke – maar ook medische zorg behoeven. Op het eerste gezicht zou je dan denken dat we hier te maken hebben met een enorme verlichting in de zorgkosten. Nee, spring nou niet meteen juichend uit je stoel. De zorgpremies gaan echt nooit meer omlaag en ik snap eigenlijk ook al waarom. Wij, ja wij allemaal zijn nog geboren met allerlei onverwachte, ongewenste, hinderlijke en vaak ook gaandeweg invaliderende onvolmaaktheden. Die ouders van ons zijn nooit genetisch onderzocht. Anders liepen er van ons waarschijnlijk een heel stel minder op deze aardbodem rond. Wij vormen voorlopig de grootste zorgkostenpost.

Ik zie het al helemaal voor me, de toekomst. Heel langzaam sterven wij, de genetisch onvolmaakten uit. De nog voortplantende jongere onvolmaakten worden in de toekomst scherp in de gaten gehouden. Onvolmaakt nageslacht wordt niet geduld. Het zal rustig worden op onze wereld. Wel hoop ik dat ook snel het gen zal worden ontdekt en uitgeroeid waaruit warhoofdigheid, machtswellust en eigenbelang voortkomen.

Beetje jammer voor de zorgmaatschappij is het allemaal wel, want zorg hebben we dan niet meer van anderen nodig. Kunnen we allemaal zelf.

Leuk vooruitzicht toch? Of is “ik heb helemaal niemand nodig” nu juist de meest ultieme vorm van egoïsme?

 

 

Autosleutel

Autosleutel.

Enige jaren geleden kocht mijn vrouw een andere auto, een Hyundai I20 bij de dealer in Hilversum. Er waren twee sleutels bij. Je kent ze wel, die moderne sleutels. Als je op een knop drukt klapt de baard naar buiten… wat? Nee, hij hoeft niet geschoren hoor. De baard is het wonderlijk gevormde metalen stripje dat je in het contactslot steekt. Die baard klapt dus naar buiten. Maar ja, dan moet de auto nog open. Daartoe zitten op de platte zijkant van de sleutel drie knopjes. Een om de deuren te openen, een om ze weer te sluiten en ook nog een om het hatchback deurtje aan de achterzijde apart te openen. Klein beetje onzinnig, maar vooruit maar.

Twee sleutels kregen we erbij, de officiële – en de reservesleutel. Die laatste ging natuurlijk aan mijn sleutelbos, want het is best handig als ik er ook een heb. Als we ver weg gaan rijd ik meestal. Ook gebruik ik haar auto vaak als het regent, want haar auto staat altijd voor de deur en de mijne een eind verderop.

Nu kan het zijn doordat het in mijn sleutelhoesje nogal druk is, want ik houd volgens mij een deel van mijn gezag in stand door heel veel sleutels bij me te hebben. Hoe dan ook, bij die reserve sleutel van de Hyundai die aan mijn sleutelbos zit raakte het rubberen kapje over de drukknopjes kapot. Ik kon de auto nog wel openen en sluiten, maar dan moest ik een stokje of een balpen gebruiken om op het onder de oppervlakte liggende knopje in het geheime binnenwerk van de sleutel te drukken.                    Lastig, vond ik. Mijn vrouw vond dat ook. Ze zei toen trouwens ook: ‘snap je nou waarom ik niet al die sleutel in zo’n sleutelhoesje bij elkaar wil hebben? Er gaat altijd iets stuk. Dat zie je nou maar.’                                                                                            En ik zei: ‘nou ja, zo erg is het nou ook weer niet. Ik ga wel even naar die Hyundai garage in Hilversum, waar we die auto hebben gekocht, en ik vraag om een nieuwe sleutel.

De man van de garage vertelde me met een ernstig gezicht dat een nieuwe sleutel driehonderd en nog wat euro kostte. Dat leek mij wat veel en na overleg met mijn vrouw besloten we het dan voortaan maar met één sleutel te doen. Beetje lastig, dat wel. In het begin heb ik een keer of tien met mijn eigen sleutels bij haar auto gestaan om tot de conclusie te komen dat ik weer naar binnen moest om haar sleutelbosje te halen.

Toch bleef het gevoel dat het allemaal onhandig was een beetje knagen. Maar ja, meer dan driehonderd euro voor een nieuwe sleutel is me toch te bar. Ik besloot maar eens op het internet te kijken of het misschien ergens anders een pietsie goedkoper kon.  Tja, dat had ik een poosje eerder moeten doen. Wat denk je? Verschillende bedrijven bieden een nieuwe sleutel voor onze Hyundai I20 aan voor… dit geloof je toch niet? Twintig euro.                                                                                                                        Ik belde een van die bedrijven om te vragen hoe dat zat. ‘Nou,’ zei die man van dat bedrijf, ‘we zetten de baard en het printplaatje in een nieuwe behuizing en klaar is Kees.’                                                                                                                                ‘Zo,’ dacht ik, ‘dat scheelt wel erg veel.’ Maar weet je wat? Ik ga die Hilversumse garage die Hyundai verkoopt nog een tweede kans geven. Misschien hebben ze intussen ook gemerkt dat het wel een beetje goedkoper kan.                                            Heel precies weet ik het belachelijke bedrag niet wat ik van de Hyundai man te horen kreeg. Het was iets van driehonderdzestig euro. Ik vroeg natuurlijk uit de stellige overtuiging dat ik belazerd werd waarom dat zo duur was. ‘Ja,’ zei hij, ‘het is niet alleen maar een nieuwe sleutel. Hij moet ook worden ingelezen op de auto, want anders heeft u leuk een nieuwe sleutel, maar gaat de auto er niet mee open.’                                     Ik heb maar gezegd dat ik dan maar geen nieuwe sleutel wilde. Ik denk trouwens dat hij met dit flauwekul verhaaltje niet vreselijk vaak meer wegkomt.                                    Misschien weet hij het niet van die baard en dat printplaatje.