Trojan Horse

 

Onder deze titel is mijn Sciencefiction roman net uitgekomen.

Een korte synopsis van het verhaal:                                                                                    In dienst bij een grote multinational, de Hoyt Uliger Corporation, HUC, hebben drie geniale ontwikkelaars de volmaakte menselijke, robot, de android ontwikkeld. De ontwikkeling was kostbaar en het prachtige product zal in eerste instantie slechts bereikbaar zijn voor de zeer rijken. Het zal naar verwachting vrij lang duren voor in deze tak van de corporatie een economisch break even point wordt bereikt. Omdat HUC echter andere zeer winstgevende bedrijfstakken heeft zou dit tijdelijk achterblijven in winstgevendheid niet als problematisch gezien hoeven te worden.

Hoe dan ook, het werk aan dit project is klaar. Een nieuwe uitdaging voor deze drie ontwikkelaars is nodig. Om er voor te zorgen dat het bedrijf ook iets te bieden heeft voor de iets minder welgestelden komt hoofd ontwikkelaar, Judith Krantz, fysisch ingenieur,  op het idee om de volmaakte Virtual Reality apparatuur te ontwikkelen, waarbij elke gewenste beleving kan worden opgeroepen door er simpelweg aan te denken.

Haar idee wordt echter op beledigende wijze afgeschoten door Cecil Hoyt, de financieel directeur van HUC, die van mening is dat er eerst winst gemaakt moet worden alvorens weer kan worden geïnvesteerd in nieuwe ontwikkeling. Tijdens de ruzie die het gevolg is van de starre kortzichtige weigering van Hoyt nemen de drie ontwikkelaars onmiddellijk ontslag, tot groot ongenoegen van Brian Uliger, de technisch directeur van de organisatie. Hij ziet de mensen die in zijn ogen het belangrijkste intellectuele kapitaal vormen voor het bedrijf verloren gaan.

De drie ontwikkelaars, onder leiding van Judith Krantz, starten een eigen bedrijf, de Neuro Imaging Corporation, NIC. Hun enthousiasme en vindingrijkheid leiden al snel tot succes, waardoor de economische positie van het nieuwe bedrijf een stevige basis krijgt.                                                                                                                                    Cecil Hoyt beseft echter dat het product dat NIC heeft ontwikkeld en dat nauwelijks uit de testfase is een enorme economische bedreiging vormt voor HUC. Hij sleept Uliger tegen diens zin mee in kwalijke en gevaarlijke aanvallen op NIC. De techniek die gebruikt wordt lijkt een op hacken. Hoyt schroomt echter niet om op een zeer fysieke wijze te hacken. Voor Judith Krantz blijkt dit letterlijk levensbedreigend als ze haar handelen niet meer volledig zelf lijkt te controleren, waardoor ze een fatale fout maakt.

Uiteindelijk wordt de gewetenloze man, Cecil Hoyt, met zijn eigen methode en door eigen toedoen ten val gebracht.

Waarom nu deze titel?                                                                                                        De geschiedenis uit de Griekse mythologie over het Trojaanse paard vormde hier te lande de inspiratie voor het Turfschip van Breda. Strijders of strijdmaterialen worden onopgemerkt bij de tegenstander binnengebracht. In Trojan Horse maak je mee hoe het Trojaanse paard via teleportatie bij een mens wordt binnengebracht en de regie overneemt.

Het boek is uitgegeven bij uitgeverij Schrijverspunt en uiteraard in de eigen webshop van de uitgever te krijgen, maar ook andere verkoopkanalen via het internet, zoals Bol.com bieden het te koop aan. De prijs is € 17,95

 

Advertenties

Corruptie, de belangrijkste oorzaak van de enorme migratiestroom.

Naast onderdrukkende religieuze wetten, waarvoor mensen vluchten, is het toch vooral corruptie die mensen huis en haard doet verlaten en op weg zet naar een onzekere en vaak gevaarlijke toekomst.

Wat mij altijd weer verbaast is het gemak waarmee we onszelf lenig in een systeem bewegen waarin met twee maten wordt gemeten. Wat ik bedoel? Nou, eigenlijk heel eenvoudig: we hebben wetten en bepalingen waaraan we moeten gehoorzamen. Maar als er bijvoorbeeld een nieuwe James Bond film te zien is, dan nemen we er genoegen mee dat de held allerlei verboden dingen doet, zoals het vernielen van installaties van de tegenstander of, erger nog, het vermoorden van vertegenwoordigers van opvattingen die niet de onze zijn.                                                                                        Blijkbaar kunnen we dat. Blijkbaar zijn we heel goed in staat om te vinden wie of wat ons tegenwerkt om vervolgens die toestand op passende dan wel definitieve wijze te beëindigen.

Ik weet het wel hoor, zo’n film is fictie, maar wel geloofwaardige fictie. Er gebeuren bij James Bond geen dingen die echt onmogelijk zijn. De opsporingstechnieken zijn allemaal allang bekend. Nee, sterker nog, in de huidige werkelijkheid zijn de opsporingstechnieken zelfs zo geavanceerd dat grote groepen burgers tegenwoordig huiveren bij de gedachte dat al die techniek beschikbaar zou komen voor onze geheime diensten. Wetten op de privacy moeten dat voorkomen. Als ik dat hoor denk ik vaak: ‘Ja hoor, plas je maar lekker warm. Geloof je nou echt dat er dingen kunnen, omdat geniale mensen ze hebben uitgevonden, en dat die dingen dan ongebruikt in de verpakking blijven staan?’ Wake up! Natuurlijk worden die dingen toegepast. Of heb je de laatste tijd het nieuws niet gevolgd en heb je daardoor niet gehoord hoe onze eigen hackers de Russische hackers hebben gehackt en vastgesteld dat ze zich op zeer onoorbare wijze bezighielden met het beïnvloeden van de Amerikaanse presidentsverkiezingen, waardoor we nu opgescheept zitten met een verwend jongetje van twaalf in het lijf van een achtenzestigjarige nitwit. Kijk, dat soort processen kunnen we monitoren. We zien wat ze doen en als het moet kunnen we ze storen.

Wat we volgens mij zeker ook moeten kunnen is het nauwkeurig in kaart brengen van de belangrijkste bronnen van corrupt handelen in Afrika en Azië. Natuurlijk, je moet er een aantal slimmeriken op zetten, maar die hebben we wel. Als je die bronnen op een zodanige manier kunt storen dat ze bijvoorbeeld plotseling niet meer over toegangen en middelen kunnen beschikken, dan kunnen er alleen al daardoor misschien minder mensen uit Afrika en Azië huis en haard moeten ruilen voor een onzeker en gevaarlijk bestaan als vluchteling.

Nog rigoureuzer zou natuurlijk zijn om een flink aantal goed getrainde commando infiltranten alle corruptie gebieden in te sturen om de grote opruiming te starten van al die mensen die zich systematisch dingen en fondsen toe-eigenen die niet van hen – en zeker niet voor hen bedoeld zijn. Die mensen zijn namelijk de bloedzuigers van hun samenleving die in hun kortzichtig begrepen eigenbelang al die miljoenen mensen op de vlucht jagen.

Ach, ach, wat hebben we al ons best gedaan. Op uitdrukkelijk verzoek van de wereldwijde – en voor de aandeelhouders zeer profijtelijke wapenindustrie hebben we onderdelen van onze krijgsmacht op achteraf nutteloze missies gestuurd. Nou ja, nutteloos voor de plaatselijke bevolking dan, want zodra we ophielden trad de oude ellende weer aan.

Nee, ik geloof meer in een groot aantal super getrainde James Bonds, die ver onder de horizon corrupte hufters helpen vervangen door mensen van wie verwacht mag worden dat ze onder scherp toezicht een poosje niet corrupt zullen zijn.

Zou een dergelijk scenario politiek mogelijk zijn? Wat denk je?                                        Ik zal maar eerlijk zijn. Ik ben er niet optimistisch over.                                                      Waarom niet?                                                                                                                    Ach, weet je, onze politici, de mensen die we hebben toevertrouwd om tegen een tamelijk riante betaling problemen in het land en de wereld voor ons op te lossen, die komen nooit met rigoureuze oplossingen. Dat is namelijk niet politiek correct.                Wel politiek correct is: zien wat er mis gaat in het land en de wereld om ons heen en daar met een gebaar van onmacht niets aan doen, onderwijl tijdens eindeloze debatten uiting gevend aan de opvatting dat het zo niet kan doorgaan en dat er toch echt iets aan gedaan zou moeten worden.                                                                                      Ja,ja, blijven praten, heel beschaafd hoor en er gaat ook ongelooflijk veel goedbetaalde tijd mee verloren, Tijd die al die vluchtelingen al heel lang niet meer hebben.

 

Cocon

Misschien was ik nauwelijks zichtbaar toen ik aan de bouw van deze cocon begon.        Ik weet niet meer zeker of ik heel gerichte plannen had toen. Natuurlijk, het was voor de zoveelste keer weer het begin van alles dat komen ging. Mijzelf kennende denk ik echter dat ik eerder een soort van dromerige verlangens koesterde dan dat ik echt omlijnde plannen had.                                                                                                        Wel had ik uit de beide grondstoffenbanken bepaalde kenmerken meegenomen die mij handig en nuttig leken om bij me te hebben. Ook een hoop rommel trouwens, waarvan ik later meer last had dan me lief was. Eerlijk gezegd ging het allemaal nog al haastig. Het was op een avond, vroeg in de zomer, dat ik merkte dat er een kansje was om met de bouw te beginnen. Ik kan me eigenlijk niet eens meer goed herinneren hoe ik het wist. Er was ergens een dansfeestje, het is allemaal vaag hoor, waar ik was uitgenodigd. Nou ja, uitgenodigd was ik eigenlijk niet, maar ik dacht dat ik daarbinnen een bekende zag. Volgens mij merkte daar niemand op dat ik daar rond hing, want degenen die ik meende te kennen waren hele andere figuren. Nee, wacht, iemand had me gezegd dat het daar gezellig was en dat zij zelf ook gingen, maar toen ik daar aangekomen naar hen toe ging leken ze dat wel vergeten. Heel druk en intiem waren ze met elkaar. Later gingen ze naar buiten. Ze liepen een poos hand in hand langs het strand. Ach weet je, het waren eenvoudige luitjes. Hoewel, veel later heb ik wel gemerkt dat hij wel heel mooie kenmerken had. Zij was eigenlijk alleen maar lief, een beetje angstig maar lief.                                                                                                                Ik weet nog wel dat het een zachte avond was en dat ik toen hoopvol vlak achter hen aan in met hen mee liep. Je snapt natuurlijk dat ik mijn kans moest afwachten. Ja, je mag of je mag niet. Zo gaat het nu eenmaal altijd.

Nou ja, je moet goed begrijpen dat mijn manier van werken, of liever gezegd mijn manier van beginnen altijd weer van zo ontzettend veel factoren afhangt. Als je wist hoe vaak ik bijvoorbeeld voorafgaand aan die gelegenheid alleen al geprobeerd heb om ergens mee te kunnen doen en de gelegenheid te krijgen om te beginnen met de eerste voorbereidingen van de bouw van deze cocon – of van überhaupt een nieuwe cocon, dan zou je misschien tegen me zeggen: man, man, man, heb je dan nooit gedacht: waar begin ik in vredesnaam aan. Daar heb je op zich natuurlijk wel gelijk in, maar het gekke is dat ik nooit heb kunnen stoppen als ik eenmaal begonnen was.

Achteraf gezien was het ook niet helemaal een gelukkige keuze, nou ja, dat moment en dan die twee wel hoor, die waren prima, maar de hele wereld stond op het punt om in de brand te vliegen. Maar ja, ik was nou eenmaal begonnen en na tientallen keren het bos in gestuurd te zijn denk ik dan – en zo ben ik nog steeds hoor – : kom op, niet zeuren, nu doorpakken. Dat heb ik gedaan. Duidelijk, anders zat ik hier niet.

Ik denk er nog wel eens aan terug, wat een risico ik toen heb genomen.                          Zij had er in het begin helemaal geen erg in dat ik met de bouw was begonnen. Oh nee, ze dacht helemaal nergens aan, alleen aan hem. Ze vereerde hem gewoon, maar ik dacht: ik bemoei me er niet mee. Ik heb mijn werkplaats om te bouwen en als ik klaar ben zien we wel verder. Tja, als huisvesting schaars is en je vindt na heel veel teleurstelling en afwijzing eindelijk een plek om te bouwen, dan moet je niet te veel zeuren. Collega’s die een beetje de zelfde instelling hebben als ik hadden me vaak gewaarschuwd als ik ze tegenkwam. Dan zeiden ze: ‘als je ergens een bruikbare plek voor de bouw hebt gevonden, dan moet je niet te veel rotzooi maken en zeker niet gaan lopen zeuren, want voor je het weet hebben ze ineens genoeg van jouw bouwactiviteiten  en dan flikkeren ze je zo naar buiten.

Eén keer heb ik dat meegemaakt. Nou moet ik wel zeggen dat het grotendeels aan mezelf lag hoor, want ik stookte veel te hard, maar ik had ook niet erg zorgvuldig mijn voorraadbanken uitgezocht. Nou ja, ondoordacht hè, zo ben ik eigenlijk vaak nog wel. Maar ik kan je wel vertellen dat het een afschuwelijke ervaring was die ik mijn ergste vijand niet zou gunnen. Je ligt ineens met je half afgebouwde cocon op de koude stenen. Zeer pijnlijk. Weliswaar maar even, want je loopt natuurlijk weg en je gaat op nieuw op zoek naar twee geschikte – en liefst wel een beetje stabiele voorraadbanken maar, eerlijk gezegd, niet onmiddellijk.  Zo’n ervaring op de koude stenen maakt je toch terughoudend, mij tenminste. Ik weet wel dat ik toen een hele tijd dacht: ‘nou, dan maar niet,’ weet je wel. ‘Ze zoeken het maar uit.’ Ja, dat denk je dan. Maar zo werkt het niet. Je moet! Het zit in je. Soms weet je niet eens waarom.

Deze keer wist ik dat trouwens wel. Mijn vorige cocon was een hele mooie donkere. Ik had het prima naar mijn zin daarbinnen. Maar er was een stelletje afgunstelingen, een overmacht eigenlijk en die ramden mijn mooie cocon kapot. Ik had er nog jaren plezier van kunnen hebben. Je begrijpt natuurlijk dat ik eigenlijk woedend onmiddellijk op zoek ging naar twee geschikte voorraadbanken. Waarschijnlijk is dat ook de reden geweest dat ik minder kieskeurig te werk ben gegaan dan wenselijk was.

De bouw verliep voorspoedig en toen ik klaar was voer ik in mijn nieuwe cocon de buitenwereld in. Het was een prachtige feestelijke zondag en ik dacht: ‘ziezo, ondanks mijn wat haastige keus, toch een goed begin aan mijn leven in deze cocon. Zoals gewoonlijk verwachtte ik dat mijn twee voorraadbanken in hun eigen cocons mij samen een beetje op weg zouden helpen. Dat hadden ze ook graag gewild. Maar zoals ik daarstraks al zei, de wereld stond op het punt in de brand te vliegen. Mijn sterkste voorraadbank vertrok om de brand te helpen blussen. Toen hij vijf jaar later terug kwam was hij ernstig beschadigd, onberekenbaar. Oh, hij was ook wel aardig en inspirerend, maar zijn onberekenbaarheid maakte hem vaak angstaanjagend, voor mij in elk geval.

Vreemd is dat ik door de jaren heen ben gaan denken dat ik mijn cocon ben en niet meer dan dat. Diep van binnen weet ik natuurlijk wel beter. Als ik achterom kijk en ik zie al die cocons die ik heb gebouwd. Elke keer weer vol goede moed, overmoed eigenlijk vaak. Elke keer raakte die cocon weer in verval, soms al na een paar jaar en een enkele keer na bijna een eeuw in de tijd te hebben verbleven.

Ik weet natuurlijk niet hoe het jou vergaat. Mijn huidige cocon is vrij degelijk. Hoewel ik er wel bij moet zeggen dat de twee die mij in deze cocon als voorraadbank zagen heb ik niet anders dan materiaal van een zeer bedenkelijke kwaliteit kunnen leveren. De oudste van de twee heeft haar cocon al jaren geleden moeten achterlaten en de jongste heeft ook niet veel geluk met haar cocon: pijn, benauwdheid. Nee slecht materiaal. Een enorm positief is ze wel en klagen doet ze ook niet.                                                          Als ik misschien mijn keus voor mijn eigen twee voorraadbanken zorgvuldiger had gemaakt… Nou ja, laat ik me dat nou maar niet te veel aantrekken. Per slot van rekening hebben ze mij toch ook al dan niet zorgvuldig gekozen. Niet mijn verantwoordelijkheid. Ja, dat zeg ik nou wel, maar zo voelt het niet.

Ach, weet je, ik denk dat ik nog een poosje heb om binnen deze cocon mijn eigen werkelijkheid te maken. Het voelt allemaal nog vrij stevig. Maar één ding weet ik zeker: Als mijn huidige cocon het ooit begeeft, dan stap ik heel rustig uit en dan ga ik eens een keer heel zorgvuldig nadenken wat ik wil. Niet zomaar wat pakken omdat het toevallig langs komt. Geduldig zijn en weloverwogen keuzes maken, weet je.                              Misschien heb ik dat deze keer eindelijk geleerd.

De werkelijkheid?

Laat ik maar beginnen met te zeggen dat mijn werkelijkheid de enige is die ik ken. Dat vind ik eigenlijk direct al een leuke binnenkomer. Iedereen die dit leest kan nu al meteen van het begin af denken dat ik niet de verbeelding heb dat ik over de werkelijkheid van iedereen schrijf. Stiekem denk ik dat natuurlijk wel, maar ik leg er niet de nadruk op. Het gaat anders zo belerend klinken en dat wil ik niet. Dat zal de lezer wel merken bij het verder lezen.                                                                                                                      Overigens denk ik natuurlijk wel dat het zinnetje: “Mijn werkelijkheid is de enige werkelijkheid die ik ken,” door iedereen kan worden  uitgesproken in de volle overtuiging dat het waar is. Dat laatste is eigenlijk de enige reden dat ik zo overmoedig ben om te denken dat ik wel weet hoe het met de werkelijkheid zit.                                Die eerste zin brengt namelijk de fundamentele eenzaamheid van de unieke persoonlijke werkelijkheid tot uiting. Ja, zeg het maar eens hardop: ‘mijn werkelijkheid is de enige werkelijkheid die ik ken.’ Zo op het eerste gezicht klinkt dat triestig, troosteloos misschien zelfs, maar het tegendeel is waar.                                                                      Wel moet ik er onmiddellijk bij zeggen dat het mij lange tijd heeft gekost om tot dit inzicht te komen. En ook is het me tot nu toe niet gelukt om in mijn nabijheid weerklank te vinden voor mijn gedachten over de werkelijkheid. Waarschijnlijk heb ik ook niet de behoefte om zo krachtig overtuigend te zijn dat ik volgelingen zou krijgen die mijn ideeën uitdragen en overal als de heilige waarheid verkondigen. Daar ben ik trouwens niet rouwig om. Volgelingen vormen namelijk een massa die moet worden meegesleept en volgens mij werkt dat meeslepen enorm vertragend op de voortgang. Mijn vader, die een marineman was, leerde mij een mooie uitdrukking die zegt: Een konvooi vaart zo snel als het langzaamste schip. Dat moet je er dus voor over hebben om volgelingen te hebben. Vraag het maar aan alle religies. Traagheid, onveranderlijkheid, alle hakken in het zand. Tja, anders word je voor inconsequent gehouden, onberekenbaar, onbetrouwbaar. Misschien klinkt het raar, maar om bijvoorbeeld een religie in stand te houden moet je in feite bereid zijn om niet te veel na te denken. Als je namelijk echt veel nadenkt, dan verander je vaak van inzicht. Tja, als je dat doet, dan gaan je volgelingen al gauw zeggen: ‘Ja zeg, hoe zit het nou? Vandaag zeg je dit en morgen dat. Je moet wel zeker weten wat de waarheid is, anders kunnen we niet volgen.    Want weet je, dat is wat ik gemerkt heb dat de meeste mensen graag willen: zeker weten wat ze moeten geloven.                                                                                          Zelf uitzoeken en tenslotte vinden wat je als waarheid kunt beschouwen? Veel te moeilijk! Trouwens, we hebben al genoeg te doen om het dagelijks leven een beetje leefbaar te houden. Op zoek naar de waarheid achter het leven? Ach, daar hebben mensen voor die ervoor hebben doorgeleerd, toch?

Ontmoedigend? Nee hoor, voor mij niet, ik kan jaren met iets dat mij boeit bezig zijn zonder dat ik daarvoor de aanmoediging van erkenning of instemming krijg. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat ik het niet leuk zou vinden instemming te krijgen. Daarvoor moet ik echter blijkbaar iets doen dat ik tot dusver heb nagelaten, over het hoofd gezien, niet nodig vond… Of nee, het zit anders. Ik had de ideeën in mijn hoofd nog niet zodanig op een rijtje dat ik het ook kan opschrijven, uitleggen eigenlijk.

Maar volgelingen, nee, die wil ik niet hoor. Ik bedoel, je mag me best vertellen dat je het met me eens bent of grotendeels met me eens bent maar… Geen volgelingen in elk geval. Elke keer zou ik me moeten omkeren om steeds weer uit te leggen wat ik al eerder had uitgelegd. Vervelend hoor, zonde van de tijd. Nee, ik heb een beter idee: ik schrijf het hier één keer op.                                                                                                Lees het, pas het aan naar je eigen idee. Roep me vooral niet ter verantwoording als je het niet met me eens bent. Dat is al zo vaak geprobeerd. Dat helpt niet. Ik blijf toch mijn eigen gedachtelijn volgen.

Hoe dan ook, eerst ga ik een op het eerste gezicht absurde stelling neerschrijven, om vervolgens moeite te doen de houdbaarheid ervan te bevestigen of met spijt moeten vaststellen dat het onzin is.

1e stelling: Ik ben mijn totale eigen werkelijkheid, mijn eigen universum. Alles wat ik op welke wijze dan ook waarneem veroorzaak ik zelf, ben ik zelf. Die totale werkelijkheid heet ‘mijn bewustzijn, bevindt zich in mijn bewustzijn, is daarvan een overheersend deel.’

1e tegenargument: hoe kan ik nu staande houden dat ik mijn hele werkelijkheid ben als ik toch duidelijk waarneem dat mijn werkelijkheid, de plaatsen waar ik me bevindt, hoe ik mij voel, met wie ik in contact kom, ben, blijf, steeds weer min of meer toevallig lijkt te ontstaan zonder dat ik daarop enige invloed lijk te hebben?                                              Het kan toch niet mogelijk zijn van seconde tot seconde mijn hele werkelijkheid te maken? Ja, kom op zeg, mijn hele lichaam zeker ook!

1e reactie: mijn lichaam is de eerste en meest nabije werkelijkheid die ik ervaar, waarbinnen ik de voortdurende indruk heb te bestaan. Daarin huist bijvoorbeeld mijn waakbewustzijn waarmee ik kan waarnemen wat er om mij heen lijkt te gebeuren en wat er aan verschijnselen tot mijn waakbewustzijn doordringt aangaande de processen binnen mijn lichaam.

Als ik nu mij even beperk tot die lichamelijke processen en reacties, dan kan ik al spreken van bijna honderd procent van de bewustzijnsinhoud. Nee, ik bedoel niet dat heel kleine beetje waakbewustzijn; dat ik denk, zie, hoor, voel, proef, ruik, weet. Nee, ik doel op die mogelijk miljarden levensprocessen die ik automatisch uitvoer en waarmee ik mijzelf in een min of meer stationaire toestand houd, die ik mijn leven noem, een gigantisch complex van processen dat zich in een voortdurend ondeelbaar nu afspeelt. Dat lichaam van mij is nog geen miljoenste seconde volkomen gelijk aan de miljoenste seconde daarvoor: fysiologie weet je wel, stofwisseling, gaswisseling, spijsvertering, hormonale processen, neurologische processen, alles voor meer dan negenennegentig procent automatisch, maar ik doe het blijkbaar wel want anders gebeurt het niet.

Het stukje waakbewustzijn is ten opzichte van het gigantische deel van mijn totale automatische bewustzijn dat buiten mijn bemoeienis al die processen uitvoert slecht een snippertje, één enkel draadje van enkele centimeters tussen alle textiel op Aarde.  Ja, zo ligt die verhouding denk ik wel.                                                                                Het lijkt allemaal vanzelf te gebeuren maar… mijn lichaam doet dat allemaal… ergo: ik doe dat allemaal, want ik ben natuurlijk ook mijn lichaam.  Mijn tamelijk stuntelig waakbewustzijn heeft er gelukkig slechts zijdelings minimale invloed op, namelijk slechts uit de praktische overweging dat er ook vrij nauwkeurig fysiologisch op stemmingen en aanvoer van spijs en drank moet worden gereageerd.

2e stelling: Ik kan niet buiten mijn bewustzijn treden. Dat lichaam dat ik ook ben met alle processen die mijn onbewuste bewustzijn uitvoert, samen met mijn waakbewustzijn met alle gewaarwordingen die ik al dan niet bewust registreer vormt de buitengrens van mijn werkelijkheid. Weliswaar heb ik van kinds af aan geleerd dat er een binnenwereld (ikzelf) en een buitenwereld (de zogenaamde objectieve werkelijkheid) is, maar dat zijn in feite alleen maar opgedrongen afspraken die vanzelfsprekend leken en die ik daarom maar jarenlang voor waar heb gehouden.

Wij, in onze prachtige luxe westerse samenleving hebben waarschijnlijk allemaal geleerd dat er buiten ons de wereld is. Daaraan zijn we gewend. Ook zijn we eraan gewend dat we er van overtuigd zijn dat er aan die buitenwereld door ons niets kan worden veranderd, anders dan door werken, samenwerken, kortom inspanning.            Toch ben ik van mening dat dit soort overtuiging een beetje naïef is: Ik kan het niet, dus kan het niet. Daar komt de gedachtegang op neer.                                                            Waarschijnlijk is het reëler om te denken: ‘ik kan het nog niet, dus weet ik niet of het kan.’

Eeuwenlang hebben we ervaring met verwachtingsvol naar buiten kijken, althans, dat denken we. We zien de wereld buiten ons, de andere mensen, de andere landen, de sterren, de planeten, het universum vol van in onze ogen onbegrijpelijke gebeurtenissen. De manier waarop we hiernaar kijken geeft ons het gevoel dat we heel klein, heel nietig en misschien eigenlijk ook heel onbelangrijk zijn. Nu, dit laatste is de meest dodelijke overtuiging voor onze verdere ontwikkeling. Denk even na als je zo vriendelijk wilt zijn: jij vindt dus dat je klein en nietig bent, dat het er helemaal niet toe doet wat je probeert te betekenen, dat de wereld wel doorgaat zonder jou. Nee, sterker nog, je weet het zeker.                                                                                                      Weet je wat ik me dan afvraag? Ik vraag me dan af of iemand die zelf vindt dat ie onbetekenend, nietig, onbelangrijk in de totale kosmos is, of zo iemand dan nog wel een reden heeft om te proberen het beste van zijn leven te maken.                                  Ik denk van niet.

Laatst had ik een heel wonderlijke droom. Ik zat of stond en rondom mij heen, echt aan alle kanten gebeurde er van alles. Het was alsof ik midden in een bol naar een film keek die op de hele binnenkant van de bol werd geprojecteerd, want ineens zag ik dat ik inderdaad naar de binnenkant van een bol zat te kijken en dat de binnenkant een soort projectiescherm geplakt was. Ergens, waar ik net bij kon zat een hoekje los, als of het niet goed was vastgeplakt. Ik begon eraan te trekken, want ik wilde weten wat erachter zat. Ik trok net zolang tot ik dat hele projectiescherm rondom me heen had weggetrokken. En weet je wat ik toen zag? Die bol waarin ik in het midden zat en waar dat projectiescherm tegenaan geplakt had gezeten, dat was een spiegel. Van alle kanten keek ik naar mezelf.                                                                                              Toen dacht ik: vlug rechtop gaan zitten en dat schrijfblok en die pen naast mijn bed pakken en opschrijven wat ik net droomde, want ik droomde mijn persoonlijke waarheid die ik je nu al een hele tijd aan het vertellen ben.

Die bol waarin ik zit is mijn bewustzijn. Die projecties dat zijn mijn waarnemingen. Alles moet ik zelf veroorzaken. Ik ben waarnemer en projector, let maar op, alle manieren van waarnemen zijn werkwoorden, dingen die je doet. Je hoort, je ziet, je voelt, je proeft, je ruikt, je weet. Allemaal activiteiten die alleen werkelijkheid voor je opleveren als je ze doet. Nee, je doet die dingen niet bewust, dat weet ik wel, maar dat geldt evenzeer voor die miljoenen fysiologische handelingen die je binnen je lichaam verricht om je lichaam te onderhouden en te laten functioneren en, natuurlijk, om die paar waakbewuste belevingen mogelijk te maken.

Lang geleden toen ik oud genoeg was om niet meer alleen aan plezier te denken struikelde ik over een dilemma: Als er iets mis gaat met je hoofd kun je misschien wel bewusteloos raken, maar buiten je bewustzijn kun je niet bewust zijn. Daarom kun je eigenlijk niet bewijzen dat er buiten je bewustzijn iets is, want je moet altijd die werkwoorden in jezelf opstarten om beeld, geluid, gevoel, geur, smaak, kennis gewaar te worden. Doe je dat niet, dan is er niets.

‘Ja maar,’ roep je nu, ‘als ik lig te slapen dan gaat de werkelijkheid buiten mij toch gewoon verder? Als ik wakker wordt is er toch intussen van alles veranderd. De tijd is doorgelopen het is ochtend geworden. De wereld met de hele werkelijkheid gaat toch gewoon door terwijl ik slaap, dat merk ik toch gewoon elke morgen als ik wakker wordt?Het is zo verleidelijk om uit te gaan van een binnenwereld die we “ik” noemen en een buitenwereld die we “de objectieve werkelijkheid” noemen.                                                Als ik dat echter doe, dan gebeurt er van alles waarvan ik kan zeggen dat ik er niets mee te maken heb. Zo gebeuren er in dat geval ook voortdurend dingen die ik vaak vervelend vind en waarvan ik de schuld bij een ander leg. Als iets voor mij heel goed gaat kan ik dan volhouden dat ik het fantastisch heb gedaan en mezelf op de schouders kloppen. Als het fout gaat is dat natuurlijk nooit helemaal mijn schuld.                              Ook zijn er, als ik op die manier naar de werkelijkheid kijk, om mij heen altijd tamelijk veel mensen die ik vervelend vind of waaraan ik zelfs een hekel heb en die ik het liefst iets vervelends zou zien overkomen. Ach, eigenlijk de gebruikelijke manier van denken van bijna iedereen. Bedenk ook maar eens dat succes vele vaders heeft en mislukking slechts één: een ander, ik niet hoor!

Deze strak volgehouden visie op de werkelijkheid is feitelijk de fundamenteel egoïstische visie, waardoor we steeds weer zowel inde macro-wereld als in onze eigen kleine microwereld moeten leven met spanning en onbehagen met maar af en toe iets prettigs.

Ga ik nu beweren dat er geen werkelijkheid buiten ons is?                                                Nee, ik denk er niet over. Ik beweer iets heel anders. Ik beweer dat ik niet – en niemand overigens – kan bewijzen dat er zoiets als een objectieve werkelijkheid buiten ons is.      Waar het om gaat is waarmee we werken, die verschijnselen in ons waakbewustzijn die voortkomen uit het in gang zetten van die waarnemingswerkwoorden, waardoor wij beeld, geluid, gevoel, geur, smaak en kennis krijgen.

Laten we nu, tegemoet komend aan onze levenslange gewoonte, aannemen dat er verschijnselen buiten ons zijn die wij met die werkwoorden in ons eigen bewustzijn tot een persoonlijke werkelijkheid maken. Dan zul je het met mij eens moeten zijn dat die hele bewustzijnsinhoud van mij – en van jou – een eigen maaksel is. De waarneming die ik van een ander heb is niet meer of minder dan wat ik in mijn bewustzijn van die ander heb gemaakt. Dat geldt trouwens voor alle anderen en al het andere. Alle anderen en al het andere zijn creaties die ik in mijn bewustzijn heb gemaakt. Het zijn volledig integrale delen van mij.

Dan ben ik nu, na dit hele verhaal, aangekomen bij een belangrijke vraag die ik aan je stellen wil. Eerlijkheidshalve moet ik erbij zeggen dat ik bij het stellen van deze vraag ervan uit ga dat je geen continue neiging tot zelfdestructie hebt.                                        Goed, dat gezegd zijnde, dan nu de vraag: Als je nu begrepen hebt dat alle anderen en al het andere alleen maar alle anderen en al het andere in jou zijn, je eigen creatie, deel van jou zelf, ga je dan die ander in jou schade toe brengen, pijn doen, slecht behandelen, verwaarlozen? Of begrijp je nu eindelijk dat je dan bezig bent een wezenlijk deel van jezelf te beschadigen?                                                                          Want dat zou natuurlijk wel ongeveer het aller stomste zijn wat je kunt doen, toch?

Wat wilde je nu nog weten?                                                                                                Of je dan altijd zoetsappig lief voor alles en iedereen moet zijn?                                        Nee hoor, dat zou pas echt tot domme verwaarlozing voeren.                                          Zie je leven maar als een tuin, waarin je liefdevol het onkruid moet wieden.                    Oh ja, kleine waarschuwing: het onkruid komt steeds weer terug, gelukkig.                      Niet definitief doden hoor. Wat voor jou onkruid is, is voor een ander zijn dagelijks brood.

 

Jan

Het moet meer dan twintig jaar geleden zijn, maar soms moet ik nog wel eens aan Jan denken.                                                                                                                                Hij speelde banjo en slagwerk en hij zong. Met zijn zware doorrookte en door whisky verder prachtig geïntoneerde vocale rasp zong hij bijvoorbeeld op onnavolgbare wijze het mooie dixielandnummer “Rosetta’’.                                                                              Voor Jan was de muziek een tweede thuis, waaraan hij vaak de voorkeur gaf boven het huis waar hij woonde, maar waar hij al sinds heel lang niet meer vond wat hij nodig had.

Eigenlijk was Jan in de allereerste plaats vader, en dan een vader van het soort waarmee de boze buitenwereld maar beter geen ruzie kon maken, want met zijn commandotraining en BVD-achtergrond was hij een vervaarlijk tegenstander.

Ooit was Jan getrouwd geweest met een vrouw die hem vier kinderen schonk, maar die hem daarnaast voortdurend op allerlei manieren belazerde. Toen het Jan allemaal te veel en te machtig werd en het mens bij hem weggelopen was met medeneming van letterlijk alle huisraad, zorgde hij ervoor dat hij zo ongeveer de eerste vader in Nederland was die van de rechter zijn kinderen kreeg toegewezen.

Tja, en toen was Marijke gekomen. Ze kwam als huishoudster en om te helpen de kinderen op te voeden. Ze was lerares en wat kinderen betreft wel wat gewend.              Uiteindelijk trouwde Jan maar met haar omdat ze – zoals hij het uitdrukte – dat wel verdiende. Maar eigenlijk werd het nooit echt wat tussen Jan en Marijke. Altijd, als hij over Marijke sprak zei hij: ‘weet je, ze is een fantastische moeder voor de kinderen en ik zal haar nooit in de steek laten, want dat verdient ze niet. Maar ze is zo verdomde saai.

Jan werkte bij een grote krant. Toen hij zestig werd mocht hij in de VUT. Hij had een huisje gekocht in Frankrijk, in de buurt van de plek waar zijn zoon en diens vrouw op tamelijk armelijke wijze met een schapenboerderij de kost trachtten te verdienen. Jan was daar vele malen naar toe gereden om te helpen met het verbouwen van de boerderij en wat verder de hand te doen vond.

Het huisje in Frankrijk stond klaar en de jonge opvolger van de zwarte labrador Tjoin, had er ook veel zin in.                                                                                                          Vlak voor Jan echt zou vertrekken reed hij zich op de grote weg kapot.

Jan werd begraven in Den Haag, op Okkenburg. Ik ben niet naar de begrafenis gegaan, lafaard die ik ben, want als ze daar – wat stellig te verwachten was – mooie jazz hadden gespeeld, was ik nooit meer opgehouden met huilen.

Jan was van ons kwintet eigenlijk de Godfather. Toen onze blinde saxofonist bij zijn nymfomane vriendin weg liep om met een andere vriendin verder te gaan waren er urenlange verantwoordingsgesprekken met Jan geweest. Er moest net zo lang gepraat worden tot Jan erachter kon staan en het begreep.

Toen ik mijn tweede huwelijk voor gezien hield, omdat ik eindelijk de vrouw van mijn leven had gevonden, kondigde Jan aan dat hij kwam praten en ik verzeker je dat ik me daar toen behoorlijk zenuwachtig over maakte. Na een avond lang en stevig bomen kregen we zijn zegen.                                                                                                          Voor mij betekende dat, dat ik het goed had gedaan, want Jan kon niet leven met mensen die valse rotstreken uithaalden.

Van vrienden die wel naar zijn begrafenis waren gegaan heb ik later gehoord dat er wat klassieke muziek was gedraaid. Vermoedelijk vond Marijke het passender. Jan was na het vertrek uit huis van alle kinderen inmiddels toch niet meer met haar samen.              Klassieke muziek! Jan moet hebben liggen vloeken, daar in die kist.                              Zo verdomde saai.

Moord

Moord is een misdrijf. In alle landen van de wereld schijnt het zo te zijn – nou ja, van de zogenaamde beschaafde landen weten we het tamelijk zeker – dat moord een zwaar misdrijf is. Vaak zie je, als je de moeite neemt om rechtbankverslagen te lezen of in het nieuws te volgen, dat moord kan voortkomen uit verschillende emoties van de dader of daders. Het kan zijn dat iemand gedreven wordt door een onblusbare jaloezie en in die verwardheid – eigenlijk geesteszieke toestand – het eerdere voorwerp van zijn liefde om het leven brengt. Vervolgens hebben we dan de zogenaamde lustmoordenaars. Daarvan hebben we er gelukkig niet heel veel. Het zijn mensen die geestelijk ziek zijn en die ervan genieten om meestal vooral jonge vrouwen om te brengen. Het lijkt maar niet te lukken om deze zieke mensen echt te genezen, maar nogmaals, gelukkig komt dat niet elke dag voor.                                                                                                      Maar dan krijgen we de grootste groep. Weer, moet ik helaas zeggen, mannen, die het om macht of geld te doen is. Heel vaak is moord dan ook roofmoord.

En nu denk je misschien dat we het rijtje nu wel compleet hebben. Tot nu toe hebben we namelijk te maken met duidelijk herkenbare misdadigers die we laten arresteren en opsluiten en soms ook psychiatrisch behandelen.                                                              Maar we zijn er nog niet hoor. O nee.                                                                                In onze beschaafde wereld zijn er namelijk onmetelijk rijke zakenlieden die de macht hebben over levensreddende medicijnen. Die medicijnen maken ze dan zo verschrikkelijk duur (natuurlijk gebruiken ze als reden daarvoor allerlei rotsmoezen) dat bijna niemand het kan betalen. Natuurlijk weten ze dat angst en wanhoop mensen ertoe drijft om volstrekt onverantwoorde dingen te doen om bijvoorbeeld het leven van hun doodzieke kind te redden. Dus ze beginnen eigenlijk meteen al winst te maken met hun idioot hoge prijs.

Dan volgen de taaie onderhandelingen. Er is dan een periode waarin de onderhandelingen over de prijs van het medicijn tergend langzaam verlopen. De zakenman heeft de tijd, nietwaar. De arme sloebers met die doodzieke kinderen zullen alles in het werk stellen om hulp te krijgen om aan het medicijn te komen. De zakenman heeft de tijd. Hij wil de prijs zo hoog mogelijk houden en hij weet dat de wanhoop bij de tegenpartij voor hem werkt.                                                                                                Tijdens die onderhandelingen sterven een aantal patiënten die aan die ziekte lijden en die met het medicijn gered hadden kunnen worden.                                                      De zakenman weet dat. Wat hij echter ook weet is dat hij opereert in het meest veilige corrupte deel van de samenleving, de farmaceutische industrie. Hij heeft moord om geldelijk gewin op zijn geweten en de stupide wetgeving stelt hem wereldwijd in het gelijk. Hij wordt niet aansprakelijk gesteld voor de sterfgevallen die hij gemakkelijk had kunnen voorkomen. Winst is heilig blijkbaar. Dan telt men de doden niet.

Nu hoorde ik zojuist via de radio in de auto dat een Haagse apotheker het medicijn Orkambi, dat levensreddend werkt voor patiënten met de taaislijmziekte, gaat namaken. Natuurlijk is dat officieel verboden want er ligt een octrooi op, waardoor hij het risico loopt een leger advocaten op zijn dak te krijgen van de fabrikant/zakenman.                    Die fabrikant biedt dat middel namelijk aan voor honderdzeventigduizend euro per jaar.  Onze Haagse apotheker denkt het voor twintigduizend euro per jaar te kunnen en dan ga ik ervan uit dat de goede man zelf ook nog wat verdient.

Als je dat even narekent – en laten we nu even aannemen dat die twintigduizend de bodemprijs is – dan maakt die dood door schuld farmaceut/zakenman toch achthonderdvijftig procent winst. Schunnig!

Het patent – en octrooisysteem is natuurlijk prachtig. Jij bedenkt iets handigs waarvan mensen gemak kunnen hebben als ze het willen kopen. ‘Leuk en redelijk voor alle dingen die je niet echt nodig hebt, luxe dingen. Nou, daar mag je wat mij betreft steenrijk van worden.                                                                                                          Maar laten we nou toch eerlijk zijn, uitvindingen waar je niet omheen kunt die je dood betekenen als je ze niet gebruikt, daarop mogen toch geen beschermende octrooien worden gegeven. Dat moeten toch dingen zijn die iedereen moet mogen namaken, zodat bijvoorbeeld alleen de snobs in deze wereld kunnen zeggen: ‘Ik gebruik uitsluitend het echte merkartikel,’ en dat een ander die een heel klein portemonneetje heeft dan antwoord: ‘Nou, ik niet hoor, de namaak die ik gebruik werkt net zo goed al krijg ik het in een papieren zakje mee, in plaats van in een zilveren doosje.

Kijk, als dat soort octrooien nu wordt afgeschaft, dan is zakelijke moord uit winstbejag de wereld uit.

Lijkt mij eigenlijk best redelijk.

Hapjes

Ja, precies, hapjes, veel te vaak en veel te veel. Ik hoop dat ik er nu definitief een punt achter heb gezet en natuurlijk hoop ik ook dat ik er ruimschoots op tijd mee ben.            Nou weet je, echt dik ben ik niet, vind ik zelf. Met een lengte van een meter zesentachtig en een gewicht van honderd en twee kilo was ik aan de stevige kant, maar het begon me te hinderen. Ik schreef er al eens eerder over, dat ik me ergerde over het feit dat ik mijn veters moest strikken met de voet op de knie. Dan komt die strik onvermijdelijk aan de binnenkant te zitten, in plaats van in het midden, waar hij hoort.    Wat ik je vandaag even vertellen wil is dat ik weer gemakkelijk vooroverbuigend mijn schoenen kan strikken zonder volledig buiten adem te raken. Vijf kilo ben ik inmiddels kwijt.

Natuurlijk had ik al een hele tijd door dat zelfs dat gemiddelde overgewicht me behoorlijk begon te hinderen. Ik ging naar de sportschool, drie keer in de week.            Dat hielp niet. Ik bleef precies even te zwaar. Bovendien zat daar voor mij een extra bezwaar aan. In zo’n sportschool ben je voortdurend bezig allerlei dwaze bewegingen te maken die geen enkel ander doel dienen dan dat je ze maakt. Ik bedoel, je bereikt er niets mee. Je fietst, maar je komt niet vooruit en je gaat nergens heen. Je richt je op en je gaat weer liggen, maar opstaan doe je niet. Oh, het zal best aan mij liggen hoor, maar zomaar bewegen zonder een ander doel dan dat je die beweging maakt ervaar ik als dodelijk saai. Dus met die sportschool ben ik na een half jaar opgehouden.

Trouwens, hardleers ben ik ook. Na een tijdje niets aan mijn gewichtige lijf te hebben gedaan dacht ik: zo gaat het natuurlijk niet goed, Petertje. Zo word je steeds zwaarder. En opnieuw dacht ik dat er dingen moesten worden aangeschaft om de aanval op mijn zwaarlijvigheid in te zetten.                                                                                                  Twee dingen schaften we aan, een hometrainingsfiets, je weet wel, trappen in alle gradaties van licht tot zwaar en een extra Tv toestelletje. Want als ik zit te trappen en ik word daarbij niet afgeleid van de ridicule zinloosheid van waar ik dan nu weer mee bezig ben, dan stap ik na vijf minuten alweer af.                                                              Die fiets staat er, op de slaapkamer. Ik moet zeggen dat ik wel merkte dat ik gemakkelijker de twee trappen naar onze slaapkamer begon op te lopen, maar gewicht kwijtraken, nee hoor.                                                                                                            Bij mij zakt dan al vrij snel de motivatie om op zo’n ding te gaan zitten trappen. Trouwens, het kost me sowieso al vaak de grootste moeite om langer dan een kwartier geboeid naar welke tv-uitzending dan ook te kijken.

Eigenlijk werd ik pas op een bruikbaar spoor gezet door mijn vriend Bas. Bas is een buitenmens. Goed, hij is elf jaar jonger dan ik, maar toch intussen ook de pensioengerechtigde leeftijd gepasseerd. Bas wandelt elke dag, weer of geen weer, in een stevig tempo een uur lang door de Larense dreven.                                                    Bovendien verstaat hij de kunst om dingen op een zodanige manier te vertellen dat je als toehoorder overtuigd raakt van de heerlijke gevoelens die je deel kunnen worden als je doet wat hij doet. Dat is knap, zeker als je weet hoe ongelooflijk eigenwijs ik ben.

Ik heb naar Bas geluisterd. Ik moet zeggen dat er in het begin veel tandengeknars en vooral pijn in mijn heupen aan te pas kwam. Om eerlijk te zijn: een kwartier lopen in een stevig tempo en dan was ik blij dat ik weer voor onze eigen voordeur stond. Nu zit ik op een half uur en mijn heupen protesteren ook niet meer.

Maar lopen is niet het enige dat ik in mijn leven heb veranderd.                                      ’s Morgens doe ik een theelepel Baking Soda in een groot glas water en daarin het sap van een halve citroen. Vervolgens pas ik een oud trucje toe om met weinig voedsel toch een voldaan gevoel te hebben. En denk nou maar niet dat het onzin is, want het werkt echt.                                                                                                                                  Je neemt één boterham. Wat je erop doet moet je zelf weten. Ik raad je aan iets te nemen waar geen suiker in zit. Die boterham snijd je in acht of tien stukjes. Elk stukje kauw je zo lang dat het in je mond pap is geworden voor je het inslikt. Pas als je mond helemaal leeg is pak je het volgende stukje. Dus niet met het volgende stukje al in je hand zitten te wachten tot je mond leeg is. Liggen laten!                                                  Je zult merken dat je aan die ene boterham voldoende hebt.                                            Doe bij de lunch het zelfde.                                                                                                ’s Avonds eet je zoals je gewend bent, hoewel, het is waarschijnlijk beter wat terughoudend met aardappelen te zijn. Moet je zo nodig iets snoepen, bedenk dat dat twee koekjes alleen maar meer zijn, niet lekkerder dan één koekje.

Zoals ik in het begin al zei, ik ben nu vijf kilo kwijt. Ik ben nu een maand bezig op deze manier. Mijn oude ongedurigheid begint weer terug te komen, maar ja, dat is voor mij niet zo erg, toch?