Me Too?

Waren wij nou niet dat kleine landje van de vrije meningsuiting. Mochten we hier volgens de heersende politieke opvattingen niet alles zeggen wat we vinden. Hadden wij hier niet altijd de meest tolerante cultuur die je je maar kon voorstellen. Dat heb ik nou toch altijd gedacht. Je kunt zeker niet altijd doen waar je zin in hebt, want dan wordt het natuurlijk een zootje, maar zeggen wel, absoluut. Nou vergeet het maar. Er is een halve gare manie overgewaaid uit Amerika. Eerst was het trouwens helemaal niet half gaar, maar zeer terecht. Het ging en gaat over ongewenste intimiteit. En voordat je nou denkt dat ik mannen en vrouwen op verschillende schaaltjes weeg wil ik je wel even duidelijk maken dat het onderwerp ongewenste intimiteit wat mij betreft voor beide geslachten geldt. Niettemin ben ik van mening dat “Me too” hier en daar wat over de randen begint te glijden. Ik heb een grote voorkeur om daaraan het predicaat ‘krampachtig’ te hangen.

Zo, dat is eruit. Nu eens even zien wat de redelijke consequenties zijn. Wat mag er nou wel en wat mag nou niet? Lijkt een gemakkelijke vraag, maar de helaas al te menselijke neiging om stevig omarmde ideeën krampachtig toe te passen maakt het in de praktijk van ons dagelijks leven eigenlijk een steeds vervelender item. Waarom dan? Nou heel eenvoudig, laat ik maar een een gevoelig dilemma noemen: hoe moet er nu toenadering worden gezocht? Je mag niemand ongevraagd aanraken. Het moet dan eigenlijk altijd zo gaan dat twee mensen die elkaar de lichamelijke aanraking wel willen toestaan, dat volkomen gelijktijdig beseffen en daaraan ook gelijktijdig uiting geven. Ja, dat zal waarschijnlijk zo gaan: Hij zegt: ‘je mag mij wel aanraken hoor. Mag ik jou ook aanraken? In het klassieke romantische geval zegt zij dan: ‘ja hoor, ja… doe maar’, of als ze niet wil: ‘haal het niet in je suffe puistenkop’. Nou ja, dan is er wel duidelijkheid

Overigens heb ik begrepen dat het hele nieuwe oplossingsmodel ter voorkoming van ongewenste intimiteiten in nagenoeg alle gevallen uitsluitend wordt opgelegd aan mannen. We gaan het ook niet ontkennen, onze soortgenoten – wij zelf natuurlijk niet – vertonen wel eens heel vervelend zogenaamd macho-gedrag. Echter, dat betekent dat wij mannen, wanneer we dames ontmoeten die wij zo op het eerste gezicht heel aantrekkelijk vinden moeten benaderen op de wijze van de lantaarnpaal. Geen handen uitsteken, doe ze maar in je zakken, dan kan er weinig misgaan. Zorg er in ieder geval voor dat je een persoon die je aantrekkelijk vindt niet aanraakt. Het schijnt overigens dat je zelf soms wel aangeraakt kan worden, maar dat geldt dan niet als ongewenst. Je moet dan gewoon beter uitkijken waar je staat.

Maar, zoals ik hierboven al zei, dat hele “Me too” verhaal is wat mij betreft doorgeschoten (goed lezen, dames ook, ik schrijf: wat mij betreft. Dit is dus een mening en ik heb de vrijheid van meningsuiting, nu in ieder geval nog wel.) Doorgeschoten dat “Me too”, vind ik dus.

Een goede vriend van mij, hij is van mijn leeftijd, negenenzeventig, kwam altijd graag bij zo’n natuurmonumenten uitspanning in ons prachtige Gooi. Dagelijks wandelde hij daar, gebruikte wat, dronk er zijn geliefde borreltje, nooit meer dan twee, rekende af, gaf meestal wat fooi, want de bediening bestond voornamelijk uit studentes die daar aan het werk waren omdat ze wel wat extra centjes konden gebruiken. Mijn vriend is een gepokte en gemazelde jurist in ruste. Nog beter dan de meerderheid van ons, gewone stervelingen weet hij wat je beter niet kunt doen in het openbaar. Ondanks zijn gevorderde leeftijd is hij echter nog steeds niet blind voor de frisse jonge meiden die daar in de bediening lopen, ik trouwens ook niet. Nee, nee, een oude vieze man is hij zeker niet, hij weet wel beter en houdt zeker zijn handen thuis.

Op een keer was hij echter toch onbedoeld onvoorzichtig toen hij in een jolige bui tijdens een van zijn dagelijkse bezoeken aan bedoeld etablissement zich liet ontvallen dat hij altijd op jonge meiden was gevallen. Er viel een ietwat ijzige stilte, waarin de bedrijfsleidster toeschoot en hem toe beet: ‘u bent oud!’ Helaas is mij oude vriend niet meer zo ad rem als vroeger. Dan had hij namelijk gezegd: ‘Daar heb u absoluut gelijk in. Trouwens u bent lelijk en wij weten beiden dat we daar niets aan kunnen veranderen. Overigens zie ik in uw lelijkheid geen reden om u te misdragen met  opmerkingen van het soort dat u mij zojuist toevoegde. Voorts is er geen enkel logisch verband tussen uw opmerking aangaande mijn leeftijd en mijn opmerking betreffende het genoegen dat ik nog steeds mag smaken als ik elegante jonge dames om mij heen zie.

Maar mijn lezer begrijpt het al, mijn oude vriend was eigenlijk te verbouwereerd om een snedige reactie te geven. Enkele maanden later wachtte hem echter de verbijsterende slotscène toen hem bij binnenkomst de toegang werd ontzegd.

Dat de ouder wordende mens in onze samenleving een wat triestige zorgelijke rol speelt kent inmiddels ruim voldoende oorzaken en bijbehorende bedroevende gevolgen. En natuurlijk begrijpen we best dat we onze nuttigste – en belangrijkste tijd op het wereldtoneel achter ons hebben liggen. Maar dat een nette oude heer nu ook al niet eens meer mag zeggen dat hij jonge meisjes leuk vindt komt mij een beetje voor als het alvast maar sluiten van de kist vooruitlopend op het toch zeker komende levenseinde. Dus wat mij betreft: “Me too?” “Me no more”.

De zon in het water kunnen zien schijnen

Zou iemand die oude uitdrukking nog kennen: hij kan de zon niet in het water zien schijnen. Het betekende, als het over jou gezegd werd, dat je een ander niet gunde wat je zelf niet kon krijgen. Afgunst dus.

Vanmorgen toen ik de krant opensloeg moest ik eraan denken. Er werd aan een reeks gewelddadige gebeurtenissen in onze omgeving gerefereerd, die hadden plaats gevonden in apotheken. Afgelopen woensdag, één mei tweeduizendnegentien, hebben twintig apotheken in het Gooi de deur in de ochtend op slot gelaten uit protest tegen het toenemende geweld waarmee het apotheek personeel wordt geconfronteerd.

Ik kan me dat goed voorstellen. In mijn ervaring van inmiddels veel meer jaren dan naar ik hoop mijn dagelijks optreden doet vermoeden, is een apotheek een plek waar ernstig en in stilte nauwkeurig en geconcentreerd wordt gewerkt om ons de medicijnen mee te geven die de arts of specialist ons heeft voorgeschreven, opdat wij genezen van wat ons mankeert of in ieder geval dat onze mankementen draaglijker worden. Voor veel mensen, vooral mensen met chronische klachten, zijn dat altijd de zelfde medicijnen, althans dat zouden ze moeten zijn, tenzij anders voorgeschreven. En daar gaat het tegenwoordig aan de lopende band fout. Tegenwoordig staat er op het doosje pilletjes voortdurend een andere naam. Daar schrikken patiënten van. Ze beginnen dan voorzichtig te protesteren. Het apotheek personeel legt dan uit dat de inhoud – en dus de werking van de pilletjes het zelfde is als die van de pilletjes die men gewend is. Maar ja, patiënten en zeker chronische patiënten worden daar onzeker van. De twijfel slaat toe. Is het wel waar wat die juffrouw in de apotheek zegt en waarom krijg ik een ander pilletje. Wat ik had werkte goed.

Welnu, zelfs als de werking van de vervangende pilletjes exact gelijk zou zijn aan die van het middel dat vervangen wordt, wat helaas in een groot aantal van de gevallen niet voor honderd procent waar is, dan nog twijfelt de patiënt. De mentale instabiliteit die daardoor ontstaat draagt niet bij aan een goede opname en werking van medicijnen. We zijn niet alleen een lichaam dat als een chemische fabriek kan worden gezien. Onze geestelijke activiteit kan veel wat goed bedoeld was behoorlijk in de war sturen.

Al met al zien we nu voortdurend apotheken medicijnen afleveren met een andere naam in een andere verpakking en met een andere vorm en uiterlijk afleveren dan wat mensen gewend zijn. Voor de duidelijkheid: het gaat alleen om geld. Nee, ik zeg het niet volledig genoeg.

Vroeger kende ik een apotheker – ik praat over meer dan veertig jaar geleden – die met enige trots vertelde dat hij zijn winsten wat had kunnen verhogen door zogenaamde parallel import van medicijnen. Hij liet bijvoorbeeld medicijnen voor zijn apotheek eerst naar Engeland leveren, omdat medicijnen daar toen veel goedkoper over de toonbank gingen. De Engelse apotheker stuurde de vracht dan naar hem door. Hij kon op die manier de medicijnen voor de hier geldende prijs verkopen, terwijl zijn inkoopprijs een stuk lager was dan wanneer hij zijn bestelling rechtstreeks naar zijn eigen apotheek had laten komen. Natuurlijk gebeurde dit op grote schaal. Bijna elke apotheker wilde graag wat meer verdienen. Per slot van rekening deed je er in die tijd gemiddeld zeven jaar over om na je middelbare schoolopleiding een apothekersdiploma te bemachtigen. Na al die moeite wilde een apotheker dan eindelijk wel eens wat verdienen.

In die tijd hadden we nog het ziekenfonds en daarnaast de particuliere verzekering tegen ziektekosten. Eigen bijdrage was nog lang niet uitgevonden. Ziektekostenverzekering was toen nog alleszins betaalbaar. Nou ja, vroeger was niet alles mooier, maar dat in ieder geval wel.

Helaas zijn verzekeraars nog veel handiger in het misbruiken van hun positie dan apothekers. Die laatsten krijgen nu in hun medicijnwinkeltjes alleen nog maar de geneesmiddelen die door de verzekeraars zijn goedgekeurd. Het mistige gebied van de parallel importen mag volgens de verzekeraars niet meer bestaan, waarmee ze vermoedelijk bedoelen dat ze dat zelf nog veel beter kunnen, maar dat valt niet te bewijzen. Wel moet bedacht worden dat verzekeraars samen een enorme organisatie vormen die onze landsgrenzen verre overschrijdt.

Ik denk echter, terugdenkend aan de slimme parallel importen van die apothekers, dat de verzekeraars erg veel last van zere ogen kregen in die tijd, omdat ze de zon niet in het water konden zien schijnen.

Overigens denk ik dat een groot deel van deze onrust, die ook heel slecht voor patiënten is, kan worden vermeden. Medicijnen hebben doorgaans een soort fantasienamen die bedacht zijn door de fabrikant en die het in de reclame goed doen. Ik zeg: hou daarmee op. Schrijf op een medicijnverpakking uitsluitend de naam van de werkzame stof. Aspirine wordt dan “Acetosalisylzuur”. De mensen die verstand van plantaardige middelen hebben kunnen dan tenminste ook nog zien dat Bayer de kennis gepikt heeft van de wilg, want deze werkzame stof komt voor in de bast van de wilg. Dus, geen fancy merknamen meer maar de naam van de werkzame stof en de dosering. Ik weet zeker dat de kleur van het doosje er dan veel minder toe doet.

De Passion

Het staat weer volop in de belangstelling. Vroeger was het voorbehouden aan de conventionele mensen uit een veelheid aan christelijke richtingen, want als één ding al heel lang duidelijk is, dan is dat wel dat christendom alles behalve eenheid betekent. Alleen in de historie van ons kleine landje zijn er al tientallen grotere en kleinere groeperingen te zien die allemaal op hun eigen manier van mening zijn dat ze de enig juiste versie van het geloof in de Heer verkondigen. Maar dat is vanaf het begin al het geval geweest in dat groepje opstandelingen, want dat waren ze, Jezus en zijn discipelen.

Ik denk eigenlijk dat het groepje, in de paar jaar dat het zich maatschappelijk roerde, zich behoorlijk gehaat heeft gemaakt onder de Joodse gemeenschap waarin ze leefden. De grootste blunder die de volgens mij ongelooflijk eigenwijze Jezus maakte was dat hij op een dag alle handel van het tempelplein ramde. Dat deed hij natuurlijk niet alleen. Daar hebben vast al die andere jongens bij geholpen. De huidige christenen zien dat als een daad die de puurheid en de zuiverheid van de inzichten van Jezus onderstreept. Ik kan me echter de andere kant voorstellen. Bedenk: het groepje rond Jezus is een heel kleine groep opstandelingen. Tegenwoordig noemen we een dergelijk groepje binnen onze maatschappelijke context een sekte. Die handel op dat tempelplein (begrijp goed: zoiets als het plein voor de kerk) wordt eraf gedonderd. Die mensen die daar hun brood proberen te verdienen zien hun broodwinning naar de gallemiezen gaan. ‘Nou’, denk ik dan, ‘dat moet je mij eens proberen te flikken met je achterlijke principiële standpunten.’

Ik hoor nu de christenen roepen: ‘Ja, maar dat was heel iets anders.’ En ik zeg: ‘je mag in dit vrije land vinden wat je wil, maar het was niet iets anders. Het was een daad van agressie waarmee je ook in onze tijd zeker niet met een taakstrafje wegkomt.

Ik denk dat er in dat groepje anarchisten, want dat waren ze, enorm veel ruzie is geweest. Ik denk ook dat Judas werkelijk witheet is geweest over een flink aantal van die botte acties.

Tja, ik hoop maar dat ik niemand al te erg op zijn geloofstenen trap, maar ik kan toch nooit nalaten te schrijven wat ik van allerlei maatschappelijke verschijnselen vind. Daarbij probeer ik me dan altijd te verplaatsen in zo’n groep of gebeurtenis. En wat ik dan zie bij dat groepje opstandelingen rond Jezus is dat ze het lang niet altijd met hem eens zijn. Het zou ook te gek voor woorden zijn. Het Joodse volk staat er toch om bekend voortdurend discussies te hebben. Dat kan – net als bij Nederlanders overigens – er wel eens in uitmonden dat ze elkaar voor rotte vis staan uit te schelden. Ik denk dat zoiets bij die Judas al vrij vroeg gebeurd is.

Ik vermoed dat Jezus binnen de groep de intellectuele leider was, maar dat Judas ook lang niet op zijn achterhoofd was gevallen. Gevolg: voortdurende twistgesprekken. Op een gegeven moment vindt Judas het welletjes. Hij ziet Jezus als een gevaar voor de samenleving. En niet alleen dat. Hij ziet hoe de dodelijke consequentheid van Jezus het doel, de maatschappelijke verandering, in gevaar brengt en denkt: we moeten die vent isoleren. Het gaat anders hartstikke fout.

Zijn contact met het Joodse establishment biedt hem de kans om, zoals hij dat ziet, de zaak te redden. Volgens mij wil hij Jezus alleen maar opzij zetten om de beweging te redden. Maar hij heeft geen rekening gehouden met het feit dat het Joodse establishment, de hogepriester en nog een paar van die jongens, hun handen niet willen branden aan een Schriftgeleerde, een Rabbi, want dat was Jezus natuurlijk ook. Dus spelen ze het handig via de Romeinse bezetter. Dat zijn militairen, die maken korte metten met de hele zaak onder het motto: zachte heelmeesters maken stinkende wonden. Daardoor wordt evenwel een soort heilig principe geactiveerd dat tegenwoordig in bepaalde stromingen in sommige van de wereldgodsdiensten ook nog stevig opgeld doet: DE MARTELAARSDOOD. Als dat niet gebeurd was, was er geen christendom ontstaan.

Blijf ik aan het einde van deze bespiegeling toch met een vraag zitten. Was Judas nou een valse verrader of was hij een man van goede wil die de beweging wilde redden. Ik weet namelijk bijna zeker dat hetgeen de Romeinen met Jezus deden zijn bedoeling niet was, want hij heeft zich vol afschuw van het leven beroofd.

Hoe dan ook, zonder Judas was de maatschappelijke stroming die later uitmonden zou in het wereldwijde christendom er nooit gekomen. Of dat erg zou zijn? Tja, ik ben niet slim genoeg om dat te kunnen beantwoorden.

Emotie

Het lijkt de enige bron die ons in beweging zet. Altijd weer is het een min of meer duidelijk gevoel, een gevoel dat de richting al in zich heeft, waardoor ik in beweging kom. Natuurlijk, een gedachte geeft uiteindelijk duidelijk aan wat ik moet gaan doen. Die gedachte wordt echter altijd voorafgegaan door een emotie, een gevoel en gevoel bepaalt mijn stemming. Een gevoel ís altijd een min of meer duidelijke lichamelijke ervaring. Door ervaring hebben we geleerd op een logische rationele manier op een gevoel te reageren. Vaak gebeurt dat trouwens gedachteloos. Simpel voorbeeld: ik heb een ietwat weeïg gevoel in mijn maag, waardoor ik zonder erover na te denken een boterham pak. Waar ik dan weer wel over na denk is wat ik erop zal doen. Die gedachteloze aandrang die we vaak voelen is natuurlijk een gelukkig verschijnsel dat ervoor zorgt dat we veilig en gezond blijven, zonder dat we over elke reactie op een gevoel hoeven na te denken. Maar pas op, er loert gevaar. Er zijn namelijk heel veel mensen en vooral ondernemingen die er belang bij hebben dat we gedachteloos op een gevoel reageren. Reclame maakt namelijk op zeer ruime schaal gebruik van mogelijkheden om door het opwekken van specifieke gevoelens reacties bij ons op te roepen.

Kun je je misschien dat heel flauwe kinderspelletje nog herinneren, waarbij een vriendje tegen je zei: ‘zeg eens één keer ‘ork’. Dat zei je dan. En dan zei dat vriendje: nou twee keer. ‘ork, ork’ zei je dan. Dat ging dan een poosje door: vier keer, vijf keer. En dan zei dat vriendje ineens: ‘soep eet je met een…’ ‘Vork,’ riep je dan spontaan, terwijl je natuurlijk best weet dat je soep met een lepel eet, maar je zei ‘vork’ , omdat het rijmpatroon van dat woordje ‘ork’ dat vanzelfsprekender maakte dan dat je met het juiste antwoord ‘lepel’ zou geven.

Reclame werkt eigenlijk op de zelfde wijze. Reclame probeert namelijk te bereiken dat het voor jouw gevoel vanzelfsprekend is dat je het advies in de reclameboodschap opvolgt. Een geslaagde reclameboodschap laat je als vanzelf dingen doen of kopen zonder je af te vragen of je het nodig hebt, of het wel goed is en zelfs of het misschien riskant is.

Hoe komt het nu dat reclame daar in onze samenleving zo gemakkelijk mee wegkomt. Dat laatste woord gebruik ik niet voor niets, want de reclamemakers komen ermee weg dat ze op grote schaal ons gedrag beïnvloeden en eigenlijk veranderen, zonder dat daarvoor van onszelf uit een noodzaak bestaat. Zij doen dat om daarmee voordeel voor hun opdrachtgevers te bewerkstelligen. Mag dat? Mag je voortdurend pogingen doen het gedrag van mensen te beïnvloeden ten behoeve van je eigen voordeel? Blijkbaar wel, want we worden tegenwoordig doodgegooid met al dan niet effectieve reclame, maar dat is niet altijd zo geweest.

Ik kan me herinneren dat jaren geleden een bepaald soort bioscoop reclame verboden werd. Het was een manier van reclame maken in de tijd voor we nog dagelijks naar de televisie keken, want dat hele verhaal stond nog in de kinderschoenen. Slimme reclamemakers hadden toen echter onderzocht hoe je met filmbeelden het koopgedrag van de bioscoopbezoekers kon beïnvloeden. Het ging als volgt: de film liep door de projector met een snelheid van vierentwintig beeldjes per seconde. Wij zien bij die snelle beeldwisseling een vloeiend bewegend beeld. Een aantal keren hadden ze dan in de film vijf beeldjes vervangen door een reclameboodschap. Die vijf beeldje kwamen dus in ongeveer een vijfde seconde voorbij. Dan stond er bijvoorbeeld drink Coca Cola. En omdat je aandacht op de film gericht was merkte je dat niet op. Het ging ook te snel voor onze ogen om het bewust op te kunnen merken. Toch kwam de boodschap wel ons bewustzijn binnen, maar die wekte alleen maar het gevoel op dat we zin hadden in Coca Cola. Dat konden ze in de bioscoop in de pauze goed aan de verkoop merken. Deze techniek met die beeldjes die je niet bewust waarnam werd subliminal influencing genoemd. Dat was dus een soort stiekeme reclame en in die tijd waren er brave bestuurders die meende als waakhond voor ons welzijn te moeten optreden. Deze vorm van bioscoopreclame werd toen verboden.

Tegenwoordig heeft kostbare research vele technieken ontwikkeld die soortgelijk en nog veel dieper ingrijpend effect hebben dan het simpele truukje met de onopgemerkte beeldjes. Er worden namelijk door de commercie zo ontzettend veel dingen gemaakt en aangeboden, waaraan niemand uit zichzelf behoefte heeft, maar die ze heel graag aan ons willen verkopen. Denk bijvoorbeeld maar eens aan weer een nieuwe smartphone of weer een ander abonnement. Om die reden proberen ze – en heel vaak met succes – ons het gevoel te geven dat we een beter en gelukkiger leven hebben als we zorgen dat we die producten bezitten.Zij zelf weten dat wat ze beweren niet waar is, want we worden er doorgaans niet gelukkiger van. We raken er alleen veel geld aan kwijt. Maar ja, onze hele westerse economie is voor een groot deel gestoeld op het aanzwengelen van een zo groot mogelijke circulatie van geld, ongeacht of datgene waarvoor geld wordt uitgegeven ons een beter en mooier leven geeft.

Ik kan mij voorstellen dat wie dit ook leest bij zichzelf denkt: ‘maar dat wil ik niet. Ik wil niet ongemerkt door mijn gevoel beïnvloed worden en daardoor dingen doen – en voornamelijk kopen waarvan ik achteraf enigszins geërgerd moet vaststellen dat het me alleen maar geld kostte, maar niet gelukkiger maakte.

Dan heb ik goed nieuws en slecht nieuws voor je. Laat ik maar beginnen met het slechte nieuws. Als we allemaal ophouden met het kopen van volstrekt nutteloze dingen – en daarmee bedoel ik dingen die gemakkelijk door goedkopere en eenvoudigere dingen kunnen worden vervangen zonder dat het leven er beroerder van wordt, dan zitten we al heel snel in een wereld die minder glanst, waarin meer armoede is. Het is een duivels dilemma. Het is als het weghalen van een kaart uit een hoog opgebouwd kaartenhuis. Voor je er erg in hebt stort de boel in. Onze samenleving is te gecompliceerd voor ruwe en plotselinge veranderingen.

Maar wat is dan het goede nieuws? Ach, misschien dit: door op elke koopprikkel te reageren ontstaat in een aantal sectoren in de maatschappij een soort wildgroei. Wildgroei is bijna nooit sterk. Wel kan wildgroei erg overwoekeren.

Dus als je nu gewoon je echt serieus afvraagt of je nu echt nodig hebt wat je op weg bent te gaan kopen en ook wat je bijvoorbeeld nog meer met dat geld zou kunnen doen. Misschien wacht je dan nog even met de volgende nutteloze aanschaf. Misschien rem je daarmee de wildgroei wat af, zeker als we het samen doen. Je kunt bijvoorbeeld wat vaker tegen jezelf zeggen: ‘Ik wil niet gedachteloos op prikkels reageren. Ik ben toch geen gedresseerd dier!

Trouwens, maar dat wist je natuurlijk al, wat langzaam groeit is vaak veel sterker dan wat snel groeit.

Glaucoom

Heb ik dat nu alleen of hebben meer mensen dat, vraag ik me af. Voor mij hebben woorden niet alleen een officiële betekenis, maar los van de betekenis roepen ze bij mij ook heel vaak een soort gevoel op. Neem nou bijvoorbeeld eens een woord als hijskraan. Ik heb dus werkelijk geen idee hoe jij dat ervaart, maar bij kraan moet er bij mij iets stromen. Beetje flauw misschien, maar voor mij is een hijskraan een kraan waar heel veel bier uit komt. Ik weet heus wel dat woorden meerdere betekenissen kunnen hebben, homoniemen heet dat taalkundig verschijnsel, maar echt logisch heb ik het nooit gevonden. Soms raak je bij het horen of lezen van een woord ook het spoor bijster. Neem het woord “metronoom”.  Heeft helemaal niets met de metro te maken, moest ook eigenlijk helemaal niet zo heten, maar is zo genoemd omdat het lekker uitspreekt. Dat zie je vaak hoor, dat woorden ontstaan op een manier dat ze lekker gemakkelijk uitgesproken kunnen worden. Die metronoom is een ding dat de speelsnelheid van de muziek tikt, het metrum heet dat. Dat ding moet dus eigenlijk gewoon een metrumtikker heten, want zeg nou zelf, als we het een metrumnoom noemen, dan zitten we nog met het probleem dat iedereen begint te vragen wat nou eigenlijk een noom is. Ik weet het niet, ik heb er nog nooit een in handen gehad. Als je ‘noom’ op internet zoekt, dan blijken de afzonderlijke letters samen soms een afkorting te zijn voor organisaties. Een losse noom is gewoon helemaal niks. Ik zou er bijvoorbeeld totaal geen moeite mee hebben als een metronoom in het vervolg een ritmetikker genoemd werd. Dan weet iedereen in elk geval wat het ding doet. Ook is het zo, volgens mij dan, dat het gebruiken van woorden die, zoals in dit geval afgeleid zijn uit het latijn, de afstand tussen mensen vergroot. Je hebt namelijk de mensen die de meeste uit het latijn afgeleide woorden wel kennen en je hebt de mensen die er nooit van gehoord hebben. Die eerste groep mensen, die al die woorden wel kent, die praat doorgaans op een manier met elkaar die voor die andere mensen tamelijk onbegrijpelijk is. Natuurlijk snappen ze vaak best een aantal van de woorden die worden gezegd, maar door al die onbegrepen uit het latijn afgeleide woorden begrijpen ze toch vaak niet waarover gesproken wordt.

Het ingewikkeld gebruik van onze taal schept afstand tussen mensen en ik heb zelf nooit gemerkt – dat kan aan mij liggen hoor – dat de samenleving daar nou echt van opknapt.

Ja, ik vermoed dat ik weet wat je zeggen wilt, namelijk dat het internationale verkeer in handel, maar zeker ook in wetenschap volstrekt onmogelijk zou zijn als er geen overeenstemming zou zijn over de namen van allerlei begrippen. Absoluut waar maar tussen de dagelijkse koetjes en kalfjes zijn ze meestal niet nodig.

Tegenwoordig heb ik – en waarschijnlijk al een hele tijd – glaucoom in mijn rechteroog. Nou moet je weten dat waar ik vandaan kom, de kop van Noord – Holland, het woord glauwen een heel aparte betekenis heeft. Daar, vermoedelijk in het West-Fries, betekent het namelijk suffig en wezenloos voor je uit staren. Zeg maar, zoals we heel vroeger naar de televisie keken tot het beeld niet meer bewoog. Dat is voor mij glauwen. De enige overeenkomst tussen dat werkwoord, glauwen en glaucoom is dat het opmerken van wat er te zien valt steeds minder wordt. Als je er namelijk niets aan doet wordt een glaucoomoog langzaam blind. Natuurlijk heb ik er wel wat aan laten doen, waarvan ik je de details zal besparen want daar gaat het hier niet om. Wat ik eigenlijk wil zeggen is dat het woord glaucoom bij mij in eerste instantie een gevoel van luie suffige wezenloosheid oproept. Maar dat moet helemaal niet. Als je ermee opgezadeld bent moet je opschieten, hulp zoeken, ingrijpen. Niks suffig en wezenloos voor je uit staren. Opschieten!

Kindermishandeling, of niet?

Zelf heb ik ook vaak de neiging om te denken dat dingen die heel lang geleden gebeurd zijn in mijn werkelijkheid van vandaag niet zoveel invloed meer hebben. Steeds meer kom ik er toch achter dat ik me daarin vaak pijnlijk vergis.

Vlak voor de tweede wereldoorlog werd ik geboren. Het was eerste paasdag, maar ik heb nooit de indruk gehad dat er hierdoor een feestelijk tintje over mijn verdere leven werd gestrooid. Pasen wordt door de christenen gevierd als het feest van de opstanding. Inderdaad, nu ik erover nadenk heb ik in mijn leven tamelijk vaak na een harde klap overeind moeten krabbelen, om verder te kunnen gaan. Het begon eigenlijk al toen ik net zes jaar was. Ik belandde in het ziekenhuis met een gebroken beentje. Het been was vlak boven de knie gebroken. Lastig, want van die mooie metalen plaatjes om een moeilijk breuk aan elkaar te schroeven waren er nog niet. Maar zo stompzinnig als het bij mij mis ging had nou ook weer niet gehoeven.

Je moet namelijk weten dat we twee ziekenhuizen hadden in Den Helder, mijn geboorteplaats. Er was het gemeenteziekenhuis, Parkzicht en er was het katholieke Sint Lidwina ziekenhuis.

Nu wilde het geval dat mijn vader nauwelijks een jaar eerder was teruggekeerd uit de onderzeeboot oorlog in de Middellandse Zee. Daar had hij blijkbaar zoveel contra-argumenten tegen het rotsvaste katholieke geloof uit zijn jeugd opgedaan, dat het gebruik maken van een katholiek ziekenhuis tot elke prijs vermeden diende te worden. Later ging hij er trouwens na een zware maagbloeding zelf wel heen, maar dit ter zijde.

Dat gemeente ziekenhuis had één chirurg, een norse oud marine arts, die misschien best aardig een blindedarmoperatie kon verrichten, maar het repareren van gebroken armen en benen, was iets wat bijna nooit goed ging. Veel van zijn, tja, hoe zal ik het zeggen, nou ja vooruit maar, patiënten kwamen weg met krom en scheef gezette armen en benen. Maar ja, ze hadden er niemand anders voor in dat gemeente ziekenhuisje en bovendien werd hij vrij snel kwaad als iemand er wat van zei, maar dat kan natuurlijk schaamte geweest zijn.

Hoe dan ook, de man nam een op zich verstandig besluit. Hij besloot het beentje in tractie te leggen. Botstukken werden op elkaar gezet, zoals hij dacht dat het moest. Beentje omhoog, pennetje door het hielbeen, beugeltje, gewichten, de hele santekraam.

Er kwam een jongetje op mijn kamertje liggen, Jantje. Jantje had open tuberculose en er waren een paar vliegen in ons kamertje die dat kleine gaatje waar die pen mijn voetje in ging heel aantrekkelijk vonden, nadat ze eerst bij Jantje geweest waren. Jantje was trouwens een week later dood. Ik zie nog het zwarte kistje waarin hij werd afgevoerd. Maar ja, toen was mijn voetje al veranderd in een vurige zwerende bal en kreeg ik, helaas een paar dagen te laat penicilline injecties, waarmee de tuberculeuze fistel binnenin mijn hielbeen nooit afdoende bezworen werd.

Gelukkig ontdekte de dokter dat hij behalve de stommiteit met tuberculeuze Jantje nog een foutje had gemaakt, waardoor hij het beentje opnieuw moest breken en opnieuw zetten. De pen ging toen niet meer door de voet, want die was voorlopig vanbinnen in een dik soort papachtige pus veranderd, maar door de knie. Iedereen hield de adem in, maar Jantje was afgevoerd, zoals ik al zei en bij juffrouw Keizer in de andere hoek van de kamer kwamen zelfs geen vliegen. Bovendien had ik nu een dekenkooi over de lage stelling waarop mijn been nu rustte en hield de penetrante lysolgeur, die vroeger elk zindelijk ziekenhuis kenmerkte, elke vlieg brakend op afstand.

Ik was op drieëntwintig april negentien zesenveertig, de dag voordat mijn moeder veertig jaar zou worden, het ziekenhuis in gegaan en eind juli kwam ik er uit. Ik moest opnieuw leren lopen en in september van dat jaar bracht mijn moeder me in een karretje naar school.

Helaas was dit niet het laatste medische gepruts wat ik in mijn leven mocht meemaken. Er lag nog het een en ander te wachten

Maar wat heeft dat nu allemaal met mij in de tegenwoordige tijd te maken?Nou, ik denk dat ik vaak over-kritisch ben in het contact met artsen. Natuurlijk zijn er gewetensvolle en kundige artsen, maar ik heb langzamerhand voldoende medische kennis om ze steeds weer kritisch te bevragen. Als er genoeg onherstelbare schade is aangericht in je leven, dan ga je toch op den duur wat beter opletten. Dat is voor mijn artsen misschien niet altijd even leuk en het vraagt extra tijd, maar ik was niet verantwoordelijk voor het letsel veroorzakende gepruts van hun voorgangers.

Die lange schaduw werpt mijn medisch verleden nog altijd over mijn huidige houding tegenover de geneeskunde.

Het schijngevecht gaat door

Ja, want een schijngevecht is het. Er wordt gelogen, eromheen gedraaid, nergens op slaande smoezen verzonnen en noem maar op. En waarschijnlijk, maar helaas is dat niet te bewijzen, wordt er tegen betaling of gunsten tegengehouden waar tienduizenden mensen hun gezondheid mee terug zouden kunnen krijgen.

Mijn trouwe lezers weten langzamerhand wel dat ik me behoorlijk kan opwinden over huichelachtigheid en gewichtigdoenerij.

In de vorige uitzending van Dokters van Morgen, een format waar ik mijn eerste inspiratie al kreeg om over bacteriofagen te schrijven, kwam een RIVM bobo aan het woord. Met een smalend lachje liep hij rond in de kliniek in Tbilisi, waar al bijna honderd jaar mensen met deze heilzame virussen worden genezen. Met een gewichtige uitdrukking op zijn gezicht wist hij al zijn rijke wijsheid en ervaring te mobiliseren in de volgende zin: ‘het kan best zijn dat hier succesjes worden geboekt met die eh… bacteriofagen, maar er is nog onvoldoende wetenschappelijk gefundeerd onderzoek gedaan naar de werkzaamheid en de veiligheid van deze therapie.’

Ik dacht: ‘die man is vast lid van dat manipulerende en alles afkrakende anti kwakzalvers clubje. Een argument kwam er niet uit. Ik beschouw de gedragswijze die hij en soortgelijke bobo’s vaak vertonen als “de boot afhouden”. Vooral als je dan later in de zelfde uitzending een Poolse hoogleraar emeritus virologie commentaar op de uitspraken van die minkukel hoort geven. Tja, zegt die hooggeleerde heer dan. Er zijn vele jaren vele succesvolle onderzoeken naar het bestrijden van infecties met bacteriofagen gedaan. Ik denk dat deze meneer (hij doelt op die Hollandse RIVM hark) een beetje achterloopt met het lezen van zijn vakliteratuur.

Als iets dergelijks op goede gronden over jou als wetenschapper wordt gezegd, dan dien je onmiddellijk ontslag te nemen en je in te schrijven als werkzoekende bij de gemeentelijke vuilophaal dienst. Dan leer je misschien nog wat echt hard werken is.

Nou goed, ik weet dat veel mensen mijn bacteriofagen columns volgen. Daarom heb ik ook een berichtje aan de redactie van Dokters van Morgen gestuurd. Natuurlijk kunnen die mensen er ook niets aan doen als ze met RIVM lulsmoezen het bos in worden gestuurd. Maar ik dacht: ik weet zeker dat dit wangedrag ook jullie pijn heeft gedaan en dat zal ik jullie dan ook laten weten. Dus stuurde ik het onderstaande berichtje

Geachte,

Uit het feit dat een botte RIVM medewerker na ampele overweging uit de losse pols roept dat er veel meer onderzoek moet worden gedaan naar de werking, maar ook naar de gevaren van het toepassen van bacteriofagen als therapeutische mogelijkheid bij het bestrijden van resistente bacteriën blijken twee mogelijke oorzaken van dit standpunt: 1. Incompetentie veroorzaakt door een niet te vergeven gebrek aan interesse of 2. Quasi gewichtig de boot afhouden op grond van een verborgen agenda, die mogelijk kan duiden op belangen bij de farmaceutische industrie. Er is, zoals de Poolse wetenschapper terecht enigszins smalend liet weten, meer dan voldoende wetenschappelijk bewijs voor de werkzaamheid en de veiligheid van bacteriofagen therapie. Het Nederlandse standpunt toont een houding waaruit een kwetsende arrogantie spreekt bij mensen voor wie het hoog tijd wordt  dat ze hun verantwoordelijkheden neerleggen en overdragen aan mensen die bereid zijn de vakliteratuur te volgen. Een belangrijke spreuk in deze is de volgende:

ONWETENDHEID WOONT VLAK NAAST GEWETENLOOSHEID.

Met vriendelijke groet, Peter P. van Oosterum

Alleen geld telt

Het rijmt ook nog, maar het is ongerijmd. Ik neem even een stukje over uit een artikel dat ik tegenkwam. Overigens een van de vele artikelen over dit onderwerp.

22 november 2006 1 minuut leestijd

wetenschap

Nieuwe morfine achtige pijnstiller

Franse wetenschappers hebben een klein humaan eiwit ontdekt dat in een lage dosis een sterke pijnstillende werking heeft. In een proefdiermodel voor pijn is een zes keer lagere dosering van het peptide even werkzaam als morfine. De onderzoekers hebben het peptide opiorfine gedoopt. De ontdekking is beschreven in Proceedings of the National Academy of Science van 21 november.

De onderzoekers, verbonden aan het Institut Pasteur, zijn op zoek gegaan naar de pijnstillende stof nadat Japanse wetenschappers een dergelijk pijnstillend peptide (spinorfine) bij koeien hadden ontdekt. De Fransen vonden eerder al een vergelijkbare stof bij ratten (sialorfine) en toonden vervolgens aan dat ook mensen een dergelijk peptide produceren. Opiorfine is aantoonbaar in speeksel.

Om de pijnstillende potentie van opiorfine te meten, hebben de onderzoekers het humane peptide toegediend aan ratten die vervolgens een zogeheten pin-pain-test ondergingen. Bij deze proef worden ratten gedurende drie minuten in een vierkant hok met negen vlakken van 15 bij 15 cm gezet. Het middelste vlak heeft een glad oppervlak. In de acht perifere vlakken steken rechtopstaande spijkers 8 mm door de vloer. Ratten vinden het van nature niet prettig om in het midden van een ruimte te zitten en zijn geneigd de kant op te zoeken. Hoe vaak ze de perifere vlakken opzoeken en hoe lang ze daar verblijven, is een maat voor de onderdrukking van pijn.

Ratten die morfine kregen in een dosering van 6 mg/kilo lichaamsgewicht verbleven gemiddeld 72 seconden op de ‘spijkerbedvlakken’. Met opiorfine in een dosering van 1 mg/kg liepen de ratten daar gemiddeld 61 seconden. Ratten die alleen medium kregen ingespoten, verbleven gemiddeld 4 seconden op de vlakken met spijkers.

De auteurs noemen de bevindingen baanbrekend. De in-vivo resultaten met opi­orfine duiden op mogelijke klinische toepassingen ervan, menen ze.

                               ————————————————————————–

Dit heb ik gewoon van het internet gedownload. Een krantenberichtje betreffende een wetenschappelijk onderzoek. Eigenlijk ging dit onderzoek over een soortgelijk stofje dat vrijkomt bij onze moeders als we geboren worden. Als dat namelijk niet zou gebeuren dan zou elke vrouw wel oppassen om ooit een tweede kind te krijgen, omdat de pijn van de bevalling zo verschrikkelijk zou zijn dat het levenslang traumatiserend zou werken. Gelukkig heeft moeder natuur daar wat op gevonden, een zogenaamd endorfine. Dat zijn morfine achtige stoffen die ons lichaam in de meeste gevallen zelf kan maken als het nodig is.

Het hier bedoelde stofje dat ‘opiorfine’ is genoemd is te meten in ons speeksel. Nee, niet bij iedereen evenveel en nee niet als je door angst en schrik bevangen een heel droge mond en keel hebt. En kijk, dat zien we nu juist gebeuren als er iets moet gebeuren waarvan we weten dat het pijn gaat doen of waarvoor we juist bang zijn dat het pijn gaat doen. Angst stopt namelijk de speekselvloed en daarmee ook de productie van onze natuurlijke pijnstiller.

Hoe dan ook, het stofje is bekend en kan gemaakt worden, Die Franse wetenschappers hebben dat aangetoond. En ze hebben heus niet met zijn allen langdurig in een bakje staan spugen om voldoende speeksel te krijgen. Nee, ze hadden al heel snel in de gaten dat het gemakkelijk was na te maken. Maar heb je het jaartal gezien dat boven het artikel stond. Ja? 22 november 2006. Dat wordt dit jaar dus dertien jaar geleden dat een fantastische pijnstiller werd ontdekt, zes maal zo sterk als morfine en omdat het een lichaamseigen stof is zijn er ook geen bijwerkingen.

Eerlijk gezegd had ik jaren geleden al eens een televisie-uitzending gezien waar in het kennelijk over deze stof ging, hoewel hij daar niet duidelijk werd benoemd. Stel je voor, een Spaanse chirurg doet een knieoperatie bij een mevrouw. De knie wordt geopend, er wordt wat kraakbeen weg geknipt en vervolgens wordt de wond weer gesloten. Al die tijd heeft die mevrouw geen narcose gehad en ook geen plaatselijke verdoving. Wat ze wel kreeg was een bepaald soort plantenblaadjes in haar mond, waardoor ze heel veel speeksel maakte. Ze gaf aan wel iets te voelen, maar in elk geval geen pijn. Ik was toen zo verbijsterd over wat ik gezien en gehoord had, dat ik dagenlang over niets anders kon praten. Door die grote speekselvloed kreeg die mevrouw waarschijnlijk ook een heleboel opiorfine van zichzelf vrij.

Ik geloof trouwens niet dat je dit experiment zomaar met iedereen kunt doen, ongeacht wat voor blaadjes je in zijn mond stopt. Maar wel een prachtig middel die opiorfine.

Mooi toch? Wat zou het een zegen voor de wereld zijn als het gewoon bij het Kruidvat en dergelijke winkels verkrijgbaar zou zijn. Het kan ook onmogelijk duur zijn, want op stoffen die de natuur maakt kun je natuurlijk geen patent nemen.

Ach, natuurlijk, nu snap ik ineens waarom het niet verkrijgbaar is. Er kan geen patent op en daardoor kunnen er geen vette winsten op worden gemaakt. De winsten van BigFarma zijn natuurlijk veel belangrijker dan al die honderden miljoenen mensen die dagelijks creperen van de pijn. Wat dom van me dat ik erover begonnen ben.

Nou, weet je wat, vergeet nou maar dat het binnen afzienbare tijd in de winkel ligt. Wat je natuurlijk wel kunt doen is uitproberen waarmee jij veel speeksel in je mond krijgt, speciaal als je ergens pijn hebt. Kun je zelf merken of het werkt.

En wat de productie betreft, toen die pillen voor de taaislijmziekte zo krankzinnig duur waren heeft een apotheker uit Den Haag zijn nek uitgestoken en is die pillen gaan maken voor een veel lagere prijs. Zulke mensen hebben we nodig. Iemand zou een apotheker moeten vinden die opiorfine maakt. Er kan geen patent op rusten. Hij kan dus nooit in de problemen komen. Dan kunnen we misschien eindelijk pijnbestrijding laten gebeuren zonder al die nare bijwerkingen die de pillen van BigFarma doorgaans hebben.

Nou, kom op mensen, wie vindt die menslievende apotheker.

Een lastige vraag?

Het is een vraag die me echt bezig houdt: kunnen we het winnen? Is het überhaupt te winnen?

Stel je even voor, de hele wereld is gecommercialiseerd. Een klein, zogenaamd handig deel van de wereld heeft ontdekt hoe de eigen voortdurend groeiende rijkdom kan blijven groeien op kosten van het overgrote, niet zo handige deel van de wereld. Dat verschijnsel noemen we in de biologie parasitair leven. Een bepaalde levensvorm hecht zich aan of in een andere levensvorm en leeft op kosten van de inspanningen van die levensvorm. Een mooi voorbeeld kun je zien als een boom wat minder sterk begint te worden. De boom kan oud zijn. Vaak zien we dan dat die boom omgroeid wordt door klimop die met zijn duizenden kleine worteltjes hecht aan de boom, erin binnendringt en leeft van de sappen die de boom uit de bodem haalt. Na een poos zie je die boom dan minder blad krijgen en tenslotte sterven. De klimop gaat dan via de bodem op zoek naar een volgende zwakkeling in bomenland. In de meeste bossen is dit spel van de parasiet op de verzwakte gastheer te volgen. Maar zulk parasitair leven moeten we eigenlijk waarderen. Het ruimt op wat zwak is.

Parasieten komen natuurlijk ook in de dieren – en mensenwereld voor. Ze halen de vitaliteit en het gevoel van welbevinden uit het slachtoffer, maar zorgen er intussen wel voor dat het slachtoffer in leven blijft. Vroeger heel bekend, maar nu gelukkig niet meer zo vaak voorkomend waren bijvoorbeeld de lintwormen, die in de menselijke darm leefden door zich vast te zetten aan de darmwand. Meters lang kon zo’n lintworm worden en heel veel energie wegnemen van de ongelukkige persoon die de pech had hem te herbergen. Ook komt er tegenwoordig noch vaak een bepaalde schimmel voor: candida albicans, de witte candida. Een vervaarlijke tegenstander als je hem in je lichaam hebt en lastig kwijt te raken omdat de schimmeldraden meer dan een meter lang kunnen worden en overal doorheen groeien. Waarschijnlijk is ook hier de veronderstelling mogelijk dat alleen slordig – of slecht verdedigde dieren en mensen slachtoffer van parasieten worden. Dat zou best waar kunnen zijn, maar gevoelsmatig staan we hier toch anders tegenover dan tegenover de parasieten in het rijk der planten en bomen.

Wat in de microwereld van onze lichamen gebeurt, vinden we echter op minstens even grote schaal in de macrowereld die we de samenleving noemen. Er zijn veel parasieten die zich verrijken en een vrolijk quasi belangrijk leven leiden op kosten van anderen. Heel vaak zien we dan zogenaamde een-tweetjes, een ogenschijnlijk toevallig samenspel waarbij twee grote spelers elkaar profijtelijk de bal toespelen. Altijd wordt er bij deze spelletjes gebruik gemaakt van een oeroude – maar zeer effectieve techniek: de lobby. Een paar voor waarschijnlijk iedereen overduidelijk voorbeelden zijn hier op zijn plaats:Eeuwen lang al bezig, maar in de afgelopen eeuw steeds sterker geworden is de wapenindustrie. Overal op de wereld worden oorlogen uitgevochten met de wapens van een wereldwijd conglomeraat aan fabrikanten. Natuurlijk moeten die wapens in handen gelegd worden van de arme stumpers die is wijsgemaakt dat ze of wel vrede moeten gaan brengen, ofwel dat ze strijden voor een goede – en vaak zelfs heilige zaak. In alle gevallen waar het motto “vrede brengen” wordt gebruikt zijn nationale overheden erin gelobbyd. Via heel betrouwbaar ogende, doch doortrapte kanalen wordt een overheid aangemoedigd ergens vrede te gaan brengen met feitelijk slechts één doel, namelijk dat er wapentuig verbruikt wordt. Het vrede brengen lukt uiteraard negen van de tien keer niet, maar de wapenindustrie is er steeds flink mee geholpen. Zelf blijven ze trouwens altijd letterlijk buiten schot. Ik vermoed dat van alle regeringen de Amerikaanse zelf het beste op de hoogte is van het economische spel met de wapens, omdat heel veel bestuurders belangen hebben in die industrie. De kosten worden gedekt door de belastingen die geheven worden, waardoor derhalve elke belasting betalende inwoner van een land meebetaalt aan de weelde van de wapenindustrie. Belangrijke spelers in dit wereldwijde spel met verborgen agenda’s zijn NAVO, Verenigde Naties en vaak ook senatoren, ministers en hoge militairen. Door hun ernstig uitgesproken argumenten lijken de meeste deelnemers in dit spel met de dood van vele onschuldige mensen heel vaak integer. Maar schijn kan behoorlijk bedriegen, zoals we allemaal weten.

Een volgend – en langzamerhand gigantisch een-tweetje, waarschijnlijk tegenwoordig nog groter dan dat tussen de wapen industrie en die andere spelers is het samenspel tussen de fabrikanten die medicijnen ontwikkelen en maken, de farmaceutische industrie, ook wel BigFarma genoemd en de langzamerhand in heel grote conglomeraten samenwerkende zorgverzekeraars.

Net als het eerste een-tweetje treft dit ons namelijk allemaal op pijnlijke wijze. Voornamelijk dankzij een betere hygiëne en gevarieerder voedsel worden we ouder dan vroeger. Die vooruitgang rekent BigFarma zichzelf echter met het grootste gemak toe. Omdat de moderne maatschappij echter vele verlokkingen kent die ofwel met genot, ofwel met gemak van doen hebben zien we steeds weer gecompliceerdere beschavingsziekten komen. Denk aan ouderdomssuikerziekte aan hart – en vaat ziekten, overgewicht, reumatische aandoeningen, een langzamerhand schier oneindige reeks van kankersoorten en noem maar op. Hier zien we dit uiterst bedrieglijke en kostbare een-tweetje in werking.                                                   

Met de moderne medische technieken is steeds meer mogelijk, wordt gezegd. Voor een flink deel is dat ook zo. Voor een niet onbelangrijk ander deel wordt echter in zeer ruime mate over behandeld met medicijnen. Het meest schrijnende voorbeeld zien we bij de neergang van de antibiotica, waarvan zo onvoorstelbaar veel is voorgeschreven dat langzamerhand alle schadelijke ziekteverwekkers immuun zijn en antibiotica niet meer werken. De winst is in die productie blijkbaar gedaald, want de farmacie wenst geen moeite meer te doen om op dit terrein nog vernieuwend onderzoek te doen. Veel meer valt er te verdienen bij de middelen ter bestrijding van zogenaamde zeldzame ziekten. Denk in dit verband aan de middelen tegen specifieke kankersoorten, de middelen die ontwikkeld werden tegen bepaalde spierziekten waaraan vaak kleine kinderen overlijden of zoals enkele jaren geleden gebeurde een middel tegen de taaislijmziekte. Alle middelen in deze laatste groep worden door de farmacie vaak tegen krankzinnig hoge prijzen op de markt gebracht. Het middel tegen de taaislijmziekte werd voor honderdzeventigduizend euro per jaar op de markt gebracht.

Natuurlijk zijn er nauwelijks ouders van ten dode gedoemde taaislijm patiëntjes te vinden die dat kunnen betalen. Maar dan komt de eerder genoemde lobby op gang, want de prijs moet naar een zodanig niveau zakken dat de verzekeraars het gaan betalen. Wat je dan ziet gebeuren is echt heel merkwaardig. Onze minister van volksgezondheid gaat met de fabrikant onderhandelen. Er wordt ook een resultaat bereikt, maar de minister heeft met de fabrikant afgesproken daarover te zwijgen. Wel gaan de verzekeraars nu tot vergoeding over, maar de verhoging van de jaarlijks te betalen premie valt jaar in jaar uit weer tegen. Allemaal betalen wij dus die farmaceutische industrie, die toch al nagenoeg de rijkste tak van industrie ter wereld is.

Jaar in jaar uit wordt dit armetierige toneelstukje opgevoerd. BigFarma komt met iets ogenschijnlijk sensationeels, een doorbraak, de indruk wordt gewekt dat we na deze farmacologische overwinning allemaal minstens een eeuw in blakende gezondheid kunnen leven. Vervolgens roepen de verzekeraars dat het veel te duur is en dat ze het niet gaan betalen. En dan gebeurt het. Telkens weer zien we dan in kranten en nieuwsuitzendingen de vraag: ‘maar wat is dan de prijs van een mensenleven? Daar kan toch onmogelijk een prijs aan gehangen worden. Het leven is toch onbetaalbaar. Het moet toch altijd gered (lees gerekt) worden als dat mogelijk is. Met de tranen in de ogen maken we ons druk om het leed van de ouders van dat vierjarige jongetje dat vanwege de prijs van het medicijn en door de onwilligheid van de verzekeraars nu een zekere dood tegemoet gaat. Met dikke krokodillentranen zitten we naar de talkshows te kijken waar de ongelukkige ouders de kans krijgen ons hun verdriet en verontwaardiging te tonen. ‘Erg hè?’ zeggen we tegen elkaar, ‘die stinkerds van een farmaceuten en zorgverzekeraars denken alleen maar aan zichzelf!’ Maar ik zeg: ‘we kijken naar een toneelstukje voor twee wereldspelers, bedoeld om hun prijzen net iets harder te laten stijgen dan de rest van de prijsindex, want alleen op die manier kunnen ze groeien als economische macht.’ Zolang wij maar standaard farmaceutische middelen blijven gebruiken, terwijl het eigenlijk heel vaak best zonder kan, helpen we deze valsspelers.

Maar kijk eens aan, de grote spelers lijken bedreigd te worden, nee niet ernstig, ze kunnen er nu nog een beetje lacherig over doen. Hoewel, het gaat wel over echte wetenschap en aantoonbare effecten. Een nieuwe benadering die vermoedelijk een groot deel van het gebruikelijke verdienmodel van BigFarma buiten spel gaat zetten. Eerder schreef ik “Een verhaal met een luchtje”.

Door op een zeer geraffineerde wijze de anderhalve kilo bacteriën die in onze darmen leven in een goede natuurlijke samenlevingsbalans te brengen, zouden we straks wel eens veel minder medicijnen van BigFarma nodig kunnen hebben. Die bacteriën blijken namelijk van vitaal belang voor zowel onze lichamelijke als geestelijke gezondheid te zijn.                    In een televisieprogramma, Dokters van Morgen, werd dit duidelijk. Het was een programma van dezelfde makers als dat over de zogenaamde bacteriofagen, die waarschijnlijk alle antibiotica totaal overbodig kunnen gaan maken. Tot kijk en het beste ermee BigFarma.                                   Wel ben ik nu heel erg benieuwd welke geniepige en subversieve activiteiten dit op de gezondheidsmarkt gaat uitlokken. Want ik geloof absoluut niet dat BigFarma het helemaal aan het geneuzel van de antikwakzalver jongens gaat overlaten. Nee, let maar op, ze gaan spectaculaire ramptoestanden laten ontstaan die overduidelijk veroorzaakt lijken te worden doordat er te weinig van hun producten gebruikt worden. En dan zal vast en zeker de halve wereld weer vallen voor het perfect geregisseerde bedrog.

Ik weet overigens best hoe dat komt hoor. De waarheid is vaak zo ingewikkeld dat de perfecte leugen het meestal wint. Maar kom op mensen, je moet niet altijd denken dat ze gelijk hebben omdat ze groot en rijk zijn. Drugsbaronnen zijn tenslotte ook groot en rijk en die deugen ook niet.

Een verhaal met een luchtje

Bij mijn weten zijn er in televisieland nog nooit eerder zulke mooie en vooral hoopvolle verhalen aan de orde geweest. Deze keer ging het verhaal  over poep. Ja, ik hoor het je zeggen, kan dat nou tegenwoordig maar allemaal. Zo hebben wij toch – ik zelf ben dan van behoorlijk ver uit de vorige eeuw – geleerd dat een dergelijk woord in het gewone taalgebruik van nette mensen niet wordt gebruikt. Als het onderwerp al te pas kwam, dan spraken we met enigszins afgewend hoofd over ontlasting of mooier zelfs nog: stoelgang. Alsof nette mensen op een stoel gingen zitten poepen. Maar ja, iedereen begreep wat je bedoelde. Trouwens, eerlijk gezegd kwam dit onderwerp buiten de familie en de eventuele kring van intimi toch echt niet aan de orde. Ik weet nog heel goed dat mijn moeder – mijn vader was druk met oorlog voeren – mij leerde dat ik moest zeggen dat ik “een bah” moest doen als ik de bekende aandrang voelde. Mijn zusje leerde daarentegen onder de regie van mijn vader, die inmiddels uit de strijd was teruggekeerd, dat zij moest melden dat ze moest “pumpen” als het zover was. Allemaal min of meer onschuldige termen die binnen de familiekring nog met een glimlach dienst konden doen om dit onbetamelijke onderwerp aan te roeren.

Nu is poep echter verheven tot iets van immens belang, door het televisieprogramma: Dokters van Morgen. We zagen daar Antoinette Herzberger een programma presenteren, waaruit overduidelijk het vitale belang van de bacterieculturen die ons voedsel in onze darmen bewerken naar voren kwam. En ook vooral waarvan meer en meer bekend wordt wat ze doen, wat ze betekenen voor onze gezondheid en waarom onze poep moet worden geanalyseerd om erachter te komen welke nuttige werkers we aan boord hebben en welke we beslist moeten proberen in te huren.

Een heel klein beetje was ik eigenlijk al voorbereid op deze medische sprong in de donkerbruine duisternis, moet ik eerlijk zeggen, omdat iedereen tegenwoordig op vrijwillige basis deel kan nemen aan een bevolkingsonderzoek, waarvoor je ook een beetje poep moet inleveren en waaruit dan al dan niet geconstateerd kan worden of je darmkanker hebt. Nu moet ik eerlijk zeggen dat ik dat onderzoek tot nu toe uit de weg ben gegaan. Waarschijnlijk in de eerste plaats omdat ik mijn hoofd niet goed helemaal uit het zand kan halen, maar eigenlijk ook, omdat ik dat een beetje een verdienmodel voor de farmacie vindt. Bovendien, zeg nou zelf, er is alsmaar geharrewar over het feit dat we te oud worden en dat de kosten niet meer zijn op te brengen. We moeten al veel langer doorwerken. De pensioenen gaan gestaag naar beneden. Het zou als je met één onwelwillend oog naar de samenleving kijkt economisch een stuk voordeliger zijn als we wat sneller het tijdelijke met het eeuwige verwisselden. De strijd over de vraag hoe lang we nou eigenlijk moeten of mogen leven staat al jaren op het punt los te barsten. De grote spelers zijn natuurlijk de farmacie en de verzekeraars. De bal zijn wij natuurlijk, dat heb ik al lang in de gaten.

Maar nou was er toch in dat programma van Antoinette over die Dokters van Morgen eindelijk een geluid met een heel andere teneur. Eerder had ze al een programma over de bacteriofagen. Ik heb daarover tweemaal op dit weblog geschreven en nu kwam ze weer met een programma waaruit bleek dat we binnenkort die piepkleine cultuur van die miljarden bacteriën in onze darmen op een niet heel erg kostbare manier zodanig kunnen beïnvloeden dat er daar meer verscheidenheid komt. Bij de drie proefpersonen in het programma bleek dat die zich na een aantal weken inwendig betere bacteriën kweken veel gezonder voelden en dat ook werkelijk waren, zowel lichamelijk als geestelijk en dat ze overgewicht heel gemakkelijk kwijtraakten en dat hun lichaamsvormen erop vooruit gingen. En dat allemaal door de enorme toegenomen verscheidenheid van de bacteriën in de darmen.

Tja dacht ik, als de binnenwereld in mijn lijf zo overduidelijk te kennen geeft dat meer soorten en meer variatie bij de inwoners mij gezonder en vitaler maken, zou het dan toch misschien toch ook waar zijn dat een multiculturele samenleven eigenlijk het gezondste en beste is.

Ja kijk en dan ga ik toch weer twijfelen.