Over peteroosterum

Natural health practicioner Science Fiction writer

APPJE

Het is me nu al ik weet niet hoe vaak gebeurd en eigenlijk weet ik zeker dat ik daarin niet alleen sta. Stel je voor: je hebt iets online besteld, dat doet de halve wereld tegenwoordig tenslotte. Via de mail krijg je het standaard slijmerig beleefde berichtje: Dank voor uw bestelling, we zullen zorgen dat uw bestelling morgen naar de bezorger gaat. Gemiddeld gaan er drie dagen overheen voor uw bestelling wordt bezorgd. Kijk op nummer HO*GpieperdePIEP om via track & trace uw bestelling te kunnen volgen.

Dat ga je dan proberen. De handige mogelijkheid dat je daar zonder wachtwoord binnen kon komen is inmiddels vanwege de krankzinnig doorgeschoten wet op de privacy afgesloten, omdat je net als ieder normaal mens het verdomd om nog meer dan achthonderd wachtwoorden uit je hoofd te leren. Opschrijven heeft geen zin, want dan kan iedereen ze immers tegenkomen en gebruiken.

Gelaten besef je dat je op die derde dag maar moet afwachten wanneer de altijd haastige bezorger jouw pakje komt afleveren. En dan komt die prachtige dag. Verlangend kijk je door het raam de straat op om te zien of die grote bestelwagen met die kleine haastige Noord-Afrikaanse bezorger er al aan komt. Als hij komt dan weet je dat je snel moet zijn, want als je niet binnen tien seconden de voordeur opent, dan zie ze alleen nog de achterkant van de auto die jouw straat uit rijdt, waarna je je vertwijfeld afvraagt wanneer de volgende kans komt om datgene in ontvangst te nemen dat je al een halve week geleden hebt betaald.

Je wacht en je wacht, uur na uur. Op een gegeven moment kun je het echt niet meer ophouden. Je zult echt naar de wc moeten. Je voelt paniek opkomen. Wat nu als… nou ja, dit hoef ik niet te beschrijven. Je weet wel dat het een theoretische mogelijkheid is dat die bezorger juist aanbelt in die drie minuten dat jij eindelijk even op de wc zit. En toch is dat precies wat er dan gebeurt. Je bent gaan zitten, want je kon het echt niet langer ophouden, maar door de spanning lukt het niet snel. En dan hoor je die verdomde voordeurbel gaan. Je ramt met moeite de wc-deur open en je brult: ‘wacht even, ik kom eraan!’ Vervolgens werk je een aantal handelingen af op een manier die hygiënisch eigenlijk niet verantwoord is, maar het mag niet baten, want als je hijgend de voordeur opent zie je weer de achterkant van de bestelwagen in de straat verdwijnen. Ik word daar machteloos woedend van. Ik zeg dan ook vaak dat ik het liefst naar een winkel ga en daar gewoon dingen koop en betaal. Maar ja, online zijn zo ontzettend veel meer dingen gemakkelijk te verkrijgen.

 Nu weet ik wel dat die arme bezorger er eigenlijk ook niets aan kan doen dat hij veel te veel bestellingen moet bezorgen voor veel te weinig geld, maar ik wil toch een oplossing. Ik wil een manier om ervoor te zorgen dat die man blijft staan tot ik de deur open doe. En ik denk dat ik er een heb en waarschijnlijk niet eens duur. Ik moest eraan denken omdat we een voordeurbel met een zendertje hebben. Zonder kabels gaat in onze huiskamer de bel. Het ding zit gewoon in een stopcontact.

Goed, dacht ik, een zendertje heb je al: je smartphone. Wat je nodig hebt is een eenvoudig appje dat iemand die er verstand van heeft gemakkelijk kan programmeren en dat automatisch een kleine speaker onder de voordeurbel in werking zet.Dan kun je, terwijl je op de wc zit in elk geval door dat speakertje tegen die vent voor de deur zeggen: ‘Een ogenblikje alstublieft, ik kom eraan.’ Mocht ie dan toch nog weglopen, dan kun je de volgende keer zeggen: ‘als je nu niet blijft staan wordt er op je geschoten’. Nou ja of zoiets dan. Dan kun je tenminste op je gemak je broek ophijsen en dat pakje aannemen.

Wat ik dus zoek is een slimme IT-er die het appje programmeert en de hardware erbij laat maken. Weet je wat, doe maar geïntegreerd in de voordeurbel. Dat wordt dan de voordeurbel waarmee je via je smartphone kunt communiceren. Het kan vanaf simpel tot heel luxe.

Wat zeg je nou, is het er al? Nou ja, dan kon ik hier in ieder geval even mijn ergernis kwijt.

Stikstof

Dat woord kies ik nu als titel voor een opiniërend stukje. Het lijkt er langzamerhand erg veel op dat een toenemend aantal mensen in de zogenaamd beschaafde landen, mensen dus die eigenlijk tot nu toe in toenemende mate alles konden kopen wat ze dachten nodig te hebben, angstig beginnen te worden. De klimaatveranderingen worden zo duidelijk zichtbaar dat er tekenen van paniek beginnen te verschijnen. Wanhopige milieuactivisten proberen met toenemend succes de in hun ogen schadelijke activiteiten te bestrijden.

Een treffend voorbeeld zien we in ons land in het initiatief van de heer Vollebroek die er in zijn eentje in slaagde om een aanzienlijk deel van de gebruikelijke economische activiteiten lam te leggen. Op deze manier kan de bouw niet verder, moeten heel veel woningzoekenden voorlopig maar blijven zoeken, blijkt de veestapel veel te groot en daarmee de belangrijkste uitstoot van stikstof.

Nu dacht ik toen ik dat las bij mezelf: maar stikstof is toch tachtig procent van de lucht om ons heen? Hoe kan de veestapel daar nu iets mee te maken hebben. Nou, zeker weet ik het natuurlijk niet, maar ik vermoed dat het verhaal als volgt is: Alle dieren die we als vee houden, koeien, varkens, kippen en noem maar op eten voedsel dat noodzakelijkerwijze voor een aanzienlijk deel uit eiwitten bestaat. Eiwitten zijn de bouwstoffen die nodig zijn om onder meer spieren op te bouwen, maar ook andere weefsels in mens en dier. Die eiwitten zijn gecompliceerde chemische verbindingen die op buitengewoon ingenieuze wijze in de natuur door planten worden gevormd met… ja, je raadt het al, de stikstof uit de lucht. Mooi, denk ik dan in eerste instantie. Dierenvoer wordt door de natuur gemaakt en daarvoor wordt stikstof uit de lucht gehaald. Die stikstof komt dan later weer terug in de atmosfeer. We eten de dieren, maar ook produceren ze gigantische bergen mest en urine. Niet erg, want het is in balans. Nou, was in balans moet ik zeggen. We hebben namelijk zo ontzettend veel vee dat we in de eigen natuurlijke omgeving in de verste verte niet voldoende veevoer kunnen produceren. Dat voedsel importeren we dus: soja, mais en noem maar op. Daarmee importeren we dus bergen extra eiwitten. Kijk en daar zit nu het probleem. Die extra eiwitten die niet in onze eigen omgeving geproduceerd zijn geven bij afbraak in de voedselkringloop van het vee heel veel extra stikstof in onze atmosfeer, waardoor de juiste verhouding van ons lucht mengsel verstoord wordt.

Kijk, als onze atmosfeer uit alleen maar stikstof zou bestaan, dan …grappig, het woord zegt het toevallig al een beetje… dan stikken we. Maar zo erg is het nog lang niet hoor, hoewel we eigenlijk ook niet precies weten hoe lang het zo door kan gaan voor het wel zo ver is. Persoonlijk denk ik dat de wal mogelijk het schip wel zal keren, maar een klap zal het zeker geven. Hoe dan ook, het nieuws staat er bol van, alles moet terug, minder, minder, minder… ja, koeien, varkens en kippen voornamelijk deze keer.

Maar ja, je zal maar boer zijn met een torenhoge hypotheek op je bedrijf omdat je alleen een redelijk inkomen kunt halen met honderden koeien of duizenden varkens, omdat de kiloknaller grootgrutters bijna geen donder meer voor je waren betalen. Tja, dan zit je lelijk op je neus te kijken en dan ben je misschien wel geneigd om diep in je hart die milieufiguren een verblijfsvergunning in je gierkelder aan te bieden.

vooral niet doen wat kan, want dat mag niet… ja. van wie eigenlijk?

Dit is wat mij betreft een erg beladen onderwerp, daar om schrijf ik er maar een vage titel boven in de hoop dan niet overal de haren direct al overeind gaan staan.Het gaat over wat mag en wat niet mag. En dan heb ik het niet over allerlei vormen van misdaad, want daar is ongeveer wel duidelijk wat niet mag, hoewel de grenzen wel steeds worden opgerekt. Nee, ik heb het over de veranderingen die tegenwoordig mogelijk zijn aan te brengen in ons genetisch materiaal.Het is werkelijk verbijsterend wat er met bijvoorbeeld de “crispr cas” methode gedaan kan worden om genen te veranderen en daardoor erfelijke eigenschappen te beïnvloeden.

Stel je even voor: de kosten voor de gezondheidszorg rijzen de pan uit. Dramatische tv uitzendingen zien we langskomen als die verdorven op winst beluste verzekeraars weer eens een peperduur middel – waarvan de prijs door de fabrikant natuurlijk ook tot idiote hoogte is opgepompt – weer eens niet betalen waardoor het arme erfelijk belaste kind moet sterven, de wanhopige ouders in diepe smart achterlatend, omdat ze niet rijk genoeg zijn om de prijs te betalen.

Triest hoor kan ik je verzekeren. Ik zelf ben namelijk een ervaringsdeskundige op het gebied van kinderen met een dodelijke erfelijke afwijking. Uit het huwelijk met mijn eerste echtgenote werden twee kinderen geboren. Allebei CF kinderen, de taaislijmziekte die de levensverwachting van een kind ongeveer halveert, nog afgezien van de medische ellende, ziekenhuisopnames chronisch medicijngebruik. Voor een ouder is het angstig en verdrietig om aan te zien en voor de samenleving uitermate kostbaar. Ons oudste kind is ons na een leven vol medische ellende op zesendertigjarige leeftijd ontvallen. Ik kan me geen enkel jaar van haar korte leven herinneren zonder ziekenhuisopname of uitvoerige medische onderzoeken en behandeling. Ons jongste kind is weliswaar al zevenenveertig, maar ook haar leven is een aaneenschakeling van medische ellende.

Er is veel verhitte discussie geweest over de vraag of het ethisch en moreel verantwoord kan zijn zo vroeg mogelijk te aborteren als wordt vastgesteld dat bij ouders die drager zijn van dat CF gen een CF baby wordt verwacht. Zulke ouders hebben namelijk volgens de wetten der erfelijkheid slechts vijfentwintig procent kans om zo’n kind te krijgen, dus is er vijfenzeventig procent kans op een gezond kind dat dan overigens wel drager is van het CF gen. In ons geval was er een doodgeboren eerste kind, dan de oudste dochter, daarna nog eens een miskraam en tenslotte het tweede CF kind. De kansen op een CF kindje waren daardoor in ons geval een stuk hoger.

Het confessionele, religieuze deel van de samenleving is van menig dat elk mens het leed dat hem door de natuur (zij zeggen God) te dragen wordt gegeven op zich moet nemen en zonder klagen moet accepteren. Zij zeggen letterlijk: Niet klagen, maar dragen en vragen om kracht. Ook zeggen ze dat de hele gelovige wereld bewijst dat zij gelijk hebben. Bij mij roept het echter een dwingende vraag op, namelijk of het leven mooier en levenswaardiger wordt als je gehandicapte kinderen hebt in plaats van gezonde. Het leven met kinderen met erfelijke ziekten vraagt namelijk zoveel extra inspanning, geeft zoveel zorg en verdriet. De dromen die een jong stel op hun trouwdag heeft veranderen gaandeweg in een uitzichtloze nachtmerrie.

Nu kan ik me voorstellen dat geloof je helpt je ellende te verdragen, maar dat het leven van ouders met gehandicapte kinderen er mooier en beter door wordt lijkt me uiterst onwaarschijnlijk.  Als je namelijk eerlijk bent had je toch veel liever gezonde kinderen gehad die de prachtige uitdagingen die het leven biedt aankunnen, in plaats van dat soort gezinsgeluk slechts bij anderen te zien.

Niet klagen maar dragen en vragen om kracht… zijn we dan domme pakezels die onvermijdelijke slaag van de meester moeten verdragen, of zijn we intelligente wezens die altijd met alle beschikbare middelen weer zullen proberen een mooi en goed leven te hebben. Mij lijkt het laatste de meest voor de hand liggende levenshouding. En ik ben dan ook van mening dat minstens het oplossen van erfelijke ziekten door toepassing van de technieken die nu beschikbaar zijn niet alleen gewenst, maar ook geboden is. Als we de kansloze menselijke ellende zien die dag in dag uit met grote barmhartigheid, maar ook ten koste van schier onmetelijke inzet en middelen nauwelijks kan voortleven, dan moeten we toch elke kans aangrijpen om de ziekmakende erffactoren te corrigeren.Wat mij in deze ergert en daardoor voortdurend noopt hierover te schrijven is dat zoveel mensen door het nooit bewezen geloof in een hogere macht blijven proberen tegen te houden dat onze wetenschappers zonder beperkingen methoden kunnen ontwikkelen waarmee de mens in elk geval lichamelijk zo vervolmaakt mogelijk kan worden en zonder opmerkelijke ziekteprocessen gelukkig en actief oud kan worden. Dat is toch wat ieder mens die niet volledig zijn verstand kwijt is graag wil.

Ik respecteer die mensen die al die bezwaren hebben tegen het ingrijpen in de erfelijke eigenschappen van de mens. Hun vraag ik alleen hun op geen enkele bewijsbare werkelijkheid berustende opvatting slechts op zichzelf toe te passen. Per slot van rekening kunnen hun kinderen er ook niets aan doen dat hun ouders dergelijke onhoudbare opvattingen aanhangen.

Kortom, ik breek een lans voor onbeperkt genetisch onderzoek. En ja, er zullen uitwassen zijn, waarvan we zeggen: dat lijkt mij niet wenselijk. Het antwoord daarop moet zijn: als jij dat niet goed vindt moet jij dat niet doen. Alleen zo zal er gaandeweg een balans ontstaan, waarin de mens werkelijk heerser in zijn eigen leven is, zoals elk mens zichzelf ongetwijfeld bedoeld heeft.

Voorlezen

Vroeger, toen ik onderwijzer was op wat toen de lagere school heette, vond ik het al leuk om voor te lezen. In die tijd was de concurrentie met allerlei media die tegenwoordig iedereen in tas of broekzak bij de hand heeft nog niet aanwezig. Ik hoefde het dus niet op te nemen tegen de filmpjes op YouTube die iedereen tegenwoordig op zijn smartphone kan bekijken.

Op zaterdagmorgen gingen we nog naar school in die tijd. Tegenwoordig zou dat totaal onbespreekbaar zijn maar ach, we waren het gewend. Zelf moest ik als kind en als middelbare school leerling ook op zaterdagmorgen naar school. Nee, sterker nog, als je er vaker dan gemiddeld uitgestuurd was moest je op zaterdagmiddag ook nog terug komen om allerlei overigens nooit echt vervelende strafklusjes te doen. Die zaterdagmorgen is in mijn herinnering nooit echt vervelend geweest. ’s Middags had je vrij en zelf gebruikte ik het laatste uur na de pauze altijd om in mijn klasje voor te lezen. Een enkele keer, als er storm op komst was en de kinderen erg rumoerig waren, kon er wel eens gedreigd worden dat het voorlezen niet door ging. Dat bleef echter altijd bij een dreigement, want dat was ruim voldoende om de betrekkelijke rust weer te doen terugkeren.

Nu, vele jaren later, vind ik voorlezen nog steeds leuk. Gelukkig hebben de spraaklessen die we tijdens onze onderwijsopleiding kregen goed geholpen, want ik krijg eigenlijk nooit last van mijn stem, hoe lang ik ook voorlees.

Al jaren schrijf ik. Het is geen overweldigende productie die ik tot nu toe heb geleverd: twee sciencefiction romans en een verhalenbundel zijn tot nu toe door mijn uitgever, Schrijverspunt, uitgebracht.

Maar ja, er zijn natuurlijk vele al dan niet getalenteerde schrijvers. De boekenmarkt is overvol. En of het nu aan mijn onbekendheid lag of aan de kwaliteit van mijn werk of juist aan het ontbreken van een behoorlijke smaak bij het publiek – wat volgens mij natuurlijk het geval is –  weet ik niet, maar nadat mijn prachtwerken een jaar in nagenoeg alle internet boekwinkels gestaan hadden liet mijn uitgever weten dat mijn titels zo weinig verkocht werden dat de kosten van de internetwinkels hoger waren dan de opbrengsten van mijn boeken. Einde verhaal.

Ik was uiteraard teleurgesteld, maar toen heb ik gereageerd met de mededeling dat ik bezig was er audioboeken van te maken. Tot mijn grote verrassing liet Schrijverspunt mij weten dat mijn boeken in dat geval op de markt bleven, als ik maar die audiopresentaties aanleverde.

Dat heb ik gedaan en tot mijn grote genoegen kreeg ik daarna het verzoek meer boeken voor te lezen.

Nu zit ik elke dag een uur of vijf voor te lezen in mijn zelf ingerichte thuisstudio. Gelukkig heb ik de goede apparatuur en programmatuur tot mijn beschikking, omdat ik altijd al audio bewerking deed.

Voor mijn uitgever, Schrijverspunt, ben ik nu halverwege het vijfde audioboek.

Ik lever alles keurig in stereo en op mp3 format aan, want grote bestanden kan ik dan versturen met het programma We Transfer. Uiteraard kan ik zelf niet beoordelen of het prettig is om naar mijn stem te luisteren. Zelf vind ik natuurlijk van wel. Dus, mocht iemand van mijn lezers tekst hebben die nodig met veel gevoel en de juiste accenten voorgelezen moet worden, dan is daar met mij onder alleszins redelijke voorwaarden over te praten.

Zekerheden?

Omdat steeds meer maatschappelijke problemen het gevolg lijken van verschillen in de opvattingen van religieuze mensen, wil ik het verschijnsel religie nog maar eens op mijn manier tegen het licht houden.

De hele wereld is voor een groot deel bevolkt met mensen die een van de grote godsdienstige richtingen aanhangen. Dat is, wanneer men er goed over nadenkt, eigenlijk heel vreemd. Omdat het echter zoveel mensen betreft moet het iets van doen hebben met de diepere aspecten van de menselijke natuur. Met andere woorden, uit het feit dat zoveel mensen een religie aanhangen moet de eerste conclusie zijn dat geloven kennelijk aan een behoefte of misschien wel aan een aantal behoeftes voldoet.

Zelf ben ik als kind vanaf mijn vierde – tot mijn twaalfde jaar godsdienstig geweest. Daarna wilde ik het niet meer, maar daarover later.

Als onaantastbare vastbeslotenheid zou ik sfeer willen omschrijven die ik opmerk als ik mij tussen religieuze mensen begeef. Daarbij kan ik me niet onttrekken aan de indruk dat een van de belangrijkste stimulerende effecten uitgaat van de gezamenlijkheid. Men komt bijeen in een gebedshuis met een groep mensen van wie men veronderstelt dat zij het zelfde gedachtegoed aanhangen. Er moet dan, zo veronderstel ik tenminste, een gevoel ontstaan dat verwoord kan worden als: zij zijn het met mij eens, ofwel, we denken er hier allemaal hetzelfde over. In werkelijkheid komt dat er bij religie op neer dat men aanneemt dat iedereen binnen de groep de zelfde onbewezen uitgangspunten aanhangt.

Resultaat? Ja natuurlijk is er resultaat. Het werkt, zoveel is duidelijk. Anders zou het verschijnsel godsdienst niet al tientallen eeuwen de menselijke samenleving sturen, maar ook vaak ontwrichten en helaas ook vernietigen.

De Christelijke godsdiensten, het katholicisme voorop, maar zeker ook de meeste protestantse richtingen alsmede de Islam houden nimmer op de aanhangers duidelijk te maken dat de individuele mens nietig is onder een almachtige God en van nature geneigd tot het kwaad. Van kinds af aan wordt deze opvatting aangeleerd op een manier waarbij het in twijfel trekken ervan ernstige schuldgevoelens oproept. Twijfelen en die twijfel uitspreken binnen een religieuze gemeenschap leidt steevast tot onaangenaamheden die de arme twijfelaar pijnlijk treffen.

Eigenlijk is het krijgen van een godsdienstige opvoeding het best te vergelijken met dressuur. Als resultaat behoort niet te worden getwijfeld aan de aangeleerde axioma’s op straffe van onaangename correctie.

Nu wil ik het even hebben over de inrichting van het religieuze ideeënrijk.

Christendom heeft – evenals het oudere jodendom en de jongere Islam – een man in de hoofdrol. Bij de Joden heet hij Jahweh, Bij de Christenen God en bij de Moslims Allah.

Van deze mannelijke almachtige wordt in elk van deze religies zonder een spoor van bewijs aangenomen dat hij alles geschapen heeft. Dat is zo immens veel dat niemand het zich meer kan voorstellen. Als je dan zonder vragen te stellen meegaat in die opvatting kom je vanzelf in de nietige en derhalve afhankelijke positie waarin elke grote religie je graag heeft. Als je namelijk het nooit bewezen idee aanhangt dat het universum, jij dus ook, geschapen is door de oneindig grote almachtige God, dan moet je wel tot de conclusie komen dat jijzelf een oneindig klein en nietig friemeltje bent en dat je die almachtige grote God moet eren en gehoorzamen.

Maar ja, hoe zit dat dan, wat wil die God dan, wat moet je dan doen en wat vooral niet?

Nou kijk, dat is een probleem dat voor jou als nietig friemeltje natuurlijk veel te ingewikkeld is. Daar zijn dan de dienaren binnen de organisaties van de grote wereldgodsdiensten voor. Zij zijn altijd bereid om je te vertellen hoe je moet leven en wat je daarvoor moet betalen. Want ja, God is natuurlijk oneindig groot en misschien ook wel goed, maar zijn grondpersoneel heeft toch graag een stevig gefundeerd economisch fundament. Per slot van rekening is dag in dag uit goed doen en vertellen hoe iedereen moet leven een heel werk.

Nou, qua organisatie heeft de katholieke kerk in onze westerse wereld het waarschijnlijk het slimst aangepakt. Natuurlijk heeft de kerk het goede met de mens voor, maar al doende is de kerk daar toch niet armer door geworden. Niemand buiten de kerk zelf weet eigenlijk hoe rijk de katholieke kerk is. Er wordt wel een voorzichtig geschat dat de economische waarde van dit vrome instituut, vermoedelijk in de duizenden miljarden euro’s loopt. Natuurlijk wordt er alleen geld uitgegeven als de doelen van de kerk daarmee gesteund worden. Per slot van rekening is het wel oer stom om je tegenstanders overeind te helpen.

Nou ja, er was vroeger natuurlijk dat flauwe praatje van als je op je linker wang werd geslagen… enzovoort, maar dat soort uitspraken zien we maar als voorbeelden van vroomheid waarmee je vroeger misschien wel kon wegkomen maar die in de moderne tijd echt veel te weinig opleveren.

Het zal mijn lezers, die het geduld hebben opgebracht het hele bovenstaande stuk te lezen, inmiddels wel duidelijk zijn dat ik weinig zie in religie en in kritiekloos geloven in het algemeen. In veel eerder stukjes die ik in dit weblog publiceerde kwam dat ook al naar voren. Ik wil dan ook eigenlijk afsluiten, zoals ik hierboven al schreef, met mijn eigen ervaringen als gelovig jongetje.

Het was in het laatste jaar van de tweede wereldoorlog toen ik met mijn moeder en een zuster van mijn moeder terug liep van ons evacuatieadres in het dorpje Schagerbrug naar Den Helder. Wij gingen te voet, want vervoer was er niet en ach, een afstand van ruim twintig kilometer moest toch ook voor mijn vierjarige beentjes, met aan weerszijden een volwassen hand om vast te houden, wel te doen zijn. Wij zouden tot zich een betere oplossing aanbood bij opa en oma in huis verblijven.

Opa had voor de oorlog een groot verhuisbedrijf gehad met wagens die nog door paarden getrokken werden. Dat bedrijf had hij zelf opgebouwd. Toen kwamen echter de auto’s en dus ook de vrachtauto’s het vervoer met paarden verdringen. Opa dorst niet, begreep het niet, raakte aan de drank. Heel het prachtige bedrijf heeft hij verzopen. Maar ja, er waren zes kinderen en er moest wel brood op de plank. Als rangeerder werkte hij bij de spoorwegen. Nog steeds dronk hij, maar op een dag werd zijn drinkmaatje wegens dronkenschap op het werk op staande voet ontslagen. Dat betekende in die tijd totale armoede, want geen enkel inkomen. Opa was zo geschrokken dat hij zich bekeerde en bij het Leger Des Heils aansloot. Voortaan was hij heilsoldaat en liep met de vlag voorop als het muziekkorps de straat opging.

Mij nam hij mee naar het zondagschooltje van het Leger.

Er was van alles wat ik mooi vond. Er werden mooie verhalen verteld en we zongen en we klapten en iedereen was blij en thuis werd er gebeden en gedankt bij de maaltijden. Later, de oorlog was al een paar jaar afgelopen, werd er voortdurend in het zondagschooltje een gevoelig beroep op ons kinderen gedaan om ons toch te bekeren en een jongsoldaat te worden. Bovendien kon je dan ook op een muziekinstrument leren spelen. Je kreeg les, je leerde muziek lezen. Nou, dat wilde ik allemaal wel. Dus op een zondag, na een dringende oproep van de kapitein achter de kansel ging ik naar voren en knielde aan de zondaarsbank. Heel apart hoor dat gevoel. Een soort kritiekloze overgave die ik in mijn verdere leven nooit meer heb gevoeld. Ik kreeg een bügel en muziekles. Het leek allemaal geweldig.

Mijn vader was een marineman. In de oorlog had hij zesendertig patrouilles van zes weken naar de Middellandse Zee gemaakt met een utility klasse onderzeebootje. Als streng katholiek opgevoede jongen was hij de dienst in gegaan, maar dat hij in die oorlog gedwongen was geweest een aantal Italiaanse geloofsgenoten van het leven te beroven door hun schepen te torpederen had zijn geloof in een rechtvaardige God definitief vernietigd.

Dus dat quasi vrome gedoe in dat legertje van amateur braverikken vond hij maar niks. En omdat ik erg tegen hem opkeek – ik ontmoette hem voor het eerst na de oorlog – zat ik al snel klem tussen Ons Lieveheertje en de echte werkelijkheid. Ik stopte met het Leger Des Heils, ik stopte met bidden.

Het kostte me drie jaar. Pas toen voelde ik me niet meer schuldig.Zo leerde ik, besefte ik veel later, dat menig paplepeltje gebruikt wordt om kleine kinderen onbewijsbare dingen te voeren die ze leren als waarheid aan te zien.

Nu, in mijn tachtigste levensjaar, besef ik steeds meer hoe godsdienst de menselijke geest zijn creativiteit ontneemt.

Weet je, je mag kinderen van alles leren, maar maak ze toch alsjeblieft niks wijs.

De zon in het water kunnen zien schijnen

Zou iemand die oude uitdrukking nog kennen: hij kan de zon niet in het water zien schijnen. Het betekende, als het over jou gezegd werd, dat je een ander niet gunde wat je zelf niet kon krijgen. Afgunst dus.

Vanmorgen toen ik de krant opensloeg moest ik eraan denken. Er werd aan een reeks gewelddadige gebeurtenissen in onze omgeving gerefereerd, die hadden plaats gevonden in apotheken. Afgelopen woensdag, één mei tweeduizendnegentien, hebben twintig apotheken in het Gooi de deur in de ochtend op slot gelaten uit protest tegen het toenemende geweld waarmee het apotheek personeel wordt geconfronteerd.

Ik kan me dat goed voorstellen. In mijn ervaring van inmiddels veel meer jaren dan naar ik hoop mijn dagelijks optreden doet vermoeden, is een apotheek een plek waar ernstig en in stilte nauwkeurig en geconcentreerd wordt gewerkt om ons de medicijnen mee te geven die de arts of specialist ons heeft voorgeschreven, opdat wij genezen van wat ons mankeert of in ieder geval dat onze mankementen draaglijker worden. Voor veel mensen, vooral mensen met chronische klachten, zijn dat altijd de zelfde medicijnen, althans dat zouden ze moeten zijn, tenzij anders voorgeschreven. En daar gaat het tegenwoordig aan de lopende band fout. Tegenwoordig staat er op het doosje pilletjes voortdurend een andere naam. Daar schrikken patiënten van. Ze beginnen dan voorzichtig te protesteren. Het apotheek personeel legt dan uit dat de inhoud – en dus de werking van de pilletjes het zelfde is als die van de pilletjes die men gewend is. Maar ja, patiënten en zeker chronische patiënten worden daar onzeker van. De twijfel slaat toe. Is het wel waar wat die juffrouw in de apotheek zegt en waarom krijg ik een ander pilletje. Wat ik had werkte goed.

Welnu, zelfs als de werking van de vervangende pilletjes exact gelijk zou zijn aan die van het middel dat vervangen wordt, wat helaas in een groot aantal van de gevallen niet voor honderd procent waar is, dan nog twijfelt de patiënt. De mentale instabiliteit die daardoor ontstaat draagt niet bij aan een goede opname en werking van medicijnen. We zijn niet alleen een lichaam dat als een chemische fabriek kan worden gezien. Onze geestelijke activiteit kan veel wat goed bedoeld was behoorlijk in de war sturen.

Al met al zien we nu voortdurend apotheken medicijnen afleveren met een andere naam in een andere verpakking en met een andere vorm en uiterlijk afleveren dan wat mensen gewend zijn. Voor de duidelijkheid: het gaat alleen om geld. Nee, ik zeg het niet volledig genoeg.

Vroeger kende ik een apotheker – ik praat over meer dan veertig jaar geleden – die met enige trots vertelde dat hij zijn winsten wat had kunnen verhogen door zogenaamde parallel import van medicijnen. Hij liet bijvoorbeeld medicijnen voor zijn apotheek eerst naar Engeland leveren, omdat medicijnen daar toen veel goedkoper over de toonbank gingen. De Engelse apotheker stuurde de vracht dan naar hem door. Hij kon op die manier de medicijnen voor de hier geldende prijs verkopen, terwijl zijn inkoopprijs een stuk lager was dan wanneer hij zijn bestelling rechtstreeks naar zijn eigen apotheek had laten komen. Natuurlijk gebeurde dit op grote schaal. Bijna elke apotheker wilde graag wat meer verdienen. Per slot van rekening deed je er in die tijd gemiddeld zeven jaar over om na je middelbare schoolopleiding een apothekersdiploma te bemachtigen. Na al die moeite wilde een apotheker dan eindelijk wel eens wat verdienen.

In die tijd hadden we nog het ziekenfonds en daarnaast de particuliere verzekering tegen ziektekosten. Eigen bijdrage was nog lang niet uitgevonden. Ziektekostenverzekering was toen nog alleszins betaalbaar. Nou ja, vroeger was niet alles mooier, maar dat in ieder geval wel.

Helaas zijn verzekeraars nog veel handiger in het misbruiken van hun positie dan apothekers. Die laatsten krijgen nu in hun medicijnwinkeltjes alleen nog maar de geneesmiddelen die door de verzekeraars zijn goedgekeurd. Het mistige gebied van de parallel importen mag volgens de verzekeraars niet meer bestaan, waarmee ze vermoedelijk bedoelen dat ze dat zelf nog veel beter kunnen, maar dat valt niet te bewijzen. Wel moet bedacht worden dat verzekeraars samen een enorme organisatie vormen die onze landsgrenzen verre overschrijdt.

Ik denk echter, terugdenkend aan de slimme parallel importen van die apothekers, dat de verzekeraars erg veel last van zere ogen kregen in die tijd, omdat ze de zon niet in het water konden zien schijnen.

Overigens denk ik dat een groot deel van deze onrust, die ook heel slecht voor patiënten is, kan worden vermeden. Medicijnen hebben doorgaans een soort fantasienamen die bedacht zijn door de fabrikant en die het in de reclame goed doen. Ik zeg: hou daarmee op. Schrijf op een medicijnverpakking uitsluitend de naam van de werkzame stof. Aspirine wordt dan “Acetosalisylzuur”. De mensen die verstand van plantaardige middelen hebben kunnen dan tenminste ook nog zien dat Bayer de kennis gepikt heeft van de wilg, want deze werkzame stof komt voor in de bast van de wilg. Dus, geen fancy merknamen meer maar de naam van de werkzame stof en de dosering. Ik weet zeker dat de kleur van het doosje er dan veel minder toe doet.

De Passion

Het staat weer volop in de belangstelling. Vroeger was het voorbehouden aan de conventionele mensen uit een veelheid aan christelijke richtingen, want als één ding al heel lang duidelijk is, dan is dat wel dat christendom alles behalve eenheid betekent. Alleen in de historie van ons kleine landje zijn er al tientallen grotere en kleinere groeperingen te zien die allemaal op hun eigen manier van mening zijn dat ze de enig juiste versie van het geloof in de Heer verkondigen. Maar dat is vanaf het begin al het geval geweest in dat groepje opstandelingen, want dat waren ze, Jezus en zijn discipelen.

Ik denk eigenlijk dat het groepje, in de paar jaar dat het zich maatschappelijk roerde, zich behoorlijk gehaat heeft gemaakt onder de Joodse gemeenschap waarin ze leefden. De grootste blunder die de volgens mij ongelooflijk eigenwijze Jezus maakte was dat hij op een dag alle handel van het tempelplein ramde. Dat deed hij natuurlijk niet alleen. Daar hebben vast al die andere jongens bij geholpen. De huidige christenen zien dat als een daad die de puurheid en de zuiverheid van de inzichten van Jezus onderstreept. Ik kan me echter de andere kant voorstellen. Bedenk: het groepje rond Jezus is een heel kleine groep opstandelingen. Tegenwoordig noemen we een dergelijk groepje binnen onze maatschappelijke context een sekte. Die handel op dat tempelplein (begrijp goed: zoiets als het plein voor de kerk) wordt eraf gedonderd. Die mensen die daar hun brood proberen te verdienen zien hun broodwinning naar de gallemiezen gaan. ‘Nou’, denk ik dan, ‘dat moet je mij eens proberen te flikken met je achterlijke principiële standpunten.’

Ik hoor nu de christenen roepen: ‘Ja, maar dat was heel iets anders.’ En ik zeg: ‘je mag in dit vrije land vinden wat je wil, maar het was niet iets anders. Het was een daad van agressie waarmee je ook in onze tijd zeker niet met een taakstrafje wegkomt.

Ik denk dat er in dat groepje anarchisten, want dat waren ze, enorm veel ruzie is geweest. Ik denk ook dat Judas werkelijk witheet is geweest over een flink aantal van die botte acties.

Tja, ik hoop maar dat ik niemand al te erg op zijn geloofstenen trap, maar ik kan toch nooit nalaten te schrijven wat ik van allerlei maatschappelijke verschijnselen vind. Daarbij probeer ik me dan altijd te verplaatsen in zo’n groep of gebeurtenis. En wat ik dan zie bij dat groepje opstandelingen rond Jezus is dat ze het lang niet altijd met hem eens zijn. Het zou ook te gek voor woorden zijn. Het Joodse volk staat er toch om bekend voortdurend discussies te hebben. Dat kan – net als bij Nederlanders overigens – er wel eens in uitmonden dat ze elkaar voor rotte vis staan uit te schelden. Ik denk dat zoiets bij die Judas al vrij vroeg gebeurd is.

Ik vermoed dat Jezus binnen de groep de intellectuele leider was, maar dat Judas ook lang niet op zijn achterhoofd was gevallen. Gevolg: voortdurende twistgesprekken. Op een gegeven moment vindt Judas het welletjes. Hij ziet Jezus als een gevaar voor de samenleving. En niet alleen dat. Hij ziet hoe de dodelijke consequentheid van Jezus het doel, de maatschappelijke verandering, in gevaar brengt en denkt: we moeten die vent isoleren. Het gaat anders hartstikke fout.

Zijn contact met het Joodse establishment biedt hem de kans om, zoals hij dat ziet, de zaak te redden. Volgens mij wil hij Jezus alleen maar opzij zetten om de beweging te redden. Maar hij heeft geen rekening gehouden met het feit dat het Joodse establishment, de hogepriester en nog een paar van die jongens, hun handen niet willen branden aan een Schriftgeleerde, een Rabbi, want dat was Jezus natuurlijk ook. Dus spelen ze het handig via de Romeinse bezetter. Dat zijn militairen, die maken korte metten met de hele zaak onder het motto: zachte heelmeesters maken stinkende wonden. Daardoor wordt evenwel een soort heilig principe geactiveerd dat tegenwoordig in bepaalde stromingen in sommige van de wereldgodsdiensten ook nog stevig opgeld doet: DE MARTELAARSDOOD. Als dat niet gebeurd was, was er geen christendom ontstaan.

Blijf ik aan het einde van deze bespiegeling toch met een vraag zitten. Was Judas nou een valse verrader of was hij een man van goede wil die de beweging wilde redden. Ik weet namelijk bijna zeker dat hetgeen de Romeinen met Jezus deden zijn bedoeling niet was, want hij heeft zich vol afschuw van het leven beroofd.

Hoe dan ook, zonder Judas was de maatschappelijke stroming die later uitmonden zou in het wereldwijde christendom er nooit gekomen. Of dat erg zou zijn? Tja, ik ben niet slim genoeg om dat te kunnen beantwoorden.

Emotie

Het lijkt de enige bron die ons in beweging zet. Altijd weer is het een min of meer duidelijk gevoel, een gevoel dat de richting al in zich heeft, waardoor ik in beweging kom. Natuurlijk, een gedachte geeft uiteindelijk duidelijk aan wat ik moet gaan doen. Die gedachte wordt echter altijd voorafgegaan door een emotie, een gevoel en gevoel bepaalt mijn stemming. Een gevoel ís altijd een min of meer duidelijke lichamelijke ervaring. Door ervaring hebben we geleerd op een logische rationele manier op een gevoel te reageren. Vaak gebeurt dat trouwens gedachteloos. Simpel voorbeeld: ik heb een ietwat weeïg gevoel in mijn maag, waardoor ik zonder erover na te denken een boterham pak. Waar ik dan weer wel over na denk is wat ik erop zal doen. Die gedachteloze aandrang die we vaak voelen is natuurlijk een gelukkig verschijnsel dat ervoor zorgt dat we veilig en gezond blijven, zonder dat we over elke reactie op een gevoel hoeven na te denken. Maar pas op, er loert gevaar. Er zijn namelijk heel veel mensen en vooral ondernemingen die er belang bij hebben dat we gedachteloos op een gevoel reageren. Reclame maakt namelijk op zeer ruime schaal gebruik van mogelijkheden om door het opwekken van specifieke gevoelens reacties bij ons op te roepen.

Kun je je misschien dat heel flauwe kinderspelletje nog herinneren, waarbij een vriendje tegen je zei: ‘zeg eens één keer ‘ork’. Dat zei je dan. En dan zei dat vriendje: nou twee keer. ‘ork, ork’ zei je dan. Dat ging dan een poosje door: vier keer, vijf keer. En dan zei dat vriendje ineens: ‘soep eet je met een…’ ‘Vork,’ riep je dan spontaan, terwijl je natuurlijk best weet dat je soep met een lepel eet, maar je zei ‘vork’ , omdat het rijmpatroon van dat woordje ‘ork’ dat vanzelfsprekender maakte dan dat je met het juiste antwoord ‘lepel’ zou geven.

Reclame werkt eigenlijk op de zelfde wijze. Reclame probeert namelijk te bereiken dat het voor jouw gevoel vanzelfsprekend is dat je het advies in de reclameboodschap opvolgt. Een geslaagde reclameboodschap laat je als vanzelf dingen doen of kopen zonder je af te vragen of je het nodig hebt, of het wel goed is en zelfs of het misschien riskant is.

Hoe komt het nu dat reclame daar in onze samenleving zo gemakkelijk mee wegkomt. Dat laatste woord gebruik ik niet voor niets, want de reclamemakers komen ermee weg dat ze op grote schaal ons gedrag beïnvloeden en eigenlijk veranderen, zonder dat daarvoor van onszelf uit een noodzaak bestaat. Zij doen dat om daarmee voordeel voor hun opdrachtgevers te bewerkstelligen. Mag dat? Mag je voortdurend pogingen doen het gedrag van mensen te beïnvloeden ten behoeve van je eigen voordeel? Blijkbaar wel, want we worden tegenwoordig doodgegooid met al dan niet effectieve reclame, maar dat is niet altijd zo geweest.

Ik kan me herinneren dat jaren geleden een bepaald soort bioscoop reclame verboden werd. Het was een manier van reclame maken in de tijd voor we nog dagelijks naar de televisie keken, want dat hele verhaal stond nog in de kinderschoenen. Slimme reclamemakers hadden toen echter onderzocht hoe je met filmbeelden het koopgedrag van de bioscoopbezoekers kon beïnvloeden. Het ging als volgt: de film liep door de projector met een snelheid van vierentwintig beeldjes per seconde. Wij zien bij die snelle beeldwisseling een vloeiend bewegend beeld. Een aantal keren hadden ze dan in de film vijf beeldjes vervangen door een reclameboodschap. Die vijf beeldje kwamen dus in ongeveer een vijfde seconde voorbij. Dan stond er bijvoorbeeld drink Coca Cola. En omdat je aandacht op de film gericht was merkte je dat niet op. Het ging ook te snel voor onze ogen om het bewust op te kunnen merken. Toch kwam de boodschap wel ons bewustzijn binnen, maar die wekte alleen maar het gevoel op dat we zin hadden in Coca Cola. Dat konden ze in de bioscoop in de pauze goed aan de verkoop merken. Deze techniek met die beeldjes die je niet bewust waarnam werd subliminal influencing genoemd. Dat was dus een soort stiekeme reclame en in die tijd waren er brave bestuurders die meende als waakhond voor ons welzijn te moeten optreden. Deze vorm van bioscoopreclame werd toen verboden.

Tegenwoordig heeft kostbare research vele technieken ontwikkeld die soortgelijk en nog veel dieper ingrijpend effect hebben dan het simpele truukje met de onopgemerkte beeldjes. Er worden namelijk door de commercie zo ontzettend veel dingen gemaakt en aangeboden, waaraan niemand uit zichzelf behoefte heeft, maar die ze heel graag aan ons willen verkopen. Denk bijvoorbeeld maar eens aan weer een nieuwe smartphone of weer een ander abonnement. Om die reden proberen ze – en heel vaak met succes – ons het gevoel te geven dat we een beter en gelukkiger leven hebben als we zorgen dat we die producten bezitten.Zij zelf weten dat wat ze beweren niet waar is, want we worden er doorgaans niet gelukkiger van. We raken er alleen veel geld aan kwijt. Maar ja, onze hele westerse economie is voor een groot deel gestoeld op het aanzwengelen van een zo groot mogelijke circulatie van geld, ongeacht of datgene waarvoor geld wordt uitgegeven ons een beter en mooier leven geeft.

Ik kan mij voorstellen dat wie dit ook leest bij zichzelf denkt: ‘maar dat wil ik niet. Ik wil niet ongemerkt door mijn gevoel beïnvloed worden en daardoor dingen doen – en voornamelijk kopen waarvan ik achteraf enigszins geërgerd moet vaststellen dat het me alleen maar geld kostte, maar niet gelukkiger maakte.

Dan heb ik goed nieuws en slecht nieuws voor je. Laat ik maar beginnen met het slechte nieuws. Als we allemaal ophouden met het kopen van volstrekt nutteloze dingen – en daarmee bedoel ik dingen die gemakkelijk door goedkopere en eenvoudigere dingen kunnen worden vervangen zonder dat het leven er beroerder van wordt, dan zitten we al heel snel in een wereld die minder glanst, waarin meer armoede is. Het is een duivels dilemma. Het is als het weghalen van een kaart uit een hoog opgebouwd kaartenhuis. Voor je er erg in hebt stort de boel in. Onze samenleving is te gecompliceerd voor ruwe en plotselinge veranderingen.

Maar wat is dan het goede nieuws? Ach, misschien dit: door op elke koopprikkel te reageren ontstaat in een aantal sectoren in de maatschappij een soort wildgroei. Wildgroei is bijna nooit sterk. Wel kan wildgroei erg overwoekeren.

Dus als je nu gewoon je echt serieus afvraagt of je nu echt nodig hebt wat je op weg bent te gaan kopen en ook wat je bijvoorbeeld nog meer met dat geld zou kunnen doen. Misschien wacht je dan nog even met de volgende nutteloze aanschaf. Misschien rem je daarmee de wildgroei wat af, zeker als we het samen doen. Je kunt bijvoorbeeld wat vaker tegen jezelf zeggen: ‘Ik wil niet gedachteloos op prikkels reageren. Ik ben toch geen gedresseerd dier!

Trouwens, maar dat wist je natuurlijk al, wat langzaam groeit is vaak veel sterker dan wat snel groeit.

Kindermishandeling, of niet?

Zelf heb ik ook vaak de neiging om te denken dat dingen die heel lang geleden gebeurd zijn in mijn werkelijkheid van vandaag niet zoveel invloed meer hebben. Steeds meer kom ik er toch achter dat ik me daarin vaak pijnlijk vergis.

Vlak voor de tweede wereldoorlog werd ik geboren. Het was eerste paasdag, maar ik heb nooit de indruk gehad dat er hierdoor een feestelijk tintje over mijn verdere leven werd gestrooid. Pasen wordt door de christenen gevierd als het feest van de opstanding. Inderdaad, nu ik erover nadenk heb ik in mijn leven tamelijk vaak na een harde klap overeind moeten krabbelen, om verder te kunnen gaan. Het begon eigenlijk al toen ik net zes jaar was. Ik belandde in het ziekenhuis met een gebroken beentje. Het been was vlak boven de knie gebroken. Lastig, want van die mooie metalen plaatjes om een moeilijk breuk aan elkaar te schroeven waren er nog niet. Maar zo stompzinnig als het bij mij mis ging had nou ook weer niet gehoeven.

Je moet namelijk weten dat we twee ziekenhuizen hadden in Den Helder, mijn geboorteplaats. Er was het gemeenteziekenhuis, Parkzicht en er was het katholieke Sint Lidwina ziekenhuis.

Nu wilde het geval dat mijn vader nauwelijks een jaar eerder was teruggekeerd uit de onderzeeboot oorlog in de Middellandse Zee. Daar had hij blijkbaar zoveel contra-argumenten tegen het rotsvaste katholieke geloof uit zijn jeugd opgedaan, dat het gebruik maken van een katholiek ziekenhuis tot elke prijs vermeden diende te worden. Later ging hij er trouwens na een zware maagbloeding zelf wel heen, maar dit ter zijde.

Dat gemeente ziekenhuis had één chirurg, een norse oud marine arts, die misschien best aardig een blindedarmoperatie kon verrichten, maar het repareren van gebroken armen en benen, was iets wat bijna nooit goed ging. Veel van zijn, tja, hoe zal ik het zeggen, nou ja vooruit maar, patiënten kwamen weg met krom en scheef gezette armen en benen. Maar ja, ze hadden er niemand anders voor in dat gemeente ziekenhuisje en bovendien werd hij vrij snel kwaad als iemand er wat van zei, maar dat kan natuurlijk schaamte geweest zijn.

Hoe dan ook, de man nam een op zich verstandig besluit. Hij besloot het beentje in tractie te leggen. Botstukken werden op elkaar gezet, zoals hij dacht dat het moest. Beentje omhoog, pennetje door het hielbeen, beugeltje, gewichten, de hele santekraam.

Er kwam een jongetje op mijn kamertje liggen, Jantje. Jantje had open tuberculose en er waren een paar vliegen in ons kamertje die dat kleine gaatje waar die pen mijn voetje in ging heel aantrekkelijk vonden, nadat ze eerst bij Jantje geweest waren. Jantje was trouwens een week later dood. Ik zie nog het zwarte kistje waarin hij werd afgevoerd. Maar ja, toen was mijn voetje al veranderd in een vurige zwerende bal en kreeg ik, helaas een paar dagen te laat penicilline injecties, waarmee de tuberculeuze fistel binnenin mijn hielbeen nooit afdoende bezworen werd.

Gelukkig ontdekte de dokter dat hij behalve de stommiteit met tuberculeuze Jantje nog een foutje had gemaakt, waardoor hij het beentje opnieuw moest breken en opnieuw zetten. De pen ging toen niet meer door de voet, want die was voorlopig vanbinnen in een dik soort papachtige pus veranderd, maar door de knie. Iedereen hield de adem in, maar Jantje was afgevoerd, zoals ik al zei en bij juffrouw Keizer in de andere hoek van de kamer kwamen zelfs geen vliegen. Bovendien had ik nu een dekenkooi over de lage stelling waarop mijn been nu rustte en hield de penetrante lysolgeur, die vroeger elk zindelijk ziekenhuis kenmerkte, elke vlieg brakend op afstand.

Ik was op drieëntwintig april negentien zesenveertig, de dag voordat mijn moeder veertig jaar zou worden, het ziekenhuis in gegaan en eind juli kwam ik er uit. Ik moest opnieuw leren lopen en in september van dat jaar bracht mijn moeder me in een karretje naar school.

Helaas was dit niet het laatste medische gepruts wat ik in mijn leven mocht meemaken. Er lag nog het een en ander te wachten

Maar wat heeft dat nu allemaal met mij in de tegenwoordige tijd te maken?Nou, ik denk dat ik vaak over-kritisch ben in het contact met artsen. Natuurlijk zijn er gewetensvolle en kundige artsen, maar ik heb langzamerhand voldoende medische kennis om ze steeds weer kritisch te bevragen. Als er genoeg onherstelbare schade is aangericht in je leven, dan ga je toch op den duur wat beter opletten. Dat is voor mijn artsen misschien niet altijd even leuk en het vraagt extra tijd, maar ik was niet verantwoordelijk voor het letsel veroorzakende gepruts van hun voorgangers.

Die lange schaduw werpt mijn medisch verleden nog altijd over mijn huidige houding tegenover de geneeskunde.

Het schijngevecht gaat door

Ja, want een schijngevecht is het. Er wordt gelogen, eromheen gedraaid, nergens op slaande smoezen verzonnen en noem maar op. En waarschijnlijk, maar helaas is dat niet te bewijzen, wordt er tegen betaling of gunsten tegengehouden waar tienduizenden mensen hun gezondheid mee terug zouden kunnen krijgen.

Mijn trouwe lezers weten langzamerhand wel dat ik me behoorlijk kan opwinden over huichelachtigheid en gewichtigdoenerij.

In de vorige uitzending van Dokters van Morgen, een format waar ik mijn eerste inspiratie al kreeg om over bacteriofagen te schrijven, kwam een RIVM bobo aan het woord. Met een smalend lachje liep hij rond in de kliniek in Tbilisi, waar al bijna honderd jaar mensen met deze heilzame virussen worden genezen. Met een gewichtige uitdrukking op zijn gezicht wist hij al zijn rijke wijsheid en ervaring te mobiliseren in de volgende zin: ‘het kan best zijn dat hier succesjes worden geboekt met die eh… bacteriofagen, maar er is nog onvoldoende wetenschappelijk gefundeerd onderzoek gedaan naar de werkzaamheid en de veiligheid van deze therapie.’

Ik dacht: ‘die man is vast lid van dat manipulerende en alles afkrakende anti kwakzalvers clubje. Een argument kwam er niet uit. Ik beschouw de gedragswijze die hij en soortgelijke bobo’s vaak vertonen als “de boot afhouden”. Vooral als je dan later in de zelfde uitzending een Poolse hoogleraar emeritus virologie commentaar op de uitspraken van die minkukel hoort geven. Tja, zegt die hooggeleerde heer dan. Er zijn vele jaren vele succesvolle onderzoeken naar het bestrijden van infecties met bacteriofagen gedaan. Ik denk dat deze meneer (hij doelt op die Hollandse RIVM hark) een beetje achterloopt met het lezen van zijn vakliteratuur.

Als iets dergelijks op goede gronden over jou als wetenschapper wordt gezegd, dan dien je onmiddellijk ontslag te nemen en je in te schrijven als werkzoekende bij de gemeentelijke vuilophaal dienst. Dan leer je misschien nog wat echt hard werken is.

Nou goed, ik weet dat veel mensen mijn bacteriofagen columns volgen. Daarom heb ik ook een berichtje aan de redactie van Dokters van Morgen gestuurd. Natuurlijk kunnen die mensen er ook niets aan doen als ze met RIVM lulsmoezen het bos in worden gestuurd. Maar ik dacht: ik weet zeker dat dit wangedrag ook jullie pijn heeft gedaan en dat zal ik jullie dan ook laten weten. Dus stuurde ik het onderstaande berichtje

Geachte,

Uit het feit dat een botte RIVM medewerker na ampele overweging uit de losse pols roept dat er veel meer onderzoek moet worden gedaan naar de werking, maar ook naar de gevaren van het toepassen van bacteriofagen als therapeutische mogelijkheid bij het bestrijden van resistente bacteriën blijken twee mogelijke oorzaken van dit standpunt: 1. Incompetentie veroorzaakt door een niet te vergeven gebrek aan interesse of 2. Quasi gewichtig de boot afhouden op grond van een verborgen agenda, die mogelijk kan duiden op belangen bij de farmaceutische industrie. Er is, zoals de Poolse wetenschapper terecht enigszins smalend liet weten, meer dan voldoende wetenschappelijk bewijs voor de werkzaamheid en de veiligheid van bacteriofagen therapie. Het Nederlandse standpunt toont een houding waaruit een kwetsende arrogantie spreekt bij mensen voor wie het hoog tijd wordt  dat ze hun verantwoordelijkheden neerleggen en overdragen aan mensen die bereid zijn de vakliteratuur te volgen. Een belangrijke spreuk in deze is de volgende:

ONWETENDHEID WOONT VLAK NAAST GEWETENLOOSHEID.

Met vriendelijke groet, Peter P. van Oosterum