Advocaat

Vroeger, heel vroeger, toen vlak na de tweede wereldoorlog het hele leven er nog zo veelbelovend uitzag. Toen elke dag de zon scheen, ook als het regende. Toen je ooms en tantes kwamen als je jarig was… of je moeder of je vader natuurlijk. Toen kende ik maar een soort advocaat. Dat was eigenlijk alleen voor grote mensen. Het zat geel en dik in een glaasje met een klein lepeltje erbij. Als ik lang genoeg zeurde kreeg ik ook een beetje, met slagroom. Toch brandde het in mijn kinderkeeltje, ondanks de lekkere smaak.                   Ja, dat was toen.

Door die Amerikaanse advocaat, waarover ik vanmorgen las, is die bovengenoemde lekkere smaak wat mij betreft geheel vergeten en heeft het lichte branderige gevoel in mijn kinderkeeltje van toen plaats gemaakt voor verbijsterde verontwaardiging.

Stel je even voor, een Amerikaanse advocaat gaat hier in ons land ongevraagd een onderzoek doen naar vermeende malversaties van Nederlanders. Ja, ik weet het wel, ze zijn in Turkije geboren, maar het zijn nu Nederlanders. Het gaat om mensen waarvan de Turkse president vindt dat ze het heel erg niet met hem eens zijn. Daarvoor wil hij hier bij ons de bewijzen laten zoeken door die advocaat. En als dat dan de gewenste resultaten oplevert, ja, dan wil hij natuurlijk graag dat wij tegen die mensen zeggen: ‘ga jij nou maar eens netjes in Turkije vragen hoe het leven echt in elkaar zit. Dikke kans dat ze dan op kosten van de president een hele poos mogen komen logeren.                                           Nou ja, niet zo gek hoor, eigenlijk. Het is tenslotte daar vaker mooi weer dan hier.

Het is trouwens een hele dure, chique advocaat en de Turkse president betaalt hem om die bewijzen te vinden, zodat hij wereldwijd mensen kan aanklagen die er heel anders over denken hoe het in Turkije moet dan hij.

Ik vind dat het het goed recht is van de Turkse president om te vinden wat hij wil.           Maar wat ik echt meer dan een tandje te ver vind gaan is dat hij hier op ongevraagde – en zeker ongewenste manier de volkstuintjes komt laten omspitten om te zien of er onder de sperziebonen ook tegenstanders van zijn gedachtegoed verstopt zitten.

Maar ja, vlak na die tweede wereldoorlog, waarover ik het daarstraks had, waren de Amerikanen allemaal onze vrienden dus je bent al gauw bereid om veel door de vingers te zien. Maar nou zo’n advocaat… die komt helemaal niet om ons te helpen.                           Of wel soms?

Donorwet

Dat er na het aannemen van de donorwet gekrakeel zou ontstaan was te verwachten. We zijn hier tenslotte in Nederland, misschien wel het enige land ter wereld waar het aantal meningen over ongeacht welke zaak zeker zo groot is als het aantal inwoners.

Even voor de duidelijkheid, de oude donorwetgeving stelde: bij overlijden ben je geen orgaandonor, tenzij je bij leven zelf bepaalt dat je dat wel wilt zijn. Maar zelfs als je dat bepaald hebt kunnen je nabestaanden nog bezwaar maken. Resultaat, een chronisch tekort aan donororganen; mensen op wachtlijsten sterven bij enkele honderden per jaar.

Nu stelt de nieuwe donorwetgeving: bij overlijden ben je wel orgaandonor, tenzij je bij leven bepaalt dat je dat niet wilt. In een aantal omringende landen blijkt het op die manier te zijn geregeld en daar zijn weinig tekorten aan donororganen. Sterker nog, vaak worden voor Nederlandse patiënten donororganen uit het buitenland gehaald. Best wel een beetje hypocriet eigenlijk, toch?

Laat me nog even ergens een streepje onder zetten voor de duidelijkheid: je bent nog steeds niet verplicht na je dood orgaandonor te zijn. Er is dus feitelijk weinig veranderd, maar de iets andere formulering heeft in de omringende landen bewezen meer donororganen op te leveren.

Volgens Nausica Marbe in de Telegraaf van vandaag is de nieuwe donorwet juist inhumaan en sneuvelt de geest in de jacht op organen. Even voor de duidelijkheid, Nausica, de geest van de donoren is niet gesneuveld hoor, ze zijn al dood voor ze als donor kunnen worden aangemerkt. Het zijn dus geen mensen meer, het zijn zogenaamde stoffelijke resten, lijken.                                                                                                             Maar goed, die verwarring vergeef ik je, want als je naar een pas overledene staat te kijken dan ervaar je die persoon toch nog als een mens. Realiseer je je echter dat het dat niet meer is.

Wat ik evenwel kwalijker in je betoog vind is dat je met kromme vergelijkingen aankomt.     Je begint met te zeggen: Nederland komt woningen te kort. Dus als je overlijdt is je huis automatisch staatseigendom, tenzij je bezwaar maakt. Heb je spaargeld, prima, er is altijd een overheidstekort. Als je dood gaat is je spaargeld van de overheid, tenzij je bezwaar maakt.                                                                                                                                       Een kromme redenering, Nausica. Je vergelijkt appels met peren. Huizen en spaartegoeden zijn zaken waarover wetgeving bestaat met betrekking tot erfrecht. Zaken dus waaraan het nageslacht voordeel kan hebben en waarover de staat trouwens nog een forse schep belasting heft.

Maar, Nausica, meisje toch, waar wil je nu in vredesnaam met het lichaam van de overledene heen. Wil je het prepareren, balsemen, bij je houden in een apart kamertje van je huis?                                                                                                                                     Dat mag niet Nausica. Daarvoor hebben we de wet op de lijkbezorging.

Maar goed, genoeg geargumenteerd. Het gaat niet om humaan of inhumaan. Het gaat om sentiment en wel in een heel korte periode van de nabestaanden van een overledene, namelijk de dagen rond de uitvaart.                                                                                         Want weet je, vrij snel na de begrafenis of crematie herneemt het leven zijn alledaagse loop. En als jouw dierbare overledene nu orgaandonor was is er misschien wel iets fantastisch gebeurd voor iemand die je niet eens kent, tja.                                                     Maar goed, de overledene is er niet meer, dus zand erover.

 

Be(Ver)keerd.

 

In mijn wakkere ochtendkrant tref ik een pagina vullend artikel over een vrouw, met een foto, met een balk over de ogen. Op het eerste gezicht denk ik dan dat het een crimineel mens moet zijn die omwille van de privacy zogenaamd onherkenbaar is gemaakt. Wel wordt natuurlijk haar voornaam genoemd en de eerste letter van haar achternaam en dat ze uit Maastricht komt, zodat in ieder geval voldoende mensen haar zullen herkennen.     Oh nee, dat was niet de bedoeling.

De vrouw komt in het stuk zelf aan het woord. Ik vat haar verhaal maar even samen: ontwricht gezin, uit huisgeplaatst, internaten, misbruikt, nog eens uit huis geplaatst. Ze raakt losgeslagen, doet alles wat losgeslagen jonge – en ook wel oudere mensen doen: drank, drugs, wangedrag en noem maar op.

En dan hoort ze van de politie dat haar vader is overleden. Dit brengt een hevige schok in haar teweeg en plotseling verdiept ze zich in het geloof, want dat doen mensen soms als ze geen vaste grond meer in het leven voelen. In haar geval is het de Islam. Ze gaat zich kleden als een gelovige islamitische vrouw en bij de imam legt ze de geloofsbelijdenis af. De imam heeft haar in al haar wanhoop en onzekerheid namelijk verteld dat een mens soms plotseling kan sterven en dat het werkelijk rampzalig is als je dan als ongelovige de dood in gaat. Naar hoe hij dat zo zeker weet wordt eigenlijk in geen enkele geloofsgemeenschap gevraagd.

Na haar geloofsbelijdenis kan ze – haar eigen woorden – niets anders als huilen, huilen van geluk.

Deze vrouw kwam, blij gelovend en wel, in de kringen van de jihad, want ja, elk geloof wil hoe dan ook verspreid worden. En zo vreemd is dat trouwens niet. Als je echt gelooft, dan weet je gewoon zeker dat wat jij gelooft de echte waarheid is. Die wil je uitdragen, zodat iedereen net zo gelukkig wordt als jij, toch?                                                                             Omdat het hier nu een moslima betreft die zich naar het schijnt met de jihad heeft ingelaten wordt ze gepresenteerd als een crimineel.

Ik maak nu even een overstapje naar mijn eigen leven. Nee, ik ben geen moslim en al helemaal geen jihadist. Ik wil het hebben over een heel vroege periode in mijn leven. Ja, ja, het gaat nog steeds over geloven.

Nadat hij in de dertiger jaren van de vorige eeuw zijn hele verhuisbedrijf met twaalf paarden en idem zoveel verhuiswagens had omgezet in drank en oeverloze gezinsellende bekeerde mijn grootvader zich tot het christelijke geloof. Hij werd in zijn eigen woorden gered door het Leger Des Heils.                                                                                               Prachtig. Hij dronk niet meer, liep voorop met de vlag als het Leger op straathoeken van de blijde boodschap ging getuigen en verkondigde bij die gelegenheden ruimschoots het woord van de Here.                                                                                                                   Mij nam hij op het eind van de tweede wereldoorlog mee naar het zondag schooltje van het Leger.                                                                                                                                       De verhalen vond ik prachtig en de kapitein die ons kinderen toesprak moedigde ons aan te beseffen dat wij zondaars waren en dat het om die reden aan te bevelen was als wij naar voren zouden komen om te knielen bij de zondaarsbank om zo, opnieuw, in de genade des Heren te worden opgenomen.

Na gedurende meerdere zondagspreekjes hiertoe aangemoedigd te zijn knielde ik op zekere zondag aan de zondaarsbank, waarna de kapitein mij en de andere geknielde zondaartjes vertelde dat we nu ‘Jongsoldaten’ waren en dat we in ’s Heren genade waren opgenomen. Ook konden wij toetreden tot de jonge muzikanten, waar we dan bij gebleken muzikaliteit een instrument kregen benevens les om er op in het muziekkorps der jongsoldaten te kunnen meespelen.

Let wel, die toeter die ik te leen kreeg, een bugel, daar was het mij eigenlijk om te doen. Daarmee was deze zevenjarige zondaar binnen de kring der goddelijke genade gehaald.

Ach ja, het Leger Des Heils. Eigenlijk waren het best lieve gelovige mensen die met elkaar probeerden de mensen in nood te helpen, want die waren ook toen al in ruime mate voorhanden. Er werd gebeden en gedankt, vaak zingend, want zingen deden ze veel en vaak en eerlijk gezegd zing ik nog steeds graag.                                                                    Maar toch ging er in mijn jonge zieltje iets mis.

Toen ik een jaar of twaalf was wilde ik niet meer. Ik wilde niet meer bidden, niet meer danken. Ik wilde gewoon, ja, wat eigenlijk… Ik denk dat ik eigenlijk een hekel begon te krijgen aan dwangmatige procedures in het leven. Ja, dat zal het wel geweest zijn, want daaraan heb ik nog steeds de pest.

De reden dat ik dit stukje schrijf is echter een heel andere.                                                   Toen ik probeerde op te houden met bidden en danken voelde ik me schuldig, en niet een beetje hoor. Het heeft jaren geduurd voordat ik dat stomme schuldgevoel kwijt was. Wat er met de paplepel is ingegoten, daar ben je niet zo snel van verlost. Soms denk ik dat heel rigide gelovigen misschien ook wel last hebben van dat schuldgevoel als ze los van hun conventies proberen te komen.

Misschien iets om aan te denken voor mensen die hun kinderen echt in vrijheid willen opvoeden.

 

De Keizer Aller Ziektes

Dit is de titel van een lijvig boek, waarvan de vertaling in tweeduizend elf bij uitgeverij De Bezige Bij uitkwam. Het boek is geschreven door de oncoloog, onderzoeker Siddhartha Mukherjee. Het gaat over de geschiedenis van kanker, de zich in de historie ontwikkelende visie erop en de daaruit voortvloeiende behandeling ervan.

Zoals dat helaas veel vaker manifest is in de geneeskunde beschrijft Mukherjee een arena in de geneeskunde met telkens weer eufore hoop, gevolgd door diepe deceptie. Hij beschrijft hoe filosofisch-wetenschappelijke inzichten in de oorzaken en aard van kanker vaak konden leiden tot werkelijk draconische en verminkende operaties of afgrijselijke medicinale behandelingen die in ontmoedigende mate veel te weinig succes lieten zien om nog werkelijke hoop te rechtvaardigen.

Eigenlijk is kanker een ziekte die nog altijd zoveel angst inboezemt, dat veel patiënten geneigd zijn elke strohalm aan te grijpen, dan wel elke afschuwelijke, invaliderende behandeling te accepteren. Overigens is de term ‘kanker’ een verzamelnaam is van een heel groot aantal aandoeningen die gekenmerkt worden door onder meer onbeheersbare celgroei.                                                                                                                                   De grootste vijand van de patiënt in het hele proces is echter de angst voor de dood. Alle berichtgeving, zelfs waar het gaat om overlijdensberichten, ondersteunen die angst. Ik lees het vaak: ‘Na een moedige, maar uitzichtloze strijd….’                                                   Ik hoef het niet te herhalen, het staat dagelijks in bijna elke krant.

Heel vaak leeft de kankerpatiënt dan ook tussen angst en hoop.                                           Waar de angst vandaan komt ligt voor de hand: het uitzicht op een al dan niet pijnlijke, maar zeker ontijdige dood.

Maar waar komt de hoop dan vandaan?                                                                               Tja, beste mensen, hoop blijkt een manipuleerbaar handelsproduct te zijn.                       Waarop moet of kan ik mijn hoop vestigen als kankerpatiënt?                                             Wie geeft mij raad?                                                                                                                 Wie kan ik vertrouwen?                                                                                                         Wat is valse hoop en waarmee zou je je dus als kankerpatiënt niet moeten inlaten?

Als we moeten afgaan op de opinies die komen uit de richting van de vereniging tegen de kwakzalverij, dan is slechts de westerse geneeskunde uitgevoerd in onze ziekenhuizen en met gebruikmaking van de producten der farmaceutische industrie te vertrouwen.         Volgens deze vereniging is al het andere gevaarlijke onzin.

Nou, bewijzen kan ik het niet, maar ik vermoed dat dergelijke verenigingen kunnen worden gezien als gesubsidieerde belangenbehartigers van de farmaceutische industrie waar, zoals we met zorg moeten constateren, veel te weinig resultaten tegen een veel te hoge prijs worden geleverd.

Recentelijk was er weer ruim koren op de molen van het anti kwakzalversclubje. Een onhandige en waarschijnlijk ook wel te weinig deskundige Duitse heilpraktiker – zijn naam hoef ik niet te noemen, die staat in elke krant – behandelde kankerpatiënten met het veel belovende middel: 3-broompyruvaat. Het gaat hier om een niet heel erg kostbare stof in vergelijking met veel andere anti-kankertherapeutica. Deze stof heeft in elk geval al in veel dierproeven aangetoond tumoren door uithongering te doden. Kankercellen blijken namelijk voor een groot deel een overdreven behoefte aan glucose (suiker) te hebben en door dit middel krijgen ze daar te weinig van, zodat ze sterven.

De brave Duitse heilpraktiker was in zijn eigen kliniek lekker bezig, vond hij zelf. En het leek ook allemaal goed te gaan. Hij boekte resultaten in het angstland dat Kanker heet, nou ja Krebst bij hem dan natuurlijk.

Op een dag zou hij weer lekker aan het werk gaan toen hij zag dat de kleur van het 3-broompyruvaat poeder dat hij net had binnengekregen iets anders was dan waarmee hij gewend was de infusen te vullen. Voorzichtig als hij was belde hij onmiddellijk de leverancier. Die zei dat het prima spul was, maar dat het van een andere fabriek kwam. ‘Niks aan de hand, jongen,’ zei hij nog.                                                                                     Die zelfde dag werden mensen in zijn kliniek doodziek en stierven korte tijd na het verlaten van de kliniek.

Foutje van de man?                                                                                                                 Ik vrees dat er bedenkelijk veel belang is om dat aan te tonen.                                               Hij verzuimde onmiddellijk ambulances te bellen. Misschien dacht hij wel: als ze bij mij de deur uit zijn krijg ik er misschien niet de schuld van.                                                               Erg dom, erg onzorgvuldig.                                                                                                     Als je een dergelijke mentaliteit hebt kan een ingegroeide teennagel niet eens aan jouw behandeling worden overgelaten.

Maar nu even de belangrijkste vraag, eigenlijk ook een beetje een vraag in de richting van die anti-kwakzalverij jongens, want die kennen tenslotte alle eerlijke en soms misschien iets minder eerlijke jongens in het reguliere veld: Wie heeft die sukkelige Duitse heilpraktiker nou schijnbaar per ongeluk die rotzooi geleverd, zodat het product 3-broompyruvaat voorlopig weer uit de weg is geruimd.

Tja, je zult er maar belang bij hebben dat het gevecht tegen de kanker misschien iets langer duurt dan strikt noodzakelijk is.

Ach, wat zeur ik ook. Ik moet niet beginnen met complotdenken.

Verandering

In elk mensenleven is het soms hoog tijd voor verandering. Soms heeft dat te maken met verveling, sleur of ziek makende irritatie, maar een enkele keer heeft het te maken met iets waar je al heel lang met afgewend hoofd omheen loopt. Je weet al jaren dat het moet en dat je zo niet kunt doorgaan, ondanks het feit dat je jezelf nog steeds – gebruik makend van bijna geloofwaardige argumenten – wijs maakt dat je er toch altijd nog onwaarschijnlijk goed tegen kunt.                                                                                             Begin je al iets te herkennen?                                                                                                 Erg moeilijk is dat trouwens niet, want er zijn wat mij betreft maar twee taaie gewoonten die met recht als verslaving mogen gelden: roken en drinken.

Wat het eerste betreft, het roken, vinden we tegenwoordig de weliswaar knarsetandende, maar toch handhavende overheid aan de goede kant. Ik zeg knarsetandend, want de belastingopbrengsten uit de accijnzen op rookwaar moeten nu voor een flink deel uit andere als even onredelijk ervaren opleggingen worden gehaald. Hoe dit ook zij, men is er in geslaagd het roken in een kwaad daglicht te stellen. In geen enkele openbare gelegenheid mag het nog en elke volhardende roker zegt om zichzelf te overtuigen, dat hij of zij minder rookt dan vroeger, al was het alleen al omdat het tegenwoordig zo duur is.       Eigenlijk is tabak bijna verboden. Er mag in elk geval geen reclame meer voor worden gemaakt en elke verpakking toont beelden en beloften van dodelijke misère, waaraan iedere roken overigens inmiddels gewend is en wat derhalve op niemand meer indruk maakt.

Nou ja, zelf rook ik al jaren niet meer, of niet meer… ach, een paar keer per jaar krijg ik wel eens een mooie sigaar aangeboden. Rustig zitten en langzaam weg puffen. Best lekker hoor, maar niet te vaak.

Hoe anders gaat dit bij die andere verslaving, drank. Nog steeds vliegen ons via de reclame de mooie aanbiedingen van het alcohol consortium om de oren. En zeg er maar niets van, want dan word je zeker voor een aculturele, maar in elk geval smakeloze pummel gehouden. Met name wijn… ja, wijn, daar heb je toch iets mee. Daarover worden lyrische verhalen verteld, reizen naar chateau’s georganiseerd. Hoe ouder de wijn – als – ie tenminste geschikt is om te bewaren – hoe kostbaarder.                                                 Maar weet je, alcohol is op een soortgelijke manier als tabak verslavend en ziekmakend.

Onder alcohol kun je allerlei organische dingen bewaren. Bacteriën en schimmels hebben er dan geen vat op. Die sterven namelijk in alcohol. En wat denk je van je eigen levende cellen.                                                                                                                                     De anti drank campagne komt in onze publicitaire media niet verder dan het gemoedelijk gebromde: “Alcohol maakt meer kapot dan je lief is”. Mag je ook pas kopen als je achttien jaar of ouder bent en je op basis van meerderjarigheid het volledige recht hebt verworven om je gezondheid naar de kloten te helpen.

Zoals ik al zei, roken doe ik al een poos niet meer. Of het moeilijk was om ermee te stoppen? Voor mij niet. Ik hoestte nogal en ik dacht: laat ik eens proberen of niet roken helpt. Nou, fantastisch. Dus ben ik er ook maar niet meer aan begonnen. Maar drinken… jongens… ik kon er wat van. Elke dag als ik stond te koken, want dat doe ik bij ons altijd en ‘s avonds. En als we ergens aten en na de maaltijd en cognac bij de koffie en…en… Een fles whisky ging nooit langer dan een week mee. (ook een flinke kostenpost trouwens).

Op een nacht, een week of zes geleden denk ik, had ik aan de rechterkant van mijn lichaam, onder de ribben een wat mij betreft beangstigende ervaring. Het was een soort gevoel alsof de boel daar op het punt stond te ontploffen, als een ballon die te ver wordt opgeblazen, weet je wel. Nou weet ik toevallig dat daar mijn lever zit. Dat is een vrij groot orgaan dat vele honderden onmisbare taken in mijn lijf vervult.

Ik zal heel eerlijk zijn. Ik schrok me kapot, ik was bang, maar het heeft me ook tot een tamelijk ingrijpend besluit gebracht. Ik ben maar helemaal gestopt met drank.                       Of ik dat ga volhouden?                                                                                                           Hoe moet ik dat nou weten?                                                                                                     Maar ik voel me wel een stuk lekkerder, ik slaap veel beter, ben niet meer moe.

Overigens ben ik de laatste om te roepen dat ik alles goed doe, maar weet je, ik dacht ik vertel het je even. Dan kun je het ook eens proberen, toch?