Toevallige ontdekkingen?

Het hele verhaal dat ik geschreven heb over de verzonnen geschiedenis van de hoofdfiguren uit boek twee: Judith Kranz en haar vrienden die spelenderwijs, eigenlijk bij de bestraffing van Cecil Hoyt, de vroegere dwarsliggende CFO, de techniek van teleportatie toepassen en daarbij ontdekken dat het er daarna alle schijn van heeft dat de veroudering van het lichaam misschien niet stil staat maar toch flink de pas inhoudt. Dat verhaal dat mij leidt naar de waarschijnlijk veel te positieve oprisping dat bij de toepassing van telomerase in alle cellen de problemen voor de mens opgelost zijn. Maar dat is natuurlijk niet zo. We hebben nog een zware gang te gaan, omdat ik eerst moet proberen te begrijpen wat en waarom kanker is wat het is. Het probleem dat in elk geval theoretisch moet worden opgelost is het bestaan en ontstaan van kankerstamcellen. Zonder de hier bedoelde filosofisch-theoretische oplossing is het hele verhaal zinloos, betekenisloos, een doekje voor het bloeden.

Wat ik hieronder ga schrijven zal duidelijk moeten maken dat ik een poging doe te begrijpen wat en waarom kanker is. Het is niet in de eerste plaats een vijand, maar een regulerende factor die met respect ontmoet moet worden en niet in de allereerste plaats bestreden, maar bij sommige mensen op basis van hun gevolgde wegen in het leven vriendelijk en met respect moet worden toegestaan. Het gaat altijd om de innerlijk gekozen richting in het leven. Het begin van begrip is er eigenlijk al wanneer we ophouden te zeggen: ‘ik heb kanker’, alsof het een onafhankelijke vijand is. Veel dichter bij de waarheid kom je als je zegt: ‘Ik ben ziek’. Dan neem je deel aan het ziekteproces en kun je dus ook invloed uitoefenen al dan niet met verstandige hulp.

Uiterlijk bezien hebben we bij kanker altijd te maken met groei van weefsel. Die groei vraagt voedsel. Er worden dan extra bloedvaten aangelegd die uitsluitend bedoeld zijn om die groei te faciliteren. Duidelijk lijkt ook altijd dat het gaat om groei van weefsel dat binnen de algemene doelstellingen van de organisatie van het lichaam geen nut heeft. Sterker nog, de groei gaat al snel ten koste van de georganiseerde gang van het lichaam. Of om het anders te zeggen, we hebben hier te maken met overbodige groei die ten koste van het algemeen belang gaat. En nu wordt het verleidelijk om de beschouwing voort te zetten in het besef van de absolute eenheid van lichaam en geest. Bij voorbeeld: waarvoor ben je bang en heb je naar eigen gevoel extra bescherming nodig. Wat verzamel je, wanneer is het genoeg. Wat blijf je maar tegen beter weten in opruimen. Overdreven noodvoorzieningen of een levensvisie of maatschappijvisie die, zoals we in deze tijd zien om extra militaire veiligheid vraagt op een manier waarvoor het algemene welzijn offers moet brengen. Eigenlijk zien we dezelfde zielloze processen bij de voorbereidingen tot het voeren van oorlog. Bij de voorbereidende psychologische processen helpt de wapenindustrie graag. In dat opzicht is oorlog dan ook kanker van de maatschappij. Ja, inderdaad, dodelijk.

In de afgelopen coronaperiode hebben we bij nadere beschouwing heel verhelderende dingen zien gebeuren. Nou ja, lang niet iedereen weet dat natuurlijk over onze volksaard zijnde de angst voor besmettelijke ziekte waartegen we massaal gevaccineerd moeten worden. Of moeten, nou ja dat is de algemene consensus. Vaccineren is overigens een term die nog stamt uit de tijd dat er met het vocht uit koeienpokken gespoten werd en dat je dan geacht werd geen pokken te krijgen. Het woord vaccineren komt dus van het Franse woord ‘vache’, dat koe betekent. De werkelijke oorsprong van de pokkenziekte die veel later aan het licht kwam was gelegen in het feit dat in de slecht verzorgde buurten waar veel wandluizen voorkwamen de ware bron van de ziekte pokken ontdekt werd. De wandluizen droegen namelijk vaak een virus over dat pokken veroorzaakte. Overigens schijnt het dat Louis Pasteur, de ontdekker van de koepokmethode op zijn sterfbed heeft toegegeven dat hij de boel had bedrogen. Nou ja, moet BigFarma gedacht hebben, met dat ene leugentje gaan wij niet een prachtig verdienmodel laten vallen.                             In 1950 schreef Elanor McBean het boek ‘de giftige naald’, waarin ze op overtuigende wijze de hele vaccinatie industrie onderuit haalde. Helaas waren de tegenkrachten vanuit BigFarma veel sterker, zodat we vandaag de dag nog steeds met die onzin bezig zijn. Corona heeft voor de oplettende mensen echter overduidelijk aangetoond dat het angstig en hardnekkig najagen van volstrekt overbodige bescherming in helaas veel te veel gevallen dodelijke ziekte veroorzaakt. Iets wat de vaccinmakers natuurlijk zelf ook wel wisten. Die boosaardige bedoelingen zijn echter onderwerp voor een andere blog. Deze keer wil ik voornamelijk de aandacht vestigen op het kankerverwekkende karakter van ons streven naar te veel en onnodige veiligheid tot in het idiote. Wat we dus eigenlijk zien is dat overdreven angst die tijdens de standaard behandelingen van bijna elke kanker nog eens versterkt wordt bijna altijd bewaarheid wordt.

Gelukkig zou ik in dit geval willen zeggen maakten de vaccinfabrikanten verschillende batches. Als namelijk iedereen doodziek werd van die spuiten zou het te veel en te snel gaan opvallen dat we allemaal bedrogen werden. Ik weet het wel hoor, er zijn maar weinig mensen die het met mij eens zijn. Maar het aantal groeit.

Nog maar eens telomeren en hun verband met kanker.

Waarde lezer, weet je het nog wat ik schreef over de telomeren. In het boek ‘Eternal Mitosis’ ging mijn verhaal over de ontdekking van de stof die het mogelijk maakt zo niet eeuwig, maar wel veel langer en gezonder te leven. Natuurlijk is wat ik schrijf Science Fiction. Maar ik schrijf niet zomaar Science Fiction. Het zal ongetwijfeld met mijn eigen tamelijk omvangrijke medische geschiedenis te maken hebben, maar ik schrijf voornamelijk medische Science Fiction en wel op een zodanige manier dat ik sterk vermoed dat ik eerder werkelijke toekomst dan Fiction schrijf. Nu schrijf ik dus over de telomeren en de telomeren producerende stof, telomerase. Geen Fiction dus, maar echt bestaande stoffen. Overigens stoffen waar BigFarma het liefst niet over spreekt of schrijft. Hoe dan ook, ik moet hieronder erg mijn best doen om nog eens duidelijk uit te leggen wat telomeren zijn en wat telomerase is en wat die beide woorden nu te maken hebben met stamcellen en meer in het bijzonder kankerstamcellen.

Met grote regelmaat vindt er een natuurlijk proces in ons lichaam plaats: het vervangen van oude cellen. Het DNA, de bron van al onze erfelijke eigenschappen wordt dan gekopieerd als centrum voor de nieuwe cel. Dat kopiëren is een heel precies proces. Daarom wordt aan de uiteinden van die lange sliert DNA de zaak strak tegen elkaar gehouden doordat de uiteinden uit stukjes DNA bestaan die geen specifieke erfelijke informatie bevatten, maar die als het ware het oude DNA en tijdens het te kopiëren nieuwe DNA voor de nieuwe vervangende cel dicht tegen elkaar houden om overschrijffouten te voorkomen. Die telomeren zijn dus belangrijk, anders lukt het overschrijven ten behoeve van een nieuwe cel niet. Het probleem is echter dat er bij elke celdeling één of soms meer van die telomeren afbreken. Als de telomeren van een lichaamscel op zijn kan er niet meer gekopieerd worden. Op die manier kunnen op den duur steeds minder cellen gekopieerd worden en moet het lichaam het met steeds minder cellen doen. Dat proces noemen we veroudering, maar het is dus vermindering van actieve cellen. Dat is eigenlijk de reden dat oude mensen krimpen en functies verliezen.

Nu zijn er een paar soorten cellen die iets aanmaken waardoor de telomeren weer aangroeien. Dat zijn dus eigenlijk onsterfelijke cellen. Die cellen maken namelijk een stof aan die bekend staat onder de naam ‘telomerase’, een enzym waardoor de telomeren opnieuw worden gevormd als ze zijn afgebroken. Nu zul je misschien op het eerste gezicht denken dat die stof, die telomerase, dan maar overvloedig beschikbaar moet zijn en kunnen we dat dan niet namaken en inspuiten of iets dergelijks, maar wacht even, want ik moet nog vertellen welke cellen allemaal telomerase maken. Om te beginnen zijn er de stamcellen. Dat zijn lichaamscellen die als het ware nog geen specialisatie hebben doorgemaakt. Ze zijn dus nog geen spiercel of een huidcel of een niercel of een levercel of, nou ja noem maar op. Die stamcellen maken dus wel telomerase, net als de geslachtscellen trouwens voornamelijk bij de mannen, want van spermacellen hebben we er vele miljoenen nodig. Daar wordt dus niet op bezuinigd. Maar we houden echter nog wel een probleem over. Weet je nog die stamcellen die nog alle andere cellen kunnen worden? Soms ontspoort zo’n stamcel die dus het eeuwige leven heeft en wordt een kankercel. Die heeft dan dus een ontregelende kans om maar door te woekeren. Als je hem zijn gang laat gaan – en het zijn taaie rakkers die bijna niet te bestrijden zijn, dan deelt hij maar door tot de dood erop volgt.

Wat betekent dit nu voor de geneeskunde? De vroegere gedachte dat de dokter er altijd mee bezig is om iedereen te genezen begint wereldwijd een beetje in twijfel getrokken te worden. Geneeskunde, of medicijnen zoals de studie tegenwoordig meestal genoemd wordt is gewoon een vak waarmee een mens zijn brood kan verdienen. Om die duidelijke reden hebben veel economisch georiënteerde vaklieden de conclusie getrokken dat een genezen patiënt niet meer terugkomt en van genezen patiënten kun je dus niet leven. Voor de mensen in de medische vakken is het dus logischer en zeker ook profijtelijker om ziekte dragelijker te maken en te kiezen voor langdurig onderhoud in plaats van definitieve genezing. Wat we dan tegenwoordig ook meer en meer zien gebeuren is dat veel ziekten die vroeger dodelijk waren tegenwoordig op een zodanige manier worden behandeld dat de ziekte langdurig chronisch wordt, maar wel constante zorg en medicatie behoeft. Sterker nog, we merken dat de kosten voor de zorg jaar in jaar uit hoger worden. Dat heeft alles te maken met de levensrekkende onderhoudstechnieken waar de geneeskunde op drijft. Het leven van de chronisch zieke mens moet zo lang mogelijk worden gerekt. Tenslotte zijn er twee soorten mensen waar de zorg niets aan kan verdienen en dat zijn gezonde mensen en dode mensen.

Een belangrijke tak van de geneeskunde, zo niet de belangrijkste is oncologie, kankergeneeskunde. Hoe vaak wordt er niet zelfs langs de deuren gecollecteerd voor de kankerbestrijding. Ik mag het natuurlijk niet zeggen, maar ik vermoed dat het definitief genezen van kanker, als dat zou kunnen, medisch gezien een zo lang mogelijk te vermijden afslag is. Ik vermoed heel sterk dat dit de reden is dat elke mogelijke goedkope oplossing voor het kankerprobleem wordt geridiculiseerd gebagatelliseerd en vervolgens met kracht of zelfs met geweld wordt tegengehouden. Aan kanker is veel te veel te verdienen.

Ongetwijfeld komen er kankers voor die moeilijk zo niet onmogelijk te genezen zijn. Maar niet allemaal. Veel kan goedkoop genezen worden met:

  1. Ivermectine
  2. Mebendazol
  3. Venbendazol
  4. Curcumine

Of combinaties van deze goedkope en effectieve anti parasitaire middelen. Het effect van de uitscheidings – en afvalstoffen van parasieten als veroorzaker van vele kankers is waarschijnlijk bewust nooit serieus onderzocht.

Is dit nu een beschuldiging? Nou nee. We weten hoe de wereld in elkaar zit. Tegen beter weten in probeer ik dingen te schrijven die voor sommige mensen kunnen voorkomen dat ze zich voor de gek laten houden. In een eerlijke wereld geloof ik al heel lang niet meer. Maar, ook tegen beter weten in hoop ik er wel op.

Angst en nog eens angst lijkt onze samenleving te moeten beheersen.

Ik denk dat het van alle tijden is, dat het altijd zo is geweest. Als je wilt dat je klakkeloos wordt gevolgd moet je mensen bang maken. Angst lijkt de allerbelangrijkste emotie waartegen de meeste mensen geen weerstand kunnen bieden. Nou ja, we hebben het op ruime schaal gezien in de tijd van de zogenaamde en achteraf opzettelijk aangejaagde Covid pandemie, die bleek helemaal geen pandemie te zijn. Handig hebben misdadigers die zich uitgaven voor medische beschermers de halve wereld – of misschien zelfs meer – angst voor een onschuldige ziekte gezaaid. Zelfs de ziekenhuizen werkten mee aan de angstzaaierij. Zij deden dat door dingen te doen op een manier waarvan eigenlijk daarbuiten niemand wist dat het anders moest. Zo had men voor de angst campagne nodig dat er voldoende mensen overleden. Om te beginnen kon natuurlijk niemand de ziekenhuisadministratie controleren. Het aantal covid doden kon overdreven worden. Achteraf blijkt er met die dodenaantallen trouwens flink gerommeld te zijn en willen de verantwoordelijken nu weer geen feitelijke inzage geven. Maar er is meer gebeurd met name op de IC-afdelingen. Insiders weten namelijk dat een patiënt die zelf nog ademt niet aan een beademingsapparaat moet en ook zeker niet op zijn buik moet liggen want dan is er een reële kans dat hij sterft. Toch werd dat gedaan. Ik heb eens opstandige artsen horen vertellen dat er in de Verenigde Staten hoge bedragen werden betaald voor in het ziekenhuis overledenen. De angst moest er dus met niet te ontkennen feiten worden ingehamerd.

Nou goed, ik merk nu dat maatschappelijk de neiging bestaat om de Covid periode zo snel mogelijk te vergeten. Begrijpelijk. Niemand die het doorheeft – en dat zijn veel meer mensen dan je misschien denkt – wil zich realiseren dat hij zie voor de gek heeft laten houden. Veel mensen doen nog steeds of de fake-ziekte Covid toch echt wel gevaarlijk was. Toegeven dat je ergens met je onwetende hoofd ingelopen bent vindt natuurlijk bijna niemand fijn, maar het zou eigenlijk wel moeten, want zo blijft onze hele samenleving openstaan voor angst zaaien. Neem nu bijvoorbeeld kanker. Als nu één ziekte een schandalig verdienmodel is, dan is het kanker. Jaren geleden heb ik al horen beweren wat nu langzamerhand waar wordt: veel kankers zijn een chronische ziekte geworden. De hele bevolking lijkt daarmee ook genoegen te nemen. De artsen, waarvan je heel vroeger hoopte dat ze je zouden genezen zodat je de ziekte achter je kon laten, helpen je nu in een steeds maar duurder onderhoudsprogramma. Denk aan diabetes, hoge bloeddruk, ademhalingsklachten, cholesterol, nou ja, noem maar op. De artsen hebben ontdekt dat een genezen patiënt niet meer terugkomt. Daar is niets meer aan te verdienen. Daar bouw je geen riant inkomen mee op. Elk jaar nemen de kosten voor de gezondheidszorg toe. En dat komt niet omdat wij met zijn alles zieker worden, maar omdat de zorg steeds meer mogelijkheden ontdekt om van geneesbare kwalen chronische ziekten te maken. Langer leven dat willen we natuurlijk en als dat langer leven dat elk jaar meer gaat kosten, nou ja, dan moet dat maar.

Een van de aller kostbaarste takken van de gezondheidszorg is de kankerbestrijding. Men is erin geslaagd het imago van deze uitgebreide groep aandoeningen een angstaanjagend dodelijk stempel te geven. De gruwelijke en vaak mensonterend pijnlijke en ziekmakende behandelingen houden de angst voor kanker er goed in. Neem bijvoorbeeld de veel toegepaste chemotherapie of de beschadigende bestralingen of operaties, waarbij het met grote regelmaat voorkomt dat de kanker die aanvankelijk verdwenen leek toch weer terug kwam en dus in feite niet genezen was.

Ik aarzel het volgende op te merken, maar ik doe het toch. Niet omdat ik het zeker weet, maar omdat ik in de medische wereld – en niet alleen rond kanker, maar rond echt genezen in het algemeen – een omerta vermoed, een zwijgplicht op straffe van je hele carrière kwijtraken. Er wordt door teveel mensen teveel aan de huidige gebruiken en technieken in de gezondheidszorg verdiend. We zien dat schrijnend duidelijk bij de farmaceutische industrie, waar de prijzen de ontwikkelingskosten vele malen overschrijden. Met andere woorden: dure oplossingen dringen zich op, goedkope oplossingen worden geridiculiseerd en verdacht gemaakt.

Een poos terug schreef ik in een blog over het mogelijk kankerverwekkende karakter van de uitscheidingsproducten van parasieten. Omdat wij in een ogenschijnlijk hygiënische wereld leven denken we nooit meer aan parasieten die als onwelkome gasten in ons lichaam leven en wier biologisch afval ons ziek kan maken. Vanmorgen kwam ik bij NineForNews een interessant artikel tegen dat ik hieronder afdruk.

Ivermectine en kankerstamcellen — het klinkt als een onwaarschijnlijke combinatie, maar volgens dr. Paul Marik, de op één na meest gepubliceerde intensivist ter wereld, is het paardenwormenmiddel ivermectine na analyse van 38 miljoen wetenschappelijke publicaties uitgekomen als het meest effectieve middel tegen kankerstamcellen. Marik deed deze onthulling in een uitgebreid gesprek met journalist Jan Jekielek van The Epoch Times.

AI doorzoekt 38 miljoen studies in minuten

Marik werkt samen met dr. Justus Hope aan een protocol dat op basis van kunstmatige intelligentie bepaalt welke middelen het meest effectief zijn bij de preventie én behandeling van kanker. De AI-modellen doorzochten de volledige wereldliteratuur — meer dan 38 miljoen gepubliceerde papers — en kwamen telkens tot dezelfde rangschikking. Ivermectine eindigde als absolute nummer één als het gaat om het elimineren van kankerstamcellen, gevolgd door mebendazol op twee, fenbendazol op drie en curcumine (de werkzame stof in kurkuma) op vier. Opvallend: de uitkomst bleek reproduceerbaar bij meerdere AI-systemen en verschillende vraagstellingen.

Wat zijn kankerstamcellen en waarom worden ze genegeerd?

Kankerstamcellen vormen een kleine, maar buitengewoon gevaarlijke subpopulatie binnen een tumor. In tegenstelling tot gewone kankercellen kunnen ze zich onbeperkt delen, muteren en de tumor opnieuw doen opvlammen nadat de sneldelende cellen door chemotherapie zijn geëlimineerd. Marik legt uit dat het Cancer Genome Atlas-programma al heeft aangetoond dat de klassieke theorie — waarbij kanker voortkomt uit één gemuteerde cel die een homogene populatie voortbrengt — achterhaald is. Toch baseert de reguliere oncologie haar behandelprotocollen nog steeds grotendeels op dit verouderde uitgangspunt.

Nog schokkender: bestraling stimuleert de groei van kankerstamcellen in plaats van ze te doden, en sommige chemotherapeutische middelen activeren de stamcel zelfs. Dat betekent dat de huidige behandelingen het probleem in bepaalde gevallen kunnen verergeren in plaats van oplossen.

Hoe werkt ivermectine tegen kanker?

Ivermectine wordt door media en overheidsinstellingen stelselmatig afgedaan als ‘paardenwormenmiddel’, maar die framing mist de essentie. Het middel werkt bij parasieten via specifieke neurotransmissiepaden, maar heeft daarnaast een heel arsenaal aan biologische aangrijpingspunten. Bij kanker richt ivermectine zich op signaalpaden die bij kankerstamcellen bijzonder actief zijn. De wetenschappelijke literatuur hierover bestaat al jaren, maar het vindt nauwelijks zijn weg naar de klinische praktijk. Marik noemt dit onomwonden medische nalatigheid: een arts die een patiënt met kanker geen ivermectine aanbiedt, begaat wat hem betreft kunstfout.

Big Pharma en het stilhouden van goedkope alternatieven

De reden waarom deze kennis niet doordringt tot het grote publiek, is volgens Marik niet wetenschappelijk van aard. Ivermectine kost de Wereldgezondheidsorganisatie letterlijk twee cent per dosis. Chemotherapie en zogeheten checkpointremmers kosten per patiënt al gauw miljoenen dollars. Dat verschil verklaart veel. Marik stelt onomwonden dat regelgevende instanties en Big Pharma hand in hand opereren om de mondiale gezondheidszorgagenda te sturen — ten koste van patiënten die baat zouden kunnen hebben bij goedkope, bewezen effectieve middelen.

Zijn eigen borstkankermonografie werd door Amazon tijdelijk verboden. Zijn vitamine C-protocol voor sepsis werd aangevochten door anonieme partijen die het vakblad onder druk probeerden te zetten tot intrekking — tevergeefs.

Preventie: groene thee, kurkuma, vitamine D en omega-3

Naast behandeling werkt Marik ook aan een gelaagd preventieprotocol. Op basis van dezelfde AI-analyses kwamen vier kandidaten als meest effectief naar voren bij de preventie van kanker: groene thee, kurkuma, vitamine D en omega-3-vetzuren. Een eerder gepubliceerde studie toonde al aan dat vitamine D, omega-3 en regelmatige beweging samen de kans op kanker met 60 procent kunnen verminderen. Voeg daar groene thee en kurkuma aan toe, dan loopt de risicoreductie afhankelijk van het kankertype op tot 70 procent of meer.

Daarbij benadrukt Marik het belang van intermittent fasting en het vermijden van sterk bewerkte voeding. Insulineresistentie en chronisch hoge bloedsuikerspiegel creëren de metabole omgeving waarin kankercellen ongecontroleerd kunnen groeien.

Turbokanker en de rol van COVID-vaccinaties

De incidentie van kanker stijgt wereldwijd al jaren, met 17 procent in de afgelopen tien jaar volgens gegevens van de American Cancer Society. Zorgwekkender is de trend waarbij steeds jongere mensen — in de dertig en veertig — agressieve kankervormen ontwikkelen. Marik wijst daarbij ook op het fenomeen van ’turbokanker’: plotseling optredende, agressieve tumoren in een laat stadium, die hij in verband brengt met COVID-vaccinaties.

Een Yale-studie toonde aan dat sommige gevaccineerden meer dan 700 dagen na de prik nog circulerend spike-eiwit in hun bloed hadden; in één geval zelfs 1400 dagen. Dat spike-eiwit is volgens Marik de waarschijnlijke verklaring voor de toename van immuun-gedreven ziekten na vaccinatie.

Over de auteur: Robin de Boer is economisch geograaf. Volg hem hier op Substack voor exclusieve content.

Blijf op de hoogte & steun onafhankelijke journalistiek

Kortom, er is hoop, maar het wordt tegengewerkt om de winst.

Wat is het nu allemaal dat ik gewoonlijk “ik” noem.

Vanmorgen, nadat ik wakker was geworden dacht ik: waaruit bestaat nu die kennelijke conglomeratie van dagelijks langskomende bewustzijnsverschijnselen waartegen ik, iedereen trouwens “ik” zeg. Omdat het door afgetrapte gewoontepaden zo vaak bewandeld is kom ik bijna niet tot een bruikbaar inzicht. Maar ik ga het toch proberen.

Als ik terugkijk in mijn leven heb ik eigenlijk de betreffende probleemstelling al op vierjarige leeftijd aan mijn moeder voorgelegd. Ik vroeg: ‘Mam, wat is ik eigenlijk?’ Mijn moeder zei toen: ‘Jij bent Petertje, dat weet je toch wel? Ik weet nog dat ik toen dacht: ‘ja dat is wel zo maar dat bedoel ik niet’. Maar ik wist toen ook niet hoe ik het anders moest vragen. Trouwens, mijn lieve, maar zeer eenvoudige moeder had me toch niet kunnen antwoorden, anders had ze op dat moment wel geweten dat ik een van die kinderen was die op zijn vierde jaar al met oeroude probleemstellingen bezig was omdat hij zich zo nodig vroegere levens moest herinneren. Dat van die vroegere levens en wat ik daarover toen dacht ben ik daarna trouwens jaren kwijtgeraakt. Bij mij is dat later weer flardsgewijs teruggekomen, maar daarover wil ik het nu niet hebben. Waarover ik het nu wil hebben is dat ik me vanmorgen voor het eerst helder realiseerde hoe de organisatie die ik met dat kleine woordje “ik” aanduid eigenlijk in elkaar zit. Laat ik proberen eens niet te wijdlopig te zijn. Er is dat stukje, de kern waarvan ook wel beweerd wordt dat het hier in de massa die we bijeenbrengen 21 gram weegt waaraan we dan de naam ‘ziel’ hebben gegeven. Het is echter de sturende kern in de levende mens, waarvan wordt aangenomen dat hij niet begint te desintegreren als het versleten oude lichaam dat wel doet. Het kan niet anders dan een georganiseerd energiepatroon zijn. Een onvergankelijk en onvernietigbaar energiepatroon dan wel. Nu heb ik begrepen – dat idee is dus niet van mij zoals zal blijken – dat onze hersenen niet de makers van het bewustzijn vormen, maar eerder luisteraar ontvanger dan zender zijn. Die kern waarover ik het had die staat dus voortdurend in contact met het energetisch buitenveld, zeg maar de enorme wereld van georganiseerde energie waarin we na het overlijden in terechtkomen en waar we ook eigenlijk voortdurend uitkomen en uitgekomen zijn en uit zullen komen, Een spirituele tegenhanger van dat wat we in de materiële wereld benoemen als het universum.

Nu kom ik dan toch eindelijk tot de bekende vraag: Waarom doen we dit dan, waarom leven we dan mensenlevens? Nu moet ik overigens wel oppassen dat ik niet de vraag stel: wat is de bedoeling hiermee, maar wat is ‘mijn’ bedoeling hiermee. Tja, dan blijkt althans voor mij een even simpele als doeltreffende oplossing zich aan te dienen: oefeningen in het verzet tegen de ontmoediging tegen de bij geboorte zelfgekozen beperkingen. Let maar op. De meeste mensen zijn een leven lang bezig ergens, wat het ook zijn mag, beter in te worden of ze laten het na verloop van tijd ontmoedigd uit hun handen vallen. Nou ja, dat laatste zou je kunnen begrijpen als je kijkt naar onze verwoede pogingen om langer en gezonder te leven. Daardoor kunnen we namelijk langer doorgaan met het oefenen in het overwinnen van onze zelfgekozen beperkingen. Veel mensen kiezen intuïtief voor sport. Sommigen gaan zelfs zo ver dat ze zich het welbegrepen uitzicht op restschade door topsport willen getroosten. Nou goed, toegegeven, het is triomfantelijk ergens iets uit te halen waarvan je eigenlijk wel weet dat het er misschien niet inzit. Dat is nu ultimo oefenen om zo dicht mogelijk te komen bij wat in een lichaam eigenlijk niet kan.

Ach weet je, eigenlijk heb ik langzamerhand best in de gaten waarom ik dit soort stukjes schrijf. De medaille van oefenen heeft namelijk allerlei kanten die zich afspelen tussen opgeven, teleurgesteld afhaken, tegen beter weten in volhouden en heel af en toe ook triomfantelijk slagen. Ik heb het geluk dat ik hier en daar een beetje begin te begrijpen – nou ja, voor mezelf dan – wat mijn vermoedelijke antwoord moet gaan worden op de vraag: wat kom ik eigenlijk deze keer doen op deze wereld. Voor mij is het antwoord nu redelijk duidelijk. Ik probeer te begrijpen waarom ik hier wat ook weer aan het proberen ben. Nou ja, ik heb het gevoel dat ik steeds maar bezig ben aan een lange reeks van zeer verhelderende teleurstellingen en dat het begint te lukken… een beetje, toch?

Wat is het nu allemaal dat ik gewoonlijk “ik” noem.

Vanmorgen, nadat ik wakker was geworden dacht ik: waaruit bestaat nu die kennelijke conglomeratie van dagelijks langskomende bewustzijnsverschijnselen waartegen ik, iedereen trouwens “ik” zeg. Omdat het door afgetrapte gewoontepaden zo vaak bewandeld is kom ik bijna niet tot een bruikbaar inzicht. Maar ik ga het toch proberen.

Als ik terugkijk in mijn leven heb ik eigenlijk de betreffende probleemstelling al op vierjarige leeftijd aan mijn moeder voorgelegd. Ik vroeg: ‘Mam, wat is ik eigenlijk?’ Mijn moeder zei toen: ‘Jij bent Petertje, dat weet je toch wel? Ik weet nog dat ik toen dacht: ‘ja dat is wel zo maar dat bedoel ik niet’. Maar ik wist toen ook niet hoe ik het anders moest vragen. Trouwens, mijn lieve, maar zeer eenvoudige moeder had me toch niet kunnen antwoorden, anders had ze op dat moment wel geweten dat ik een van die kinderen was die op zijn vierde jaar al met oeroude probleemstellingen bezig was omdat hij zich zo nodig vroegere levens moest herinneren. Dat van die vroegere levens en wat ik daarover toen dacht ben ik daarna trouwens jaren kwijtgeraakt. Bij mij is dat later weer flardsgewijs teruggekomen, maar daarover wil ik het nu niet hebben. Waarover ik het nu wil hebben is dat ik me vanmorgen voor het eerst helder realiseerde hoe de organisatie die ik met dat kleine woordje “ik” aanduid eigenlijk in elkaar zit. Laat ik proberen eens niet te wijdlopig te zijn. Er is dat stukje, de kern waarvan ook wel beweerd wordt dat het hier in de massa die we bijeenbrengen 21 gram weegt waaraan we dan de naam ‘ziel’ hebben gegeven. Het is echter de sturende kern in de levende mens, waarvan wordt aangenomen dat hij niet begint te desintegreren als het versleten oude lichaam dat wel doet. Het kan niet anders dan een georganiseerd energiepatroon zijn. Een onvergankelijk en onvernietigbaar energiepatroon dan wel. Nu heb ik begrepen – dat idee is dus niet van mij zoals zal blijken – dat onze hersenen niet de makers van het bewustzijn vormen, maar eerder luisteraar ontvanger dan zender zijn. Die kern waarover ik het had die staat dus voortdurend in contact met het energetisch buitenveld, zeg maar de enorme wereld van georganiseerde energie waarin we na het overlijden in terechtkomen en waar we ook eigenlijk voortdurend uitkomen en uitgekomen zijn en uit zullen komen, Een spirituele tegenhanger van dat wat we in de materiële wereld benoemen als het universum.

Nu kom ik dan toch eindelijk tot de bekende vraag: Waarom doen we dit dan, waarom leven we dan mensenlevens? Nu moet ik overigens wel oppassen dat ik niet de vraag stel: wat is de bedoeling hiermee, maar wat is ‘mijn’ bedoeling hiermee. Tja, dan blijkt althans voor mij een even simpele als doeltreffende oplossing zich aan te dienen: oefeningen in het verzet tegen de ontmoediging tegen de bij geboorte zelfgekozen beperkingen. Let maar op. De meeste mensen zijn een leven lang bezig ergens, wat het ook zijn mag, beter in te worden of ze laten het na verloop van tijd ontmoedigd uit hun handen vallen. Nou ja, dat laatste zou je kunnen begrijpen als je kijkt naar onze verwoede pogingen om langer en gezonder te leven. Daardoor kunnen we namelijk langer doorgaan met het oefenen in het overwinnen van onze zelfgekozen beperkingen. Veel mensen kiezen intuïtief voor sport. Sommigen gaan zelfs zo ver dat ze zich het welbegrepen uitzicht op restschade door topsport willen getroosten. Nou goed, toegegeven, het is triomfantelijk ergens iets uit te halen waarvan je eigenlijk wel weet dat het er misschien niet inzit. Dat is nu ultimo oefenen om zo dicht mogelijk te komen bij wat in een lichaam eigenlijk niet kan.

Ach weet je, eigenlijk heb ik langzamerhand best in de gaten waarom ik dit soort stukjes schrijf. De medaille van oefenen heeft namelijk allerlei kanten die zich afspelen tussen opgeven, teleurgesteld afhaken, tegen beter weten in volhouden en heel af en toe ook triomfantelijk slagen. Ik heb het geluk dat ik hier en daar een beetje begin te begrijpen – nou ja, voor mezelf dan – wat mijn vermoedelijke antwoord moet gaan worden op de vraag: wat kom ik eigenlijk deze keer doen op deze wereld. Voor mij is het antwoord nu redelijk duidelijk. Ik probeer te begrijpen waarom ik hier wat ook weer aan het proberen ben. Nou ja, ik heb het gevoel dat ik steeds maar bezig ben aan een lange reeks van zeer verhelderende teleurstellingen en dat het begint te lukken… een beetje, toch?

Bijna dagelijks.

Inderdaad, bijna dagelijks kom ik op internet nu verslagen tegen die handelen over kinderen, meestal vanaf een jaar of twee tot hun zesde jaar, die op dramatische wijze blijk geven van het feit dat ze in een vorig leven op heftige wijze gestorven zijn. Met ons chronologisch werkende verstand zou je zeggen dat het gaat om bewijzen van reïncarnatie, wedergeboorte dus. Het gaat hier uiteraard om een eeuwenoude leer, waarvan tegenwoordig bijna iedereen denkt dat het onzin is. Wel, afgezien van het feit dat tegenwoordig al te veel praten over de dood een mens niet populairder maakt, moet in dit geval worden gezegd dat er met dit onderwerp historisch nogal wat aan de hand is.  Heel veel YouTube filmmakers maken hier dankbaar gebruik van door deze verhalen te vertellen. Overigens staan ze daarin zeker niet alleen, want onze Nederlandse oud-cardioloog Pim van Lommel heeft in zijn interessante en vrij lijvige boek: Eindeloos Bewustzijn het ene na het andere verhaal opgetekend uit de mond van mensen met bijna dood ervaringen. Dat zijn mensen die kortere of langere tijd klinisch dood zijn geweest en vervolgens weer gereanimeerd werden. Veel van deze mensen beschrijven een toestand die ze benoemen als onbeschrijfelijk om de eenvoudige reden dat kennelijk onze taal tekortschiet om de gewaarwordingen die er in de toestand van klinisch dood beleefd werden te beschrijven. Ik moet eerlijk zeggen en heb dat ook wel eerder betoogd dat ik mijzelf zelfs flarden van meerdere levens herinner. Ik heb me trouwens altijd afgevraagd waarom ik me nu flarden van meerdere levens herinner, maar juist niet die door de bijna dood mensen ervaren perioden tussen de levens, de periodes dus dat we niet als mens leven. Recentelijk is dat echter tot me door gedrongen en het is veel minder mysterieus dan ik eerder dacht. Hoe zit dat dan. Nou laat ik oppassen dat ik niet beweer dat ik alles weet. Het is natuurlijk niet meer dan een vermoeden. Het antwoord ligt volgens mij in het woord ‘beperking’. Van de mensen met bijna dood ervaring horen we niet anders dat hun waarneming zo totaal was, dat ze niet maar één kant op konden kijken maar alle kanten tegelijk, zonder dat die veelheid hen verwarde. Dat ze ook plotseling alles tegelijk wisten en dat die ervaring hen ook niet verwarde. Nou, als ik maag aannemen dat deze informatie klopt, dan kan ik me voorstellen dat voorbije levens op enigerlei wijze helder dan wel vagelijk in het geheugen van de levenden manifest kunnen zijn. Anders is dat evenwel voor de tussenperioden waarin het bewustzijn wellicht vele honderden, zo niet duizenden malen meer kan overzien. Daarvoor is het geheugen van een levend mens simpelweg niet geschikt. Het past er allemaal niet in. Oh ja, dat het fantastisch was in de periode dat je er heel even was toen je dood leek, maar weer gereanimeerd kon worden. Die als onuitsprekelijk ervaren indruk kan als zodanig als indrukwekkend zijn. Maar om dat vast te houden is de geest van de levende mens wellicht te beperkt. Bovendien kan het nooit de bedoeling zijn als je leeft om je compleet je misschien duizendmaal grotere bewustzijn te herinneren als je hier voorlopig wel wat anders te doen hebt. Anders was je hier niet. Wie het kleine niet eert is het grote niet weert toch? Hier wilde ik het maar even bij laten.

Zomaar een verhaal.

Geen idee.

Hij werd wakker doordat het begon te regenen. Maar hij werd nat. Dat was erg ongebruikelijk. Buiten zat hij, merkte hij nu. Op een bank aan het water. Had hij zich dan gedachteloos uren geleden op deze bank laten zakken? Trouwens, hoe was hij dan hier gekomen. Verbijsterd keek hij om zich heen. Vreemd, Waar was dit? Hij herkende helemaal niets. Trouwens… wie was hij zelf? Koortsachtig ging zijn hand omhoog. Zijn hoofd deed pijn. Hij voelde aan zijn hoofd, Boven zijn rechteroor voelde hij een wond. De aanraking deed pijn. Geschrokken trok hij zijn hand terug. Bloed zat er aan zijn hand. Angst greep hem nu naar de keel. In paniek greep hij naar zijn jaszakken, naar zijn broekzakken. Niets, geen portemonnee, geen telefoon geen portefeuille. Niets, helemaal niets.

Langzaam drong het tot hem door. Uren had hij hier gezeten met zijn jas open en in geen van zijn zakken was iets te vinden dat hem kon vertellen wie hij was. Hij had een behoorlijke hoofdwond en een bonzende hoofdpijn en hij kon zich met geen mogelijkheid oriënteren of zelfs legitimeren.                                                                                         Hij besloot op te staan, zijn hele lichaam voelde stijf. Maar zodra hij opstond belette een duizeling hem verder in beweging te komen. Nog juist kon hij vorkomen dat hij viel door weer snel op die houten bank te gaan zitten. Niet bewegen was het enige dat hielp.

Het begon nu harder te regenen. Het was niet erg het kalmeerde hem een beetje. Alles was toch al nat en erg koud was het gelukkig niet. Maar dat zijn broek zo nat was kwam vast niet alleen door de regen. Blijkbaar had hij zijn urine laten lopen.

Heel vaag kwam nu de herinnering boven van de klap tegen zijn hoofd. Niemand had hij gezien. De klap moest van achter gekomen zijn. Hij moest beroofd zijn. Plotseling voelde hij zich misselijk. Hij braakte. Net op tijd kon hij vooroverbuigen en tussen zijn knieën op de grond braken. Met zijn ellebogen op zijn knieën en zijn hoofd tussen zijn handen bleef hij een poos zitten. Hij voelde dat hij weer wegzakte. Toen hij een uur later weer wakker werd was de regen opgehouden. Het licht onder de bewolkte hemel leek ongeveer het einde van de middag aan te geven.

Stijf voelde hij zich. Hij moest hier weg, hij kon hier toch niet blijven zitten. Maar waar moest hij heen? Hij had geen idee. Zich vasthoudend aan de rugleuning probeerde hij op te staan. Even later stond hij op zijn trillende benen. Nu kon hij om zich heen kijken. Het was een soort dijk waar hij op stond. De bank waarop hij had gezeten stond in het gras aan de wegkant. Een kleine honderd meter van hem af zag hij dat er vanaf de weg een weggetje naar beneden liep naar iets wat op een woonwijk leek. Hij haalde diep adem en begon te lopen. Die huizen daar in die woonwijk… daar moest toch iemand zijn die hem kon helpen. Een duizeling deed hem bijna voorovervallen, maar hij wist overeind te blijven. Langzaam, slingerend als een dronkenman kwam hij vooruit en aan het eind van zijn krachten bereikte hij het eerste huisje. Het was de hoek van een rijtje. Een huis met een keurig voortuintje met een hekje ervoor. Hij opende het hekje, liep het paadje op naar de voordeur en belde aan. Na ongeveer een minuut ging de voordeur halfopen. Hij zag een vrouw in de opening. Omdat zijn benen het bijna begaven stond hij stil, maar wist nog juist uit te brengen: ‘mevrouw ik heb hulp nodig’. De vrouw reageerde door haar hoofd om te draaien en te roepen: ‘Henk, kom eens even naar de deur’. Even later verdween de vrouw uit de half geopende deur en ging de deur verder open en verscheen een man. Een kaal, maar niet onvriendelijk hoofd staarde hem aan. ‘Wat is er aan de hand’, vroeg de man. ‘Ik ben gewond en beroofd wist hij nog uit te brengen voordat hij op dat tuinpaadje in elkaar zakte, waarbij hij helaas weer zijn gewonde hoofd stootte en alles weer zwart om hem heen werd.

Door de beweging kwam hij weer bij. Aan het plafond boven hem zag hij dat hij op zijn rug in een ambulance lag. ‘Zo meneer, wordt u weer wakker’, vroeg een vriendelijke vrouwenstem. Hij draaide zijn gewicht in de richting vanwaar hij de stem had gehoord en zag glimlachende in het groen geklede ambulancezuster. ‘We brengen u maar even naar het ziekenhuis anders belooft het niet goed met u te gaan’, zei ze.                                                 ‘Maar wat is er toch gebeurd’, stamelde hij. ‘Rustig maar meneer, het komt allemaal goed. Doe uw ogen nog maar even dicht. We zijn zo bij het ziekenhuis en daar wacht de arts op u’. Hij begreep het. Vaag herinnerde hij zich dat hij ooit eerder in een ambulance naar het ziekenhuis was vervoerd, maar wanneer was dat ook alweer…

De ambulance kwam aan bij de achterzijde van het ziekenhuis, de afdeling spoedeisende hulp. Hij was alweer half weggedoezeld. Hij voelde hoe de brancard waarop hij lag uit de ambulance getrokken werd, hoe hij voortgereden werd. Hij knipperde met zijn ogen toen de brancard een helverlichte kamer werd binnengereden. Boven zich zag hij een gezicht met een mondbescherming en een haar bedekkend hoofkapje. ‘zo meneer’, klonk het door het mondkapje, ‘laten we maar eens kijken wat er met u is gebeurd’. Hij voelde hoe zijn hoofd zachtjes naar links werd gedraaid, waardoor de hoofdwond bovenkwam. ‘Nou, nou, dat ziet er heel lelijk uit sprak de arts. Het is een wonder dat u nog leeft. We zullen een foto van uw schedel maken en een MRI van uw hersenen om te zien hoe we u kunnen helpen. Kunt u zich herinneren wie u bent?’            Hij voelde een golf van misselijkheid terwijl het weer zwart om hem heen werd.

Veel later die dag kwam hij weer bij. Hij lag, zag hij, in een soort nachthemd in een ziekenhuisbed. Naast zich ontwaarde hij een politieman in uniform. Toen de politieman merkte dat hij zijn ogen opende stond hij op en kwam naast het bed staan. ‘Zo meneer’, sprak de politieman langzaam, ‘wij hebben begrepen dat u een roofoverval met bijna dodelijke afloop hebt overleefd’. Verbijsterd hoorde hij de politieman aan. De man ging verder: ‘kunt u vertellen wie u bent?’ Hij schudde zachtjes met zijn nog pijnlijke hoofd. Hij merkte dat er verband om zijn hoofd zat. ‘Dus u kunt zich werkelijk niet herinneren wat er gebeurd is’, herhaalde de politieman. ‘Klap van achteren’, wist hij met enige moeite uit te brengen. ‘En verder helemaal niets?’ probeerde de politieman nog een keer. De deur van de kamer ging open en twee artsen in operatie kleding kwamen binnen. ‘Het is waarschijnlijk beter om uw ondervraging op een later tijdstip te herhalen’,  zei een van hen. De politieman knikte, stond op van de stoel waarop hij weer was gaan zitten en verliet de kamer. ‘We hebben uw nummer, we houden u op de hoogte’, hoorde hij een van de artsen nog zeggen, terwijl hij langs hen de deur uitliep.

Krantenbericht: geheimzinnige moordpoging. Gisteravond werd een zwaargewonde man en een ernstige schedelwond in het ziekenhuis gebracht. Tot nu toe is op geen enkele manier iets over de omstandigheden waarop deze misdaad is begaan gebleken. De identiteit van het slachtoffer is onbekend. De politie tast in het duister. Het zou aan te bevelen zijn u te melden bij de politie in uw woon – of verblijfplaats, of desnoods bij meld misdaad anoniem als u iets weet over de toedracht van dit misdrijf.

En inderdaad kwam er een bericht binnen via meld misdaad anoniem. Het bericht luidde als volgt: ‘nou voor deze keer dan, hoewel we niet de gewoonte hebben om over dieven van onze spullen te praten, maar we waren hem spuugzat nadat – ie voor de vierde keer voor een miljoen van onze handel had verduisterd. Hij heeft een stevige klap in zijn nek gekregen. In de veronderstelling dat – ie de pijp uit zou gaan hebben we hem op een bankje aan een Gelderse dijk gezet. Doe maar geen moeite voor die loser.

Krantenbericht: Lokaal nieuws: de politie meld dat de onbekende man die enige dagen geleden met een ernstige hoofdwond in het ziekenhuis werd opgenomen tenslotte toch aan zijn verwondingen is overleden zonder dat wij zijn identiteit hebben kunnen vaststellen.

De Tijd.

De tijd hebben, de tijd krijgen. Wat is er nu toch zo aantrekkelijk aan de tijd. Laat me nu eerst maar eens kijken na die oude uitdrukking die vroeger vaak wat plechtig gebruikt werd als iemand was overleden. Dan was je uit de tijd. Over het algemeen werd daarmee uitgedrukt dat de nog levenden het maar goed getroffen hadden, althans voorlopig, want zij waren nog in de tijd, hoewel natuurlijk iedereen die in de zon of in de regen op het kerkhof aan de groeve stond zich in elk geval op dat moment wel het oude memento mori, gedenk te sterven realiseerde.

Eerlijk gezegd denk ik dat we met een dilemma zitten. Niet een heel ernstig dilemma overigens, vooral als je nog jong of jong middelbaar bent. Dan heb je nog tijd, dan kun je nog dingen bereiken, successen behalen, vorderingen maken, winnen (en verliezen natuurlijk) maar dat zijn allemaal dingen die alleen kunnen als je nog in de tijd bent. Alleen in de tijd kun je dingen doen die, zoals dat genoemd wordt, zin hebben. Merkwaardig vind ik overigens dat ik merk dat met het vorderen van de jaren het lijkt alsof je een draai van honderden tachtig graden in je belevingswereld maakt. Als je jong bent is je blik op het leven gericht op de toekomst. Naarmate je ouder wordt als blijkt dat je verleden veel groter is dan je mogelijke toekomst kijk je – als het je tenminste in het leven een beetje heeft meegezeten – met een zekere tevredenheid naar vroeger. Een mooi Engels liedje droeg de veelzeggende titel ‘Memories live longer than dreams’. En zo is het natuurlijk ook.

Tegenwoordig, zeker sinds Pim van Lommel, oud cardioloog, zijn indrukwekkende boek schreef over bijna dood ervaringen betreffende de getuigenissen van mensen die even over de rand van het leven hebben mogen kijken nadat ze lichamelijk gestorven leken te zijn. Prachtige beschrijvingen van mensen die gereanimeerd werden en die daar in veel gevallen helemaal niet blij mee waren, omdat de onbeschrijflijke helderheid en schoonheid aan de andere kan van het sterven in veel gevallen letterlijk ‘hemels’ bleken te zijn, terwijl de terugkeer in het eigen lichaam vaak een teleurstellende en pijnlijke ervaring opleverde.

We hebben, lijkt nu, te maken met twee verschillende bronnen die beide lijken aan te geven dat ons bestaan als entiteit na ons overlijden geenszins afgelopen is. Veel jaren geleden las ik al van de Duitse psychiater Torwald Detlefsen Zijn boek: Terug Naar Vorige Levens, waarin hij verslag doet van een groot aantal hypnosessies met patiënten die voor het merendeel teruggebracht konden worden in vorige levens met vervolgens controleerbare omstandigheden als naam, positie, tot zelfs de burgerlijke stand of de kerkelijke geboorteboeken aan toe. Deze mensen vertellen onder hypnose geschiedenissen uit een leven voor het huidige. Eerlijk gezegd geloof ik dat wel, want ik heb dat zelf ook meegemaakt en ik herinner me flarden van verschillende levens.

Hoe dit ook zij, we hebben nu eigenlijk twee kanten van hetzelfde verhaal: de herinnering bij talloze mensen aan vorige levens en de kijk op de toestand na het levenseinde via de bijna dood ervaringen. Al met al een reden op de vaak gehoorde kreet: Je leeft maar één keer met een lenige zwaai overboord te gooien. Het enige wat je misschien – en nog niet eens zeker – maar één keer gebruikt is de naam die je nu draagt en mogelijk je ouders en de periode in de wereld.

Misschien, en eerlijk gezegd hoop ik dat, zou het besef dat wij eeuwige wezens zijn ons diep moeten doordringen. Nee, het heeft niets met godsdienst te maken. Eigenlijk heeft het meer te maken met wat we bij de natuurkunde op school al leerden: de onvernietigbaarheid van energie. Wij zijn energieorganisaties. Aan het begin van elk menselijk bestaan verzamelen wij de benodigde tijdelijke energetische verbindingen om ons heen die we bij het overlijden achterlaten. Maar mensen, dat zijn wij niet, dat zijn maar spullen hoor, ook allemaal van energie gemaakt, maar niets waar we altijd aan vast moeten zitten. Als ik in de spiegel kijk, tegenwoordig, dan denk ik vaak: Ik ga er volgende keer toch eens iets aantrekkelijkers van maken. Hoe dan ook, verlies niet de moed als je oud wordt, je krijgt nog kansen genoeg.

Als het er ooit van komt.

Waar de laatste oorlogen al een hele poos voorgoed achter de rug zijn. Is dat nu een ideale samenleving? Hebben we dan een omgeving voor een gelukkige en gezonde mens en boven dien, waarmee houdt die mens zich nog bezig? Tot nu toe kunnen we ons namelijk niet voorstellen dat er een leven bestaat zonder strijd, al is het maar om de dagelijkse kost te verdienen. Als levende wezens zullen we ons altijd moeten voeden. Ons schema vertrouwt erop dat we een stofwisseling onderhouden. En verder, wat vinder we leuk en wat niet. En oh jee, ik zie toch problemen aan het firmament. Als alles goed gaat en er is geen strijd, is er dan nog wel emotie. Moeten we dan opschalen naar een totaal andere manier van waarnemen. Ik neem trouwens ook zomaar aan dat we de graaierige en vooral ook heel onoprechte en zelfs leugenachtige en misdadige BigFarma dan ook niet meer hebben. Oprechte en vooral ook bijna alwetende artsen zullen ons een poosje moeten helpen om tot het zelfbewustzijn te groeien dat weet hoe we probleemloos spelend en passend gezond moeten blijven.

Kortom, hier op het bijna einde van dit stoffelijk leven kan ik achteromkijkend vaststellen dat dit leven mij een vrij volledige kijk heeft gegund in wat er onder ons mensen allemaal mogelijk is en daarbij gaat het natuurlijk over het totale pak aan emoties die een mens kan hebben, hierbij in elk geval aangevend dat alle emoties – zeker de extreme – meestal van korte duur zijn. Hoewel, ik heb eens een boekje geschreven over het effect van emoties en in dat opzicht het effect van tranen, een stof die uitermate gevarieerd kan zijn en die ik bij die openbaring ben gaan beschouwen als een grondstof voor een homeopathisch geneesmiddel. Zonder echt wetenschappelijk bewijs, maar wel met empirische bevestiging kan ik stellen dat tranen die het gevolg zijn van een emotie een genezende werking hebben op de lichamelijke en geestelijke gevolgen van die emoties en de herinnering aan de daarmee samenhangende gebeurtenissen in het verleden van de persoon. Samenvattend kan ik in elk geval zeggen dat het boekje dat ik liefdevol schreef – het was dacht ik in 1995 – weliswaar twee drukken heeft beleefd maar toch niet de belangstelling heeft gebracht die mijn kennelijk een eeuw of zo vooruitlopende ziel ervan had verwacht.

Nee, achteraf beschouwd is dat niet jammer. Het maakte voor mij alleen maar duidelijk dat ik blijkbaar mijn geboorte niet had gepland in een tijd die bij mijn diepste aard past. Op de een of andere manier had ik nog een paar stootjes nodig om me in deze tijd te plaatsen. Volledigheidshalve noem ik ze even op:

  1. Een wereldoorlog die begon toen ik drie maanden oud was en waardoor mijn vader pas zwaar beschadigd terugkeerde toen ik vijf jaar oud was. Ik had dan ook een oorlogsvader die liefdevol en verschrikkelijk was, onbeheersbaar driftig en gewelddadig, wat mijn in de oorlog ontstane angst versterkte.
  2. Op mijn zesde jaar, een dag voor mijn moeders verjaardag werd ik aangereden door een klein vrachtwagentje. Ik vermoed, ik weet het natuurlijk niet zeker, dat ik de aandacht van mijn vader wilde die ik op dat moment beslist onvoldoende kreeg. De breuk in mijn rechter dijbeen was mogelijk in onze tijd gemakkelijk te repareren, maar in die tijd was er blijkbaar onvoldoende kennis en hygiëne, want ik ontwikkelde een chronische bacteriële beenmergontsteking die tot op de dag van vandaag, ik ben nu 86 jaar, bij me is gebleven. Kortom altijd in gevecht met de infecties. Kun je overigens ook sterk van worden is mij gebleken.
  3. Drie vrouwen heb ik langdurig in mijn leven gehad: De eerste twee tien jaar en de derde nu al meer dan veertig jaar. Pas tegen mijn vijftigste kreeg ik kennelijk eindelijk de rust in mijn lijf. Dat werd ook hoog tijd.
  4. Mijn eerste kind was een zoon. Hij werd geboren toen mijn eerste vrouw met een veel te hoge bloeddruk in het ziekenhuis lag en zij een nachtelijke bloedneus kreeg. Jammer dat de KNO-arts zijn bed niet uit wilde komen, want toen mijn zoon geboren werd was hij al overleden. Een triest begin aan je huwelijk zou je zeggen. Prinsen, het hoofd van de school waar ik werkte zei: ‘Peter, na deze tijden komen betere’. Het was goed bedoeld, maar Katinka, mijn tweede kind, stierf toen ze 36 jaar oud was aan de taaislijmziekte. Mij derde kind, Annemieke heeft het recentelijk tot haar 53st uitgehouden. Van haar had mijn lichaam zoveel onbegrepen verdriet dat ik me plotseling bijna niet meer kon bewegen. Ik ben naar het ziekenhuis gebracht in een ambulance. Ze dachten dat ik een hersenbloeding had. Er was echter niets aan de hand met mijnlichaam. Ik had gewoon onuitsprekelijk verdriet, maar mijn gevoel vertelde dat niet. Heel raar.
  5. Nou ja, vanwege die chronische beenmergontsteking, waarvoor ik als kind zoveel rauwe penicilline had gehad, had ik in mijn rechternier een niersteen van ongeveer 2 centimeter ontwikkeld, (oczaalzuur weet je wel) en dientengevolge was er in mijn rechter nierslagader een aneurysma ontstaan. Dat heb ik overigens nog niet zo heel lang geleden ontwikkeld.
  6. Verder is mijn rechteroog praktisch blind, glaucoom denk ik. Hoe dan ook, alles zit rechts.
  7. Gelukkig kan ik nog prima autorijden. Toen ik 85 werd heb ik met enige moeite toch weer mijn rijbewijs voor vijf jaar gekregen. Nou rijd ik niet heel vaak meer, maar ik ben nog een veilige weggebruiker.

Natuurlijk zijn er op mijn leeftijd meer kleine mankementen, maar dat vind ik niet heel erg. Ik leef tot bijvoorbeeld dat aneurysma plotseling openbarst. Dan is het klaar. Wel vraag ik me af hoe het komt dat ik me zo weinig herinner van een aantal gepasseerde levens dat ik deze misère, waarover ik overigens niet treur, toch allemaal echt zelf verdiend heb. Maar goed, ik maak een rustig en vrolijk staartje aan dit leven. Het kan nog best een poosje duren, denk ik. Als dat niet zo is, is het ook goed.

Intentie.

Ja, intentie of bedoeling. Hebben we niet die pracht uitdrukking: De weg naar de hel is geplaveid met goede bedoelingen. Daar zat ik nou een hele poos aan te denken. Het is eigenlijk een onderwerp dat mij al jaren niet loslaat. Het heeft ook, naar ik nu zeker weet, te maken met geloven.

Gisteren, eerste pinksterdag 2026, was ik met mijn vrouw op een terras van een grote horecaonderneming hier ter plaatse beland. Aanvankelijk zaten we op een van de twee comfortabele bankstellen. Na vrij korte tijd en één consumptie merkte mijn vrouw op dat het smoorheet was in de zon en dat het wenselijk zou zijn als ook bij deze comfortabele zitgelegenheden een parasol voor handen zou zijn, maar die was er niet. Al zoekend naar verkoeling belanden we tenslotte dicht bij de ingang van het gebouw waar nog enkele absoluut keiharde stoeltjes wel schaduw boden. Voor ons zat een gezelschap dat wij met elkaar hoorden praten. Er werd afwisselend Nederlands en een andere taal gesproken, een taal die ik niet heel snel thuis kon brengen, maar ik dacht dat het misschien Ivriet kon zijn. Ik stond op om het te vragen. ‘Nee, niet doen’, zei mijn vrouw, die weet dat niet iedereen van mijn plotseling opkomende nieuwsgierigheid gediend is. Maar ik stond al en tikte de man die vlak voor me zat op de schouder. Dat werd boven verwachting een erg aardig gesprek: ‘Is dat Ivriet wat ik jullie hoorde spreken?’ vroeg ik.

‘Nee’, zei de man, ‘dat is Armeens, wij zijn Armenen’. ‘Goh’, zei ik, ‘net als de beroemde zanger Charles Asnavour’. De ogen van de man begonnen te stralen. ‘Onze beroemdste volksgenoot’, zei hij. Nou ja, toen hadden we nog een aardig gesprek over de afschuwelijke genocide die het Armeense volk in 1915 heeft moeten doormaken. Intussen hadden we ons aan elkaar voorgesteld en ik merkte op dat het mij een genoegen was geweest met hem kennis te maken. Deze Armeen heette Simon. Thuis heb ik het een en ander opgezocht over het Armeense volk. Ik las dat de Armenen het eerste volk in de geschiedenis was met het Christendom als staatsgodsdienst. Mogelijk was dat ooit de bron van de controverse tussen de Moslim Turken en deze Armenen die zich voornamelijk met handel bezighielden. Overigens was al heel vroeg – eigen aan de Christenen – er een tweedeling ontstaan: er waren Katholieke en Apostolische Christenen. Daarbij waren de Armenen het eerste volk met een eigen alfabet. Slim dus.

Op een goed moment was het gezelschap verdwenen. Wij stonden ook op om thuis de hond maar weer eens op te zoeken. Toen ik de ober riep om af te rekenen zei die man dat er al betaald was. Ik vroeg me af of mijn inmenging nou zo indrukwekkend was geweest of dat Armenen zo enorm gastvrij waren. Eerlijk gezegd denk ik het laatste.