Muziek
Hier onder begin ik straks te schrijven over de periode in mijn leven van mijn prille jeugd. Heel wonderlijk is, vind ik altijd, dat ik die tijd, terwijl het toch oorlog was, eigenlijk altijd als de meest harmonische tijd van mijn leven heb ervaren. Het verst kan ik terug gaan naar de dag dat oom Klaas, de jongste broer van mijn moeder, ons naar Schagerbrug bracht. Ik moet dan net een jaar oud zijn geweest. Voor het huis van mijn grootouders stond een bakfiets helemaal volgeladen met de spulletjes van mijn moeder. Bij het linker voorwiel was bij het laden een klein plekje open gelaten. Daar kon ik zitten. Ik weet nog wel dat het een zonnige, maar wel koude dag was. In mijn toen nog wat kromme taaltje had ik bedongen dat ik mijn “Sochte Jossie”, mijn zachte jasje aan mocht. Kennelijk had ik toen al een broertje dood aan prikkende kleding, wat trouwens nooit is over gegaan. Ik zat daar op dat plekje en we hebben er toen in mijn beleving de hele dag over gedaan. Met die zware bakfiets zijn we op een goed moment via een vlotbrug, waarschijnlijk De Stolpen, het Noord-Hollands kanaal over gegaan. Het gaat natuurlijk niet vreselijk snel met zo’n volgeladen bakfiets. De af te leggen afstand was ongeveer vijfentwintig kilometer. Ik vermoed dan ook dat wij in de namiddag zijn aangekomen op de plaats van bestemming, waarvan ik me herinner dat het een klein gebouwtje met een zadeldak was. Het stond vrij en van omringende gebouwen herinner ik mij niet veel, hoewel ze er wel geweest moeten zijn, want ik herinner me ook een jongetje dat daar van tijd tot tijd was en dat Fransje Veul heette. Dat huisje was eigenlijk de werkplaats van een timmerman, de heer Veul, die vermoedelijk op last van de bezetter zijn werkplaats had moeten ontruimen om als noodwoning voor evacuees te dienen. Ik zie het nog voor me dat huisje. Veel ramen zaten er niet in en in het midden stond een potkacheltje waar van de pijp in de hoogte door het dak verdween. Mijn moeder kookte ons eten op dat kacheltje, Aan de achterzijde van het huisje was een hel of misschien was het een draadversperring. Hoe dan ook, het stuk weiland waarop ik door die versperring op uitkeek werd de lijnbaan genoemd. Waarschijnlijk was er in het verleden touw geslagen. De Duitsers gebruikten het echter als lanceerbasis voor V2 raketten. Ik herinner me in elk geval keren dat er daar aan het eind van die lijnbaan dingen omhoog gingen waar vuur onder uitkwam. Op dat boerendorpje Schagerbrug in de buurt van Schagen woonden wij van 1941 tot 1944 op drie verschillende adressen. Wij hadden familie op dat dorp: Tante Maartje, een zus van mij oma, getrouwd met oom Bram. En bij die oom zat het grote voordeel voor mij. Nu ja, oom Bram en tante Maartje hadden ook drie of vier kinderen die gevoed moesten worden, maar toen we na de tweede of derde verhuizing aan de overkant van de Grote Sloot praktisch tegenover het huisje van die lieve oom en tante woonden en kleine Petertje al best goed genoeg kon lopen om de brug over te gaan en bij tante Maartje de keuken in te lopen en te vragen wat ze die dag zouden eten, kwam dat mooi uit. Als tante Maartje dan zei dat ze bruine bonen met stroop en azijn aten, dan vroeg ik of ik te gast mocht. Tante Maartje vond dat altijd goed. Oom bram was de man die met een platte stalen schuit bij alle boeren langs de Grote Sloot van Sintmaartensbrug tot Oude Sluis de melkbussen ophaalde en naar de melkfabriek De Eensgezindheid bracht. En ik vermoed dat het principe “die appelen vaart, appelen eet” op de werkzaamheden van oom Bram ook wel van toepassing was.
Eigenlijk was die periode op Schagerbrug voor de kleine Petertje sprookjesachtig. De periode eindigde met een lange wandeling van Schagerbrug naar de n Helder tussen Mamma en Tante Truus een zus van mijn moeder die ook bij ons was ingetrokken. Gelukkig was er ter hoogte van Julianadorp een man op een fiets die ons inhaalde en die of mijn moeder of tante Truus kende. Ik had na meer dan vijftien kilometer tussen die twee volwassen vrouwen heel erg moeie beentjes. Ik mocht bij die man achterop. Ik herinner me dat we vanuit het einde van de Jonkerstraat de Van Hoogendorpstraat binnen reden en dat Tetje, het jongste zusje van mijn moeder aan de voordeur een stofdoek stond uit te kloppen en dat ik tegen de rug van die man zei: ‘Hier is het want daar staat Tet.
Dat laatste oorlogsjaar brachten we in Den Helder door. O ja, er waren bombardementen en als de sirenes aangaven dat de luchtaanval weer voorbij was, dan gingen alle kinderen de straat op om vaak nog warme granaatscherven te zoeken. Twee huizen naast het huis van oma en opa waren twee huizen door bommen getroffen. De Engelse luchtmacht even min als de Duitse konden erg precies mikken, want wat ze wilden raken was de marinewerf en de haven. Mijn arme geboorteplaats is in de tweede wereldoorlog ongeveer zeshondvijftig keer gebombardeerd. Daarom moesten wij evacueren als we daar voor de bezetter niet nodig waren.
Dat laatste oorlogsjaar wat in het hele land de hongerwinter behelsde waren wij in Den Helder. Op een mooie zonnige dag zag ik door het dakraam van het zoldertje bij oma glanzende eitje uit vliegtuigen vallen, het zoveelste bombardement op de rijks werf.
Eten was karig, mijn ellebogen en knieën zaten onder de dikke korsten waaromheen mijn moeder elke dag lappen wikkelde die van oude kleren werden gescheurd, want verband was er niet. Toch was ik een vrolijk kind. Als de sirenes gingen en er weer vliegtuigen over kwamen dan schuilden we vaak in de kast onder de trap. Iemand had eens gezien dat bij gebombardeerde huizen de trap vaak was blijven staan. Bij de gaarkeuken mochten we een hoeveelheid soep halen. Als vijfjarige kreeg ik een klein wit emmertje mee om voor ons die soep te halen. Een buurman zag die soep en riep hoopvol: ‘kijk eens, er zitten kaantjes in!’ Maar het waren aardappelpitten want daar zit nog relatief veel vitamine C in.
Toen was alles natuurlijk in mijn kinderleventje. Spanning en angst kwamen pas toen op een ochtend heel vroeg er een vrachtauto voor de deur stopte. Er was een hoop zenuwachtig gedoe. Ik zat op de tweede tree van de trap in de gang. De voordeur ging open en ik zag een matroos van de klep van die vrachtwagen springen. Toen, daar in de open voordeur stond ineens mijn moeder die vreemde man te zoenen. Ik zat daar op die traptrede en ik was in mijn hele kleine leventje nog nooit zo eenzaam geweest.
Ik denk dat een muziekje nu wel passend is
3.
Het volgende stuk ga ik nu eens niet schrijven voor publicatie, maar voor eigen gebruik. Ik wil het hebben over mijn rechterkant, de kant die door mijn hele leven heen een leidende rol aan zich lijkt te trekken.
Het begint als ik zes jaar ben op de dag voor mijn moeders verjaardag: 23 april 1946. Een maand of zeven eerder is mijn vader teruggekomen uit de duikbootoorlog in de Middellandse zee. Natuurlijk is hij door die vijf oorlogsjaren bij de marine ernstig zowel geestelijk als lichamelijk beschadigd. Maagbloedingen brengen hem verschillende keren in het ziekenhuis. Bovendien is hij soms onbeheersbaar driftig en gewelddadig. Als jongentje van zes ben ik behoorlijk bang voor hem en bang blijf ik voor een flink aantal jaren daarna nog voor zijn drift. Bovendien krijg ik van hem niet de aandacht die ik als enig kind in een vrij grote en liefdevolle familie gewend ben.
Op die genoemde datum heb ik bij mijn oma in de Van Hoogendorpstraat in Den Helder het wasbord opgehaald. Het moet dan dinsdag geweest zijn, want op maandag had oma dat wasbord zelf nodig. Oom Dik werkte als automonteur in de garage van Noordermeer bij ons in de Nieuwstraat en oom Klaas werkte bij baas Agaart als kolenboer. Er was dus altijd erg vuile was te doen. Oma gebruikte dan ook het wasbord en de boenplank waar ze met een borstel en groene zeep het ergste vuil te lijf ging.
Hoe dan ook, ik had het wasbord gehaald, dan kon mamma ook aan de was beginnen die in de intussen hete wasketel op het fornuis in de keuken stond. De ketel zetten ze ’s ochtends voor pappa naar zijn werk ging samen op de wringerbok die in de tuin voor de keuken stond als het goed weer was, of anders in de bijkeuken. Dat wasbord was dus nodig om hetzelfde met de hand te doen wat tegenwoordig een wasmachine doet, maar die hadden we toen nog niet. Eigenlijk hadden we zo vlak na de tweede wereldoorlog sowieso nog heel weinig. Het meest bijzondere was eigenlijk wel de radio, waar we ’s avonds naar luisterden.
Nadat ik op die betreffende dag dat wasbord had gehaald mocht ik nog even buitenspelen. Ik moest niet te ver weg lopen, want straks gingen we eten en als ik te ver weg was kon ze me niet beschreeuwen zei ze dan altijd.
Ik liep de voordeur uit. Ik had een vriendje die aan de overkant woonde, Wimmie Snoerwang, daar wilde ik naar toe. Aan onze kant van de straat stonden altijd de auto’s waaraan in de Garage bij Noordermeer gewerkt moest worden door onder andere mijn oom Dik.
Tussen die auto’s door stak ik over. Ik lette niet goed op, want anders had ik het kleine vrachtautootje van Willem Gersen wel gehoord en gezien, die met een lading ijs op weg was naar de visafslag. Ik probeer het me steeds te herinneren, maar het is door de klap van de aanrijding uit mijn geheugen verdwenen. Het eerste wat ik me herinner is dat ik in de voorkamer op het bed van mijn ouders lig. De gordijnen zijn dicht om de kijkers het zicht te ontnemen. Mijn rechter knie doet pijn en is heel dik.
Maar dan gaat het gebeuren, dat waarom het gaat. Ik word nu naar de rechterkant van mijn lichaam, maar dat niet alleen, ik word nu naar de rechterkant van mijn wezen geduwd.
Niet veel mensen zullen het weten, maar je rechterkant is de vaderkant en de linkerkant de moeder kant.
Het nu toonaangevende en alles bepalende initiatief , het narratief zeggen ze tegenwoordig vaak werd bepaald door mijn vader. Hij bepaalde naar welk ziekenhuis zijn gewonde zoon gebracht gaat worden. Dat gaat niet worden het St. Lidwinaziekenhuis, dat prominent in Den Helder een centrale positie inneemt.
Door zijn ervaringen in die duikbootoorlog, waarin hij eens gedwongen is geweest een Italiaanse katholieke geloofsgenoot een genadeschot te geven omdat het kanon van de Nederlandse duikboot hem een arm had afgeschoten en er toch geen kans meer was dat hij het zou overleven, heeft hij niet alleen zijn geloof verloren, maar is hij ook overtuigd geraakt van de valsheid en onechtheid van de katholieke kerk. Zijn gewonde kind zal dus niet worden opgenomen in een katholiek ziekenhuis als er een andere keuze mogelijk is. Hij kiest dus, onder het voorbij zien van het belang van mijn moeder die bang was om te fietsen en dus alles lopend moest doen voor het Helderse Parkzicht ziekenhuisje dat voor zijn vrouw twee keer zo ver lopen was dan dat katholieke ziekenhuis.
Ja, en dan komt het. In dat katholieke ziekenhuis waren twee zeer deskundige chirurgen. In dat Helderse gemeenteziekenhuisje waren ze erin geslaagd een oud marine arts die wat chirurgie had gestudeerd aan te werven, ene Van Driel. De man kon best vrij vaardig een ontstoken blinde darm verwijderen, maar sedert zijn aantreden lopen er in Den Helder, helaas mijn woon – en verblijfplaats in die tijd, tientallen mensen rond met scheef- en verkeerd gezette armen en benen rond. Van Driel had daarvoor geen talent. Waarvoor hij echter ook geen talent had of misschien te lui of te blasé voor was, was voor het lezen van toen best al wel bekende protocollen betreffende de toepassing van sommige geneesmiddelen zoals penicilline, dat al sedert het einde van de eerste wereldoorlog – sinds 1918 dus – op de markt was en dat aanzienlijk beter presteerde dan de voordien in zwang zijnde sulfapreparaten. In dat protocol of behandelvoorschrift stond namelijk dat bij een invasieve behandeling (dat betekent als de huid wordt geopend om het lichaam binnen te dringen) je op de zelfde dag (liefst eerder) met de toediening van penicilline moest beginnen. Nou ja, Van Driel had het niet gelezen en wist het niet of vond het onzin. Tot zijn verontschuldiging moet ik echter toevoegen dat het protocol voor het gebruik van antibiotica pas in 1996 tot stand is gekomen. Dus op dat moment zou hij wel zien of het nodig was en als de boel ging ontsteken kon er altijd nog met die penicilline worden begonnen. Hij boorde een gaatje door en door mij hielbeen. Stak er een pen door en legde een rekverband aan, been recht omhoog katrollen en gewichten, zodat mijn over elkaar heen geschoven delen van mijn bovenbeen op hun plaats werden gehouden en aan elkaar konden groeien. Op zich een handige gedachte zij het dan dat ik binnen een week een dijk van een beenmergontsteking ontwikkelde, met 41 graden koorts bijna dood ging en vervolgens dan eindelijk veel te laat die penicilline kreeg die de inmiddels chronische ontsteking niet meer kon stoppen. Nu, nu ik 83 ben is die zelfde ontsteking nog steeds actief. Om het allemaal tot een totaal gepruts te maken zag Van Driel na zes weken dat hij mijn beentje verkeerd had gezet en brak het opnieuw, waarna ik een pen door mijn knie kreeg die dankzij het inmiddels ingestelde penicilline beleid gelukkig geen nieuwe beenmergontsteking opleverde. Drie maal daags een forse spuit penicilline in afwisselend de ene en dan de andere bil deed geweldig veel pijn, ik schreeuwde het uit, maar zorgde er uiteindelijk voor dat een invalide manneke van zes jaar na drie maanden ziekenhuisopname met een gebroken beentje en een voortdurend etterende rechtervoet het ziekenhuis kon verlaten. Kortom knoei – en verwijtbaar prutswerk van een chirurg die dat nooit had mogen zijn.
Hiermee zijn we er echter niet. In dit leven ben ik begonnen te mankeren aan de rechter kant en waarom nou. Ach, politiek religieus hebben we altijd rechts genoemd. Mijn arme door de oorlog ernstig beschadigde vader zwoer zijn katholicisme en dus de mogelijkheid een katholiek ziekenhuis te laten gebruiken voor zijn kind af, en bezorgde mij daarmee een levenslang graverend trauma aan mijn rechterzijde, waardoor er altijd in mij wel iets ontstoken was of dreigde te raken en mijn rechterbeen een bron van aanvallen op mijn gezondheid werd. Door de jaren heen heb ik zeker tien keer, zo niet vaker, een abces aan die voet gehad. Het grootste viel samen met mijn vijftigste verjaardag toen ik een abces zo groot als een halve sinaasappel op de achterzijde van mijn hiel had.
Op een keer, ik ben dan 58, heb ik ineens pleuritis. Tsjonge dat doet pijn zeg als je even hoest denk je dat er iets in je borstkas scheurt. Mijn huisarts stuurde mij acuut naar de longarts die me vertelde dat we niet, zoals gepland de volgende dag naar ons appartement in Spanje zouden gaan, maar dat hij mij opnam in het ziekenhuis. De bron van de infectie was toen weer de rechtervoet, waardoor de ruimte tussen de beide pleura (longvliezen) geïnfecteerd was geraakt, via een zogenaamde holle ader die de naam heeft van vena subclavia, die onder het sleutelbeen loopt. Ik kende dat vat, voor de longarts was dat toen nieuws, om dat het in zijn praktijkvoering niet vaak als oorzakelijk voorkwam. Hoe dan ook mijn rechterbeen bracht mij op mijn 58ste weer in het ziekenhuis. Toen had ik een beetje geluk. Mijn goede vriend Fred Storms, een internist, zorgde dat ik in het AMC bij professor Marty terecht kwam. Een uiterst beminnelijke en zeer kundige man, die eerst vol verbazing wilde weten hoe ik in vredesnaam aan een met pus gevulde holte in mijn hielbeen kwam. Nadat ik hem had uitgelegd dat het hier een iatrogene omissie uit 1946 betrof maakte hij een degelijk behandel plan. Hij zou de haard uit mijn hielbeen hakken om me vervolgens acht weken met gentamicinekralen in de voet te laten lopen om er zeker van te zijn dat alle ontsteking veroorzakende elementen dood waren. Daarna zou hij uit een bot, elders in mijn lichaam dat zich daartoe leende rood beenmerg halen om de ruimte in het hielbeen op nieuw te vullen. Professor Marty moest echter wegens rugklachten zelf op halve kracht werken, waardoor ik acht maanden moest wachten voor ik geopereerd kon worden. In die acht maanden heb ik de ontsteking rustig kunnen houden door een continue behandeling met ciprofloxacine, een antibioticum waarvan ik weinig of geen nadelige bijwerking ondervond en dat ik nog steeds goed verdraag.
Na de behandeling door professor Marty is er medisch gezien een betrekkelijk rustige periode in mijn leven. De wond die in de voet moest worden gemaakt om alle ontstekingsresten eruit te halen is goed genezen al moet ik wel zeggen dat het doorsnijden van de huid aan de buitenkant van mijn hiel er wel voor heeft gezorgd dat er in dat huidgebied geen gevoel meer zit. Maar ach, dan kan het ook geen pijn doen denk ik dan maar.
Helaas na twintig jaar rust in mijn rechtervoet krabbel ik op een ochtend een klein stukje eelt van mijn hiel. Dat is nu anderhalf jaar geleden. De volgende ochtend zegt Ireen: ‘Er ligt allemaal bloed in je bed.’ De beenmergontsteking is terug van weggeweest. Het wordt voortaan weer pleisters plakken. Maar goed, eerst maar even andere rechterkant narigheid bespreken.
Om het niet al te zwaarmoedig te maken eerst maar even een muziekje.
4.
We zijn niet klaar met die rechterkant van mij. Er gebeuren dingen die ogenschijnlijk niets met die voet te maken hebben, maar die toch te denken geven. Op een dag, ik weet niet meer precies wanneer, maar ik zal een jaar of zestig geweest zijn, kijk ik met mijn linkeroog dichtgeknepen naar een verticale lijn en zie daar tot mijn verbazing een rare kronkel in. Mijn opticien die voor mij de contactlenzen levert raadt mij aan een oogarts te raadplegen, wat ik ook doe. Deze wat oudere arts kijkt met een apparaat in mijn oog en zegt: u hebt een maculapucker in uw rechter oog. Hij legt me vervolgens desgevraagd uit dat er over de gele vlek, het gebiedje in het netvlies waarmee je het scherps ziet, een vliesje ligt en dat daar bij mij een kreukje in zit wat dat kronkeltje in die verticale lijn veroorzaakt. ‘O’ zeg ik opgelucht, ervan uitgaande dat het een niet ernstig en mogelijk voorbijgaand verschijnsel is. De arts zegt echter dat ik daaraan iets moet laten doen, anders wordt het oog blind. Er zou dan een gat in het netvlies kunnen ontstaan Nou, daar schrik ik toch wel een beetje van en ik maak een afspraak om die maculapucker te laten verwijderen. Veel later hoorde ik echter van een andere oogarts dat het met zo’n maculapucker doorgaans zo’n vaart niet loopt, maar dan heb ik intussen al een onnodige en naar later blijkt schadelijke beslissing genomen.
In het AMC in Amsterdam is een Italiaanse arts die zich overigens omringd heeft met een aantal beeldschone assistenten die het werkje gaat klaren. Ik lig een uur heel stil in een speciaal bedje terwijl hij met iets dat klinkt als een heel klein stofzuigertje die pucker uit mijn oog zuigt en en passant ook maar een staarlens plaatst. Hij zegt namelijk dat de lens in het oog meestal gaat troebelen als er in het oog gewerkt is. Nou ja, dan is dat ook maar alvast gebeurd denk ik verheugd. En inderdaad kan ik enkele dagen na de operatie verbazend goed zien met mijn rechter oog. Helaas had ik weer te vroeg gejuicht. Bij een controle bleek nu dat in dat rechter oog van mij de druk te hoog werd. Dat kan een oorzaak van blindheid worden die glaucoom of groene staar wordt genoemd.
Dan breekt er een periode aan van allerlei soorten oogdruppels die ofwel niet werken of waarvan ik bovendien ook nog beroerd werd. Ik heb zelfs injecties in het oog gehad en laser behandelingen. Niets hielp. Ja, er was nog één mogelijkheid. Een andere specialist kon een soort druk verlagend ventieltje in het oog zetten. Nou ja, dacht ik, misschien ben ik dan eindelijk van die hoge oogboldruk af. En inderdaad, de druk in de oogbol is tegenwoordig laag. Jammer is alleen dat ik bijna niets meer met mijn rechter oog zie. Kennelijk heeft de plaatsing van dat ventieltje er voor gezorgd dat ik weinig meer zie met mijn rechteroog en dat bovendien de beelden van beide ogen niet meer samenvallen, wat verwarrend en soms duizelingwekkend is en waardoor mijn evenwicht erg is achteruit gegaan. Een trap aflopen waar ik mij niet met twee handen aan leuningen kan vasthouden is iets dat ik tegenwoordig vermijd.
Weer mijn rechterkant. “Pa”, denk ik dan, wanneer hou je eens op?
Ik moet toch weer even terug naar die immense hoeveelheden penicilline die ik in mijn jonge leven gekregen heb. De basis van dat geneesmiddel in chemische zin was oxaalzuur. Later, toen de rauwe penicilline niet meer zo veel effect had begon de farmaceutische industrie in eerste instantie op basis van dat oxaalzuur nieuwe preparaten te maken. Een naam waarin je het woord oxaalzuur nog wel herkent is het antibioticum Clamoxil. Nou, dat heb ik als therapie voor de later vaak voorkomende abcessen aan mijn voet ook vaak gehad. Al die oxaalzuurderivaten lieten in mijn lichaam echter sporen na, zoals ik veel later bemerkte. Zoals alle verstandige mannen doen liet ik elk jaar een keer een PSA prikken: een controle op het Prostaat Specifiek Antigeen. Bij de ouder wordende man is dat een handige controle om te zien of de man ook bezig is prostaatkanker te ontwikkelen. Hoe dat allemaal werkt weet ik inmiddels wel, maar dat laat ik hier even buiten beschouwing. In elk geval was ik aan de beurt, want de meting van het PSA wees een te hoge waarde aan en bij verder onderzoek bleek er dan ook weliswaar een klein beetje, maar toch significant kankerweefsel in de prostaat te zitten. Ik mocht uit verschillende behandel methoden kiezen. Voordien had ik al met de zogenaamde groen licht laser de prostaat laten verkleinen. Het plassen werd namelijk steeds moeizamer. Blijkbaar was echter het kwalijke en kanker bevattende deel van de prostaat blijven zitten. Ik besloot dat ook maar de klier in zijn geheel te laten verwijderen. Dat gebeurde in het Antonie van Leeuwenhoek ziekenhuis dat gespecialiseerd is in de behandeling van allerlei soorten kanker. Met een speciaal daarvoor ontwikkelde robotarm wordt die operatie uitgevoerd. Ik moet zeggen het is een indrukwekkende gebeurtenis, maar lichamelijk valt het erg mee, want ik kon de volgende dag al weer naar huis. Weliswaar had ik nog een week lang een katheter en een op mijn dij geplakt urinereservoir, maar dat werd na een week verwijderd in dat overigens perfecte ziekenhuis. Maar toch was er bij de intake uit wat MRI opnames een enigszins verontrustende bijvangst van alle diagnostisch activiteiten die vooraf gingen. Ik heb een aneurysma in de buikslagader, vlak boven de aftakking naar de rechter nier en in die rechternier zit een niersteen van bijna twee centimeter die met zeer hoge waarschijnlijkheid kei – en keihard is, want bestaand uit oxalaten. Driemaal ben ik ermee in de niersteen vergruizer geweest, maar er gebeurt niets met die steen. Nou ja, wel goed om nu eindelijk te begrijpen waarvandaan mijn levenslange hoge bloeddruk kwam. En dat aneurysma, och het is niet heel groot hoor, maar het zal ook wel onder druk zijn ontstaan.
Ook deze afwijking heb ik een aantal keren laten controleren in Het ziekenhuis in Nieuwegein. Om er een speciale zogenaamde Graftstent in te schuiven zit het aneurysma wel erg ongelukkig. Een en ander brengt mij – gelukkig heb ik een zonnig karakter tot de conclusie dat juist dat aneurysma er wel eens toe kan leiden dat ik met heel weinig narigheid dit leven kan verlaten. Zo’n bubbel in een bloedvat kan springen of scheuren en met een beetje geluk en betrekkelijk weinig pijn gaat je lampje dan binnen maximaal enkele uren uit. Ach weet je, ik hoef nog niet hoor, maar ik zie er ook niet tegenop, nooit gedaan trouwens.
De volgende en voorlopig laatste klap van rechts kwam een goede maand geleden. Ik dacht het altijd etterende wondje aan mijn rechtervoet eens te behandelen door elke morgen in een badje met warm water en Biotex groen te gaan zitten. Op zichzelf niet eens een dom idee. Wat wel dom was, was dat ik elke dag de zelfde vuile handdoek die op de afvalbak lag pakte om de voet af te drogen. Daar heeft toch blijkbaar een geduldig wachtende, maar redelijk kwaadaardige bacterie zijn kans gegrepen, want ik werd binnen een paar dagen zo krachteloos en moe dat ik nog nauwelijks uit een stoel kon opstaan. Bovendien kreeg ik koorts. Op een zaterdag zei ik tegen Ireen: ‘ik denk dat ik maar een poosje op bed ga liggen, maar loop even met me mee naar boven’. Nou, de eerste verdieping heb ik nog bereikt. Maar op de bovenste trede naar de tweede verdieping, waar mijn bed staat, was alle kracht op. Ik lag plat op de grond en kon op geen enkele manier meer overeind komen. Gelukkig besloot Ireen 112 te bellen. Binnen een half uur lag ik in een ambulance.
Mijn ontstoken rechtervoet is gekalmeerd met een Floxapen infuus van vijf dagen in het prachtige nieuwe ziekenhuis in Hilversum, waar elke opgenomen patiënt een luxueuze eigen kamer heeft. Een paar weken lang is de thuiszorg elke dag mijn been komen zwachtelen.
Maar, hoe dan ook, de aanwijzingen zijn me intussen duidelijk. Mocht ik tussen nu en de paar mij nog restende jaren op de onvermijdelijke uitnodiging stuiten om dit beschadigde lijf achter te laten, dan weet ik nu in elk geval één ding zeker.
Ik sla linksaf!
Eindmuziekje