Woeker

Wat zou nu een goed criterium voor misdadige woeker zijn? Dat is een lastige vraag met een waarschijnlijk veel gecompliceerder antwoord dan ik hier kan bedenken. Ik ga het toch maar proberen.                                                                                                      De eerste gedachte die het woord woeker bij mij oproept is wildgroei. Wie in zijn tuin wel eens een zogenaamde bruidssluier heeft gehad weet wat ik daarmee bedoel. De plant, een heester is het eigenlijk, overgroeit alles waarvan je aanvankelijk dacht dat het er zo leuk om heen groeide. In dit geval zie je woeker in een ietwat dubbelzinnige betekenis. De bruidssluier geeft heel veel, groei en bloei, maar neemt ook te veel, ruimte. Woeker is in dit geval eigenlijk wildgroei. In het geval van de bruidssluier is dat onschuldig en hoogstens vervelend en bewerkelijk.

Als we echter te maken hebben met wildgroei, woeker dus, in ons lichaam, dan spreken we doorgaans van tumoren. Die kunnen in het gunstigste geval goedaardig – en daarmee niet uitzaaiend zijn of kwaadaardig en wel uitzaaiend. Net als bij de bruidssluier en trouwens ook bepaalde soorten klimop hebben we hier te maken met woekering die we niet willen, moeilijk te beheersen wildgroei.

In feite is het bovenstaande waarschijnlijk bij iedereen bekend. Natuurlijk is de woekering die we maar al te vaak tegenkomen bij zieke mensen en ook bij dieren en die we kennen onder de verzamelnaam ‘kanker’ voor velen een schrikbeeld. Misschien is het ook wel zo dat heel langzaam een aantal oorzaken aan het licht komen die erop kunnen wijzen dat onze manier van leven en ons milieu verantwoordelijk zijn voor sommige vormen van deze gevreesde ziekte.

Sommige filosofen maken een vergelijking die te maken heeft met de relatie tussen het individu en de samenleving waarvan het individu deel uitmaakt. In dat verband stellen ze dan dat een individu op een bepaalde manier ziek kan worden en dat een hele samenleving ook op soortgelijke wijze ziek kan worden. Je zou ook kunnen zeggen dat het totaal van de ziekten van het individu samen de ziekte van de samenleving vormt. Kort gezegd: de ziekten van de mensen zijn de ziekten van de samenleving. Wat ik eigenlijk wil zeggen is dat een samenleving waarin mensen kankers ontwikkelen, wildgroei, woekering, tumoren, die samenleving ontwikkelt als totaliteit ook die wildgroei, die woekering, die kanker. Ja, en als we het nu toch over ziekte hebben, dan hebben we het meteen over medische zorg en over het ontwikkelen van geneesmiddelen. Kijk, daar wilde ik het vandaag nu eens met je over hebben.

Onze eigen individuele ziekteprocessen zijn natuurlijk vaak afschuwelijk, maar het is toch niet de kwaadaardige woekering waarover ik hier wil schrijven. De kwaadaardige woekering, die onze middelen uitput, die ons in toenemende mate belet om een prettig en bevredigend leven te hebben, die voortdurend ten eigen bate gebruik maakt van de gevaarlijke meststof, “angst” en van zeer kleine maar toch prikkelende hoeveelheden van de doorgaans valse pijnstiller, “hoop”. Dit is het op alle mogelijke manieren op slinkse wijze geïmplementeerde programma van de wereldwijde farmaceutische industrie, die langzaam maar zeker als een kankergezwel de hele medische zorg opvreet. Razendsnel stijgen de kosten voor de gezondheidszorg. Niet omdat de salarissen van verplegenden en verzorgers zo sterk stijgen. Ook niet omdat de dokters ineens zulke krankzinnige honoraria vragen. Dat is het allemaal niet. De grote kostenstijgingen zitten in het onbeheersbaar hufterige woekergedrag van de Farmaceutische industrie. Een leger van juristen beschermt de patenten op nieuwe en al lang niet meer zo nieuwe middelen. En ze zijn duur, veel te duur. Er zijn gevallen bekend waarin meer dan honderd keer de kostprijs wordt gevraagd. En ministers van volksgezondheid moeten beleefd en eerbiedig bij die industrie gaan soebatten of het misschien ook ietsje minder kan.

Zoals overal hebben we ook in de zorg navolgers. Zij kijken met onverholen afgunst naar de krankzinnige winsten van de farmaceutische industrie en denken: ‘de kosten gaan toch al omhoog. Laten wij er nog een klein beetje bovenop doen. Dat merken ze niet. De sukkels die het moeten betalen zijn toch al gewend aan het feit dat het steeds duurder wordt in de zorg.’

En wat zie je dan? Er worden peperdure nieuwe ziekenhuizen gebouwd, hele grote. Daarin heb je natuurlijk een leger aan managers nodig om de wanstaltig grote organisaties aan elkaar te koekenbakkeren. Allemaal hebben ze weinig verstand van zorg. Allemaal steken ze ook eigenlijk geen hand naar patiënten uit. En allemaal gaan ze met een vorstelijk salaris naar huis.                                                                                En als het dan allemaal onbetaalbaar wordt?                                                                  ‘Tja, jeetje, wat vervelend nou,’ zeggen de managers dan, bedachtzaam over hun kin wrijvend. ‘Wij zitten hier nu wel lekker rustig te vergaderen, maar we moeten ook een kostenbesparende oplossing bedenken.’ En dan gebeurt het wonder in managers land. Er staat ineens een manager op en hij zegt: ‘Nou, dan sturen we toch gewoon een heleboel verplegend en verzorgend personeel naar huis. Kom op zeg, dan moeten ze maar een beetje efficiënter werken.’ De voorzitter knikt goedkeurend en zegt: ‘een heel goed idee. Eerlijk gezegd heb ik zelf ook even met die gedachte gespeeld.’                      Er klinkt instemmend gemompel en de manager die zojuist het goede idee lanceerde gaat verder met het app-gesprekje dat hij met zijn vriendin aan het voeren was, voordat hij, geïrriteerd om de storing maar wat riep.

Gechargeerd beeld? Och, een beetje misschien.

Goed, ik heb op dit weblog al vaker grommerige teksten over dit onderwerp geschreven. Ik moet maar eens zeggen wat ik vind dat er moet gebeuren ten aanzien van de verschillende kostenposten. Niet dat ik de verbeelding heb dat de uitvoerende – en dus belanghebbende – krachten zich iets van mij zullen aantrekken. Maar altijd denk ik: misschien ontketen ik een volksbeweging die alle idioot uit zijn krachten gewoekerde rotzooi in de zorg met de staart tussen de benen naar huis stuurt. En als dat, wat te verwachten is, niet gebeurt, dan houd ik nog altijd voor mezelf vol dat ik het moet blijven proberen, want dat niet schieten sowieso mis is.

Goed, dan nu mijn aandachtspuntjes:

  1. De farmaceutische industrie. Ze vragen schandelijke prijzen voor hun overigens lang niet altijd volmaakte producten. Oplossing: zoveel mogelijk goedkoop namaken en onderwijl een blijvend wereldwijde oproep doen de schandelijkheid van hun motieven te erkennen en hen aan de schandpaal te zetten. Processen in verband met patenten traineren en steeds alle juridische flauwekul naar buiten brengen, zodat iedereen de ware aard van Big Farma kan zien.
  2. Het bouwen van nieuwe – en steeds grotere ziekenhuizen stoppen. In het onderwijs is al jaren bekend dat steeds grotere scholen geen beter onderwijs opleveren, in tegendeel. Voor ziekenhuizen geld hetzelfde. Kleiner is overzichtelijker. Geen managers nodig en daardoor een betere werksfeer. Ook een grote bron voor kostenbesparing is te vinden in het feit dat bij de bouw altijd de corruptie meespeelt. Dat is een van de ergste vormen van kapitaalvernietiging.
  3. Zorgverzekeraars mogen geen invloed kunnen uitoefenen op het voorschrijfgedrag van artsen. Ook moeten het allemaal organisaties zonder winstoogmerk worden. Het feit dat zorgverzekeraars nu voor een groot deel de inkoop van medicijnen en de levering aan de apotheken bepalen werkt corruptie, maar vooral ook onzorgvuldigheid in productie in de hand. Hier mag zeker het belang van de aandeelhouder niet spreken.

Nou, dit was het dan weer voor vandaag. Ik zou willen zeggen: als je invloed kunt uitoefenen om verbetering en vermenselijking in de zorg te bevorderen en als je kunt helpen die krankzinnige geneesmiddelprijzen aan de kaak te stellen, zodat de hele wereld kan zien dat het eigenlijk boeven zijn die de markten beheersen. Houd je dan vooral niet in.

Advertenties

Gentest vóór zwangerschap

Ik weet niet of jij regelmatig de krant leest. Ik wel in ieder geval. De behoefte om op de hoogte te blijven van wat er in de wereld om mij heen gebeurt voel ik elke dag. Dat leidt er onder meer toe dat ik twee kranten lees. Wij ruilen namelijk met buren in ons straatje. Ik breng daar de Telegraaf in de bus, zodra ik alles wat ik weten wil heb gelezen en mijn buurman stopt met de zelfde motivatie de Gooi en Eemlander bij mij in de bus.

Vanmorgen stond er op de voorpagina van de Telegraaf weer een vette kop: Gentest vóór zwangerschap. Dat trok onmiddellijk mijn aandacht. Mensen die mij kennen weten dat mijn oudste dochter, Katinka, in 2000 overleden is na zesendertig jaar voortdurende strijd tegen de taaislijmziekte en met mijn jongste dochter, Annemieke, die weliswaar al vijfenveertig is, gaat het ook niet fantastisch.

In de krant lees ik dat er nu zes huisartsen een aanvullende opleiding hebben gevolgd om genetisch onderzoek te doen, waarbij negentig genen kunnen worden onderzocht die betrokken kunnen zijn bij zeventig ernstige erfelijke aandoeningen. Ongetwijfeld zullen vele huisartsen volgen, want het bezoek aan de huisarts is natuurlijk veel laagdrempeliger dan het consulteren van de specialist op het gebied van genetica die doorgaans achter de statige façade van het academisch ziekenhuis zijn werk doet. Ook zal het ongetwijfeld veel goedkoper zijn.                                                                            Let wel, het is de bedoeling dat stellen met een kinderwens zich laten testen alvorens ze tot een hoopvolle zwangerschap besluiten.

Een wirwar van gedachten overvalt mij nu. Nog maar kort geleden kwam er vanuit de christelijke hoek zwaar protest. Wanneer uit het onderzoek van de vrucht in de baarmoeder bleek dat het een CF (taaislijmziekte) kindje zou worden, moest toen het recht op abortus zwaar bevochten worden. Voor bepaalde groepen in de christelijke samenleving ligt een dergelijke ingreep namelijk heel gevoelig. Deze gelovigen gaan er namelijk van uit dat, wanneer er uit de liefdevolle verbintenis tussen twee echtelieden een zwaar gehandicapt kindje geboren wordt, dan is dat niet een teken van ongewenste speling van de natuur, een afwijking van hoe het hoort te zijn, nee, zij zien dat anders. Zij zeggen dan: ‘Het is Gods wil dat jullie een gehandicapt kindje krijgen. God wil je op de proef stellen. Dat ongewild mismaakte of ongezonde kindje in de baarmoeder moet geboren worden en niet opgeruimd om plaats te maken voor nieuw en beter toegerust leven.

Ik heb nooit goed begrepen hoe die lieden altijd zo precies weten waarmee God jou om zijn moverende redenen opscheept. Er zijn geen feiten bekend over rechtstreekse contacten met die theoretisch Allerhoogste. Daarom houd ik het er maar op dat ze elkaar braaf napraten in een ietwat dwingende vorm van sociale controle.

Maar nu, kijk nu dan toch wat er gebeurt. Nu kan je voor dat je samen besluit een kindje te maken naar de dokter gaan om daar te laten uitzoeken wat God eigenlijk stiekem voor je in petto had als grote – maar vooral onaangename verrassing in je prille huwelijksgeluk.                                                                                                                    Ik heb ze uit die eerdergenoemde hoek nog niet horen schreeuwen dat het absoluut verboden moet worden om in Gods programmaboekje te kijken om te zien welke misplaatste practical jokes hij je had toebedacht, maar waarschijnlijk zal er wel weer enig gepruttel volgen.

Een ander probleem zie ik echter ook aankomen. Gaandeweg zullen er minder kinderen geboren worden die veel ouderlijke – maar ook medische zorg behoeven. Op het eerste gezicht zou je dan denken dat we hier te maken hebben met een enorme verlichting in de zorgkosten. Nee, spring nou niet meteen juichend uit je stoel. De zorgpremies gaan echt nooit meer omlaag en ik snap eigenlijk ook al waarom. Wij, ja wij allemaal zijn nog geboren met allerlei onverwachte, ongewenste, hinderlijke en vaak ook gaandeweg invaliderende onvolmaaktheden. Die ouders van ons zijn nooit genetisch onderzocht. Anders liepen er van ons waarschijnlijk een heel stel minder op deze aardbodem rond. Wij vormen voorlopig de grootste zorgkostenpost.

Ik zie het al helemaal voor me, de toekomst. Heel langzaam sterven wij, de genetisch onvolmaakten uit. De nog voortplantende jongere onvolmaakten worden in de toekomst scherp in de gaten gehouden. Onvolmaakt nageslacht wordt niet geduld. Het zal rustig worden op onze wereld. Wel hoop ik dat ook snel het gen zal worden ontdekt en uitgeroeid waaruit warhoofdigheid, machtswellust en eigenbelang voortkomen.

Beetje jammer voor de zorgmaatschappij is het allemaal wel, want zorg hebben we dan niet meer van anderen nodig. Kunnen we allemaal zelf.

Leuk vooruitzicht toch? Of is “ik heb helemaal niemand nodig” nu juist de meest ultieme vorm van egoïsme?

 

 

Autosleutel

Autosleutel.

Enige jaren geleden kocht mijn vrouw een andere auto, een Hyundai I20 bij de dealer in Hilversum. Er waren twee sleutels bij. Je kent ze wel, die moderne sleutels. Als je op een knop drukt klapt de baard naar buiten… wat? Nee, hij hoeft niet geschoren hoor. De baard is het wonderlijk gevormde metalen stripje dat je in het contactslot steekt. Die baard klapt dus naar buiten. Maar ja, dan moet de auto nog open. Daartoe zitten op de platte zijkant van de sleutel drie knopjes. Een om de deuren te openen, een om ze weer te sluiten en ook nog een om het hatchback deurtje aan de achterzijde apart te openen. Klein beetje onzinnig, maar vooruit maar.

Twee sleutels kregen we erbij, de officiële – en de reservesleutel. Die laatste ging natuurlijk aan mijn sleutelbos, want het is best handig als ik er ook een heb. Als we ver weg gaan rijd ik meestal. Ook gebruik ik haar auto vaak als het regent, want haar auto staat altijd voor de deur en de mijne een eind verderop.

Nu kan het zijn doordat het in mijn sleutelhoesje nogal druk is, want ik houd volgens mij een deel van mijn gezag in stand door heel veel sleutels bij me te hebben. Hoe dan ook, bij die reserve sleutel van de Hyundai die aan mijn sleutelbos zit raakte het rubberen kapje over de drukknopjes kapot. Ik kon de auto nog wel openen en sluiten, maar dan moest ik een stokje of een balpen gebruiken om op het onder de oppervlakte liggende knopje in het geheime binnenwerk van de sleutel te drukken.                    Lastig, vond ik. Mijn vrouw vond dat ook. Ze zei toen trouwens ook: ‘snap je nou waarom ik niet al die sleutel in zo’n sleutelhoesje bij elkaar wil hebben? Er gaat altijd iets stuk. Dat zie je nou maar.’                                                                                            En ik zei: ‘nou ja, zo erg is het nou ook weer niet. Ik ga wel even naar die Hyundai garage in Hilversum, waar we die auto hebben gekocht, en ik vraag om een nieuwe sleutel.

De man van de garage vertelde me met een ernstig gezicht dat een nieuwe sleutel driehonderd en nog wat euro kostte. Dat leek mij wat veel en na overleg met mijn vrouw besloten we het dan voortaan maar met één sleutel te doen. Beetje lastig, dat wel. In het begin heb ik een keer of tien met mijn eigen sleutels bij haar auto gestaan om tot de conclusie te komen dat ik weer naar binnen moest om haar sleutelbosje te halen.

Toch bleef het gevoel dat het allemaal onhandig was een beetje knagen. Maar ja, meer dan driehonderd euro voor een nieuwe sleutel is me toch te bar. Ik besloot maar eens op het internet te kijken of het misschien ergens anders een pietsie goedkoper kon.  Tja, dat had ik een poosje eerder moeten doen. Wat denk je? Verschillende bedrijven bieden een nieuwe sleutel voor onze Hyundai I20 aan voor… dit geloof je toch niet? Twintig euro.                                                                                                                        Ik belde een van die bedrijven om te vragen hoe dat zat. ‘Nou,’ zei die man van dat bedrijf, ‘we zetten de baard en het printplaatje in een nieuwe behuizing en klaar is Kees.’                                                                                                                                ‘Zo,’ dacht ik, ‘dat scheelt wel erg veel.’ Maar weet je wat? Ik ga die Hilversumse garage die Hyundai verkoopt nog een tweede kans geven. Misschien hebben ze intussen ook gemerkt dat het wel een beetje goedkoper kan.                                            Heel precies weet ik het belachelijke bedrag niet wat ik van de Hyundai man te horen kreeg. Het was iets van driehonderdzestig euro. Ik vroeg natuurlijk uit de stellige overtuiging dat ik belazerd werd waarom dat zo duur was. ‘Ja,’ zei hij, ‘het is niet alleen maar een nieuwe sleutel. Hij moet ook worden ingelezen op de auto, want anders heeft u leuk een nieuwe sleutel, maar gaat de auto er niet mee open.’                                     Ik heb maar gezegd dat ik dan maar geen nieuwe sleutel wilde. Ik denk trouwens dat hij met dit flauwekul verhaaltje niet vreselijk vaak meer wegkomt.                                    Misschien weet hij het niet van die baard en dat printplaatje.

Ziek geconcurreerd

Zorg Nu stuurt berichtjes over actuele zaken die de gezondheidszorg betreffen.             Deze keer lees ik dat er ongelooflijk veel mensen met chronische aandoeningen last hebben van het zogenaamde preferentiebeleid. Waar gaat het hier nu om? Eigenlijk om narigheid uit een hoek van waaruit je het niet zou moeten kunnen verwachten. De ziektekostenverzekeraars – nee, niet slechts één, maar allemaal – bepalen bij welke producent de apotheek medicijnen mag inkopen. Een beetje krom zou je op het eerste gezicht zeggen, want de arts of specialist schrijft toch voor welk medicijn moet worden gebruikt? Stil nou maar, want dat is ook zo. Die arts doet het zo goed als hij kan. Zo is hij bijvoorbeeld goed geïnformeerd over de werking van alle relevante medicijnen die voor zijn vakgebied beschikbaar zijn. De oorspronkelijke fabrikant heeft die informatie verstrekt. Bedenk daarbij dat de geneesmiddelinformatie altijd handelt over de zogenaamde inhoud-stof – of stoffen. Die inhoud-stoffen kunnen natuurlijk niet zomaar puur aan de patiënten worden gegeven. Met micro precisie wordt de werkzame stof afgewogen en vervolgens wordt er met behulp van zogenaamde ballaststoffen een pil van gemaakt. Die laatste stoffen worden geacht geen invloed op de werking van het medicijn te hebben. Natuurlijk is er de oorspronkelijke fabrikant veel aan gelegen een goed en nauwkeurig werkend medicijn te leveren.

Los van alle bijwerkingen die veel medicijnen nu eenmaal hebben, hebben we tot zover te maken met het optimale resultaat wat de westerse geneeskunde kan leveren.               Waar gaat het dan mis? Waar zitten dan de lieden die de boel in de war schoppen, met de resultaten van jouw dokter knoeien? Goede vraag!

Laat ik maar beginnen met te zeggen dat het geknoei openlijk gebeurt. Sedert de marktwerking zijn intrede in de geneeskunde heeft gedaan is heel veel niet alleen duurder, maar ook slechter geworden. De verzekeraars bepalen tegenwoordig wat een medicijn mag kosten. Het gevolg is dat malafide bedrijven een heleboel medicijnen gaan namaken om ze tegen een lagere prijs aan te bieden. Natuurlijk probeert de oorspronkelijke fabrikant ook mee te komen in de strijd, maar door het gebruik van productie in arme landen, zoals India, waar milieueisen nauwelijks bestaan en door het gebruik van goedkopere ballaststoffen valt de keus van de verzekeraars vaak op de goedkope troep in plaats van op betrouwbaar en onder streng toezicht geproduceerde medicijnen.

 Wat is er dan met die ballaststoffen? Ach het is eigenlijk heel eenvoudig. De juiste ballaststoffen hebben geen werking of ze versterken zelfs de werking van de inhoud-stof (dat laatste is overigens voornamelijk bij natuurlijke medicijnen het geval). Goedkopere ballaststoffen kunnen daarentegen interacties met de inhoud-stof vertonen of bij een kleine groep mensen allergische reacties opwekken. ‘Ach,’ zegt de Indiase fabrikant, ‘bijna niemand heeft er last van. Ze moeten niet zo zeuren.’ ‘Ach,’ zeggen de ziektekostenverzekeraars, wij geloven dat het nogal meevalt. Ze moeten niet zo zeuren. Bovendien is het zo goedkoper en daar gaat het ons om.’

 Bijna een kwart van de chronische patiënten die gedwongen worden op een ander (goedkoper) merk medicijnen over te gaan vraagt medisch onderzoek ten gevolge van de plotseling opduikende bijwerkingen.

 Luister: je arts wil dit niet. Die wil dat jij als patiënt je goed voelt als je eenmaal goed op een behandeling met een medicijn bent ingesteld. Maar je arts heeft er nu geen moer meer over te vertellen. De verzekeraar die druk bezig is met geld verdienen om zijn aandeelhouders tevreden te houden, die bepaalt welke goedkope meuk je nu weer door de strot geduwd krijgt. Het marktstelsel in de zorg heeft ervoor gezorgd dat de kwaliteit achteruit holt en de gelden terecht komen bij brutale graaiers die gesteund worden door heel veel uitgekookte juristen.

Bah, het zal mij benieuwen hoelang het duurt voordat ziekenhuizen, apotheken en artsenposten gaan stinken, omdat de verzekeraars hebben bepaald dat de schoonmaak wel goedkoper kan.

 

Zorg(elijk)

In de krant lees ik dat de jaarlijkse rondedans inclusief alle beschuldigende wijsvingers rond de zorgkosten weer is begonnen. Erbarmelijk om jaar in jaar uit die kosten omhoog te zien gaan, terwijl je op je klompen aanvoelt – en met je simpele boerenverstand kunt zien dat we gewoon bestolen worden.                                              Het ogenschijnlijke centrum, waar de verantwoordelijkheid officieel moet liggen is natuurlijk onze regering. Als we echter jaarlijks de ontwikkelingen volgen dan lijkt het erop dat diezelfde regering probeert zoveel mogelijk mist gordijnen op te trekken (rookgordijnen mogen natuurlijk niet meer). Dus, even voor de duidelijkheid: de regering bij monde van het ministerie van volksgezondheid draagt de verantwoordelijkheid voor het in de hand houden van de zorgkosten.

Ik heb werkelijk geen idee hoeveel ambtenaren op dat ministerie dagelijks present zijn en nog minder van wat ze doen. Blijkbaar hebben ze het erg druk, want voor de onderhandelingen over juist die zorgkosten hadden onze regeerders de Nederlandse Zorgautoriteit in het leven geroepen. Blijkbaar was het onderwerp te moeilijk voor de minister en al die ambtenaren. Het resultaat, zo las ik in die zelfde krant is dat er nu volgend jaar twee miljard extra in de zorg moet worden gepompt. Ja, ja, je leest het goed, er staat tweeduizend miljoen extra.                                                                          Nu zijn ze in Den Haag net uit hun winterslaap en hebben ze besloten dat die (natuurlijk vet betaalde) Nederlandse Zorgautoriteit maar niet meer over de kosten moet gaan. Vermoedelijk zullen er enkele medewerkers moeten afvloeien met al even vermoedelijk een riante afvloeiingsregeling. Bij volksgezondheid zien ze dit als een bezuiniging.          Nou, dan weet ik er nog een paar:

Begin maar eens alle managers die geen medische of verpleegkundige taak hebben te ontslaan (geen riante wachtgelden, maar sollicitatieplicht. ( Ik hoop dat ze ook nog iets anders kunnen dan tegen andere mensen roepen wat ze moeten doen)

Weiger alle idioot dure medicijnen te betalen, maar maak ze na. De Amerikaanse advocaten die je dan op je hals haalt zijn bijna allemaal dieven die op eigen voordeel uit zijn. Onze rechters zullen dat na rijp beraad bevestigen, zodat die dames en heren terug kunnen naar de Trumpzone gekleed in pek en veren.

Houd op met het steeds weer bouwen van nieuwe ziekenhuizen. Het is niet nodig en je bent alleen maar bezig de corrupte bouw – en toeleverende industrie te bevoordelen. Laat die lui in plaats  van peperdure ziekenpaleizen maar zoveel mogelijk betaalbare huizen voor gewone mensen bouwen. dan heb je meteen veel meer gelukkige mensen die dientengevolge ook minder vaak ziek worden.

Zorgverzekeraars die winst moeten maken om hun aandeelhouders tevreden te houden moeten geweerd worden. Winst op zorg maakt dat er zorgvraag wordt gecreëerd.

Als we er nu op een mooie voorjaarsdag in slagen de bovenstaande dingetjes even te regelen, dan kunnen de premies vermoedelijk met meer dan een derde naar beneden.

Ach, nou vergeet ik bijna het belangrijkste. De minister van volksgezondheid moet een zinnetje paraat hebben en ook vol overtuiging kunnen roepen naar alle aanbieders. Ik stel het volgende zinnetje voor: ‘Nee, flikker op, je probeert nog steeds alle Nederlanders op te lichten. Kom terug als je een redelijk aanbod hebt en anders… voor jou een ander!’

Ik zie het voor me, weet je. Hier word ik nou helemaal warm van.

In de ochtend van mijn leven, vervolg

In de zomer van negentienvierenveertig liep ik tussen mijn moeder en tante Truus van Schagerbrug, het dorp waar we drie jaar lang geëvacueerd hadden gezeten, terug naar Den Helder. De laatste zeven kilometers, vanaf Julianadorp had ik mogen meerijden achterop de fiets van een man die mijn moeder of mijn tante blijkbaar kenden.

Het was de zomer voorafgaand aan de hongerwinter, maar ik herinner me heel goed dat het voedsel grotendeels mondjesmaat was. Er waren wat etenswaren die we ons tegenwoordig niet meer voor kunnen stellen. Zo was er brood dat voor een aanzienlijk deel uit bloembollenmeel bestond. Als je er tegen kon was er niets aan de hand. Ik kon er niet tegen en ik leed daardoor aan enkele ongemakken die mij overigens niet weerhielden vrolijk op straat te spelen. Die ongemakken zouden tegenwoordig mogelijk tot veel kabaal hebben geleid. Toen hadden zoveel mensen er last van dat eigenlijk niemand erover zeurde. Je ging er in elk geval niet aan dood. Zo had ik broodschurft, zoals het genoemd werd. De huid aan mijn knieën en ellebogen was kapot. Elke dag werden er schone lappen omheen gebonden. Verband was niet of nauwelijks voorhanden. De lappen waarmee mijn kapotte velletje werd verbonden werden uit oude kledingstukken gescheurd. Elke morgen als ik wakker werd zat de boel zo vastgeplakt dat ik jammerde als het werd losgetrokken. Maar het moest eraf. Daarin was mijn moeder onverbiddelijk. Ze moest me uiteindelijk helemaal wassen en dat gaat niet als je ellebogen en knieën in het verband zitten. Het ging maar niet over, die broodschurft, totdat mijn grootvader zei: je moet dat kind ermee in de zon laten lopen. Die lappen eromheen, dat is niet goed. Toen ging het over.

Mijn opa Slot was trouwens een verhaal apart, een verhaal dat ik overigens pas later hoorde, maar wat hier wel in thuishoort, vanwege de gevolgen die het voor het gezin had. Opa had ooit een groot verhuisbedrijf. Als enige in heel Noord Holland mocht hij onder meer voor de  bekende pianohandel, Ypma in Alkmaar, piano’s en vleugels vervoeren. Het bedrijf van mijn opa had een flink aantal grote verhuiswagens. Vrachtauto’s zag men in die tijd nog niet heel erg veel. Opa werkte met paarden die de wagens moesten trekken. Hij had er twintig op stal staan, twintig mooie sterke trekpaarden. Ten tijde van mijn geboorte was zijn hele bedrijf er echter niet meer.            In die tijd kwam de auto industrie op, waardoor er ook steeds betere vrachtwagens op de weg kwamen. Opa had in die vernieuwing mee moeten gaan. Eerst had hij dat kennelijk onzin gevonden en eigenlijk durfde hij niet goed en toen de concurrentie hem al flink wat schade had toegebracht raakte hij aan de drank. Het werd van kwaad tot erger. De paarden moesten verkocht worden. Dat kon op de markt in Schagen. Als hij dan geld had gevangen waren er ook in Schagen meer dan voldoende kroegen om de winst te verdrinken. Enkele keren gebeurde het dat hij dagen niet thuis kwam. Als hij dan eindelijk thuis kwam was het geld op. Driemaal had hij een delirium, waarin hij alles in huis kort en klein sloeg. Het moet een verschrikkelijke tijd geweest zijn voor oma, die thuis met zes kinderen zat. Als kind wist ik daar allemaal niets van en opa was toen mijn grote held, maar toen dronk hij al een hele poos niet meer. Navrant detail was dat mijn op een na jongste oom, oom Dik, op zijn zevende jaar al een fascinatie had voor auto’s. Hij groeide uit tot een automonteur die alle toenmalige garagebedrijven graag in dienst wilden hebben.

De laatste tien jaren van het interbellum, de periode tussen de twee wereldoorlogen, staat in de geschiedenis van ons landje bekend als ‘de malaise’ In negentiennegenentwintig was er in Amerika een beurscrash geweest en in de hele westerse wereld ging het slecht. Het gevolg was dat er veel werklozen waren en dat mensen van een minimale overheidsondersteuning moesten leven. Veel voornamelijk mannen werden door moedeloosheid een schaamte gedreven tot het zoeken naar vergetelheid. Die vonden ze in de drank. Ik vermoed dat mijn grootvader, wanhopig ziende dat zijn bedrijf te gronde ging door de opkomst van de vrachtauto, waar hij niet aan durfde, ook in de drank gevlucht is. Maar, toen alles duister was en het gezin bijna aan de bedelstaf geraakt was kwam er redding.

In plaats van de trotse eigenaar van een groot verhuisbedrijf te zijn werkte hij als rangeerder bij de spoorwegen. Het weinige geld wat hij daarmee verdiende kwam voor het grootste deel in de kroeg. Jaren nadat opa overleden was heeft oma nog de schulden betaald aan alle kleine Helderse middenstanders die haar jarenlang op de pof hadden geleverd. En niet alleen dat; opa had dronken vechtend in een van de kroegen de vent waarmee hij ruzie had opgepakt en als een zak aardappelen dwars door het grote raam aan de voorzijde van de kroeg gegooid. Schade ruim tweehonderd gulden. Als voormalig verhuizer was opa zo sterk als een beer. Ook die schuld is oma twintig jaar na zijn dood gaan betalen.

Tja, zo ging dat toen. Maar zoals ik schreef, er kwam redding. Opa’s zuipmaatje, waarmee hij bij de spoorwegen werkte werd op een dag op staande voet ontslagen wegens dronkenschap. Daarvan is opa toen zo geschrokken dat het een totale ommekeer in zijn leven veroorzaakte. In die tijd was het uit Engeland overgewaaide Leger Des Heils erg actief in de pogingen de enorme menigte drinkebroers op andere gedachten te brengen en te redden van de ondergang. Mijn opa werd heilsoldaat. Hij dronk niet meer, hij rookte niet meer en als het leger uitrukte met alle koperblazers en overal in de stad halt hield om hun getuigenissen te laten horen, dan liep mijn bekeerde opa Slot voorop met de vlag, trots op zijn uniform en vastbesloten niet meer de weg van verderf op te gaan.

Toen Mamma en ik in negentienvierenveertig bij opa en oma introkken was het niet meer dan vanzelfsprekend dat opa mij meenam naar het zondagsschooltje van het Leger Des Heils. Ik vond het allemaal prachtig. Daar werd gezongen onder begeleiding van veel ritmisch handgeklap en er werden mooie verhalen verteld. Zingen doe ik nog steeds graag en verhalen bedenken en vertellen is mijn voornaamste bezigheid en ik denk dat de voorliefde daarvoor in die tijd geboren is.                                                      In dat Leger Des Heils konden ze trouwens behoorlijk op je gemoed werken. Zieltjes winnen zouden we dat tegenwoordig noemen. Elke zondag op dat zondagsschooltje werd ons kinderen verteld dat wij zondaars waren en dat de Here erg gelukkig zou zijn als we ons bekeerden door voor in de zaal te knielen voor de zondaarsbank. Ja, zo ging dat. Ik vrees trouwens dat nog steeds heel veel kinderen op soortgelijke wijze ook vandaag de dag nog quasi gewetensvol worden gehersenspoeld en voorzien van een pakket aannames die op geen enkele manier bewijsbaar zijn, maar die in de achter ons liggende eeuwen hebben bewezen in hoge mate bij te dragen aan een gepolariseerde en oorlogvoerende wereld. Allemaal met de beste bedoelingen natuurlijk, maar is er niet een spreekwoord dat zegt dat de weg naar de hel juist geplaveid is met goede bedoelingen. Nee, ik wil echt niemand voor het hoofd stoten, maar geloven is niet braaf, het lijkt alleen maar braaf als je weinig onderscheidend vermogen hebt.

Terug naar mijn kindertijd. Ik was toegetreden tot het Heilsleger, geronseld zou men tegenwoordig zeggen. Ik was jong soldaat en trad ook toe tot het jeugdmuziekkorps. Daartoe werd mij een grote trompet, een flügelhorn of bügel ter hand gesteld. Ik kreeg les van een volwassen muzikant en heilsoldaat, Bram Staalman, die in het dagelijks leven fietsenmaker was. Ik leerde muziek lezen en op die toeter spelen, wat me trouwens aardig wat inspanning kostte. Braaf was ik, een heel braaf kind.

In september vijfenveertig was mijn vader eindelijk terug uit de oorlog. Ziek, lichamelijk gesloopt tijdens zijn zesendertig zesweekse patrouilles naar de Middellandse zee met het utility class duikbootje, Hare Majesteits Dolfijn. Het was zes uur in de morgen. Er was gebeld, er was een hoop gedraaf in huis. Ik zat op de tweede tree van de trap bij oma in de gang. Het zonlicht viel door het halfronde bovenraam boven de voordeur. De deur ging open en een vreemde man in een matrozenpak omhelsde en kuste mijn moeder. En ik was in mijn hele kleine leventje nog nooit zo alleen geweest.

Als een vrolijke – maar ook heel katholieke jongen was hij de oorlog in gegaan. Het geloof uit zijn kindertijd had hij in de oorlog grondig afgeleerd. Pas jaren later heeft hij over zijn jaren onderwater met die kleine onderzeeboot van de utility klasse, waarbij de Engelse marine had besloten dat er geen snorkel – een Nederlandse vinding – op mocht komen, omdat de vijand dat zou kunnen zien.                                                        Rond middernacht, zo vertelde hij ooit, konden ze boven water komen om de luchtflessen weer te vullen, maar ’s middags rond twaalf uur wilde van een aangestoken lucifer doorgaans alleen de kop nog branden. De zuurstof was dan nagenoeg op. Tegenwoordig weten we dat zuurstofgebrek niet alleen benauwd is, maar dat somberheid, angst en ook agressie het gevolg kunnen zijn.                                              Als manneke van vijf jaar begreep ik daar natuurlijk allemaal niets van. Hoe had ik als kind ook kunnen begrijpen hoe vijf jaar ontbering en doodsangst, slecht voedsel, gebrek aan water, schurft, scheurbuik en nog veel meer ellende het karakter van een vrolijke gezonde man veranderen. Het enige wat ik merkte was dat er een voor mij totaal onberekenbare man in ons leven was gekomen, die om het minste of geringste driftig werd en erop los sloeg. Mijn moeder raakte dan altijd totaal in paniek. Nooit had iemand het jongetje dat ze met veel moeite door de oorlog had gebracht geslagen. En dat uitgerekend de man waarvan ze zielsveel hield dat deed moet haar vaak innerlijk hebben verscheurd. Als oudste kind in het gezin van een onberekenbare dronkaard was ze opgegroeid. Het geweld dat zich daar om haar heen afspeelde had haar een onbeheersbare angst voor dronken mannen en geweld ingeboezemd.                            Oh zo vaak hoorde ik haar dan in doodsangst smekend, huilend roepen: ‘Oh nee Piet, Piet, niet doen alsjeblieft,’ Terwijl ik, weerloos en te laat begrijpend wat ik nu weer verkeerd had gezegd, klappen tegen mijn hoofd kreeg.

Terwijl ik dit schrijf voel ik weer de angst voor die doldriftige man, die toch ook steeds weer mijn beste en meest gevoelige vriend was, die na zijn driftaanvallen nooit zou zeggen dat het hem speet, maar die zich uitputte in zijn pogingen om het maar weer goed te maken. De vader die me leerde zingen en die me jazz liedjes leerde en vooral timing. Die man, mijn vader, die me angst inboezemde, maar met wie ik later samen op de planken stond. Dat we samen een repertoire opbouwden dat we tweestemmig zongen, waarbij ik de gitaarbegeleiding speelde.                                                                Voor mijn moeder betekende dat muziek maken van ons heel veel. Vaak repeteerden mijn vader en ik onze kleinen optredens na de avondmaaltijd. Bij die gelegenheden kon mijn moeder in de keuken geluidloos de afwas doen, want ze wilde niets missen van wat we zongen.

Vaak denk ik: had ik als kind maar begrepen wat hij allemaal had moeten doorstaan, hoe zijn toekomst door die oorlog kapot geslagen was. Hoe hij zijn vertrouwen en het geloof in de mens en de kerk volledig was kwijtgeraakt. Hoe hij met een lichaam dat zwaar beschadigd was verder moest. Hoe hij te horen kreeg dat zijn gezondheid de grond vormde voor zijn ontslag uit dienst bij de marine, waardoor hij niet, zoals alle marinemensen met zijn vijfenvijftigste met pensioen kon, maar in de burgermaatschappij tien jaar langer mocht werken. Hoe hij na de oorlog te horen kreeg dat mijn moeder via het rode kruis maandelijks zeventig gulden had ontvangen en dat hij daardoor teveel geld had gekregen, zodat het teveel ontvangen bedrag door de kruideniers in Den Haag maandelijks van zijn gage werd afgetrokken. Dat er een paar honderd van de mannen met wie hij de oorlog was in gegaan met onderzeeërs en al op de bodem van de Middellandse Zee lagen vormde kennelijk voor onze toenmalige bestuurders geen reden om met enige coulance met de voormalige strijders om te gaan.Mijn vader was daar woedend over. Als enige marineman uit de onderzeedienst is hij tweeënnegentig jaar geworden. Altijd weer zei hij, nog steeds strijdlustig: ‘Ik verdom het om dood te gaan. Betalen zullen ze.’                                                                            Als enige marineman, zei ik zo-even, maar dan vergeet ik er een. Oud premier Piet de Jong, die meer dan honderd jaar oud is geworden was ook ooit commandant van Hare Majesteits Dolfijn. De commandanten gingen echter allemaal slechts zes maal zes weken op de onderzeeboot patrouilles mee. Omdat er echter te weinig bemanning beschikbaar was moesten mijn vader en zijn maten er genoegen mee nemen zesendertig keer zes weken onder water te zitten en nooit langer dan drie dagen binnen te liggen.

Nu ik zelf langzamerhand de tachtig jaar begin te naderen is mijn oordeel over – en mijn begrip voor mijn vader natuurlijk gerijpt. Nu begrijp ik dat je een gewonde militair wel uit de oorlog kunt halen, maar dat de oorlog gedurende zijn hele leven nooit meer uit hem weg gaat.

Zoals veel van mijn vrienden die ik op school kreeg had ik een oorlogsvader en een behoorlijk driftige ook. Waarvan ik tot ver in mijn volwassen leven last heb gehad was gelegen in de blinde, niets ontziende drift die zich van tijd tot tijd van mijn vader meester maakte. Angstig werd ik daardoor. Ik weet nu dat hij daar totaal geen controle over had, Ik was dan echt nergens veilig. Mijn boezemvriend op de middelbare school, Leo, had ook een oorlogsvader. In tegenstelling tot mij kon hij, als hij tenminste snel genoeg was, ontsnappen naar zijn kamer. Als hij de deur van zijn kamer achter zich kon sluiten was hij veilig. Zijn vader achtervolgde hem nooit tot op zijn kamer. Vaak dacht ik dan met enige afgunst dat de woedeaanvallen van Leo’s vader eigenlijk meer een soort toneelstukje waren, bedoeld om de grenzen tussen wat wel – en wat niet mocht goed duidelijk te trekken.

Hoe moet ik dit nu allemaal eens samenvatten. Laat ik het zo zeggen: ik had de liefste moeder van de hele wereld en een fantastische vader, die helaas voor een belangrijk deel kapot was gemaakt voordat hij de gelegenheid kreeg om echt de vader te zijn die hij wilde zijn. Jammer, maar zo was het nu eenmaal.

Nu lopen er langzamerhand veel generaties van mensenkinderen op deze wereld die of wel een oorlogsvader hadden ofwel zelf in een oorlogsgebied onder de meest afschuwelijke omstandigheden zijn opgegroeid. Het zal voorlopig niet ophouden. Bovendien, vrede zit er niet alleen niet in, maar lijkt ook vreemd te zijn aan de menselijke soort. De voor-Socratische filosoof Heraclitus zei eens: ‘De oorlog is de vader van alle dingen.’ Waarschijnlijk gaf hij daarmee uitdrukking aan iets wat we eigenlijk allemaal wel weten, namelijk dat de menselijke soort over het algemeen beter presteert, inventiever is en meer geneigd het onmogelijke toch ook maar eens uit te proberen als er gevaar dreigt of de concurrentie ons dreigt te vernietigen. Ik vermoed dat dit waar is. Wat ik echter zeker weet is dat te veel dreiging en te veel geweld verlammend werkt. Als dreiging, geweld, angst en vernietiging lang genoeg duren, ontstaat in de mensen die eraan blootgesteld zijn een verlammende wanhoop die kan leiden tot totale lethargie.

Tenslotte: uit het feit dat iedereen die regelmatig mijn schrijfsels leest valt in het licht van het bovenstaande gemakkelijk op te maken dat de vaderlijke dreiging uit mijn vroege jeugd, evenmin als de oorlogsjaren een al te verlammend effect op mijn creativiteit en uitingsdrang hebben gehad. Sterker nog, misschien had het zelfs wel zin. Ik kan daardoor in elk geval begrijpen wat gevaar en dreiging bij mij veroorzaken, waardoor de veronderstelling gerechtvaardigd lijkt dat ik dat ook begrijp als het anderen overkomt.                                                                                                                        Mededogen heet dat, geloof ik

 

In de ochtend van mijn leven

De ochtend van mijn leven speelde zich grotendeels af op een boerendorpje, Schagerbrug, in de buurt van het Noord- Hollandse Schagen.                                          Op een zonnige morgen was mijn oom Klaas, de jongste broer van mijn moeder, met een bakfiets voor de deur gekomen. Oom Klaas werkte voor een kolenboer. Zijn werk bestond er in die tijd uit steenkool  bezorgen met een paard en wagen. Iedereen had in die tijd een kolenkachel. Weliswaar werden de kolen schaars naarmate de tweede wereldoorlog voortduurde, maar voor mijn oom Klaas was er altijd werk, want de Duitse bezetters wilde ook bij een warme kachel zitten en ach, af en toe viel er dan ook wel eens een zak kolen net bij oma voor de deur van de wagen.Ja, bij oma. In die tijd woonde ik met mijn moeder bij oma en opa Slot. Mijn vader was een marineman. Veel later, na de oorlog, vertelde hij dat hij vanuit Rotterdam met een half afgebouwde onderzeeër, de O21, zo ongeveer over de bodem van de Noordzee naar Engeland was gekomen, terwijl het Duitse bombardement op Rotterdam al gaande was.                        Voor mij was mijn vader een foto die altijd wel ergens op stond.

Volgens welke verordening of regel weet ik niet, maar toen ik anderhalf jaar oud was moesten wij evacueren. Ik vermoed dat de Bezetter in onze woonplaats, Den Helder, een marinehaven, alleen mensen wilden hebben die nodig waren. Mijn moeder in ik, anderhalf jaar oud waren dat natuurlijk niet. Op een zonnige oktobermorgen stond oom Klaas met een grote bakfiets voor de deur, waarop de meest noodzakelijke meubeltjes van mijn moeder geladen waren. Voor mij was een klein plekje uitgespaard, vlak achter het linker voorspatbord. En daar gingen we.                                                                    In mijn herinnering duurde de tocht ongeveer de hele dag. De bestemming was Schagerbrug, want aan een weg die ‘De Buurt’ werd genoemd was een vrijstaand gebouwtje, dat eerder in gebruik was geweest als werkplaats voor de timmerman Veul, ja zo heette die man. Het gebouwtje stond dan ook bekend als ‘de noodwoning Veul’. Mijn moeder en ik mochten daar wonen. Bij binnenkomst was de ruimte nagenoeg leeg. Wel was er een aanrechtje met een kraantje en in het midden stond een potkachel van waaruit een lange kachelpijp de duistere hoogte van het zadeldak in liep.                        Als we het deurtje uitkwamen stonden we in het gras. Er was een hek dat uit houten planken bestond, maar waar ik doorheen kon kijken. Achter het hek was een lang weiland dat ik ‘de lijnbaan’ heb horen noemen. Kennelijk werd daar vroeger touw geslagen. De Duitsers gebruikten het weiland echter voor heel andere zaken. Aan het einde van ons uit gezien hadden ze een lanceerinrichting voor V2 raketten. Natuurlijk begreep ik daar als hummel van nauwelijks twee jaar niets van, maar wel zag ik dingen de lucht in gaan waar het vuur achter uitspoot.

In de ongeveer drie jaren die we in ons evacuatiedorp doorbrachten zijn we drie keer op een ander adres terecht gekomen. Ik herinner me dat we na de noodwoning Veul terecht kwamen in een kamertje met bedsteden aan de voorkant van een arbeiderswoning. Bij dat huisje hoorde de naam Hartsuiker. Vage – en meest exemplarische beelden heb ik van die tijd. In een kinderstoel zit ik aan tafel. Blijkbaar was ik voor het vastzitten in een dergelijk meubel iets te beweeglijk, want op een gegeven moment viel ik met stoel en al om naar rechts. Het was een behoorlijke klap, maar ik had me niet bezeerd. Wel ervoer ik mijn positie, op mijn zij liggend terwijl ik geen kant op kon, als verontrustend. Ik ben flink gaan huilen, waardoor mijn moeder uit de keuken kwam aandraven en mij weer rechtop zette.

Alle herinneringen uit die vroege jeugdperiode zijn fragmentarisch. Maar toch lijkt het zo te zijn dat de mate waarin heel vroege herinneringen toegankelijk en bewaard blijven afhankelijk te zijn van je taalontwikkeling. Zo was ik, naar mijn moeder later vertelde, heel laat met lopen, bijna anderhalf jaar oud. Spreken deed ik evenwel veel eerder al op een redelijk niveau. Volgens de overlevering sprak ik onder het jaar al hele volzinnen zoals: ‘mag ik ook sokuigeren’, wat natuurlijk stofzuigeren moest wezen, maar toch een heel aardige fonetische aanduiding vormde voor een handeling die mijn moeder uitvoerde en die mij nu juist zo aantrekkelijk leek om te doen.

Dat ik pas laat kon lopen betekende niet dat ik mij niet uit het zicht kon begeven. Op een mooie dag kroop ik voor het huis. Dat mijn moeder een touw rond mijn middel had gebonden kan ik me niet herinneren. Dat ze dat een perfecte manier vond om me in de buurt te houden was iets wat ze me veel later vertelde. Wat ik me wel herinner is dat ik tussen de stokbonen doorkroop die in de tuin aan de achterzijde van het huis groeiden. Op boerendorpjes had iedereen natuurlijk de tuin als moestuin.

Aan het einde van het pad waarop ik voortkroop zag ik een intrigerend gat in de heg. Daar aangekomen bleek dat vlak achter de heg de sloot liep. Vlak voor ik in het water zou rollen had mijn moeder me te pakken. Waarschijnlijk had ik het met een minder oplettende moeder nu niet kunnen navertellen. Uiteraard heb ik aan die gebeurtenis geen enkele schrik of angst herinnering. Daarvoor was ik nog onvoldoende bewust. De beelden, het zonnige gevoel vrijheidsgevoel tussen die stokbonen is zelfs vandaag nu ik dit schrijf nog bij me. Een andere ervaring aan de rand van het water heeft wel een angstspoor meegekregen.

Ons dorp werd doorsneden door een smalle vaart die de naam Grote Sloot droeg. Mijn oudoom Bram voer daar tweemaal daags met een platte stalen schuit doorheen om de melkbussen van de boeren langs de vaart te halen, die hij dan wegbracht naar de melkfabriek, ‘De Eensgezindheid’ in Sint Maartens Vlotbrug.                                          Ik was nu wat ouder en het lopen had ik inmiddels ruimschoots onder de knie. Op een dag had het geijzeld. Spekglad was het. Aan de rand van het water ontwaarde ik een steigertje. Het was een oud steigertje, waarschijnlijk bedoeld om een roeibootje aan vast te leggen. Het steigertje liep een tikje schuin af richting het water van de Grote Sloot Doordat het oppervlak spiegelde in het zonnetje trok het sterk mijn aandacht. Natuurlijk kwam dat doordat er een spiegelend laagje ijzel op lag. Toen ik er echter een voet op zette gleed ik onderuit en gleed langzaam in de richting van het water. Mijn handen lagen met de palmen naar beneden op de ijzige planken in een wanhopige poging om te vermijden dat ik in het water gleed. Ik werd gered doordat ik bij mijn kraagje werd gegrepen door een tierende Tante Maartje, de vrouw van oom Bram, die vanuit haar huisje aan de overkant een sprint van minstens tweehonderd meter getrokken moet hebben. Ik kreeg een paar woedende kletsen voor mijn achterwerk voor ze me een stukje verderop bij mijn moeder in haar keukentje afleverde. Wat er daar tussen die twee vrouwen verder gezegd werd is langs mij heen gegaan.

Het huisje waar we toen woonden was de derde en ook laatste evacuatiewoning die we betrokken. Er was een keuken en een huiskamertje en een slaapkamer. Tante Truus, de zus van mijn moeder kwam bij ons wonen. Tante Truus was mijn absolute favoriet en later ging ik met haar trouwen zodat ik twee aanspreektitels voor haar had: ‘tantruus’ en natuurlijk ‘vrouw’ refererend aan dat voornemen. Ik vermoed dat tante Truus de noodzakelijkheid van haar aanwezigheid in Den Helder ook niet goed duidelijk had kunnen maken. Maar ik denk ook dat het voor mijn moeder wel fijn was dat ze, amper vijfentwintig jaar oud met een kind van nog geen vier jaar oud, gezelschap kreeg van haar zus die een zonnig en zorgeloos karakter had.

In negentien vierenveertig gingen we terug naar Den Helder, lopend. Vervoer was niet voorhanden. Ik kan me herinneren dat ik twee vrouwenhanden ter weerszijden vasthoudend voort stapte.

Om welke reden weet ik niet, vermoedelijk om controleposten te ontlopen, maar mijn moeder en tante kozen binnendoor wegen in plaats van de korte weg langs het Noord-Hollands kanaal. Bij Julianadorp kwam ons een man achterop fietsen – zulke mannen met fietsen had je in die tijd niet heel veel – die mijn moeder of tante kennelijk kende. Of ik daar nou over had lopen zeuren, dat mijn voetjes moe waren of iets dergelijks, weet ik niet meer, maar ik mocht bij die man achterop de reis naar het huis van opa en oma Slot in de Van Hoogendorpstraat vervolgen. Mijn moeder en tante Truus wandelden dapper voort, maar ik reed bij die man achterop de fiets Den Helder binnen totdat we aankwamen en ik achter de brede rug voor mij vandaan kijkend het jongste zusje, Tetje, van mijn moeder voor de deur een stofdoek zag uitkloppen. Tegen de man op de fiets riep ik: ‘we zijn er, want daar staat Tet!’

Aan het begin van dat laatste oorlogsjaar waren we teruggekeerd in de schoot van de familie. Het huisje in de Van Hoogendorpstraat nummer drieënveertig had een voor en een achterkamer. In de voorkamer sliepen opa en oma. Boven was een zoldertje en twee slaapkamertjes. Daar waren we dan: opa, oma oom Klaas, oom Dik, oom Freek, tante Tet, Mamma, ik. Best veel. Tante Truus ging bij tante Baaf wonen, een zus van opa. Het was vol, vol en warm en gezellig en iedereen hield van mij.