Persoonlijke processen.

Muziek

Hier onder begin ik straks te schrijven over de periode in mijn leven van mijn prille jeugd. Heel wonderlijk is, vind ik altijd, dat ik die tijd, terwijl het toch oorlog was, eigenlijk altijd als de meest harmonische tijd van mijn leven heb ervaren. Het verst kan ik terug gaan naar de dag dat oom Klaas, de jongste broer van mijn moeder, ons naar Schagerbrug bracht. Ik moet dan net een jaar oud zijn geweest. Voor het huis van mijn grootouders stond een bakfiets helemaal volgeladen met de spulletjes van mijn moeder. Bij het linker voorwiel was bij het laden een klein plekje open gelaten. Daar kon ik zitten. Ik weet nog wel dat het een zonnige, maar wel koude dag was. In mijn toen nog wat kromme taaltje had ik bedongen dat ik mijn “Sochte Jossie”, mijn zachte jasje aan mocht. Kennelijk had ik toen al een broertje dood aan prikkende kleding, wat trouwens nooit is over gegaan. Ik zat daar op dat plekje en we hebben er toen in mijn beleving de hele dag over gedaan. Met die zware bakfiets zijn we op een goed moment via een vlotbrug, waarschijnlijk De Stolpen, het Noord-Hollands kanaal over gegaan. Het gaat natuurlijk niet vreselijk snel met zo’n volgeladen bakfiets. De af te leggen afstand was ongeveer vijfentwintig kilometer. Ik vermoed dan ook dat wij in de namiddag zijn aangekomen op de plaats van bestemming, waarvan ik me herinner dat het een klein gebouwtje met een zadeldak was. Het stond vrij en van omringende gebouwen herinner ik mij niet veel, hoewel ze er wel geweest moeten zijn, want ik herinner me ook een jongetje dat daar van tijd tot tijd was en dat Fransje Veul heette. Dat huisje was eigenlijk de werkplaats van een timmerman, de heer Veul, die vermoedelijk op last van de bezetter zijn werkplaats had moeten ontruimen om als noodwoning voor evacuees te dienen. Ik zie het nog voor me dat huisje. Veel ramen zaten er niet in en in het midden stond een potkacheltje waar van de pijp in de hoogte door het dak verdween. Mijn moeder kookte ons eten op dat kacheltje, Aan de achterzijde van het huisje was een hel of misschien was het een draadversperring. Hoe dan ook, het stuk weiland waarop ik door die versperring op uitkeek werd de lijnbaan genoemd. Waarschijnlijk was er in het verleden touw geslagen. De Duitsers gebruikten het echter als lanceerbasis voor V2 raketten. Ik herinner me in elk geval keren dat er daar aan het eind van die lijnbaan dingen omhoog gingen waar vuur onder uitkwam. Op dat boerendorpje Schagerbrug in de buurt van Schagen woonden wij van 1941 tot 1944 op drie verschillende adressen. Wij hadden familie op dat dorp: Tante Maartje, een zus van mij oma, getrouwd met oom Bram. En bij die oom zat het grote voordeel voor mij. Nu ja, oom Bram en tante Maartje hadden ook drie of vier kinderen die gevoed moesten worden, maar toen we na de tweede of derde verhuizing aan de overkant van de Grote Sloot praktisch tegenover het huisje van die lieve oom en tante woonden en kleine Petertje al best goed genoeg kon lopen om de brug over te gaan en bij tante Maartje de keuken in te lopen en te vragen wat ze die dag zouden eten, kwam dat mooi uit. Als tante Maartje dan zei dat ze bruine bonen met stroop en azijn aten, dan vroeg ik of ik te gast mocht. Tante Maartje vond dat altijd goed. Oom bram was de man die met een platte stalen schuit bij alle boeren langs de Grote Sloot van Sintmaartensbrug tot Oude Sluis de melkbussen ophaalde en naar de melkfabriek De Eensgezindheid bracht. En ik vermoed dat het principe “die appelen vaart, appelen eet” op de werkzaamheden van oom Bram ook wel van toepassing was.

Eigenlijk was die periode op Schagerbrug voor de kleine Petertje sprookjesachtig. De periode eindigde met een lange wandeling van Schagerbrug naar de n Helder tussen Mamma en Tante Truus een zus van mijn moeder die ook bij ons was ingetrokken. Gelukkig was er ter hoogte van Julianadorp een man op een fiets die ons inhaalde en die of mijn moeder of tante Truus kende. Ik had na meer dan vijftien kilometer tussen die twee volwassen vrouwen heel erg moeie beentjes. Ik mocht bij die man achterop. Ik herinner me dat we vanuit het einde van de Jonkerstraat de Van Hoogendorpstraat binnen reden en dat Tetje, het jongste zusje van mijn moeder aan de voordeur een stofdoek stond uit te kloppen en dat ik tegen de rug van die man zei: ‘Hier is het want daar staat Tet.

Dat laatste oorlogsjaar brachten we in Den Helder door. O ja, er waren bombardementen en als de sirenes aangaven dat de luchtaanval weer voorbij was, dan gingen alle kinderen de straat op om vaak nog warme granaatscherven te zoeken. Twee huizen naast het huis van oma en opa waren twee huizen door bommen getroffen. De Engelse luchtmacht even min als de Duitse konden erg precies mikken, want wat ze wilden raken was de marinewerf en de haven. Mijn arme geboorteplaats is in de tweede wereldoorlog ongeveer zeshondvijftig keer gebombardeerd. Daarom moesten wij evacueren als we daar voor de bezetter niet nodig waren.

Dat laatste oorlogsjaar wat in het hele land de hongerwinter behelsde waren wij in Den Helder. Op een mooie zonnige dag zag ik door het dakraam van het zoldertje bij oma glanzende eitje uit vliegtuigen vallen, het zoveelste bombardement op de rijks werf.

Eten was karig, mijn ellebogen en knieën zaten onder de dikke korsten waaromheen mijn moeder elke dag lappen wikkelde die van oude kleren werden gescheurd, want verband was er niet. Toch was ik een vrolijk kind. Als de sirenes gingen en er weer vliegtuigen over kwamen dan schuilden we vaak in de kast onder de trap. Iemand had eens gezien dat bij gebombardeerde huizen de trap vaak was blijven staan. Bij de gaarkeuken mochten we een hoeveelheid soep halen. Als vijfjarige kreeg ik een klein wit emmertje mee om voor ons die soep te halen. Een buurman zag die soep en riep hoopvol: ‘kijk eens, er zitten kaantjes in!’ Maar het waren aardappelpitten want daar zit nog relatief veel vitamine C in.

Toen was alles natuurlijk in mijn kinderleventje. Spanning en angst kwamen pas toen op een ochtend heel vroeg er een vrachtauto voor de deur stopte. Er was een hoop zenuwachtig gedoe. Ik zat op de tweede tree van de trap in de gang. De voordeur ging open en ik zag een matroos van de klep van die vrachtwagen springen. Toen, daar in de open voordeur stond ineens mijn moeder die vreemde man te zoenen. Ik zat daar op die traptrede en ik was in mijn hele kleine leventje nog nooit zo eenzaam geweest.

Ik denk dat een muziekje nu wel passend is

3.

Het volgende stuk ga ik nu eens niet schrijven voor publicatie, maar voor eigen gebruik. Ik wil het hebben over mijn rechterkant, de kant die door mijn hele leven heen een leidende rol aan zich lijkt te trekken.

Het begint als ik zes jaar ben op de dag voor mijn moeders verjaardag: 23 april 1946. Een maand of zeven eerder is mijn vader teruggekomen uit de duikbootoorlog in de Middellandse zee. Natuurlijk is hij door die vijf oorlogsjaren bij de marine ernstig zowel geestelijk als lichamelijk beschadigd. Maagbloedingen brengen hem verschillende keren in het ziekenhuis. Bovendien is hij soms onbeheersbaar driftig en gewelddadig. Als jongentje van zes ben ik behoorlijk bang voor hem en bang blijf ik voor een flink aantal jaren daarna nog voor zijn drift. Bovendien krijg ik van hem niet de aandacht die ik als enig kind in een vrij grote en liefdevolle familie gewend ben.

Op die genoemde datum heb ik bij mijn oma in de Van Hoogendorpstraat in Den Helder het wasbord opgehaald. Het moet dan dinsdag geweest zijn, want op maandag had oma dat wasbord zelf nodig. Oom Dik werkte als automonteur in de garage van Noordermeer bij ons in de Nieuwstraat en oom Klaas werkte bij baas Agaart als kolenboer. Er was dus altijd erg vuile was te doen. Oma gebruikte dan ook het wasbord en de boenplank waar ze met een borstel en groene zeep het ergste vuil te lijf ging.

Hoe dan ook, ik had het wasbord gehaald, dan kon mamma ook aan de was beginnen die in de intussen hete wasketel op het fornuis in de keuken stond. De ketel zetten ze ’s ochtends voor pappa naar zijn werk ging samen op de wringerbok die in de tuin voor de keuken stond als het goed weer was, of anders in de bijkeuken. Dat wasbord was dus nodig om hetzelfde met de hand te doen wat tegenwoordig een wasmachine doet, maar die hadden we toen nog niet. Eigenlijk hadden we zo vlak na de tweede wereldoorlog sowieso nog heel weinig. Het meest bijzondere was eigenlijk wel de radio, waar we ’s avonds naar luisterden.

Nadat ik op die betreffende dag dat wasbord had gehaald mocht ik nog even buitenspelen. Ik moest niet te ver weg lopen, want straks gingen we eten en als ik te ver weg was kon ze me niet beschreeuwen zei ze dan altijd.

Ik liep de voordeur uit. Ik had een vriendje die aan de overkant woonde, Wimmie Snoerwang, daar wilde ik naar toe. Aan onze kant van de straat stonden altijd de auto’s waaraan in de Garage bij Noordermeer gewerkt moest worden door onder andere mijn oom Dik.

Tussen die auto’s door stak ik over. Ik lette niet goed op, want anders had ik het kleine vrachtautootje van Willem Gersen wel gehoord en gezien, die met een lading ijs op weg was naar de visafslag. Ik probeer het me steeds te herinneren, maar het is door de klap van de aanrijding uit mijn geheugen verdwenen. Het eerste wat ik me herinner is dat ik in de voorkamer op het bed van mijn ouders lig. De gordijnen zijn dicht om de kijkers het zicht te ontnemen. Mijn rechter knie doet pijn en is heel dik.

Maar dan gaat het gebeuren, dat waarom het gaat. Ik word nu naar de rechterkant van mijn lichaam, maar dat niet alleen, ik word nu naar de rechterkant van mijn wezen geduwd.

Niet veel mensen zullen het weten, maar je rechterkant is de vaderkant en de linkerkant de moeder kant.

Het nu toonaangevende en alles bepalende initiatief , het narratief zeggen ze tegenwoordig vaak werd bepaald door mijn vader. Hij bepaalde naar welk ziekenhuis zijn gewonde zoon gebracht gaat worden. Dat gaat niet worden het St. Lidwinaziekenhuis, dat prominent in Den Helder een centrale positie inneemt.

Door zijn ervaringen in die duikbootoorlog, waarin hij eens gedwongen is geweest een Italiaanse katholieke geloofsgenoot een genadeschot te geven omdat het kanon van de Nederlandse duikboot hem een arm had afgeschoten en er toch geen kans meer was dat hij het zou overleven, heeft hij niet alleen zijn geloof verloren, maar is hij ook overtuigd geraakt van de valsheid en onechtheid van de katholieke kerk. Zijn gewonde kind zal dus niet worden opgenomen in een katholiek ziekenhuis als er een andere keuze mogelijk is. Hij kiest dus, onder het voorbij zien van het belang van mijn moeder die bang was om te fietsen en dus alles lopend moest doen voor het Helderse Parkzicht ziekenhuisje dat voor zijn vrouw twee keer zo ver lopen was dan dat katholieke ziekenhuis.

Ja, en dan komt het. In dat katholieke ziekenhuis waren twee zeer deskundige chirurgen. In dat Helderse gemeenteziekenhuisje waren ze erin geslaagd een oud marine arts die wat chirurgie had gestudeerd aan te werven, ene Van Driel. De man kon best vrij vaardig een ontstoken blinde darm verwijderen, maar sedert zijn aantreden lopen er in Den Helder, helaas mijn woon – en verblijfplaats in die tijd, tientallen mensen rond met scheef- en verkeerd gezette armen en benen rond. Van Driel had daarvoor geen talent. Waarvoor hij echter ook geen talent had of misschien te lui of te blasé voor was, was voor het lezen van toen best al wel bekende protocollen betreffende de toepassing van sommige geneesmiddelen zoals penicilline, dat al sedert het einde van de eerste wereldoorlog – sinds 1918 dus – op de markt was en dat aanzienlijk beter presteerde dan de voordien in zwang zijnde sulfapreparaten. In dat protocol of behandelvoorschrift stond namelijk dat bij een invasieve behandeling (dat betekent als de huid wordt geopend om het lichaam binnen te dringen) je op de zelfde dag (liefst eerder) met de toediening van penicilline moest beginnen. Nou ja, Van Driel had het niet gelezen en wist het niet of vond het onzin. Tot zijn verontschuldiging moet ik echter toevoegen dat het protocol voor het gebruik van antibiotica pas in 1996 tot stand is gekomen. Dus op dat moment zou hij wel zien of het nodig was en als de boel ging ontsteken kon er altijd nog met die penicilline worden begonnen. Hij boorde een gaatje door en door mij hielbeen. Stak er een pen door en legde een rekverband aan, been recht omhoog katrollen en gewichten, zodat mijn over elkaar heen geschoven delen van mijn bovenbeen op hun plaats werden gehouden en aan elkaar konden groeien. Op zich een handige gedachte zij het dan dat ik binnen een week een dijk van een beenmergontsteking ontwikkelde, met 41 graden koorts bijna dood ging en vervolgens dan eindelijk veel te laat die penicilline kreeg die de inmiddels chronische ontsteking niet meer kon stoppen. Nu, nu ik 83 ben is die zelfde ontsteking nog steeds actief. Om het allemaal tot een totaal gepruts te maken zag Van Driel na zes weken dat hij mijn beentje verkeerd had gezet en brak het opnieuw, waarna ik een pen door mijn knie kreeg die dankzij het inmiddels ingestelde penicilline beleid gelukkig geen nieuwe beenmergontsteking opleverde. Drie maal daags een forse spuit penicilline in afwisselend de ene en dan de andere bil deed geweldig veel pijn, ik schreeuwde het uit, maar zorgde er uiteindelijk voor dat een invalide manneke van zes jaar na drie maanden ziekenhuisopname met een gebroken beentje en een voortdurend etterende rechtervoet het ziekenhuis kon verlaten. Kortom knoei – en verwijtbaar prutswerk van een chirurg die dat nooit had mogen zijn.

Hiermee zijn we er echter niet. In dit leven ben ik begonnen te mankeren aan de rechter kant en waarom nou. Ach, politiek religieus hebben we altijd rechts genoemd. Mijn arme door de oorlog ernstig beschadigde vader zwoer zijn katholicisme en dus de mogelijkheid een katholiek ziekenhuis te laten gebruiken voor zijn kind af, en bezorgde mij daarmee een levenslang graverend trauma aan mijn rechterzijde, waardoor er altijd in mij wel iets ontstoken was of dreigde te raken en mijn rechterbeen een bron van aanvallen op mijn gezondheid werd. Door de jaren heen heb ik zeker tien keer, zo niet vaker, een abces aan die voet gehad. Het grootste viel samen met mijn vijftigste verjaardag toen ik een abces zo groot als een halve sinaasappel op de achterzijde van mijn hiel had.

Op een keer, ik ben dan 58, heb ik ineens pleuritis. Tsjonge dat doet pijn zeg als je even hoest denk je dat er iets in je borstkas scheurt. Mijn huisarts stuurde mij acuut naar de longarts die me vertelde dat we niet, zoals gepland de volgende dag naar ons appartement in Spanje zouden gaan, maar dat hij mij opnam in het ziekenhuis. De bron van de infectie was toen weer de rechtervoet, waardoor de ruimte tussen de beide pleura (longvliezen) geïnfecteerd was geraakt, via een zogenaamde holle ader die de naam heeft van vena subclavia, die onder het sleutelbeen loopt. Ik kende dat vat, voor de longarts was dat toen nieuws, om dat het in zijn praktijkvoering niet vaak als oorzakelijk voorkwam. Hoe dan ook mijn rechterbeen bracht mij op mijn 58ste weer in het ziekenhuis. Toen had ik een beetje geluk. Mijn goede vriend Fred Storms, een internist, zorgde dat ik in het AMC bij professor Marty terecht kwam. Een uiterst beminnelijke en zeer kundige man, die eerst vol verbazing wilde weten hoe ik in vredesnaam aan een met pus gevulde holte in mijn hielbeen kwam. Nadat ik hem had uitgelegd dat het hier een iatrogene omissie uit 1946 betrof maakte hij een degelijk behandel plan. Hij zou de haard uit mijn hielbeen hakken om me vervolgens acht weken met gentamicinekralen in de voet te laten lopen om er zeker van te zijn dat alle ontsteking veroorzakende elementen dood waren. Daarna zou hij uit een bot, elders in mijn lichaam dat zich daartoe leende rood beenmerg halen om de ruimte in het hielbeen op nieuw te vullen. Professor Marty moest echter wegens rugklachten zelf op halve kracht werken, waardoor ik acht maanden moest wachten voor ik geopereerd kon worden. In die acht maanden heb ik de ontsteking rustig kunnen houden door een continue behandeling met ciprofloxacine, een antibioticum waarvan ik weinig of geen nadelige bijwerking ondervond en dat ik nog steeds goed verdraag.

Na de behandeling door professor Marty is er medisch gezien een betrekkelijk rustige periode in mijn leven. De wond die in de voet moest worden gemaakt om alle ontstekingsresten eruit te halen is goed genezen al moet ik wel zeggen dat het doorsnijden van de huid aan de buitenkant van mijn hiel er wel voor heeft gezorgd dat er in dat huidgebied geen gevoel meer zit. Maar ach, dan kan het ook geen pijn doen denk ik dan maar.

Helaas na twintig jaar rust in mijn rechtervoet krabbel ik op een ochtend een klein stukje eelt van mijn hiel. Dat is nu anderhalf jaar geleden. De volgende ochtend zegt Ireen: ‘Er ligt allemaal bloed in je bed.’ De beenmergontsteking is terug van weggeweest. Het wordt voortaan weer pleisters plakken. Maar goed, eerst maar even andere rechterkant narigheid bespreken.

Om het niet al te zwaarmoedig te maken eerst maar even een muziekje.

4.

We zijn niet klaar met die rechterkant van mij. Er gebeuren dingen die ogenschijnlijk niets met die voet te maken hebben, maar die toch te denken geven. Op een dag, ik weet niet meer precies wanneer, maar ik zal een jaar of zestig geweest zijn, kijk ik met mijn linkeroog dichtgeknepen naar een verticale lijn en zie daar tot mijn verbazing een rare kronkel in. Mijn opticien die voor mij de contactlenzen levert raadt mij aan een oogarts te raadplegen, wat ik ook doe. Deze wat oudere arts kijkt met een apparaat in mijn oog en zegt: u hebt een maculapucker in uw rechter oog. Hij legt me vervolgens desgevraagd uit dat er over de gele vlek, het gebiedje in het netvlies waarmee je het scherps ziet, een vliesje ligt en dat daar bij mij een kreukje in zit wat dat kronkeltje in die verticale lijn veroorzaakt. ‘O’ zeg ik opgelucht, ervan uitgaande dat het een niet ernstig en mogelijk voorbijgaand verschijnsel is. De arts zegt echter dat ik daaraan iets moet laten doen, anders wordt het oog blind. Er zou dan een gat in het netvlies kunnen ontstaan Nou, daar schrik ik toch wel een beetje van en ik maak een afspraak om die maculapucker te laten verwijderen. Veel later hoorde ik echter van een andere oogarts dat het met zo’n maculapucker doorgaans zo’n vaart niet loopt, maar dan heb ik intussen al een onnodige en naar later blijkt schadelijke beslissing genomen.

In het AMC in Amsterdam is een Italiaanse arts die zich overigens omringd heeft met een aantal beeldschone assistenten die het werkje gaat klaren. Ik lig een uur heel stil in een speciaal bedje terwijl hij met iets dat klinkt als een heel klein stofzuigertje die pucker uit mijn oog zuigt en en passant ook maar een staarlens plaatst. Hij zegt namelijk dat de lens in het oog meestal gaat troebelen als er in het oog gewerkt is. Nou ja, dan is dat ook maar alvast gebeurd denk ik verheugd. En inderdaad kan ik enkele dagen na de operatie verbazend goed zien met mijn rechter oog. Helaas had ik weer te vroeg gejuicht. Bij een controle bleek nu dat in dat rechter oog van mij de druk te hoog werd. Dat kan een oorzaak van blindheid worden die glaucoom of groene staar wordt genoemd.

Dan breekt er een periode aan van allerlei soorten oogdruppels die ofwel niet werken of waarvan ik bovendien ook nog beroerd werd. Ik heb zelfs injecties in het oog gehad en laser behandelingen. Niets hielp. Ja, er was nog één mogelijkheid. Een andere specialist kon een soort druk verlagend ventieltje in het oog zetten. Nou ja, dacht ik, misschien ben ik dan eindelijk van die hoge oogboldruk af. En inderdaad, de druk in de oogbol is tegenwoordig laag. Jammer is alleen dat ik bijna niets meer met mijn rechter oog zie. Kennelijk heeft de plaatsing van dat ventieltje er voor gezorgd dat ik weinig meer zie met mijn rechteroog en dat bovendien de beelden van beide ogen niet meer samenvallen, wat verwarrend en soms duizelingwekkend is en waardoor mijn evenwicht erg is achteruit gegaan. Een trap aflopen waar ik mij niet met twee handen aan leuningen kan vasthouden is iets dat ik tegenwoordig vermijd.

Weer mijn rechterkant. “Pa”, denk ik dan, wanneer hou je eens op?

Ik moet toch weer even terug naar die immense hoeveelheden penicilline die ik in mijn jonge leven gekregen heb. De basis van dat geneesmiddel in chemische zin was oxaalzuur. Later, toen de rauwe penicilline niet meer zo veel effect had begon de farmaceutische industrie in eerste instantie op basis van dat oxaalzuur nieuwe preparaten te maken. Een naam waarin je het woord oxaalzuur nog wel herkent is het antibioticum Clamoxil. Nou, dat heb ik als therapie voor de later vaak voorkomende abcessen aan mijn voet ook vaak gehad. Al die oxaalzuurderivaten lieten in mijn lichaam echter sporen na, zoals ik veel later bemerkte. Zoals alle verstandige mannen doen liet ik elk jaar een keer een PSA prikken: een controle op het Prostaat Specifiek Antigeen. Bij de ouder wordende man is dat een handige controle om te zien of de man ook bezig is prostaatkanker te ontwikkelen. Hoe dat allemaal werkt weet ik inmiddels wel, maar dat laat ik hier even buiten beschouwing. In elk geval was ik aan de beurt, want de meting van het PSA wees een te hoge waarde aan en bij verder onderzoek bleek er dan ook weliswaar een klein beetje, maar toch significant kankerweefsel in de prostaat te zitten. Ik mocht uit verschillende behandel methoden kiezen. Voordien had ik al met de zogenaamde groen licht laser de prostaat laten verkleinen. Het plassen werd namelijk steeds moeizamer. Blijkbaar was echter het kwalijke en kanker bevattende deel van de prostaat blijven zitten. Ik besloot dat ook maar de klier in zijn geheel te laten verwijderen. Dat gebeurde in het Antonie van Leeuwenhoek ziekenhuis dat gespecialiseerd is in de behandeling van allerlei soorten kanker. Met een speciaal daarvoor ontwikkelde robotarm wordt die operatie uitgevoerd. Ik moet zeggen het is een indrukwekkende gebeurtenis, maar lichamelijk valt het erg mee, want ik kon de volgende dag al weer naar huis. Weliswaar had ik nog een week lang een katheter en een op mijn dij geplakt urinereservoir, maar dat werd na een week verwijderd in dat overigens perfecte ziekenhuis. Maar toch was er bij de intake uit wat MRI opnames een enigszins verontrustende bijvangst van alle diagnostisch activiteiten die vooraf gingen. Ik heb een aneurysma in de buikslagader, vlak boven de aftakking naar de rechter nier en in die rechternier zit een niersteen van bijna twee centimeter die met zeer hoge waarschijnlijkheid kei – en keihard is, want bestaand uit oxalaten. Driemaal ben ik ermee in de niersteen vergruizer geweest, maar er gebeurt niets met die steen. Nou ja, wel goed om nu eindelijk te begrijpen waarvandaan mijn levenslange hoge bloeddruk kwam. En dat aneurysma, och het is niet heel groot hoor, maar het zal ook wel onder druk zijn ontstaan.

Ook deze afwijking heb ik een aantal keren laten controleren in Het ziekenhuis in Nieuwegein. Om er een speciale zogenaamde Graftstent in te schuiven zit het aneurysma wel erg ongelukkig. Een en ander brengt mij – gelukkig heb ik een zonnig karakter tot de conclusie dat juist dat aneurysma er wel eens toe kan leiden dat ik met heel weinig narigheid dit leven kan verlaten. Zo’n bubbel in een bloedvat kan springen of scheuren en met een beetje geluk en betrekkelijk weinig pijn gaat je lampje dan binnen maximaal enkele uren uit. Ach weet je, ik hoef nog niet hoor, maar ik zie er ook niet tegenop, nooit gedaan trouwens.

De volgende en voorlopig laatste klap van rechts kwam een goede maand geleden. Ik dacht het altijd etterende wondje aan mijn rechtervoet eens te behandelen door elke morgen in een badje met warm water en Biotex groen te gaan zitten. Op zichzelf niet eens een dom idee. Wat wel dom was, was dat ik elke dag de zelfde vuile handdoek die op de afvalbak lag pakte om de voet af te drogen. Daar heeft toch blijkbaar een geduldig wachtende, maar redelijk kwaadaardige bacterie zijn kans gegrepen, want ik werd binnen een paar dagen zo krachteloos en moe dat ik nog nauwelijks uit een stoel kon opstaan. Bovendien kreeg ik koorts. Op een zaterdag zei ik tegen Ireen: ‘ik denk dat ik maar een poosje op bed ga liggen, maar loop even met me mee naar boven’. Nou, de eerste verdieping heb ik nog bereikt. Maar op de bovenste trede naar de tweede verdieping, waar mijn bed staat, was alle kracht op. Ik lag plat op de grond en kon op geen enkele manier meer overeind komen. Gelukkig besloot Ireen 112 te bellen. Binnen een half uur lag ik in een ambulance.

Mijn ontstoken rechtervoet is gekalmeerd met een Floxapen infuus van vijf dagen in het prachtige nieuwe ziekenhuis in Hilversum, waar elke opgenomen patiënt een luxueuze eigen kamer heeft. Een paar weken lang is de thuiszorg elke dag mijn been komen zwachtelen.

Maar, hoe dan ook, de aanwijzingen zijn me intussen duidelijk. Mocht ik tussen nu en de paar mij nog restende jaren op de onvermijdelijke uitnodiging stuiten om dit beschadigde lijf achter te laten, dan weet ik nu in elk geval één ding zeker.

Ik sla linksaf!

Eindmuziekje

E=mc2

De formule die Einstein bedacht en die betekent dat de elektromotorische kracht (E) gelijk is aan de betreffende massa (M) maal het kwadraat van de lichtsnelheid (300.000 kilometer per seconde). Die formule maakt het dus mogelijk uit te rekenen hoeveel energie gaat zitten in materie. Waar het op neerkomt is dat er in materie, een speciale presentatie van energie, ontzettend veel vrije energie gaat zitten. De oorspronkelijk vrije energiegolfjes, die je samen ook bewustzijn kunt noemen, Lopen dan niet meer vlak, maar draaien om hun as, een enorme inspanning om daardoor voornamelijk op één plaats te zijn en zich te manifesteren als materie die bovendien ook nog eens op een min of meer permanente manier samenhangt, zwaartekracht, het kenmerk van massa. Van de allergrootste tot de allerkleinste voorwerpen in dit universum houden energie in deze rondtollende vorm vast. Gigantische hoeveelheden energie moeten op deze wijze vast zijn komen te zitten. Komt die energie nou in de natuurlijke vorm ooit nog vrij, vraag je je misschien af. Persoonlijk weet ik eigenlijk maar één gelegenheid waar de ronddraaiende massaenergie weer vrij komt. Dat is eigenlijk ook nog min of meer toeval. Ooit, vele jaren geleden las ik in een tijdschrift een artikel onder de titel: De Ziel weegt 21 gram. Deze constatering van een arts is aan alle kanten aangevallen. Het verhaal ging oorspronkelijk ook maar over zes stervende patiënten die met bed en al op een gevoelige weegschaal waren gereden en bij wie er plotseling 21 gram verdween op het moment van overlijden. Uiteraard vraag je om felle tegenspraak als je begint wetenschap en esoterie te vermengen. Dat zijn we namelijk niet gewend dus dat willen we niet geloven. Maar toch, ik ben nu eenmaal een fantast en een dromer, vond ik de stelling interessant genoeg om er eens een beetje aan te gaan rekenen. Ik dacht stel nu eens dat ons lichaam tijdens ons leven energetisch bijeen gehouden wordt en dat die energie plotseling niet meer nodig is als je dood gaat. Ik zeg niet dat het zo is, maar het zou kunnen.                                  Hoe dan ook, ik kwam tot een berekening door middel van de Einstein formule: E=mc2. Nou, daar gaat-ie dan: Vrijkomende kracht is 21×300.000×300.000= 90.000.000.000 gram = 90.000.000 kilogram, een alleszins respectabele hoeveelheid massa-equivalent. En dat zou, in mijn dromerige fantastische redenering de hoeveelheid energie zijn die in een al dan niet georganiseerde vorm vrij komt als wij sterven. Nou ja zeg, of dat nou de energetische massa van onze eindelijk weer vrijkomende ziel is weet ik natuurlijk niet, maar als dat niet zo is, dan komt 21 gram energie op Aarde toch aardig overeen met de energie van een flinke atoombom. Nou laten we eerlijk zijn, geweldige explosies heb ik bij een sterfgeval eigenlijk nooit waargenomen. Die 21 gram moet dan wel iets anders wezen. Misschien dan toch maar de ziel? Ja, en dan te bedenken dat er tegenwoordig zoveel te doen is over bijna dood ervaringen. Wie weet wat er allemaal nog te beleven is als je met je uiteindelijke restje van 21 gram massa-equivalent in het hiernamaals aankomt. Uit de hier bovenstaande berekening blijkt wel dat hier op Aarde 21 gram misschien een te verwaarlozen kleine hoeveelheid is, maar dat dat zelfde minimale gewicht in de berekening van Einstein beslist indrukwekkend is. Er is hoop mensen!

Bemenst hologram.

Ooit zag ik een keer een spannende sciencefiction film met Arnold Schwarzenegger in de hoofdrol. Hij was toen op listige wijze in een soort hypnotische trance gebracht en dacht dat hij heel iemand anders was dan hij in werkelijkheid was. Op een gegeven moment ontwaakte hij echter uit die trancetoestand en ontdekte wat er werkelijk – nou ja in die film dan – aan de hand was en belandde op Mars waar de noodzakelijke atmosfeer door criminele beheerders werd vast gehouden waardoor voor elke ademhaling moest worden betaald. De grote sterke wreker Schwarzenegger maakte in deze film een einde aan dit criminele misbruik, maar waarom het hier eigenlijk gaat is de manier waarop het eindspel in deze film verliep. We zien daar namelijk Schwarzenegger een techniek verwerven waarbij hij naast zijn lichamelijke verschijning tevens gebruik kan maken van een hologram dat visueel als twee druppels water lijkt op de echte Schwarzenegger, maar dat niets blijkt te zijn bij aanraking. Door middel van een flink aantal bedrieglijke in hologramvorm verschijningen weet hij uiteindelijk zijn doel te bereiken en krijgt – alleen in die film natuurlijk – Mars een heel prettige dampkring terug.

Dat hele verhaal bracht mij echter op een idee betreffende de raadselachtige witte bollen die vaak worden gezien in onze atmosfeer en die van buitenaardse afkomst lijken te zijn. Ik heb daarover de volgende theorie. Goed begrijpen: ik heb geen enkel bewijs voor mijn stelling, behalve dan dat wij in ieder geval hologrammen hebben die zelfs in de lucht geprojecteerd kunnen worden. Mijn theorie is de volgende: stel nu dat een hologram als idee met gedachtekracht, dus onbeperkte snelheid kan reizen. Dan hebben we in elk geval niets te maken met lichtjaren afstand, want de gedachte kent geen lichtsnelheid. En stel nu ook eens dat wezens die toch wat verder geëvolueerd zijn dan wij hun bewustzijn in zo’n hologram kunnen programmeren. Dan kunnen zij dankzij de onbeperkte snelheid van de gedachte op elk door hen gewenst moment aan onze planeet een nieuwsgierig of anderszins nuttig bezoek brengen. En stel nu eens dat die “mensen”, ja zo noem ik die wezens uit onze toekomst maar, dat eigenlijk al eeuwen doen. En stel nu eens dat ze de les hebben geleerd van de ongelukkige en volkomen mislukte ingreep indertijd van de Anunnaki. Dat ze nu alleen maar steeds komen zien of we eindelijk tot ons gezonde verstand zijn gekomen en ophouden met voortdurend die achterlijke oorlogen te voeren en verder alle criminele en smerige duivelse rotstreken ook uit ons hoofd laten. Ja stel nou eens dat ze wachten tot dat eindelijk zo is en als dat eindelijk gebeurt, dat we dan worden uitgenodigd om toe te treden tot de galactische vereniging van beschaafde volkeren. Nou, wat denk je? Dat zou toch fantastisch zijn. Vrije energie kunnen hebben, niks gas en aardolie, laat staan steenkool. Weten dat het hele universum gevuld is met vrije energie en weten hoe dat gebruikt kan worden. Nou ja, dan zou dit aardse tranendal ooit nog eens veranderen in een paradijs op Aarde.        Of ik een fantast ben? Ja, een dromer en fantast, maar mijn vader zei altijd: ‘Peter, als je iets kunt fantaseren kan het ook bestaan’. En dat was de waarheid naar het oordeel van de man die de tweede wereldoorlog na zesendertig patrouilles in een Utillty class onderzeeërtje in de Middellandse Zee had overleefd en door ervaring dingen wist die wij niet kunnen weten. Ja, vreemd he? Ik had een wijze oorlogsvader.

Dat is wel weer toevallig, toch? Gaat over kanker.

Vorig jaar, of misschien nog langer geleden schreef ik een blog over het mogelijk kankerverwekkende karakter van parasieten die in ons lichaam leven. Ik dacht toen dat ik dat zelf verzonnen had, maar ideeën bewandelen vaak een grote omweg – je zou bijna denken dat het magisch is – en komen op grote afstand in tijd en ruimte vaak weet tot leven. Ik schreef toen een beetje gekscherend dat de parasieten die in ons lichaam leven geen eigen bruikbare sanitaire voorzieningen hebben en dat ze derhalve maar overal poepen en pissen waar ze zijn en dat ik vermoedde dat hun excreten (afvalstoffen) weleens kankerverwekkend konden zijn en dat – en voor BigFarma ga ik daar vrij ernstig op een zere teen staan – veel kankersoorten eenvoudig genezen kunnen worden door anti parasitaire middelen in te zetten. Uiteraard kreeg ik daarmee weer heel weinig enthousiaste volgers, want elke vorm van kanker is sinds jaren door de officiële geneeskunde, de Rockefeller aanhangers zal ik maar zeggen, een gebied waar eerbiedig door de gewone man alleen maar voor gedoneerd mag worden. Met ander woorden, als je denkt ook iets te weten, hou dan in vredesnaam je mond of riskeer dat je onsterfelijk en heel professioneel belachelijk wordt gemaakt.

Nu lees ik op Ninefornews een artikel over een Russische professor, v.v.Alpatov, die in oktober 1950 een artikel gepubliceerd zou hebben over de relatie tussen endoparasieten (parasieten die in ons lichaam leven en zonder te betalen meegenieten van al het aanwezige) en kwaadaardige tumoren.

Nou kijk, dat is nu precies wat ik in mijn tamelijk recente blog beweerde. Ik stelde en ik herhaal dat misschien niet alle vormen van kanker bestreden kunnen worden, maar wel veel, door simpelweg antiparasitaire middelen in te zetten en de parasieten in je lijf uit te roeien. Die middelen zijn er namelijk al.                                                                                                     Voordelen? Ze zijn niet duur. Bij apotheek en vaak ook bij dierenartsen zijn ze te krijgen. Er komen geen chemotherapeutica of bestralingen, laat staan operaties aan te pas. Nee, luister nou… Ik zeg niet dat al die officiële geneeskundige ingrepen niet moeten, maar probeer nou eerst eens die parasieten op te ruimen. Dat we dan te laat zijn met de echt noodzakelijke behandeling? Dat lijkt mij een argument dat is een dreigement dat komt uit de reclamewereld.

Helpen? Doe maar niet.

Veruit de meeste internationale hulp heeft een zekere mate van eigenbelang in zich. Dat eigenbelang gaat dan op den duur meer prevaleren dan oorspronkelijk bedoeld en voor je het weet hebben we weer te maken met al dan niet koloniale uitbuiting.                            Het klinkt misschien wat eigenbelangelijk en dat is het ook. Wij, de aardmensen zijn namelijk op die manier begonnen. Ja, daar kijkt u van op nietwaar. Goed, laat me het zo uitleggen: voor de mens zijn gestalte kreeg, homo erectus, waren er homoniden, mensapen dus. Al meer dan honderd jaar wordt er tevergeefs gezocht naar de tussenvorm, de overgangsvorm, waarin we zouden kunnen herkennen dat die aap-achtigen enigszins menselijk geworden zou zijn. Vaak is er ook wel iets gevonden dat daarop lijkt, maar dat is dan bijvoorbeeld een enkel exemplaar en niet een hele groep die als soort aangemerkt kan worden.

De tot nu toe op grote schaal ontkende en zelfs belachelijk gemaakte theorie is die waarin de hier levende homoniden, een geschikt deel ervan in elk geval, door buitenaardsen gebruikt zou zijn om genetisch te verbeteren door gen-manipulatie. Toch is het erg vreemd dat de ontwikkeling van onze soort in zo korte tijd heeft plaats gehad, terwijl de ontwikkeling bij de soorten die we nu als homoniden kennen eigenlijk nog steeds niet heeft plaatsgevonden. Met andere woorden, de natuurlijke ontwikkeling duurt veel langer. Ik ben dan ook van mening – en daarin sta ik lang niet alleen – dat er bij de ontwikkeling van onze soort is ingegrepen.

Wat ik nu ga vertellen heb ik niet van mijzelf. Allerlei boeken en overleveringen vertellen het verhaal van het volk, de Anunnaki, dat hier kwam om goud te zoeken dat om hun eigen redenen voor hun eigen planeet, Niburu, nodig was. Verteld wordt ook dat ze hier zo’n veertigduizend jaar hebber rondgelopen. Dat ze op een gegeven moment niet meer zelf het goud uit de bodem wilden halen en dat de meest wetenschappelijke, Enki, van hun toen door middel van genetische manipulatie, maar met gebruikmaking van hun eigen vrouwen als draagmoeders, de hier aanwezige homoniden hebben verbeterd. Met andere woorden, wij zijn gemaakt, anders was het nooit zo snel gebeurd. Toen het eenmaal gelukt was en toen er uiteindelijk meisjes en jongens waren hebben een aantal van hun in onze ogen reusachtige mannen zich vergrepen aan de mensen meisjes. Dat staat dan weer in de Bijbel: Genesis zes vers twee. Dat daar ook kinderen van kwamen die vermeld zijn als de geweldigen is hier een aardige extra vermelding.

Twee belangrijke namen komen in het verhaal van de Anunnaki naar voren: Enki, de man die de leiding had bij onze ontwikkeling en Enlil, de tamelijk kort aangebonden leider die oorspronkelijk helemaal niet had gewild dat er ook vrouwtjes mensen kwamen. Hij werd echter overtuigd met het argument dat het anders veel te lang zou duren voordat er voldoende werkers voor de goudmijnen waren.

Nou ja, we weten dat het allemaal uit de hand is gelopen. Op een gegeven moment waren wij in de ogen van Enlil met veel te veel en deden bovendien allerlei seksuele dingen met dieren die in de ogen van de Anunnaki absoluut contraproductief waren. Kort en goed: Enlil besloot dat het afgelopen moest zijn. Hij ging de hele mensen populatie vernietigen. Dan moet je denken aan allerlei plagen als dodelijke ziekten en, niet te vergeten, de zondvloed. De apen die er natuurlijk nog waren moesten dan zelf maar zien dat ze na enkele miljoenen jaren muteren ook een soort mensen zouden worden. Hij had echter buiten de trots van een van de medewerkers van Enki gerekend. Wij kennen hem uit de Bijbel als Noach. Hij heette natuurlijk anders, maar dat doet er niet toe. Deze man vond het zonde en jammer om de inmiddels toch al een paar duizend jaar bestaande mensen zo maar weer te vernietigen. Hij bedacht een plan om in elk geval voldoende mensen te redden om het genetische resultaat zeker te stellen. Enlil moet dat knarsetandend van woede hebben gadegeslagen. Maar goed. In dat o zo illustratieve vers drie in Genesis zes zegt God, die in werkelijkheid Enlil heette, dat hij niet tot in de eeuwigheid zou blijven strijden met de mens, maar dat de dagen der mensen geteld zouden zijn op honderden twintig jaren. Wij, de mensen konden dus in het aller gunstigste geval honderden twintig jaar leven. Dat klopt ook en het lijkt heel wat, maar die Anunnaki die ons hadden gekweekt met gebruikmaking van hu eigen DNA konden zelf een paar duizend jaar oud worden. Wij werden dus afgescheept met een onacceptabele beperking. Nou ja, daar moet je in de encyclopedie het verhaal over telomeren maar eens op nalezen, een klein aanhangseltje van het DNA dat bij hun steeds vernieuwde en bij ons niet. Eigenlijk een rotstreek wat ik hen nog steeds kwalijk neem. Trouwens, een tot nu toe ongepubliceerd boek van mij: “Eternal Mitosis”, gaat daarover.

Zoals je nu waarschijnlijk wel begrepen hebt was de hulp die wij van de Anunnaki kregen eigenlijk puur eigenbelang. Eerlijk gezegd zie ik het overgrote deel van de ontwikkelingshulp die hier op Aarde gegeven wordt zich geheel volgens datzelfde principe gaan. Wat zit er voor ons in als we daar hulp geven. Dat is echter geen hulp, dat is gewoon handel gericht op winst. En dan zeg ik: ‘helpen? Doe maar niet’.

Windows 11

Vroeger was ik heel gelukkig met alles wat ik met mijn computer kon doen. Uiteraard heb ik veel geschreven. Drie boeken en een verhalenbundel schreef ik. Alles is ook uitgegeven bij mijn toenmalige uitgever, Schrijverspunt. Maar ik deed meer. In mijn thuisstudiootje las ik luisterboeken voor, wel meer dan veertig. De uitgever was er voordat ik daarmee begon niet opgekomen, maar nadat ik de audioboeken aanleverde konden ook zij het werk bij Storytel en dergelijke kanalen kwijt. Zelfs heb ik mijn uitgever nog aan een voorlezende vrouwenstem geholpen, een vroegere buurvrouw van ons vond dat ook wel leuk werk en ik vond dat niet elk werk geschikt was om door een mannenstem te worden voorgedragen. Ach wat een mooie tijden heb ik achter mijn Windows 7 professional computer doorgebracht. Maar blijkbaar moet er aan alles wat goed gaat op een gegeven moment toch een eind komen. Mijn computer ging kapot en ik moest iets nieuws. Dat nieuwe, een laptop computer met een los grootscherm heb ik nu ongeveer drie maanden in huis. Windows 11 is tegenwoordig gebruikelijk. Helaas moeten er dan plotseling dingen worden geleerd, want ik loop tegen allerlei problemen aan waar iets niet blijkt te werken zoals ik verwacht. Dit verhaaltje wat ik nu schrijf dat kan ik inmiddels kopiëren naar mijn weblog: www.petervanoosterum.me . Maar als ik dan probeer mijn klaar liggende laatste sciencefictionroman bijeen te voegen in één document, zoals de uitgever vraagt, dan kom ik in een rijstebrijberg van weerstand en computerdwarsigheid terecht. Ik vind dat jammer. Ik begrijp heus wel dat de computer jongens en meisjes steeds weer geld kunnen verdienen met het ontwerpen en op de markt brengen van nieuwe uitgaven van hun programma, maar om nu na slechts enkele jaren vroeger werk onbruikbaar te maken… Kijk, dat vindt ik nou oplichterij. Ikzelf ben bijvoorbeeld een sciencefictionschrijver. Nou, er zijn natuurlijk duizenden andere schrijvers die via een uitgever boeken op de markt brengen. Daar maak ik toch echt nooit mee dat ik na anderhalf of twee jaar de mededeling krijg dat mijn boek het niet meer doet en dat het verdwijnt tenzij ik het laat updaten. Trouwens, het huis waarin we wonen is ook vijftig jaar of zoiets oud. Stel je voor dat de bouwer elke twee jaar aankomt met de mededeling: updaten of anders de woning verlaten want wij doen geen onderhoud meer. Je zou toch vragen of ze gek geworden zijn. In de snelle wereld van de Informatie Technologie is dat soort inhalige wangedrag echter schering en inslag. Doodgemoedereerd melden ze je na enkele jaren dat het programma dat je toen voor behoorlijk veel geld hebt gekocht gewoon van de markt gaat. Koop maar iets nieuws. Alsof het verbruiks – of consumptiegoed is. Een boek dat ik vandaag koop houdt zijn waarde en kan in elk geval altijd weer worden gelezen, maar een programma waarmee ik boeken kan schrijven dat moet nodig steeds weer obsoleet worden. Een schande is het!

Nou goed. Ik ben voor vandaag mijn gal over het computerleed wel weer kwijt. Natuurlijk is mij boosheid over dit I.T. handelsbedrog niet over en zal ik me moeten neerleggen bij het feit dat de I.T. handel net als BigFarma enkel en alleen maar op financiële winsten uit is. Goed voor de economie fantaseren ze erbij. Ook hoor ik ze dan stiekem of zelfs openlijk smurklachen over de zielige kritiek van zo’n ouwe man. Nou ja, ik ben van 1940, dus de meeste van mijn jaargenoten zijn er al niet meer. Maar daarom hoef ik toch niet blijmoedig die geldklopperijen van tegenwoordig goed te keuren. Maak nou eens iets goeds dat blijft werken roep ik dan. Kijk eens naar die prachtige oldtimers tussen de auto’s, waaraan mensen dagelijks plezier beleven door aandacht en liefde te geven. Kijk dat is iets anders dan telkens weer met het volgende wanproduct vol bugs aan te komen. Doe het nou eens in één keer goed en laat het zo.

Vals….

Heel erg lang heb ik geloofd dat de bevolking van onze planeet in wezen bestemd was tot het goede. Ja, ik begreep heus wel dat er af en toe foute mensen met verkeerde bedoelingen tussendoor liepen, maar dat waren toch uitzonderingen. Sterker nog, deze uitzonderingen daar wisten de overheden van en dat zou op een keer – wanneer wist ik natuurlijk ook niet – op den duur wel door een eerlijke democratische overheid worden afgestraft. Tja, hoe naïef kun je zijn? Nu ik echter langzamerhand het einde van mijn rondleiding door het leven nader begin ik toch te zien dat wij mensen gemakkelijk te onderscheiden in een aantal groepen zijn. De grootste groep zijn wij – zeg ik gemakshalve – de machtelozen. Ik weet het, in de zogenaamde democratie hebben we een pakketje schijnrechten. Zo mogen we bijvoorbeeld minimaal elke vier jaar stemmen om een landsbestuur te kiezen. Om het allemaal wat opbeurender te doen lijken zijn er wel twintig zogenaamd politieke partijen waarop wij kunnen stemmen. En inderdaad komen na de verkiezingen de door ons gekozen aantallen verkiesbare mannen en vrouwen in de gekozen verhoudingen opdagen om samen het spelletje “eed afleggen” te doen. Daarna is het echter afgelopen met de volksinvloed. Laat me een voorbeeld noemen, dat zegt meer. Iedereen in dit land weet langzamerhand wel dat het Covid verhaal, waar op de regering ons trakteerde en dat een dwingend karakter had eigenlijk bedrog was en alleen maar bedoeld om de massa te doen gehoorzamen. Nou ja, dat is natuurlijk niet gelukt. Dat er in die tijd gebruik werd gemaakt van buitengewoon schadelijke – en in veel gevallen dodelijke zogenaamde, maar niet heus vaccins begint ook mee en meer tot de tot dan toe meegaande koppen door te dringen. Dat hele rampscenario kwam van BigFarma uit Amerika en werd hier geïmplementeerd alsof het de heilige waarheid was. In Amerika hadden ze daarvoor een clubje, de World Health Organisation (WHO) dat onder leiding van een Ethiopische beroepsleugenaar probeerde de leiding over alle bedrieglijke activiteiten onder het mom van veiligheid voor de gezondheid in handen te krijgen. Nu zitten er in onze volksvertegenwoordiging nog een paar mensen die tegen beter weten in af en toe proberen de grootste leugens tegen te werken en het kamervolkje uit te nodigen om tegen bedrog te stemmen. Zij, die paar mensen die nog proberen er af en toe nog iets eerlijks van te maken stelden dus voor om tegen die hele valse WHO te stemmen en dat ons land aan deze georganiseerde misdaad geen lidmaatschap meer zou betalen en ons er helemaal van afkeren. Nou, wat denk je. De hele kamer stemde tegen het afscheid van deze boevenbende, behalve natuurlijk die paar die het door hadden en die voorgesteld hadden de hele WHO overboord te gooien. Als ze daar in die criminele club nu weer verzinnen dat er verplicht moet worden meegedaan aan de volgende reeks kostbare maar absoluut nutteloze voorzorgen tegen de volgende verzonnen pandemie dan hangen we weer met zijn allen.

Zolang de meerderheid in dit land in een toch steeds moeizamer wordende tevredenheid kan voortbestaan zullen wij zelfs tegen de allergrootste en gevaarlijkste onzin niet in opstand komen. Wat ik maar zeggen wil is dit: we zijn te lui en te gezapig om boos te worden en in opstand te komen. Daardoor blijven de criminele slimmeriken ons de baas.

Wat zeg je? Wat mijn excuus is om niet in opstand te komen? Leeftijd, lafheid en gemakzucht. Een stukje schrijven kan ik nog net opbrengen.

Hoofdstuk 1

1.

            Judith Krantz was juist haar appartement binnengekomen. Erg vermoeiend was haar dag niet geweest. De hele week had trouwens niet veel inspanning van haar gevraagd. Eigenlijk ergerde ze zich daar behoorlijk aan. In het afgelopen jaar hadden ze niets werkelijk nieuws op stapel gezet bij N.I.C., de Neuro Imaging Corporation die ze nu al ruim tien jaar met zes andere hoogbegaafde vrienden leidde.

Er was meer dan genoeg reden om tevreden te zijn met de resultaten van hun bedrijf.

Ze was nu drieënveertig en ze kon terugkijken op tien uitermate succesvolle jaren.

            Aanvankelijk hadden ze een simpel voorwerpje op de markt gebracht, een hebbedingetje eigenlijk. De sychronizer was echter, mede door de inzichten van marketeer Tibor Horvat een wereldwijd succes geworden.

Het leuke van het succes was, Tibor had dat uitvoerig uitgelegd, dat de synchronizer aansloot bij heel oude menselijke gewoonten. ‘Het is een talisman,’ had Tibor gezegd, ‘een geluksdingetje. Vroeger hadden mensen armbanden om hun polsen waaraan magische dan wel ongefundeerde gezondheidswerkingen werden toegedacht of halskettingen of zelfs stenen in hun zakken. Logisch of niet, mensen doen dat soort dingen door de eeuwen heen. ‘Als je iets op de markt brengt dat je op je lichaam draagt en waaraan, al dan niet terecht, een gunstige werking kan worden toegeschreven dan is succes bijna verzekerd, als je tenminste weet hoe je moet verkopen,’ had hij er grinnikend achteraan gezegd.

            De synchronizer was inderdaad een bestseller geworden en niet alleen omdat Tibor Horvat een geniale verkoopstrategie had ontwikkeld. De synchronizer maakte waar wat hij beloofde. Eenmaal op de huid geplaatst ontstond er een zeer aangename wisselwerking tussen het zenuwstelsel en het hormonale systeem van de drager. Het effect was steeds weer een ontspannen gevoel van welbehagen, ongeacht de activiteit waarmee de drager op dat moment bezig was. Veel succesvolle onderhandelingen waren dankzij de synchronizer gevoerd tussen organisaties waarvan de belangen aanvankelijk diametraal leken te verschillen.

            Als Judith Krantz terugdacht aan die eerste periode van het bestaan van hun bedrijf verlangde ze weleens terug. Het was de tijd geweest waarin de grote – en vervolgens succesvolle producten waren gecreëerd. Toen bedacht ze – en bouwde ze prototypes en dat deed ze het liefst. Nu was er, althans voorlopig, niets anders te doen dan het ontwerpen en implementeren van kleine verbeteringen die de gebruikers moesten verleiden tot het aanschaffen van de nieuwste versie van eerder op de markt gebrachte producten. ‘Allemaal enorm nuttig en leuk,’ zei Judith vaak, maar ik vind het kruimelwerk.’

Nog altijd begon de werkdag bij N.I.C. driemaal in de week met een brainstormsessie. En vaak moest de man onder haar collega’s die haar het meest na stond, Nils Bexon, een hand op haar arm leggen als ze weer eens een ongeduldige opmerking had gemaakt, waardoor het gesprek even stilviel en er hier en daar een lichte ergernis was.

            Het was rond zeven uur toen ze thuiskwam. Haar zoon, Jesse had laten weten dat hij het weekend op de campus bleef, omdat hij met een vriend samen aan een project wilde werken. Ze had met haar oude vriend en vroegere werkgever Brian Uliger afgesproken dat hij bij haar zou komen eten. In het begin, nadat de vijandelijkheden tussen hun bedrijf, N.I.C, de Neuro Imaging Corporation en H.U.C., de Hoyt Uliger Corporation, beëindigd waren had Judith even wat romantische gevoelens voor de briljante Brian gekoesterd, wat overigens wederzijds was geweest. Maar tenslotte hadden ze beide besloten dat ze nog heel lang als goede vrienden zaken met elkaar wilden doen. Een romantische relatie is daarbij ongeveer de domste keuze die je kunt maken. Niettemin waren ze door de jaren heen warm bevriend gebleven. Samen eten en filosoferen over techniek en voortschrijdende inzichten was voor beiden een bron van inspiratie.

            ‘Ik heb nog anderhalf uur de tijd voordat Brian komt,’ dacht Judith, ‘ik ga lekker even in een warm bad liggen.’ Ze liet haar bad vollopen en kleedde zich uit. Voor ze in het bad stapte deed ze echter iets wat ze bijna nooit deed. Ze ging voor de grote spiegel in haar badkamer staan en keek aandachtig naar haar lichaam. ‘Vreemd,’ dacht ze, ‘het is toch zestien jaar geleden dat ik Jesse heb gekregen en het lijkt wel of er geen enkel spoor van veroudering aan mijn lijf te zien is. Ik lijk nog wel steeds dat meisje van vijfentwintig. Ze deed haar armen omhoog en draaide heen en weer voor de spiegel. Een lichte schok ging door haar heen. Ze tuurde naar haar linker oksel. Daar, een beetje aan de achterkant, zodat een stuk ervan ook op haar schouderblad te zien was geweest, had een grote vrij donkere wijnvlek gezeten. Die vlek had daar sinds haar geboorte gezeten en ze had zich er altijd een beetje voor geschaamd, zodat ze meestal had vermeden dat iemand hem kon zien. Die grote donkere wijnvlek was weg…

‘Vergroot de oksel,’ zei ze in de richting van de spiegel. Het hele vlak werd nu bijna gevuld door het spiegelbeeld van de oksel. Geen spoor van de wijnvlek.

Judith schudde met haar hoofd. Er was vast een verklaring voor. Ze stapte in het bad en liet zich onderuit zakken. Heerlijk, dat koesterende warme water. Judith sloot haar ogen. Een half uur lang gaf ze zich over aan de gedachteloze ontspanning en het bijna in slaap vallen. Dan stond ze op en droogde zich af. Nog eenmaal deed ze haar linkerarm omhoog en keek ze in de spiegel. Nee, die wijnvlek was er echt niet meer. ‘Raar, vrij stom ook,’ dacht ze, ‘dat ik dat niet eerder heb opgemerkt. Ik moet toch eens wat beter op mijn lijf letten. Ze kleedde zich aan in een van de glanzende prettig ventilerende overalls die ze doorgaans droeg en die ze in diverse kleuren en dessins in de kast had hangen.

            Judith Krantz had altijd van koken gehouden. Voedsel replicators waren handig en vooral verantwoord vond ze, maar alleen als je geen tijd had om zelf te koken.

Brian Uliger was net als zijzelf een visliefhebber. Vanavond ging ze een van haar lievelingsgerechten voor hun tweeën maken. Ze had twee mooie stukken tonijn gekocht. Die zou ze in folie pakken en met een klontje boter en een heel klein beetje zout en zwarte peper, maar vooral verse koriander in de oven op een tamelijk lage temperatuur heel langzaam juist gaar laten worden. Een frisse groene salade zou ze erbij maken en verder zou ze wat quinoa koken met wat zout en citroensap. In haar keuken haalde ze een mooie fles Pinot Gris uit de koeling die ze alvast ontkurkte en in een wijnkoeler zette.

Terwijl ze met de wijnkoeler naar de eettafel liep zag ze op het grote scherm dat de vrije wand in haar keuken vormde dat Brian Uliger voor de deur stond.

‘Open,’ sprak ze tegen de wand en even later stapte Brian haar keuken binnen. Hij zette de fles Pinot Gris die hij in zijn hand had naast de koeler op de tafel en omhelsde Judith ter begroeting. ‘Ik dacht, laat ik maar een flesje meenemen, voor het geval dat die van jou ineens leeg blijkt te zijn.

‘Ben jij vroeg of ben ik laat?’ zei Judith.

‘O jee, ben ik te vroeg?’ Brian keek enigszins geschrokken.

‘Nee hoor,’ zei Judith, ‘ik plaag je maar. Je bent altijd op de seconde op tijd. Je moet me ooit maar eens uitleggen hoe je dat doet, want mij lukt dat nooit.

Brian keek haar aan met een glimlach. ‘Ach, weet je Judith, dat heeft waarschijnlijk te maken met de kleine verschilletjes tussen jongens en meisjes.

Ze trok haar wenkbrauwen op, ‘ja, ja,’ lachte ze, ‘ik wist wel dat je het me kon uitleggen. Eerst maar een glaasje wijn?’

Hij knikte. Judith schonk twee glazen in en reikte hem er een aan. ‘Proost, op ons nimmer aflatend technisch vernuft,’ zei ze.

‘Daar drink ik al jaren graag op,’ zei Brian terwijl hij zijn glas hief.

Tegenover elkaar gingen ze aan Judiths keukentafel zitten.

Heel vaak hadden ze in de afgelopen jaren zo tegenover elkaar gezeten, als oude vrienden die ook zakelijk een bondgenootschap hadden gesloten.

‘Wat denk je Brian, heb je al erge honger of zullen we eerst even bijpraten?’

Judith wist wel wat Brian zou zeggen, maar het was een soort spelletje geworden om die vraag steeds weer te stellen.

Brian Uliger keek haar grinnikend aan en zei: ‘het is elke keer weer een lastige vraag, omdat je zo verdomd lekker kookt, maar van haast is nog nooit iets mooier geworden. Wat heb je voor nieuws?’

Judith keek plotseling wat peinzend voor zich uit. Ze moest ineens weer denken aan die verdwenen wijnvlek.

Brian zag haar aarzeling. ‘Er is toch niets verontrustends, Judith?’

Judith schudde haar hoofd: ‘Ach nee, ik denk dat het niets is.’

‘Vertel het dan toch maar.’ Brian kende haar lang genoeg om te weten dat Judith de neiging had om dingen, vaak kleinigheden, die ze niet direct begreep voor zich te houden tot ze er zelf een oplossing voor had gevonden.

‘Ach,’ begon ze, ‘Het is eigenlijk niets bijzonders denk ik. Maar goed, als je het weten wilt.’

Brian knikte.

‘Daarstraks, voor ik in het bad stapte ging ik eens even voor de spiegel staan. Je kent me langzamerhand wel goed genoeg om te weten dat spiegels mij nooit erg getrokken hebben. Misschien was dat ook wel de reden dat mijn moeder vroeger altijd zei dat ik misschien beter een jongetje had kunnen zijn, maar goed, daar gaat het nu niet om. Waar het wel om gaat is dat ik vroeger onder mijn linker oksel en voor een deel over mijn linker schouderblad een grote donkere wijnvlek had. Ik schaamde me daar als kind behoorlijk voor en ik zorgde er altijd wel voor dat niemand hem te zien kreeg. Bij de gymnastiek lessen zorgde ik er altijd voor dat ik achteraan stond en zwemmen daaraan onttrok ik me zoveel mogelijk. Daarstraks, voor het bad stond ik voor de spiegel en deed mijn armen omhoog. Tot mijn stomme verbazing zag ik niets meer van die vlek. Dat is raar, want ik weet dat zulke vlekken eigenlijk nooit echt verdwijnen. En er is trouwens nog iets wat ik eigenaardig vind, maar dat heb jij misschien ook wel opgemerkt.’

‘Wat bedoel je?’ Brian keek haar aandachtig aan.

‘Ik weet eigenlijk niet zo goed hoe ik het zeggen moet, maar als ik naar mezelf kijk in de spiegel, dan is het net alsof ik in de afgelopen tien jaar helemaal niet veranderd ben. Ik bedoel…’ze aarzelde. ‘Ik bedoel dat het me vandaag ineens opviel dat ik geen enkele veroudering opmerk. Wat vind jij?’

Brian Uliger leunde achterover met zijn handen voor zich op de tafel. ‘Ja, nu je het zegt. Eigenlijk zie ik geen enkele verandering in je uiterlijk als ik het beeld vergelijk wat ik me van je herinner uit de tijd toen je voor H.U.C. kwam werken en hoe je er nu uitziet. Het lijkt wel alsof de tijd volledig aan je voorbij is gegaan. Zelf ben ik ook tien jaar ouder geworden. Zoals je ongetwijfeld weet nader ik nu de zestig. Ik zal niet zeggen dat ik me oud voel, want dat is beslist niet zo, maar ik voel en zie wel dat ik geen achttien meer ben.’

‘Dat is precies wat ik bedoel, Brian. Ik voel me juist alsof ik nog steeds achttien ben, heel vreemd. En als ik nu naar Barbara Timble kijk, ons wiskundewonder, zoals je weet, dan zie ik kraaienpootjes rond de ogen en rimpels in het voorhoofd en hier en daar een grijze haar, terwijl Barbara net zou oud is als ik.’

Brian Uliger schudde langzaam zijn hoofd. ‘Tja Judith, het kan natuurlijk zijn dat je enorm boft met je genetisch materiaal, maar wonderlijk is het wel.’

Judith Krantz dronk het laatste slokje Pinot Gris uit haar glas en stond op. ‘Ik denk dat ik maar eens iets voor je moet gaan koken anders krijg je straks misschien wel echt honger. Blijf jij maar lekker zitten en schenk ons nog maar een glaasje in dan ga ik eens proberen iets moois met tonijn te maken.’

Brian Uliger voldeed graag aan haar verzoek.

Eternal Mitosis

Nieuwe roman.

Zojuist heb ik mijn nieuwe roman, Eternal Mitosis, naar een uitgever gestuurd. Maar toen ik dat deed bedacht ik ook dat het misschien wel aardig zou zijn als ik via  dit blog kan laten weten dat er weer een nieuw boek van mij kan verschijnen, als de uitgever het tenminste wil nemen.

Het verhaal:

Het gaat dit keer over gezondheid en over de oude droom van de mensheid namelijk om heel lang, zo niet eeuwig, te leven. Onze lichamen zijn daarop echter niet ingericht. Zelfs de Bijbel meldt in hoofdstuk Genesis 6 in een van de eerste verzen dat het leven van de mens ultimo beperkt is tot honderden twintig jaar. Nou zul je misschien zeggen: maar dat is toch fantastisch. Dan zeg ik ja, maar dan ben je wel heel erg oud en mogelijk gebrekkig, want de afbraak van onze jeugdigheid begint al als we vijf en twintig zijn. Een lange, langzame en vaak teleurstellende neergang, niet waar. Nou goed, ik heb op grond van mijn vroegere activiteiten als chiropractor en natuurgeneeskundig therapeut enige medische kennis en ik heb uitgezocht dat die langzame afbraak van ons lichaam en onze gezondheid te maken heeft met de reproductie, het vervangen dus, van onze lichaamscellen. Als een cel oud is moet hij vervangen worden. Ons DNA wordt dan nauwkeurig gekopieerd en er wordt een nieuwe cel gevormd. Voor dat kopiëren zijn echter stukjes nodig die de boel netjes tegen elkaar houden om een precieze kopie te maken. Aan weerszijden van het DNA zitten dat stukjes die geen erfelijke informatie bevatten, maar die uitsluitend bedoeld zijn om de oude en de nieuwe molecuul netjes tegen elkaar te houden. Telomeren heten die stukjes. Het zou allemaal eeuwig goed gaan als niet bij het maken van elke nieuwe cel er zo’n stukje afbrokkelt. Je hebt er een heleboel van hoor, maar ze raken op een gegeven moment wel op en slordig tegen elkaar gehouden DNA wordt niet overgeschreven. Met andere woorden, het lichaam moet het met steeds minder nieuwe cellen doen. Dat noemen we veroudering. Geloof me maar. Ik weet wat dat is, want ik ben intussen vijfentachtig en dat is goed te merken. Nu zijn er echter een paar plekken in het lichaam waar die telomeren weer aangroeien. Dat zijn de geslachtscellen en de stamcellen. Dat is maar een heel klein deel van ons lijf. Daar waar dat gebeurt komt dat door dat er daar een bepaald enzym wordt gemaakt, telomerase. Als dat nou overal het geval was dat werden we niet zo snel oud. Oh ja, er is natuurlijk veel meer dat kapot kan, maar als zieke en vermoeide cellen altijd door nieuwe worden vervangen gaan we echt veel langer mee zonder ouderdomsverschijnselen. Dat laatste is natuurlijk cruciaal, want wat heb je eraan als je een paarhonderd jaar oud wordt en je moet je moeizaam in een rolstoel voortbewegen?

In dat nieuwe boek van mij heb ik het over een paar wetenschappers die een injecteerbare vorm van dat telomerase hebben uitgevonden. Natuurlijk zijn er weer een hele boel verwikkelingen omheen, vaak misdadig. Ja, het is al met al wel een spannend boek geworden, vind ik zelf. Enfin, je moet het zelf maar lezen. Eternal Mitosis heet het. Dat betekent eeuwigdurende celdeling, maar dan wel gezond en niet woekerend zoals bij kanker.

Wanneer het uitkomt? Geen idee. Het ligt net ter beoordeling bij een uitgever.

Ik ben oké, jij bent oké

Ik was vermoedelijk nog hoofd van een basisschool in Weesp toen dit boek, Ik ben oké, jij bent oké van psychiater Thomas Harris mijn aandacht trok. De school waar ik werkte in Weesp, een kleine provincieplaats, was een echte volksschool. Er konden ook, zelfs in die tijd voor de mobiele telefoons en dergelijke, soms ernstige onenigheden ontstaan onder met name de jongens. Om mijn schoolhoofdelijke taken naar behoren te kunnen vervullen was ik een dag in de week vrijgesteld van lesgeven aan een klas en kon ik in mijn kantoor me bezig houden met de extra taken die het schoolhoofd nu een maal boven op de lestaak te vervullen heeft. Daar had je bijvoorbeeld het organiseren van een buitenschoolse excursiedag voor elke klas apart – dat waren er dus zes – en de administratie en inkoop van de leermiddelen, het onderhouden van de contacten met het gemeentebestuur, doorgaans via de afdeling onderwijs bij de gemeente. Vaak kwam er echter het bijwonen van bepaalde gemeenteraadsvergaderingen in de avonden bij. Advies werd er van mij verwacht bij de nieuwbouw van scholen in een nieuwe wijk.               Al met al had ik een druk bezet leven, waarin ook het contact met de andere collega schoolhoofden een rol speelde en dat vaak ook na schooltijd of in de avonden zijn beslag kreeg.

De aard van de bevolking van mijn school was, laat ik het voorzichtig uitdrukken, toch vaak een beetje in de sfeer van: ‘ik heb gelijk en als je het niet met me eens bent kun je klappen krijgen’. Vechtpartijtjes kwamen voor maar de grootste belhamels hadden wel ontzag voor pure kracht. Ach, in dat verband herinner ik me nog een op het eerste gezicht onbetekenende gebeurtenis. Er was een onderwijzer die breed geschouderd en verder nog al stevig was. Volgens de jongens, die hem onder elkaar Arie noemden, was hij heel sterk. Op een dag, waar de boefjes van de school om heen stonden deed ik iets, waarvan ik wist dat ik het kon winnen. Met die onderwijzer ging ik daar een potje armworstelen, een krachtproef die uiteraard in welwillende vriendschap verloopt. Ik ben altijd heel sterk in mijn armen geweest en dat wedstrijdje won ik dan ook. Ik herinner me nog levendig dat ik de belhamels toen met ontzag zich hoorde verwijderen en hoe ze tegen elkaar zeiden: ‘jesus hé, hij is nog sterker as Arie’. Tja in sommige gemeenschappen kun je op die manier ook je gezag bevestigen. Mijn persoonlijke voorkeur is echter altijd uitgegaan naar het werk van die psychiater Harris en zijn verhaal: ik ben oké, jij bent oké.

Als ik nu na al die jaren – het waren de zeventiger jaren van de vorige eeuw dat ik de bovenmeester van dat Weesper schooltje mocht zijn – nog eens over mijn schouder naar ons gezamenlijk verleden kijk, dan zie ik politiek en maatschappelijk geen andere houding dan: ‘ik ben oké en jij bent niet oké’. Of ik nu kijk naar onze nationale politieke haarkloverijen of ik beschouw het grotere verband in Europa tegenover Rusland en de dodelijke strijd die Oekraïne geheel dreigt te verwoesten, het is allemaal Wij zijn oké, wij hebben gelijk en zij zijn niet oké, zij hebben ongelijk. Het levert helaas een ongelijke strijd op die al vele duizenden levens heeft geëist en die uiteindelijk wel moet eindigen in een verongelijkte conversatie met zwaar geblutste koppen waaruit tenslotte zonneklaar zal blijken dat die ander, die vijand, die tegenpartij op zijn eigen manier al die tijd ook oké was, waarbij we tot onze schande moeten bekennen dat ook deze keer de oorlogsstokers weer uitsluitend op eigen gewin uit waren en dat we ons weer allemaal hebben laten bedriegen. Wanneer gaan we dit nou eens eindelijk leren. Dan leven we langer, gezonder en tevredener.