Hoofdstuk 1

1.

            Judith Krantz was juist haar appartement binnengekomen. Erg vermoeiend was haar dag niet geweest. De hele week had trouwens niet veel inspanning van haar gevraagd. Eigenlijk ergerde ze zich daar behoorlijk aan. In het afgelopen jaar hadden ze niets werkelijk nieuws op stapel gezet bij N.I.C., de Neuro Imaging Corporation die ze nu al ruim tien jaar met zes andere hoogbegaafde vrienden leidde.

Er was meer dan genoeg reden om tevreden te zijn met de resultaten van hun bedrijf.

Ze was nu drieënveertig en ze kon terugkijken op tien uitermate succesvolle jaren.

            Aanvankelijk hadden ze een simpel voorwerpje op de markt gebracht, een hebbedingetje eigenlijk. De sychronizer was echter, mede door de inzichten van marketeer Tibor Horvat een wereldwijd succes geworden.

Het leuke van het succes was, Tibor had dat uitvoerig uitgelegd, dat de synchronizer aansloot bij heel oude menselijke gewoonten. ‘Het is een talisman,’ had Tibor gezegd, ‘een geluksdingetje. Vroeger hadden mensen armbanden om hun polsen waaraan magische dan wel ongefundeerde gezondheidswerkingen werden toegedacht of halskettingen of zelfs stenen in hun zakken. Logisch of niet, mensen doen dat soort dingen door de eeuwen heen. ‘Als je iets op de markt brengt dat je op je lichaam draagt en waaraan, al dan niet terecht, een gunstige werking kan worden toegeschreven dan is succes bijna verzekerd, als je tenminste weet hoe je moet verkopen,’ had hij er grinnikend achteraan gezegd.

            De synchronizer was inderdaad een bestseller geworden en niet alleen omdat Tibor Horvat een geniale verkoopstrategie had ontwikkeld. De synchronizer maakte waar wat hij beloofde. Eenmaal op de huid geplaatst ontstond er een zeer aangename wisselwerking tussen het zenuwstelsel en het hormonale systeem van de drager. Het effect was steeds weer een ontspannen gevoel van welbehagen, ongeacht de activiteit waarmee de drager op dat moment bezig was. Veel succesvolle onderhandelingen waren dankzij de synchronizer gevoerd tussen organisaties waarvan de belangen aanvankelijk diametraal leken te verschillen.

            Als Judith Krantz terugdacht aan die eerste periode van het bestaan van hun bedrijf verlangde ze weleens terug. Het was de tijd geweest waarin de grote – en vervolgens succesvolle producten waren gecreëerd. Toen bedacht ze – en bouwde ze prototypes en dat deed ze het liefst. Nu was er, althans voorlopig, niets anders te doen dan het ontwerpen en implementeren van kleine verbeteringen die de gebruikers moesten verleiden tot het aanschaffen van de nieuwste versie van eerder op de markt gebrachte producten. ‘Allemaal enorm nuttig en leuk,’ zei Judith vaak, maar ik vind het kruimelwerk.’

Nog altijd begon de werkdag bij N.I.C. driemaal in de week met een brainstormsessie. En vaak moest de man onder haar collega’s die haar het meest na stond, Nils Bexon, een hand op haar arm leggen als ze weer eens een ongeduldige opmerking had gemaakt, waardoor het gesprek even stilviel en er hier en daar een lichte ergernis was.

            Het was rond zeven uur toen ze thuiskwam. Haar zoon, Jesse had laten weten dat hij het weekend op de campus bleef, omdat hij met een vriend samen aan een project wilde werken. Ze had met haar oude vriend en vroegere werkgever Brian Uliger afgesproken dat hij bij haar zou komen eten. In het begin, nadat de vijandelijkheden tussen hun bedrijf, N.I.C, de Neuro Imaging Corporation en H.U.C., de Hoyt Uliger Corporation, beëindigd waren had Judith even wat romantische gevoelens voor de briljante Brian gekoesterd, wat overigens wederzijds was geweest. Maar tenslotte hadden ze beide besloten dat ze nog heel lang als goede vrienden zaken met elkaar wilden doen. Een romantische relatie is daarbij ongeveer de domste keuze die je kunt maken. Niettemin waren ze door de jaren heen warm bevriend gebleven. Samen eten en filosoferen over techniek en voortschrijdende inzichten was voor beiden een bron van inspiratie.

            ‘Ik heb nog anderhalf uur de tijd voordat Brian komt,’ dacht Judith, ‘ik ga lekker even in een warm bad liggen.’ Ze liet haar bad vollopen en kleedde zich uit. Voor ze in het bad stapte deed ze echter iets wat ze bijna nooit deed. Ze ging voor de grote spiegel in haar badkamer staan en keek aandachtig naar haar lichaam. ‘Vreemd,’ dacht ze, ‘het is toch zestien jaar geleden dat ik Jesse heb gekregen en het lijkt wel of er geen enkel spoor van veroudering aan mijn lijf te zien is. Ik lijk nog wel steeds dat meisje van vijfentwintig. Ze deed haar armen omhoog en draaide heen en weer voor de spiegel. Een lichte schok ging door haar heen. Ze tuurde naar haar linker oksel. Daar, een beetje aan de achterkant, zodat een stuk ervan ook op haar schouderblad te zien was geweest, had een grote vrij donkere wijnvlek gezeten. Die vlek had daar sinds haar geboorte gezeten en ze had zich er altijd een beetje voor geschaamd, zodat ze meestal had vermeden dat iemand hem kon zien. Die grote donkere wijnvlek was weg…

‘Vergroot de oksel,’ zei ze in de richting van de spiegel. Het hele vlak werd nu bijna gevuld door het spiegelbeeld van de oksel. Geen spoor van de wijnvlek.

Judith schudde met haar hoofd. Er was vast een verklaring voor. Ze stapte in het bad en liet zich onderuit zakken. Heerlijk, dat koesterende warme water. Judith sloot haar ogen. Een half uur lang gaf ze zich over aan de gedachteloze ontspanning en het bijna in slaap vallen. Dan stond ze op en droogde zich af. Nog eenmaal deed ze haar linkerarm omhoog en keek ze in de spiegel. Nee, die wijnvlek was er echt niet meer. ‘Raar, vrij stom ook,’ dacht ze, ‘dat ik dat niet eerder heb opgemerkt. Ik moet toch eens wat beter op mijn lijf letten. Ze kleedde zich aan in een van de glanzende prettig ventilerende overalls die ze doorgaans droeg en die ze in diverse kleuren en dessins in de kast had hangen.

            Judith Krantz had altijd van koken gehouden. Voedsel replicators waren handig en vooral verantwoord vond ze, maar alleen als je geen tijd had om zelf te koken.

Brian Uliger was net als zijzelf een visliefhebber. Vanavond ging ze een van haar lievelingsgerechten voor hun tweeën maken. Ze had twee mooie stukken tonijn gekocht. Die zou ze in folie pakken en met een klontje boter en een heel klein beetje zout en zwarte peper, maar vooral verse koriander in de oven op een tamelijk lage temperatuur heel langzaam juist gaar laten worden. Een frisse groene salade zou ze erbij maken en verder zou ze wat quinoa koken met wat zout en citroensap. In haar keuken haalde ze een mooie fles Pinot Gris uit de koeling die ze alvast ontkurkte en in een wijnkoeler zette.

Terwijl ze met de wijnkoeler naar de eettafel liep zag ze op het grote scherm dat de vrije wand in haar keuken vormde dat Brian Uliger voor de deur stond.

‘Open,’ sprak ze tegen de wand en even later stapte Brian haar keuken binnen. Hij zette de fles Pinot Gris die hij in zijn hand had naast de koeler op de tafel en omhelsde Judith ter begroeting. ‘Ik dacht, laat ik maar een flesje meenemen, voor het geval dat die van jou ineens leeg blijkt te zijn.

‘Ben jij vroeg of ben ik laat?’ zei Judith.

‘O jee, ben ik te vroeg?’ Brian keek enigszins geschrokken.

‘Nee hoor,’ zei Judith, ‘ik plaag je maar. Je bent altijd op de seconde op tijd. Je moet me ooit maar eens uitleggen hoe je dat doet, want mij lukt dat nooit.

Brian keek haar aan met een glimlach. ‘Ach, weet je Judith, dat heeft waarschijnlijk te maken met de kleine verschilletjes tussen jongens en meisjes.

Ze trok haar wenkbrauwen op, ‘ja, ja,’ lachte ze, ‘ik wist wel dat je het me kon uitleggen. Eerst maar een glaasje wijn?’

Hij knikte. Judith schonk twee glazen in en reikte hem er een aan. ‘Proost, op ons nimmer aflatend technisch vernuft,’ zei ze.

‘Daar drink ik al jaren graag op,’ zei Brian terwijl hij zijn glas hief.

Tegenover elkaar gingen ze aan Judiths keukentafel zitten.

Heel vaak hadden ze in de afgelopen jaren zo tegenover elkaar gezeten, als oude vrienden die ook zakelijk een bondgenootschap hadden gesloten.

‘Wat denk je Brian, heb je al erge honger of zullen we eerst even bijpraten?’

Judith wist wel wat Brian zou zeggen, maar het was een soort spelletje geworden om die vraag steeds weer te stellen.

Brian Uliger keek haar grinnikend aan en zei: ‘het is elke keer weer een lastige vraag, omdat je zo verdomd lekker kookt, maar van haast is nog nooit iets mooier geworden. Wat heb je voor nieuws?’

Judith keek plotseling wat peinzend voor zich uit. Ze moest ineens weer denken aan die verdwenen wijnvlek.

Brian zag haar aarzeling. ‘Er is toch niets verontrustends, Judith?’

Judith schudde haar hoofd: ‘Ach nee, ik denk dat het niets is.’

‘Vertel het dan toch maar.’ Brian kende haar lang genoeg om te weten dat Judith de neiging had om dingen, vaak kleinigheden, die ze niet direct begreep voor zich te houden tot ze er zelf een oplossing voor had gevonden.

‘Ach,’ begon ze, ‘Het is eigenlijk niets bijzonders denk ik. Maar goed, als je het weten wilt.’

Brian knikte.

‘Daarstraks, voor ik in het bad stapte ging ik eens even voor de spiegel staan. Je kent me langzamerhand wel goed genoeg om te weten dat spiegels mij nooit erg getrokken hebben. Misschien was dat ook wel de reden dat mijn moeder vroeger altijd zei dat ik misschien beter een jongetje had kunnen zijn, maar goed, daar gaat het nu niet om. Waar het wel om gaat is dat ik vroeger onder mijn linker oksel en voor een deel over mijn linker schouderblad een grote donkere wijnvlek had. Ik schaamde me daar als kind behoorlijk voor en ik zorgde er altijd wel voor dat niemand hem te zien kreeg. Bij de gymnastiek lessen zorgde ik er altijd voor dat ik achteraan stond en zwemmen daaraan onttrok ik me zoveel mogelijk. Daarstraks, voor het bad stond ik voor de spiegel en deed mijn armen omhoog. Tot mijn stomme verbazing zag ik niets meer van die vlek. Dat is raar, want ik weet dat zulke vlekken eigenlijk nooit echt verdwijnen. En er is trouwens nog iets wat ik eigenaardig vind, maar dat heb jij misschien ook wel opgemerkt.’

‘Wat bedoel je?’ Brian keek haar aandachtig aan.

‘Ik weet eigenlijk niet zo goed hoe ik het zeggen moet, maar als ik naar mezelf kijk in de spiegel, dan is het net alsof ik in de afgelopen tien jaar helemaal niet veranderd ben. Ik bedoel…’ze aarzelde. ‘Ik bedoel dat het me vandaag ineens opviel dat ik geen enkele veroudering opmerk. Wat vind jij?’

Brian Uliger leunde achterover met zijn handen voor zich op de tafel. ‘Ja, nu je het zegt. Eigenlijk zie ik geen enkele verandering in je uiterlijk als ik het beeld vergelijk wat ik me van je herinner uit de tijd toen je voor H.U.C. kwam werken en hoe je er nu uitziet. Het lijkt wel alsof de tijd volledig aan je voorbij is gegaan. Zelf ben ik ook tien jaar ouder geworden. Zoals je ongetwijfeld weet nader ik nu de zestig. Ik zal niet zeggen dat ik me oud voel, want dat is beslist niet zo, maar ik voel en zie wel dat ik geen achttien meer ben.’

‘Dat is precies wat ik bedoel, Brian. Ik voel me juist alsof ik nog steeds achttien ben, heel vreemd. En als ik nu naar Barbara Timble kijk, ons wiskundewonder, zoals je weet, dan zie ik kraaienpootjes rond de ogen en rimpels in het voorhoofd en hier en daar een grijze haar, terwijl Barbara net zou oud is als ik.’

Brian Uliger schudde langzaam zijn hoofd. ‘Tja Judith, het kan natuurlijk zijn dat je enorm boft met je genetisch materiaal, maar wonderlijk is het wel.’

Judith Krantz dronk het laatste slokje Pinot Gris uit haar glas en stond op. ‘Ik denk dat ik maar eens iets voor je moet gaan koken anders krijg je straks misschien wel echt honger. Blijf jij maar lekker zitten en schenk ons nog maar een glaasje in dan ga ik eens proberen iets moois met tonijn te maken.’

Brian Uliger voldeed graag aan haar verzoek.

Eternal Mitosis

Nieuwe roman.

Zojuist heb ik mijn nieuwe roman, Eternal Mitosis, naar een uitgever gestuurd. Maar toen ik dat deed bedacht ik ook dat het misschien wel aardig zou zijn als ik via  dit blog kan laten weten dat er weer een nieuw boek van mij kan verschijnen, als de uitgever het tenminste wil nemen.

Het verhaal:

Het gaat dit keer over gezondheid en over de oude droom van de mensheid namelijk om heel lang, zo niet eeuwig, te leven. Onze lichamen zijn daarop echter niet ingericht. Zelfs de Bijbel meldt in hoofdstuk Genesis 6 in een van de eerste verzen dat het leven van de mens ultimo beperkt is tot honderden twintig jaar. Nou zul je misschien zeggen: maar dat is toch fantastisch. Dan zeg ik ja, maar dan ben je wel heel erg oud en mogelijk gebrekkig, want de afbraak van onze jeugdigheid begint al als we vijf en twintig zijn. Een lange, langzame en vaak teleurstellende neergang, niet waar. Nou goed, ik heb op grond van mijn vroegere activiteiten als chiropractor en natuurgeneeskundig therapeut enige medische kennis en ik heb uitgezocht dat die langzame afbraak van ons lichaam en onze gezondheid te maken heeft met de reproductie, het vervangen dus, van onze lichaamscellen. Als een cel oud is moet hij vervangen worden. Ons DNA wordt dan nauwkeurig gekopieerd en er wordt een nieuwe cel gevormd. Voor dat kopiëren zijn echter stukjes nodig die de boel netjes tegen elkaar houden om een precieze kopie te maken. Aan weerszijden van het DNA zitten dat stukjes die geen erfelijke informatie bevatten, maar die uitsluitend bedoeld zijn om de oude en de nieuwe molecuul netjes tegen elkaar te houden. Telomeren heten die stukjes. Het zou allemaal eeuwig goed gaan als niet bij het maken van elke nieuwe cel er zo’n stukje afbrokkelt. Je hebt er een heleboel van hoor, maar ze raken op een gegeven moment wel op en slordig tegen elkaar gehouden DNA wordt niet overgeschreven. Met andere woorden, het lichaam moet het met steeds minder nieuwe cellen doen. Dat noemen we veroudering. Geloof me maar. Ik weet wat dat is, want ik ben intussen vijfentachtig en dat is goed te merken. Nu zijn er echter een paar plekken in het lichaam waar die telomeren weer aangroeien. Dat zijn de geslachtscellen en de stamcellen. Dat is maar een heel klein deel van ons lijf. Daar waar dat gebeurt komt dat door dat er daar een bepaald enzym wordt gemaakt, telomerase. Als dat nou overal het geval was dat werden we niet zo snel oud. Oh ja, er is natuurlijk veel meer dat kapot kan, maar als zieke en vermoeide cellen altijd door nieuwe worden vervangen gaan we echt veel langer mee zonder ouderdomsverschijnselen. Dat laatste is natuurlijk cruciaal, want wat heb je eraan als je een paarhonderd jaar oud wordt en je moet je moeizaam in een rolstoel voortbewegen?

In dat nieuwe boek van mij heb ik het over een paar wetenschappers die een injecteerbare vorm van dat telomerase hebben uitgevonden. Natuurlijk zijn er weer een hele boel verwikkelingen omheen, vaak misdadig. Ja, het is al met al wel een spannend boek geworden, vind ik zelf. Enfin, je moet het zelf maar lezen. Eternal Mitosis heet het. Dat betekent eeuwigdurende celdeling, maar dan wel gezond en niet woekerend zoals bij kanker.

Wanneer het uitkomt? Geen idee. Het ligt net ter beoordeling bij een uitgever.

Ik ben oké, jij bent oké

Ik was vermoedelijk nog hoofd van een basisschool in Weesp toen dit boek, Ik ben oké, jij bent oké van psychiater Thomas Harris mijn aandacht trok. De school waar ik werkte in Weesp, een kleine provincieplaats, was een echte volksschool. Er konden ook, zelfs in die tijd voor de mobiele telefoons en dergelijke, soms ernstige onenigheden ontstaan onder met name de jongens. Om mijn schoolhoofdelijke taken naar behoren te kunnen vervullen was ik een dag in de week vrijgesteld van lesgeven aan een klas en kon ik in mijn kantoor me bezig houden met de extra taken die het schoolhoofd nu een maal boven op de lestaak te vervullen heeft. Daar had je bijvoorbeeld het organiseren van een buitenschoolse excursiedag voor elke klas apart – dat waren er dus zes – en de administratie en inkoop van de leermiddelen, het onderhouden van de contacten met het gemeentebestuur, doorgaans via de afdeling onderwijs bij de gemeente. Vaak kwam er echter het bijwonen van bepaalde gemeenteraadsvergaderingen in de avonden bij. Advies werd er van mij verwacht bij de nieuwbouw van scholen in een nieuwe wijk.               Al met al had ik een druk bezet leven, waarin ook het contact met de andere collega schoolhoofden een rol speelde en dat vaak ook na schooltijd of in de avonden zijn beslag kreeg.

De aard van de bevolking van mijn school was, laat ik het voorzichtig uitdrukken, toch vaak een beetje in de sfeer van: ‘ik heb gelijk en als je het niet met me eens bent kun je klappen krijgen’. Vechtpartijtjes kwamen voor maar de grootste belhamels hadden wel ontzag voor pure kracht. Ach, in dat verband herinner ik me nog een op het eerste gezicht onbetekenende gebeurtenis. Er was een onderwijzer die breed geschouderd en verder nog al stevig was. Volgens de jongens, die hem onder elkaar Arie noemden, was hij heel sterk. Op een dag, waar de boefjes van de school om heen stonden deed ik iets, waarvan ik wist dat ik het kon winnen. Met die onderwijzer ging ik daar een potje armworstelen, een krachtproef die uiteraard in welwillende vriendschap verloopt. Ik ben altijd heel sterk in mijn armen geweest en dat wedstrijdje won ik dan ook. Ik herinner me nog levendig dat ik de belhamels toen met ontzag zich hoorde verwijderen en hoe ze tegen elkaar zeiden: ‘jesus hé, hij is nog sterker as Arie’. Tja in sommige gemeenschappen kun je op die manier ook je gezag bevestigen. Mijn persoonlijke voorkeur is echter altijd uitgegaan naar het werk van die psychiater Harris en zijn verhaal: ik ben oké, jij bent oké.

Als ik nu na al die jaren – het waren de zeventiger jaren van de vorige eeuw dat ik de bovenmeester van dat Weesper schooltje mocht zijn – nog eens over mijn schouder naar ons gezamenlijk verleden kijk, dan zie ik politiek en maatschappelijk geen andere houding dan: ‘ik ben oké en jij bent niet oké’. Of ik nu kijk naar onze nationale politieke haarkloverijen of ik beschouw het grotere verband in Europa tegenover Rusland en de dodelijke strijd die Oekraïne geheel dreigt te verwoesten, het is allemaal Wij zijn oké, wij hebben gelijk en zij zijn niet oké, zij hebben ongelijk. Het levert helaas een ongelijke strijd op die al vele duizenden levens heeft geëist en die uiteindelijk wel moet eindigen in een verongelijkte conversatie met zwaar geblutste koppen waaruit tenslotte zonneklaar zal blijken dat die ander, die vijand, die tegenpartij op zijn eigen manier al die tijd ook oké was, waarbij we tot onze schande moeten bekennen dat ook deze keer de oorlogsstokers weer uitsluitend op eigen gewin uit waren en dat we ons weer allemaal hebben laten bedriegen. Wanneer gaan we dit nou eens eindelijk leren. Dan leven we langer, gezonder en tevredener.

Gedachtekracht

Een bij mijn weten op deze wereld nooit onderzocht fenomeen is een kracht, de gedachtekracht, waarvan gedacht wordt dat hij sneller is dan het licht. Eigenlijk is het een kracht die voortkomt uit het voorstellingsvermogen van wat wij – helaas zou ik willen toevoegen – als fantasie beschouwen. Die laatste specificatie wordt over het algemeen beschouwd als niet van deze werkelijkheid, daarmee voorbijgaand aan het feit dat op het eerste gezicht – en uitsluitend op het eerste gezicht – die algemene beschouwing geldt. Achteloos gaan we daarin voorbij aan alles dat gevoel betreft en dat, zijnde niet het product van de vijf zintuigen (uitgezonderd de tastzin gebruikt waar de hand iets buiten het lichaam raakt).

Laatst hoorde ik in een uitzending van Jorn Luca een mevrouw spreken over meer dan veertig zintuigen, waarvan het merendeel niet aan ons hoofd kan worden toegeschreven, maar die niettemin wel degelijk zintuigen zijn die langs allerlei tot nu toe onverklaarde wegen ons bewustzijn bereiken.

Welnu, de gedachtekracht, indien reëel zal wellicht niet voortkomen uit de genoemde en naar mijn opvatting oorspronkelijke en derhalve primitieve zintuigen. Met andere woorden: er moet meer zijn, denk ik.

Laat me mijn op redelijke ervaring berustende fantasie maar eens volgen. Waar ze precies vandaan komen is tot nu toe niet bekend gemaakt. Wel – zij het met tegenzin en horten en stoten – bekend zijn de Ufo’s die ons blijkbaar en dan vermoedelijk al heel lang bezoeken. Amerika, ooit begonnen met het Roswellincident, wat zogenaamd een weerballon was, is hierin nu de officiële voorloper waar nu mondjesmaat de ervaringen met de contacten met buitenaardse beschavingen worden toegegeven. Wat de buitenaardsen – gewoon mensen die waarschijnlijk een aantal duizenden jaren eerder met hun beschaving zijn begonnen – allemaal meer kunnen dan wij is tot nu toe niet gecommuniceerd. Denkend aan sciencefictionseries als ‘Startrek’, waar via de teletransporter mensen binnen een hartslag worden over gestraald, besluit ik maar geheel zelfstandig dat deze techniek ook eenmaal binnen ons bereik zal liggen en dat daarmee direct ook de gedachtekracht, het voorstellingsvermogen dus, een eind zal maken aan de beperking dat de lichtsnelheid de absolute maximum verplaatsingssnelheid is. Met andere woorden de Einstein beperking van E=MC2 geldt alleen binnen onze gewone biologische omgeving. Wanneer er echter levensvormen bekend zullen worden die wij nu nog dromerig het hiernamaals noemen, maar waar we mogelijk keuzes hebben liggen die eerder als tussenvormen bekend zullen worden tussen het biologische leven en de pure bewustzijnsvorm (Ik heb Rupert Jones in mijn eerste roman Het Komodo Experiment al in een dergelijke vorm laten belanden, zij het onbedoeld). Het kan en het gebeurt om ons heen op grote schaal. Arrogant als we zijn menen we de kroon op de schepping te zijn, maar we zijn nog in de kleuterfase en we moeten zelfs nog oppassen dat we onszelf niet vernietigen met het veel te gevaarlijke atoom-vuurwerk dat we hebben uitgevonden. Kleuters moeten toch ook niet met lucifers spelen. Hoe dan ook, ik ben ervan overtuigd dat wij niet voor niets eeuwige wezens zijn die als we volwassen en uit de luiers zijn een interessante toekomst tegemoet mogen zien.

Klaar?

Vijfentachtig ben ik nu. Ik weet het, veel mensen halen dat niet. Vaak kijk ik tegenwoordig in de krant de overlijdensadvertenties na en dan zie ik dat ik langzamerhand toch, als je het tenminste zo noemen kunt, tot de bevoorrechte groep begin te horen. Waarom staat er dan ‘klaar’ boven dit stukje? Nou, dat beschrijft het gevoel wat ik bij mezelf merk. Ik heb het gevoel dat ik een belangrijke taak klaar heb in mijn leven. Het is misschien een beetje raar om te zeggen maar allebei de kinderen die ik in dit leven heb gekregen – de eerste, Karin die zichzelf Katinka noemde die al op 36 -jarige leeftijd in 2000 stierf en nu kortgeleden Annemieke die ons op 53 jaar ontviel en die afgelopen dinsdag in een zorgvuldig geregisseerde crematie haar levenseinde vierde kan ik bijna wel zeggen – zijn nu dus allebei overleden. Hoe en waarom heb ik dan het gevoel dat iets in mijn leven klaar is, dat ik iets heb afgemaakt. Het is voor ouders toch niet gewoon om een kind te overleven, maar twee is helemaal ongebruikelijk. Toch ben ik niet diep bedroefd. Eerder heb ik een soort eerbiedig besef dat de zware opgave waarmee ik blijkbaar aan dit leven begonnen ben erop zit en dat ik nu nog hopelijk een klein, maar mooi stukje voor mezelf heb.                                                                                                                                                                             Die kinderen van mij leden beide aan een intermediaire erfelijke ziekte, Cystic Fibrosis ook wel de taaislijmziekte genoemd. Zulke kinderen leven doorgaans minder lang dan gezonde mensen en hebben vaak te maken met ziekenhuisopnames, bergen medicijnen. Als ouder van een CF kind ben je altijd bezorgd, angstig, omdat je weet dat het waarschijnlijk binnen jouw levensspanne tot een triest afscheid zal komen. Maar nu, nu het allemaal gebeurd is wat mij sinds 1964 toen Karin geboren werd boven het hoofd hing en toen ze in 1972 ook nog een zusje kreeg met dezelfde ziekte, die drie dagen na haar geboorte al geopereerd werd aan een aangeboren darmafsluiting en nu we haar na een turbulent leven vol van vrolijk, maar vooral moedig gedragen buikpijn en benauwdheid hebben weggebracht nadat ze vredig insliep, nu overheerst bij mij het gevoel: ik ben eindelijk klaar. Laat me even bijkomen en dan eens kijken wat mijn leven nog biedt. Dag lieve Katinka en Annemieke. Ik ben trots op wat jullie in je korte levens hebben bereikt en met dat gevoel neem ik afscheid van jullie en laat jullie weer vrij in de eeuwigheid waarvan ik weet dat we elkaar ongetwijfeld ooit weer tegenkomen. Deze keer mocht ik jullie vader zijn

Emotie 2

Mijn hemel. Ik had aanvankelijk geen idee wat me gebeurde. Nou ja, droeve omstandigheden, dat wel: mijn jongste en laatste nog levende dochter is uiteindelijk, net als haar grote zus in 2000, aan de gevolgen van de taaislijmziekte overleden. Met mijn vrouw was ik bij haar om afscheid van dit kind te nemen. Altijd heb ik met haar een bijzondere emotionele band gehad, maar wat me bij dat afscheid verbaasde was dat ik van binnen, emotioneel dus, eigenlijk stil was gevallen. Ik voelde geen verdriet, er waren geen tranen. Ze omhelsde me en kuste me en zei: ‘ik hou van je’, maar er gebeurde helemaal niets in mij. Er was euthanasie gepland en we vroegen of we volgende week misschien nog één keer zouden komen. Ze zou bellen…

Voor de laatste keer, zoals later bleek, trokken we haar buitendeur achter ons dicht en ik reed naar huis met een wonderlijk leeg gevoel in mijn geest. Ik zou bijna zeggen dat het me verbaasde, maar zelfs dat voelde ik niet. Thuis keken we naar de televisie en toen gebeurde het. Ineens kreeg ik een rare draaiduizeligheid. Mijn evenwicht was weg. Ik kon niet lopen want ik zou beslist vallen. Mijn vrouw maakte zich ongerust en belde tenslotte 112, waarna een ambulance langs kwam. De broeders onderzochten me, plakten me vol met stickers voor het cardiogram, stelden vast dat ik wel een bijzonder lage bloeddruk had maar dat er verder niets aan de hand was. Tussen die twee mannen in ben ik toen twee trappen op naar mijn slaapkamer geklommen. De volgende ochtend was er niets meer aan de hand. Ik kleedde me aan en ging naar beneden.                                                     ‘Hoe is het nu?’ wilde mijn vrouw weten. ‘Niks meer aan de hand’, zei ik, maar later, die zaterdagmiddag begon het weer en kon ik weer niet staan of lopen. Dat duurde een aantal uren, maar ging, net als de eerste keer vanzelf weer weg zonder hulp van buiten. Ik meende nu dat het misschien wel klaar was. Dat bleek echter anders.                              De volgende dag, zondag, begon goed. Dat wil zeggen: ik voelde nog steeds geen emotie over mijn stervende kind en was daar eigenlijk niet verbaasd over, hoewel ik normaliter eigenlijk een zeer emotioneel mens ben.                                                                                                    ‘s middags kwamen de draaiduizelingen echter weer terug en nu raakte ik in een soort verlamming. Ik kon me nauwelijks bewegen. Spreken ging ook niet meer. Ik zat op een stoel aan de tafel en kon helemaal niets. Mijn vrouw maakte zich inmiddels dodelijk ongerust. Ik was ook nog helemaal wit weggetrokken. Zij belde 112 en met een kwartier stond de ambulance weer voor de deur. Ik werd de ambulance ingedragen en in het ziekenhuis in bed gelegd. Men vreesde een hersenbloeding, dus er werd een MRI-scan gemaakt waarop evenwel niets te zien viel. Intussen was ik nog steeds immobiel. Vaag herinner ik me dat ik vanaf de brancard op een bed getild werd, maar waar dat in de rij der gebeurtenissen plaatsvond herinner ik me niet. Uren na dat het begonnen was trokken de duizelingenweg en tenslotte kon ik met enige hulp naar de auto van mijn vrouw lopen die daar bij de eerstehulppost stond.

Daarna zijn de duizelingen niet meer voorgekomen, maar wat was er gebeurd. Ik had, waarschijnlijk onbewust, de emotie over het verlies van mijn tweede en nog enige kind geblokkeerd en nu vermoed ik dat die voor mij normaliter toch heel heftige emotie zich op deze wijze een uitweg heeft gezocht. Wonderlijk. Heel erg huilen was beter geweest denk ik, maar dat kwam niet.

Nou ja, komende dinsdag is de crematie. Wie weet…

Hiërarchie van het leven.

Laten we maar beginnen met de algemeen Christelijk aanvaarde volgorde der geestelijke gebeurtenissen. We hebben dan wat eerst komt en wat dan en ten slotte wat daarvan weer het resultaat is. Goed:

We beginnen dan met de Vader, die vervolgens de Zoon verwekt – bij Moeder Aarde denk ik – en dan is er het resultaat: de Heilige Geest. Voor de doorsnee beschouwer, religieus van aard of niet, betekent dat eigenlijk heel weinig. Nou prima, de pastoor of dominee spreekt deze beladen woorden uit tijdens de volgorde der gebeurtenissen tijdens de Godsdienstoefening, maar wat betekent het in absolute – lees eeuwige – lees tijdloze, onstoffelijke zin. Uiteindelijk zijn dat onze eigen gedachteninhouden.

Misschien draaf ik door, maar ik heb toch het idee dat er eeuwige waarden achter deze drie begrippen verborgen gaan. Laat ik ze ook maar noemen; en schrik niet want het is waarschijnlijk volkomen anders dan je denkt: te beginnen met de Vader, het begin van alles. Dat is het begin van alles wat ons beweegt. Het is Gevoel, het gevoel dat de noodzaak tot uitdrukking brengt tot een daad, tot beweging, de Zoon. In dit stadium is er de drang en de kracht om iets, wat dan ook, te doen. En dan komt het woord, bijbels, maar eigenlijk bedrieglijk verwarrend: de heilige geest, via de stem. Het hele op drie principes rustende quasi vrome Bijbelse principe is eigenlijk niet meer of minder dat wat wij allemaal elke dag de hele dag door doen. Elke handeling begint met een gevoel, de Vader, gevolgd door het reageren op dat gevoel, Beweging de Zoon die de beweging vorm geeft in de daad of het woord, de Heilige geest. Feitelijk is dan de heilige drie-eenheid de matrix van al ons handelen

Dat wilde ik vandaag vertellen.

Bovaer!!!

Gevaar had het moeten heten dit voer voor melkvee. Sommige volkomen doorgeslagen idioten die maar denken dat ze de natuur moeten redden, alsof de natuur dat niet veel handiger zelf kan, hadden besloten dat het rundvee veel te veel scheten liet, daarmee de overigens toch al zelf bedachte stikstof zwakzinnigheid overschrijdend. De farmaceutische industrie – ja, wie anders – wilde daar graag op inspelen en bereidde een nieuw zij het empirisch product.

In Denemarken was de overheid enthousiast over deze mogelijkheid. De boeren was uiteraard niets gevraagd. De vraag waar boeren nou in hemelsnaam helemaal verstand van kunnen hebben als het gaat om het milieu en de beschadiging ervan door de scheten van melkvee was vermoedelijk niet eens in de ambtelijke hoofden opgekomen. Bovaer werd verplicht gesteld, want uit zichzelf ophouden met scheten laten kon je de koeien – boeren trouwens ook niet leren.

Resultaat van het denkproces van ambtenaren: koeien doodziek, dertig procent minder melk, hier en daar koeien dood in het land of in de stal. Maar het milieu heeft gezegenvierd.

Highlander.

Ik weet eigenlijk niet meer hoe lang het geleden is dat ik op de televisie een film zag die de titel Highlander had. Het ging over een man van naar ik denk jong-middelbare leeftijd, ja, zeg maar een veertiger. Die man ontmoette een jonge vrouw waar hij verliefd op werd. En dan gebeurde het. Je ziet die vrouw door de jaren heen ouder worden. Hij niet. Hij blijft er hetzelfde uitzien. Zo gaat dat door in zijn leven. Telkens moet hij afscheid nemen van een geliefde die oud is geworden, terwijl hij zijn jeugd behoudt. Hij is een zogenaamde Highlander waarvan er in dit verhaal nog maar twee op de Aarde rondlopen. Hun voortleven hangt in dit verhaal af van de vraag of ze het hoofd van de andere Highlander kunnen afslaan, want in dit bizarre verhaal is hun eeuwigdurende leven afhankelijk van de vraag of ze in een tweegevecht met het zwaard het hoofd van de ander van zijn romp kunnen slaan. Ik moest natuurlijk denken aan het volk, de Anunnaki, dat ons volgens mij als slaven heeft gecreëerd, een volk – denk aan Metusalem – dat ook duizenden jaren meeging zonder last te hebben van veroudering.

Hier stopt overigens de vergelijking. Ik denk niet dat de Anunnaki, die volgens mij werkelijk bestaan hebben en waarschijnlijk ergens in ons universum nog steeds bestaan, elkaar moesten onthoofden om het eigen voortbestaan te garanderen. Blijkbaar vond de scenarist van deze film het al ongeloofwaardig en erg genoeg als er maar één zo’n figuur overbleef. Mij zette het hele verhaal op het spoor van het weliswaar niet eeuwige – maar toch veel langere leven dan in onze menselijke vorm mogelijk is. Dat is de reden dat ik ooit begonnen ben met een boek dat ik nog steeds moet afmaken en dat het thema van het veel langere leven behandelt door een kleine, maar hinderlijke weeffout bloot te leggen die bij onze creatie is opgetreden.

Ja, en nu moet ik eigenlijk op gaan passen om niet de hele in de Bijbel gelovende wereld over me heen te krijgen, want ik beweer nogal wat. De Grieken deden dat overigens ook, maar veel minder realistisch. In hun mythologie waren goden toch onaantastbare niet menselijke verschijnselen die zich naar believen wel met ons konden vermengen en aldus halfgoden konden verwekken die dan buitenproportionele eigenschappen bezaten. Nee, ik doe iets voor de Bijbelgelovigen veel ergers. Ik beweer dat de persoon die in de Bijbel wordt aangemerkt als God helemaal geen God was, maar een leider van de Anunnaki. Zo denk ik bijvoorbeeld dat het verhaal in de eerste verzen van Genesis zes heel anders gelezen moet worden dan de bijbelaars doen. Er waren dan door intelligente en vooral ook kundige genetische manipulatie uit de hier al van nature aanwezige Hominidae (mensapen) redelijk aantrekkelijke mensen gemaakt die als werkslaven konden dienen. Die Anunnaki jongens vonden die zelf gecreëerde meisjes echter wel leuk een pleegden daar seksuele handelingen mee die wij, fatsoenlijk als we zijn, als bestialiteit zouden benoemen. Het waren tenslotte op het oog aantrekkelijke mensvormige wezentjes. Nou ja, de Anunnaki waren een flink stuk groter dan wij, ongeveer een meter of drie. De kinderen die als gevolg van hun vergrijp ter wereld waren gekomen staan in de Bijbel bekend als de geweldigen. Wat ik nou eigenlijk een beetje naïef en kinderachtig van die Bijbelvereerders vind is dat ze maar volhouden dat de baas van de Anunnaki de God was die alles geschapen heeft. Volgens mij is dat een ernstige overigens typisch menselijke misvatting die uit een vent die voor die tijd in pril menselijk begrip onbegrijpelijke dingen klaar kreeg maar de devoot geëerbiedigde God te maken, want dat was hij helemaal niet. Die door zijn personeel, waarschijnlijk tegen zijn orders ingaand verwekte kinderen hebben zich, opgegroeid als lastige en gewelddadige pubers gedragen. Daarmee hebben de Anunnaki zich nog een boel ellende op de hals gehaald, zo erg zelfs dat de baas, Enlil werd hij genoemd, overwoog om het hele beschamende zootje maar te verdelgen. Nou ja, dan zijn er plagen, zeg maar besmettelijke ziekten ( het lijkt Bill Gates wel, want er is echt niets nieuws onder de zon) maar dat hielp zeker niet genoeg. Vervolgens hadden ze een meevaller. Doordat hun tamelijk grote planeet op dat moment tamelijk dicht bij de Aarde stond werd er klimatologisch zware invloed op de Aarde uitgeoefend. Zo schoof de hele ijskap van de Zuidpool, of in elk geval een groot deel daarvan met als gevolg een wereldwijde woeste overstroming de zee in. Nou ja, de meeste nieuwe mensen verzopen als katten, maar dan had je een vent die wij kennen als Noach, die veel jaren had gewerkt aan de ontwikkeling van de nieuwe soort mensen, die ging tegen zijn opperbevelhebber in redde een flink aantal van dat nieuwe soort, ons dus. Daarom zijn we er nog. Maar dat is natuurlijk niet alles. Veel van de verhalen en verslagen over de handelingen van de Anunnaki zijn te vinden op kleitabletten die door een gigantische brand gebakken zijn en daardoor niet verloren geraakt. Die kleitabletten vormen het bewijs van het bestaan van een door buitenaardsen (Anunnaki) gevormde beschaving. De man die deze kleitabletten allemaal vertaald heeft, nadat hij door onderzoek er eerst achter was gekomen welke taal er was gebruikt, Zecheria Sitchin, geboren in 1920, Bakoe, Armenië en overleden in New York waar hij zich als schrijver had gevestigd in 2010.

Uit veel verhalen blijkt overigens dat de Anunnaki in het algemeen geen echt vredelievend volk waren. In de eerste plaats waren ze hier om goud uit de bodem in zuidoost Afrika te halen dat ze nodig hadden om in geïoniseerde vorm de dampkring van hun eigen planeet, Niburu, te herstellen. Die dampkring was door vele oorlogen met atoomwapens verwoest. Ook hier hebben ze atoomwapens gebruikt voor de verwoesting van Sodom en Chomorra, omdat de plaatselijke bevolking door bestialiteit dreigde het hele kweekprogramma om slimme mensen te kweken dreigden te vernielen. Ongetwijfeld kerels die geen enkele zelfbeheersing kenden. Trouwens de inmiddels aardig ontwikkelde aardmensen wilden een ruimtestation bouwen (het verkeerd begrepen verhaal van de toten van Babel). Dat project is waarschijnlijk ook met een kernwapen vernietigd waarna daar in de omgeving zoveel radioactiviteit was dat er eeuwenlang niet meer te wonen was.

Wat ik tenslotte zeggen wil is dat wij er hier en daar proberen op een natuurlijke manier nog wat van te maken, maar in feite zijn we een slecht afgemaakt experiment (dat waarschijnlijk ook verschillende keren opnieuw is gedaan, maar nooit echt gelukt) De Anunnaki hadden zich beter met hun eigen zaken kunnen bemoeien. De gemaakte kruising tussen hun en ons is voor een niet onbelangrijk deel een slecht compromis, zeg maar prutswerk.

Slachtvee, ongedierte, mislukt experiment? Wat waren wij eigenlijk in de ogen van onze makers.

Als we de overigens schaarse bronnen die getuigen van de pogingen tot vernietiging van onze soort toch deels wel moeten geloven is het eigenlijk toeval dat we er nog zijn. De bijbel maakt het helemaal bont en beweert dat de zondvloed, een natuurramp waarbij vermoedelijk nagenoeg de hele ijskap van de Zuidpool in zee belandde en daardoor een ongeveer veertig dagen durende woeste overstroming veroorzaakte, bedoeld om ons allemaal te verdelgen alleen maar niet helemaal gelukt was vanwege ene Noah – die overigens in werkelijkheid heel anders heette – die kennelijk in de wetenschappelijke samenwerking bij onze totstandkoming zijn hele ziel en zaligheid in het werk had gelegd en tegen zijn meerderen inging door een klein maar significant deel van ons aan de verdrinking te onttrekken. Het Bijbelse verhaal van de ark van Noah, weet je nog. Daarna heeft de opperbevelhebber, waarschijnlijk Enlil, verklaard dat het ondoenlijk was om met ons te blijven strijden, omdat we toch wezens van vlees en bloed waren, maar dat onze levensduur maximaal honderdtwintig jaar zou zijn, nou ja volgens Genesis 6 dan. Daarna is het natuurlijk, zoals te doen gebruikelijk is bij ons, gierend uit de hand gelopen. Eerst waren het blijkbaar alleen de meisjes die kinderen kregen, ja, raad eens van wie. De geweldigen werden ze genoemd. Maar een of andere schepper leek het nou zo leuk als de menselijke jongentjes ook geschikt gemaakt werden om kinderen te maken. Leuke sport, vinden we nog steeds, maar in een soortgelijk verhaal in de Griekse mythologie is de wetenschapper zwaar gestraft om dat hij de hele organisatie volgens de bovenbaas compleet uit de hand had laten lopen. Nou ja, volgens die bovenbaas kregen we toen veel te veel mensen. Soort vluchtelingenprobleem, je ziet dat nog steeds. Als eerder gezegd: zondvloed eroverheen. Hielp tenslotte ook niet want we zitten lokaal hier en daar toch weer met een behoorlijke overbevolking en het fokt maar door.

Kijk, vanuit allerlei niet realistische en aan ons opgedrongen filosofieën moeten wij lief en verdraagzaam met elkaar omgaan, maar ja, als het bij de ratten te druk wordt gaan ze elkaar ook doodbijten. Nou, dat is een van de redenen waarom het altijd wel ergens oorlog is. Verder is er natuurlijk ruim voordeel aan oorlog. Het ruimt flink op en als je strijdmiddelen – oorlogstuig dus – levert wordt je er ook nog rijk van. De Griekse wijsgeer Heraclitus zei: De oorlog is de vader van alle dingen, (over de verdrietige moeder heeft hij het nooit gehad)

Ja, en dan tenslotte, blijft er de brandende vraag: Zijn de enorme verwarrende problemen van deze menselijke samenleving oplosbaar? Alleen verwarde en vooral hoogmoedige idioten – doorgaans voorbij trekkend onder de titel van politicus denken of zeggen van wel. Doe jezelf op een geruststellende manier een plezier en denk aan iets anders, een goede mop bijvoorbeeld.