Ziek geconcurreerd

Zorg Nu stuurt berichtjes over actuele zaken die de gezondheidszorg betreffen.             Deze keer lees ik dat er ongelooflijk veel mensen met chronische aandoeningen last hebben van het zogenaamde preferentiebeleid. Waar gaat het hier nu om? Eigenlijk om narigheid uit een hoek van waaruit je het niet zou moeten kunnen verwachten. De ziektekostenverzekeraars – nee, niet slechts één, maar allemaal – bepalen bij welke producent de apotheek medicijnen mag inkopen. Een beetje krom zou je op het eerste gezicht zeggen, want de arts of specialist schrijft toch voor welk medicijn moet worden gebruikt? Stil nou maar, want dat is ook zo. Die arts doet het zo goed als hij kan. Zo is hij bijvoorbeeld goed geïnformeerd over de werking van alle relevante medicijnen die voor zijn vakgebied beschikbaar zijn. De oorspronkelijke fabrikant heeft die informatie verstrekt. Bedenk daarbij dat de geneesmiddelinformatie altijd handelt over de zogenaamde inhoud-stof – of stoffen. Die inhoud-stoffen kunnen natuurlijk niet zomaar puur aan de patiënten worden gegeven. Met micro precisie wordt de werkzame stof afgewogen en vervolgens wordt er met behulp van zogenaamde ballaststoffen een pil van gemaakt. Die laatste stoffen worden geacht geen invloed op de werking van het medicijn te hebben. Natuurlijk is er de oorspronkelijke fabrikant veel aan gelegen een goed en nauwkeurig werkend medicijn te leveren.

Los van alle bijwerkingen die veel medicijnen nu eenmaal hebben, hebben we tot zover te maken met het optimale resultaat wat de westerse geneeskunde kan leveren.               Waar gaat het dan mis? Waar zitten dan de lieden die de boel in de war schoppen, met de resultaten van jouw dokter knoeien? Goede vraag!

Laat ik maar beginnen met te zeggen dat het geknoei openlijk gebeurt. Sedert de marktwerking zijn intrede in de geneeskunde heeft gedaan is heel veel niet alleen duurder, maar ook slechter geworden. De verzekeraars bepalen tegenwoordig wat een medicijn mag kosten. Het gevolg is dat malafide bedrijven een heleboel medicijnen gaan namaken om ze tegen een lagere prijs aan te bieden. Natuurlijk probeert de oorspronkelijke fabrikant ook mee te komen in de strijd, maar door het gebruik van productie in arme landen, zoals India, waar milieueisen nauwelijks bestaan en door het gebruik van goedkopere ballaststoffen valt de keus van de verzekeraars vaak op de goedkope troep in plaats van op betrouwbaar en onder streng toezicht geproduceerde medicijnen.

 Wat is er dan met die ballaststoffen? Ach het is eigenlijk heel eenvoudig. De juiste ballaststoffen hebben geen werking of ze versterken zelfs de werking van de inhoud-stof (dat laatste is overigens voornamelijk bij natuurlijke medicijnen het geval). Goedkopere ballaststoffen kunnen daarentegen interacties met de inhoud-stof vertonen of bij een kleine groep mensen allergische reacties opwekken. ‘Ach,’ zegt de Indiase fabrikant, ‘bijna niemand heeft er last van. Ze moeten niet zo zeuren.’ ‘Ach,’ zeggen de ziektekostenverzekeraars, wij geloven dat het nogal meevalt. Ze moeten niet zo zeuren. Bovendien is het zo goedkoper en daar gaat het ons om.’

 Bijna een kwart van de chronische patiënten die gedwongen worden op een ander (goedkoper) merk medicijnen over te gaan vraagt medisch onderzoek ten gevolge van de plotseling opduikende bijwerkingen.

 Luister: je arts wil dit niet. Die wil dat jij als patiënt je goed voelt als je eenmaal goed op een behandeling met een medicijn bent ingesteld. Maar je arts heeft er nu geen moer meer over te vertellen. De verzekeraar die druk bezig is met geld verdienen om zijn aandeelhouders tevreden te houden, die bepaalt welke goedkope meuk je nu weer door de strot geduwd krijgt. Het marktstelsel in de zorg heeft ervoor gezorgd dat de kwaliteit achteruit holt en de gelden terecht komen bij brutale graaiers die gesteund worden door heel veel uitgekookte juristen.

Bah, het zal mij benieuwen hoelang het duurt voordat ziekenhuizen, apotheken en artsenposten gaan stinken, omdat de verzekeraars hebben bepaald dat de schoonmaak wel goedkoper kan.

 

Advertenties

Zorg(elijk)

In de krant lees ik dat de jaarlijkse rondedans inclusief alle beschuldigende wijsvingers rond de zorgkosten weer is begonnen. Erbarmelijk om jaar in jaar uit die kosten omhoog te zien gaan, terwijl je op je klompen aanvoelt – en met je simpele boerenverstand kunt zien dat we gewoon bestolen worden.                                              Het ogenschijnlijke centrum, waar de verantwoordelijkheid officieel moet liggen is natuurlijk onze regering. Als we echter jaarlijks de ontwikkelingen volgen dan lijkt het erop dat diezelfde regering probeert zoveel mogelijk mist gordijnen op te trekken (rookgordijnen mogen natuurlijk niet meer). Dus, even voor de duidelijkheid: de regering bij monde van het ministerie van volksgezondheid draagt de verantwoordelijkheid voor het in de hand houden van de zorgkosten.

Ik heb werkelijk geen idee hoeveel ambtenaren op dat ministerie dagelijks present zijn en nog minder van wat ze doen. Blijkbaar hebben ze het erg druk, want voor de onderhandelingen over juist die zorgkosten hadden onze regeerders de Nederlandse Zorgautoriteit in het leven geroepen. Blijkbaar was het onderwerp te moeilijk voor de minister en al die ambtenaren. Het resultaat, zo las ik in die zelfde krant is dat er nu volgend jaar twee miljard extra in de zorg moet worden gepompt. Ja, ja, je leest het goed, er staat tweeduizend miljoen extra.                                                                          Nu zijn ze in Den Haag net uit hun winterslaap en hebben ze besloten dat die (natuurlijk vet betaalde) Nederlandse Zorgautoriteit maar niet meer over de kosten moet gaan. Vermoedelijk zullen er enkele medewerkers moeten afvloeien met al even vermoedelijk een riante afvloeiingsregeling. Bij volksgezondheid zien ze dit als een bezuiniging.          Nou, dan weet ik er nog een paar:

Begin maar eens alle managers die geen medische of verpleegkundige taak hebben te ontslaan (geen riante wachtgelden, maar sollicitatieplicht. ( Ik hoop dat ze ook nog iets anders kunnen dan tegen andere mensen roepen wat ze moeten doen)

Weiger alle idioot dure medicijnen te betalen, maar maak ze na. De Amerikaanse advocaten die je dan op je hals haalt zijn bijna allemaal dieven die op eigen voordeel uit zijn. Onze rechters zullen dat na rijp beraad bevestigen, zodat die dames en heren terug kunnen naar de Trumpzone gekleed in pek en veren.

Houd op met het steeds weer bouwen van nieuwe ziekenhuizen. Het is niet nodig en je bent alleen maar bezig de corrupte bouw – en toeleverende industrie te bevoordelen. Laat die lui in plaats  van peperdure ziekenpaleizen maar zoveel mogelijk betaalbare huizen voor gewone mensen bouwen. dan heb je meteen veel meer gelukkige mensen die dientengevolge ook minder vaak ziek worden.

Zorgverzekeraars die winst moeten maken om hun aandeelhouders tevreden te houden moeten geweerd worden. Winst op zorg maakt dat er zorgvraag wordt gecreëerd.

Als we er nu op een mooie voorjaarsdag in slagen de bovenstaande dingetjes even te regelen, dan kunnen de premies vermoedelijk met meer dan een derde naar beneden.

Ach, nou vergeet ik bijna het belangrijkste. De minister van volksgezondheid moet een zinnetje paraat hebben en ook vol overtuiging kunnen roepen naar alle aanbieders. Ik stel het volgende zinnetje voor: ‘Nee, flikker op, je probeert nog steeds alle Nederlanders op te lichten. Kom terug als je een redelijk aanbod hebt en anders… voor jou een ander!’

Ik zie het voor me, weet je. Hier word ik nou helemaal warm van.

In de ochtend van mijn leven, vervolg

In de zomer van negentienvierenveertig liep ik tussen mijn moeder en tante Truus van Schagerbrug, het dorp waar we drie jaar lang geëvacueerd hadden gezeten, terug naar Den Helder. De laatste zeven kilometers, vanaf Julianadorp had ik mogen meerijden achterop de fiets van een man die mijn moeder of mijn tante blijkbaar kenden.

Het was de zomer voorafgaand aan de hongerwinter, maar ik herinner me heel goed dat het voedsel grotendeels mondjesmaat was. Er waren wat etenswaren die we ons tegenwoordig niet meer voor kunnen stellen. Zo was er brood dat voor een aanzienlijk deel uit bloembollenmeel bestond. Als je er tegen kon was er niets aan de hand. Ik kon er niet tegen en ik leed daardoor aan enkele ongemakken die mij overigens niet weerhielden vrolijk op straat te spelen. Die ongemakken zouden tegenwoordig mogelijk tot veel kabaal hebben geleid. Toen hadden zoveel mensen er last van dat eigenlijk niemand erover zeurde. Je ging er in elk geval niet aan dood. Zo had ik broodschurft, zoals het genoemd werd. De huid aan mijn knieën en ellebogen was kapot. Elke dag werden er schone lappen omheen gebonden. Verband was niet of nauwelijks voorhanden. De lappen waarmee mijn kapotte velletje werd verbonden werden uit oude kledingstukken gescheurd. Elke morgen als ik wakker werd zat de boel zo vastgeplakt dat ik jammerde als het werd losgetrokken. Maar het moest eraf. Daarin was mijn moeder onverbiddelijk. Ze moest me uiteindelijk helemaal wassen en dat gaat niet als je ellebogen en knieën in het verband zitten. Het ging maar niet over, die broodschurft, totdat mijn grootvader zei: je moet dat kind ermee in de zon laten lopen. Die lappen eromheen, dat is niet goed. Toen ging het over.

Mijn opa Slot was trouwens een verhaal apart, een verhaal dat ik overigens pas later hoorde, maar wat hier wel in thuishoort, vanwege de gevolgen die het voor het gezin had. Opa had ooit een groot verhuisbedrijf. Als enige in heel Noord Holland mocht hij onder meer voor de  bekende pianohandel, Ypma in Alkmaar, piano’s en vleugels vervoeren. Het bedrijf van mijn opa had een flink aantal grote verhuiswagens. Vrachtauto’s zag men in die tijd nog niet heel erg veel. Opa werkte met paarden die de wagens moesten trekken. Hij had er twintig op stal staan, twintig mooie sterke trekpaarden. Ten tijde van mijn geboorte was zijn hele bedrijf er echter niet meer.            In die tijd kwam de auto industrie op, waardoor er ook steeds betere vrachtwagens op de weg kwamen. Opa had in die vernieuwing mee moeten gaan. Eerst had hij dat kennelijk onzin gevonden en eigenlijk durfde hij niet goed en toen de concurrentie hem al flink wat schade had toegebracht raakte hij aan de drank. Het werd van kwaad tot erger. De paarden moesten verkocht worden. Dat kon op de markt in Schagen. Als hij dan geld had gevangen waren er ook in Schagen meer dan voldoende kroegen om de winst te verdrinken. Enkele keren gebeurde het dat hij dagen niet thuis kwam. Als hij dan eindelijk thuis kwam was het geld op. Driemaal had hij een delirium, waarin hij alles in huis kort en klein sloeg. Het moet een verschrikkelijke tijd geweest zijn voor oma, die thuis met zes kinderen zat. Als kind wist ik daar allemaal niets van en opa was toen mijn grote held, maar toen dronk hij al een hele poos niet meer. Navrant detail was dat mijn op een na jongste oom, oom Dik, op zijn zevende jaar al een fascinatie had voor auto’s. Hij groeide uit tot een automonteur die alle toenmalige garagebedrijven graag in dienst wilden hebben.

De laatste tien jaren van het interbellum, de periode tussen de twee wereldoorlogen, staat in de geschiedenis van ons landje bekend als ‘de malaise’ In negentiennegenentwintig was er in Amerika een beurscrash geweest en in de hele westerse wereld ging het slecht. Het gevolg was dat er veel werklozen waren en dat mensen van een minimale overheidsondersteuning moesten leven. Veel voornamelijk mannen werden door moedeloosheid een schaamte gedreven tot het zoeken naar vergetelheid. Die vonden ze in de drank. Ik vermoed dat mijn grootvader, wanhopig ziende dat zijn bedrijf te gronde ging door de opkomst van de vrachtauto, waar hij niet aan durfde, ook in de drank gevlucht is. Maar, toen alles duister was en het gezin bijna aan de bedelstaf geraakt was kwam er redding.

In plaats van de trotse eigenaar van een groot verhuisbedrijf te zijn werkte hij als rangeerder bij de spoorwegen. Het weinige geld wat hij daarmee verdiende kwam voor het grootste deel in de kroeg. Jaren nadat opa overleden was heeft oma nog de schulden betaald aan alle kleine Helderse middenstanders die haar jarenlang op de pof hadden geleverd. En niet alleen dat; opa had dronken vechtend in een van de kroegen de vent waarmee hij ruzie had opgepakt en als een zak aardappelen dwars door het grote raam aan de voorzijde van de kroeg gegooid. Schade ruim tweehonderd gulden. Als voormalig verhuizer was opa zo sterk als een beer. Ook die schuld is oma twintig jaar na zijn dood gaan betalen.

Tja, zo ging dat toen. Maar zoals ik schreef, er kwam redding. Opa’s zuipmaatje, waarmee hij bij de spoorwegen werkte werd op een dag op staande voet ontslagen wegens dronkenschap. Daarvan is opa toen zo geschrokken dat het een totale ommekeer in zijn leven veroorzaakte. In die tijd was het uit Engeland overgewaaide Leger Des Heils erg actief in de pogingen de enorme menigte drinkebroers op andere gedachten te brengen en te redden van de ondergang. Mijn opa werd heilsoldaat. Hij dronk niet meer, hij rookte niet meer en als het leger uitrukte met alle koperblazers en overal in de stad halt hield om hun getuigenissen te laten horen, dan liep mijn bekeerde opa Slot voorop met de vlag, trots op zijn uniform en vastbesloten niet meer de weg van verderf op te gaan.

Toen Mamma en ik in negentienvierenveertig bij opa en oma introkken was het niet meer dan vanzelfsprekend dat opa mij meenam naar het zondagsschooltje van het Leger Des Heils. Ik vond het allemaal prachtig. Daar werd gezongen onder begeleiding van veel ritmisch handgeklap en er werden mooie verhalen verteld. Zingen doe ik nog steeds graag en verhalen bedenken en vertellen is mijn voornaamste bezigheid en ik denk dat de voorliefde daarvoor in die tijd geboren is.                                                      In dat Leger Des Heils konden ze trouwens behoorlijk op je gemoed werken. Zieltjes winnen zouden we dat tegenwoordig noemen. Elke zondag op dat zondagsschooltje werd ons kinderen verteld dat wij zondaars waren en dat de Here erg gelukkig zou zijn als we ons bekeerden door voor in de zaal te knielen voor de zondaarsbank. Ja, zo ging dat. Ik vrees trouwens dat nog steeds heel veel kinderen op soortgelijke wijze ook vandaag de dag nog quasi gewetensvol worden gehersenspoeld en voorzien van een pakket aannames die op geen enkele manier bewijsbaar zijn, maar die in de achter ons liggende eeuwen hebben bewezen in hoge mate bij te dragen aan een gepolariseerde en oorlogvoerende wereld. Allemaal met de beste bedoelingen natuurlijk, maar is er niet een spreekwoord dat zegt dat de weg naar de hel juist geplaveid is met goede bedoelingen. Nee, ik wil echt niemand voor het hoofd stoten, maar geloven is niet braaf, het lijkt alleen maar braaf als je weinig onderscheidend vermogen hebt.

Terug naar mijn kindertijd. Ik was toegetreden tot het Heilsleger, geronseld zou men tegenwoordig zeggen. Ik was jong soldaat en trad ook toe tot het jeugdmuziekkorps. Daartoe werd mij een grote trompet, een flügelhorn of bügel ter hand gesteld. Ik kreeg les van een volwassen muzikant en heilsoldaat, Bram Staalman, die in het dagelijks leven fietsenmaker was. Ik leerde muziek lezen en op die toeter spelen, wat me trouwens aardig wat inspanning kostte. Braaf was ik, een heel braaf kind.

In september vijfenveertig was mijn vader eindelijk terug uit de oorlog. Ziek, lichamelijk gesloopt tijdens zijn zesendertig zesweekse patrouilles naar de Middellandse zee met het utility class duikbootje, Hare Majesteits Dolfijn. Het was zes uur in de morgen. Er was gebeld, er was een hoop gedraaf in huis. Ik zat op de tweede tree van de trap bij oma in de gang. Het zonlicht viel door het halfronde bovenraam boven de voordeur. De deur ging open en een vreemde man in een matrozenpak omhelsde en kuste mijn moeder. En ik was in mijn hele kleine leventje nog nooit zo alleen geweest.

Als een vrolijke – maar ook heel katholieke jongen was hij de oorlog in gegaan. Het geloof uit zijn kindertijd had hij in de oorlog grondig afgeleerd. Pas jaren later heeft hij over zijn jaren onderwater met die kleine onderzeeboot van de utility klasse, waarbij de Engelse marine had besloten dat er geen snorkel – een Nederlandse vinding – op mocht komen, omdat de vijand dat zou kunnen zien.                                                        Rond middernacht, zo vertelde hij ooit, konden ze boven water komen om de luchtflessen weer te vullen, maar ’s middags rond twaalf uur wilde van een aangestoken lucifer doorgaans alleen de kop nog branden. De zuurstof was dan nagenoeg op. Tegenwoordig weten we dat zuurstofgebrek niet alleen benauwd is, maar dat somberheid, angst en ook agressie het gevolg kunnen zijn.                                              Als manneke van vijf jaar begreep ik daar natuurlijk allemaal niets van. Hoe had ik als kind ook kunnen begrijpen hoe vijf jaar ontbering en doodsangst, slecht voedsel, gebrek aan water, schurft, scheurbuik en nog veel meer ellende het karakter van een vrolijke gezonde man veranderen. Het enige wat ik merkte was dat er een voor mij totaal onberekenbare man in ons leven was gekomen, die om het minste of geringste driftig werd en erop los sloeg. Mijn moeder raakte dan altijd totaal in paniek. Nooit had iemand het jongetje dat ze met veel moeite door de oorlog had gebracht geslagen. En dat uitgerekend de man waarvan ze zielsveel hield dat deed moet haar vaak innerlijk hebben verscheurd. Als oudste kind in het gezin van een onberekenbare dronkaard was ze opgegroeid. Het geweld dat zich daar om haar heen afspeelde had haar een onbeheersbare angst voor dronken mannen en geweld ingeboezemd.                            Oh zo vaak hoorde ik haar dan in doodsangst smekend, huilend roepen: ‘Oh nee Piet, Piet, niet doen alsjeblieft,’ Terwijl ik, weerloos en te laat begrijpend wat ik nu weer verkeerd had gezegd, klappen tegen mijn hoofd kreeg.

Terwijl ik dit schrijf voel ik weer de angst voor die doldriftige man, die toch ook steeds weer mijn beste en meest gevoelige vriend was, die na zijn driftaanvallen nooit zou zeggen dat het hem speet, maar die zich uitputte in zijn pogingen om het maar weer goed te maken. De vader die me leerde zingen en die me jazz liedjes leerde en vooral timing. Die man, mijn vader, die me angst inboezemde, maar met wie ik later samen op de planken stond. Dat we samen een repertoire opbouwden dat we tweestemmig zongen, waarbij ik de gitaarbegeleiding speelde.                                                                Voor mijn moeder betekende dat muziek maken van ons heel veel. Vaak repeteerden mijn vader en ik onze kleinen optredens na de avondmaaltijd. Bij die gelegenheden kon mijn moeder in de keuken geluidloos de afwas doen, want ze wilde niets missen van wat we zongen.

Vaak denk ik: had ik als kind maar begrepen wat hij allemaal had moeten doorstaan, hoe zijn toekomst door die oorlog kapot geslagen was. Hoe hij zijn vertrouwen en het geloof in de mens en de kerk volledig was kwijtgeraakt. Hoe hij met een lichaam dat zwaar beschadigd was verder moest. Hoe hij te horen kreeg dat zijn gezondheid de grond vormde voor zijn ontslag uit dienst bij de marine, waardoor hij niet, zoals alle marinemensen met zijn vijfenvijftigste met pensioen kon, maar in de burgermaatschappij tien jaar langer mocht werken. Hoe hij na de oorlog te horen kreeg dat mijn moeder via het rode kruis maandelijks zeventig gulden had ontvangen en dat hij daardoor teveel geld had gekregen, zodat het teveel ontvangen bedrag door de kruideniers in Den Haag maandelijks van zijn gage werd afgetrokken. Dat er een paar honderd van de mannen met wie hij de oorlog was in gegaan met onderzeeërs en al op de bodem van de Middellandse Zee lagen vormde kennelijk voor onze toenmalige bestuurders geen reden om met enige coulance met de voormalige strijders om te gaan.Mijn vader was daar woedend over. Als enige marineman uit de onderzeedienst is hij tweeënnegentig jaar geworden. Altijd weer zei hij, nog steeds strijdlustig: ‘Ik verdom het om dood te gaan. Betalen zullen ze.’                                                                            Als enige marineman, zei ik zo-even, maar dan vergeet ik er een. Oud premier Piet de Jong, die meer dan honderd jaar oud is geworden was ook ooit commandant van Hare Majesteits Dolfijn. De commandanten gingen echter allemaal slechts zes maal zes weken op de onderzeeboot patrouilles mee. Omdat er echter te weinig bemanning beschikbaar was moesten mijn vader en zijn maten er genoegen mee nemen zesendertig keer zes weken onder water te zitten en nooit langer dan drie dagen binnen te liggen.

Nu ik zelf langzamerhand de tachtig jaar begin te naderen is mijn oordeel over – en mijn begrip voor mijn vader natuurlijk gerijpt. Nu begrijp ik dat je een gewonde militair wel uit de oorlog kunt halen, maar dat de oorlog gedurende zijn hele leven nooit meer uit hem weg gaat.

Zoals veel van mijn vrienden die ik op school kreeg had ik een oorlogsvader en een behoorlijk driftige ook. Waarvan ik tot ver in mijn volwassen leven last heb gehad was gelegen in de blinde, niets ontziende drift die zich van tijd tot tijd van mijn vader meester maakte. Angstig werd ik daardoor. Ik weet nu dat hij daar totaal geen controle over had, Ik was dan echt nergens veilig. Mijn boezemvriend op de middelbare school, Leo, had ook een oorlogsvader. In tegenstelling tot mij kon hij, als hij tenminste snel genoeg was, ontsnappen naar zijn kamer. Als hij de deur van zijn kamer achter zich kon sluiten was hij veilig. Zijn vader achtervolgde hem nooit tot op zijn kamer. Vaak dacht ik dan met enige afgunst dat de woedeaanvallen van Leo’s vader eigenlijk meer een soort toneelstukje waren, bedoeld om de grenzen tussen wat wel – en wat niet mocht goed duidelijk te trekken.

Hoe moet ik dit nu allemaal eens samenvatten. Laat ik het zo zeggen: ik had de liefste moeder van de hele wereld en een fantastische vader, die helaas voor een belangrijk deel kapot was gemaakt voordat hij de gelegenheid kreeg om echt de vader te zijn die hij wilde zijn. Jammer, maar zo was het nu eenmaal.

Nu lopen er langzamerhand veel generaties van mensenkinderen op deze wereld die of wel een oorlogsvader hadden ofwel zelf in een oorlogsgebied onder de meest afschuwelijke omstandigheden zijn opgegroeid. Het zal voorlopig niet ophouden. Bovendien, vrede zit er niet alleen niet in, maar lijkt ook vreemd te zijn aan de menselijke soort. De voor-Socratische filosoof Heraclitus zei eens: ‘De oorlog is de vader van alle dingen.’ Waarschijnlijk gaf hij daarmee uitdrukking aan iets wat we eigenlijk allemaal wel weten, namelijk dat de menselijke soort over het algemeen beter presteert, inventiever is en meer geneigd het onmogelijke toch ook maar eens uit te proberen als er gevaar dreigt of de concurrentie ons dreigt te vernietigen. Ik vermoed dat dit waar is. Wat ik echter zeker weet is dat te veel dreiging en te veel geweld verlammend werkt. Als dreiging, geweld, angst en vernietiging lang genoeg duren, ontstaat in de mensen die eraan blootgesteld zijn een verlammende wanhoop die kan leiden tot totale lethargie.

Tenslotte: uit het feit dat iedereen die regelmatig mijn schrijfsels leest valt in het licht van het bovenstaande gemakkelijk op te maken dat de vaderlijke dreiging uit mijn vroege jeugd, evenmin als de oorlogsjaren een al te verlammend effect op mijn creativiteit en uitingsdrang hebben gehad. Sterker nog, misschien had het zelfs wel zin. Ik kan daardoor in elk geval begrijpen wat gevaar en dreiging bij mij veroorzaken, waardoor de veronderstelling gerechtvaardigd lijkt dat ik dat ook begrijp als het anderen overkomt.                                                                                                                        Mededogen heet dat, geloof ik

 

In de ochtend van mijn leven

De ochtend van mijn leven speelde zich grotendeels af op een boerendorpje, Schagerbrug, in de buurt van het Noord- Hollandse Schagen.                                          Op een zonnige morgen was mijn oom Klaas, de jongste broer van mijn moeder, met een bakfiets voor de deur gekomen. Oom Klaas werkte voor een kolenboer. Zijn werk bestond er in die tijd uit steenkool  bezorgen met een paard en wagen. Iedereen had in die tijd een kolenkachel. Weliswaar werden de kolen schaars naarmate de tweede wereldoorlog voortduurde, maar voor mijn oom Klaas was er altijd werk, want de Duitse bezetters wilde ook bij een warme kachel zitten en ach, af en toe viel er dan ook wel eens een zak kolen net bij oma voor de deur van de wagen.Ja, bij oma. In die tijd woonde ik met mijn moeder bij oma en opa Slot. Mijn vader was een marineman. Veel later, na de oorlog, vertelde hij dat hij vanuit Rotterdam met een half afgebouwde onderzeeër, de O21, zo ongeveer over de bodem van de Noordzee naar Engeland was gekomen, terwijl het Duitse bombardement op Rotterdam al gaande was.                        Voor mij was mijn vader een foto die altijd wel ergens op stond.

Volgens welke verordening of regel weet ik niet, maar toen ik anderhalf jaar oud was moesten wij evacueren. Ik vermoed dat de Bezetter in onze woonplaats, Den Helder, een marinehaven, alleen mensen wilden hebben die nodig waren. Mijn moeder in ik, anderhalf jaar oud waren dat natuurlijk niet. Op een zonnige oktobermorgen stond oom Klaas met een grote bakfiets voor de deur, waarop de meest noodzakelijke meubeltjes van mijn moeder geladen waren. Voor mij was een klein plekje uitgespaard, vlak achter het linker voorspatbord. En daar gingen we.                                                                    In mijn herinnering duurde de tocht ongeveer de hele dag. De bestemming was Schagerbrug, want aan een weg die ‘De Buurt’ werd genoemd was een vrijstaand gebouwtje, dat eerder in gebruik was geweest als werkplaats voor de timmerman Veul, ja zo heette die man. Het gebouwtje stond dan ook bekend als ‘de noodwoning Veul’. Mijn moeder en ik mochten daar wonen. Bij binnenkomst was de ruimte nagenoeg leeg. Wel was er een aanrechtje met een kraantje en in het midden stond een potkachel van waaruit een lange kachelpijp de duistere hoogte van het zadeldak in liep.                        Als we het deurtje uitkwamen stonden we in het gras. Er was een hek dat uit houten planken bestond, maar waar ik doorheen kon kijken. Achter het hek was een lang weiland dat ik ‘de lijnbaan’ heb horen noemen. Kennelijk werd daar vroeger touw geslagen. De Duitsers gebruikten het weiland echter voor heel andere zaken. Aan het einde van ons uit gezien hadden ze een lanceerinrichting voor V2 raketten. Natuurlijk begreep ik daar als hummel van nauwelijks twee jaar niets van, maar wel zag ik dingen de lucht in gaan waar het vuur achter uitspoot.

In de ongeveer drie jaren die we in ons evacuatiedorp doorbrachten zijn we drie keer op een ander adres terecht gekomen. Ik herinner me dat we na de noodwoning Veul terecht kwamen in een kamertje met bedsteden aan de voorkant van een arbeiderswoning. Bij dat huisje hoorde de naam Hartsuiker. Vage – en meest exemplarische beelden heb ik van die tijd. In een kinderstoel zit ik aan tafel. Blijkbaar was ik voor het vastzitten in een dergelijk meubel iets te beweeglijk, want op een gegeven moment viel ik met stoel en al om naar rechts. Het was een behoorlijke klap, maar ik had me niet bezeerd. Wel ervoer ik mijn positie, op mijn zij liggend terwijl ik geen kant op kon, als verontrustend. Ik ben flink gaan huilen, waardoor mijn moeder uit de keuken kwam aandraven en mij weer rechtop zette.

Alle herinneringen uit die vroege jeugdperiode zijn fragmentarisch. Maar toch lijkt het zo te zijn dat de mate waarin heel vroege herinneringen toegankelijk en bewaard blijven afhankelijk te zijn van je taalontwikkeling. Zo was ik, naar mijn moeder later vertelde, heel laat met lopen, bijna anderhalf jaar oud. Spreken deed ik evenwel veel eerder al op een redelijk niveau. Volgens de overlevering sprak ik onder het jaar al hele volzinnen zoals: ‘mag ik ook sokuigeren’, wat natuurlijk stofzuigeren moest wezen, maar toch een heel aardige fonetische aanduiding vormde voor een handeling die mijn moeder uitvoerde en die mij nu juist zo aantrekkelijk leek om te doen.

Dat ik pas laat kon lopen betekende niet dat ik mij niet uit het zicht kon begeven. Op een mooie dag kroop ik voor het huis. Dat mijn moeder een touw rond mijn middel had gebonden kan ik me niet herinneren. Dat ze dat een perfecte manier vond om me in de buurt te houden was iets wat ze me veel later vertelde. Wat ik me wel herinner is dat ik tussen de stokbonen doorkroop die in de tuin aan de achterzijde van het huis groeiden. Op boerendorpjes had iedereen natuurlijk de tuin als moestuin.

Aan het einde van het pad waarop ik voortkroop zag ik een intrigerend gat in de heg. Daar aangekomen bleek dat vlak achter de heg de sloot liep. Vlak voor ik in het water zou rollen had mijn moeder me te pakken. Waarschijnlijk had ik het met een minder oplettende moeder nu niet kunnen navertellen. Uiteraard heb ik aan die gebeurtenis geen enkele schrik of angst herinnering. Daarvoor was ik nog onvoldoende bewust. De beelden, het zonnige gevoel vrijheidsgevoel tussen die stokbonen is zelfs vandaag nu ik dit schrijf nog bij me. Een andere ervaring aan de rand van het water heeft wel een angstspoor meegekregen.

Ons dorp werd doorsneden door een smalle vaart die de naam Grote Sloot droeg. Mijn oudoom Bram voer daar tweemaal daags met een platte stalen schuit doorheen om de melkbussen van de boeren langs de vaart te halen, die hij dan wegbracht naar de melkfabriek, ‘De Eensgezindheid’ in Sint Maartens Vlotbrug.                                          Ik was nu wat ouder en het lopen had ik inmiddels ruimschoots onder de knie. Op een dag had het geijzeld. Spekglad was het. Aan de rand van het water ontwaarde ik een steigertje. Het was een oud steigertje, waarschijnlijk bedoeld om een roeibootje aan vast te leggen. Het steigertje liep een tikje schuin af richting het water van de Grote Sloot Doordat het oppervlak spiegelde in het zonnetje trok het sterk mijn aandacht. Natuurlijk kwam dat doordat er een spiegelend laagje ijzel op lag. Toen ik er echter een voet op zette gleed ik onderuit en gleed langzaam in de richting van het water. Mijn handen lagen met de palmen naar beneden op de ijzige planken in een wanhopige poging om te vermijden dat ik in het water gleed. Ik werd gered doordat ik bij mijn kraagje werd gegrepen door een tierende Tante Maartje, de vrouw van oom Bram, die vanuit haar huisje aan de overkant een sprint van minstens tweehonderd meter getrokken moet hebben. Ik kreeg een paar woedende kletsen voor mijn achterwerk voor ze me een stukje verderop bij mijn moeder in haar keukentje afleverde. Wat er daar tussen die twee vrouwen verder gezegd werd is langs mij heen gegaan.

Het huisje waar we toen woonden was de derde en ook laatste evacuatiewoning die we betrokken. Er was een keuken en een huiskamertje en een slaapkamer. Tante Truus, de zus van mijn moeder kwam bij ons wonen. Tante Truus was mijn absolute favoriet en later ging ik met haar trouwen zodat ik twee aanspreektitels voor haar had: ‘tantruus’ en natuurlijk ‘vrouw’ refererend aan dat voornemen. Ik vermoed dat tante Truus de noodzakelijkheid van haar aanwezigheid in Den Helder ook niet goed duidelijk had kunnen maken. Maar ik denk ook dat het voor mijn moeder wel fijn was dat ze, amper vijfentwintig jaar oud met een kind van nog geen vier jaar oud, gezelschap kreeg van haar zus die een zonnig en zorgeloos karakter had.

In negentien vierenveertig gingen we terug naar Den Helder, lopend. Vervoer was niet voorhanden. Ik kan me herinneren dat ik twee vrouwenhanden ter weerszijden vasthoudend voort stapte.

Om welke reden weet ik niet, vermoedelijk om controleposten te ontlopen, maar mijn moeder en tante kozen binnendoor wegen in plaats van de korte weg langs het Noord-Hollands kanaal. Bij Julianadorp kwam ons een man achterop fietsen – zulke mannen met fietsen had je in die tijd niet heel veel – die mijn moeder of tante kennelijk kende. Of ik daar nou over had lopen zeuren, dat mijn voetjes moe waren of iets dergelijks, weet ik niet meer, maar ik mocht bij die man achterop de reis naar het huis van opa en oma Slot in de Van Hoogendorpstraat vervolgen. Mijn moeder en tante Truus wandelden dapper voort, maar ik reed bij die man achterop de fiets Den Helder binnen totdat we aankwamen en ik achter de brede rug voor mij vandaan kijkend het jongste zusje, Tetje, van mijn moeder voor de deur een stofdoek zag uitkloppen. Tegen de man op de fiets riep ik: ‘we zijn er, want daar staat Tet!’

Aan het begin van dat laatste oorlogsjaar waren we teruggekeerd in de schoot van de familie. Het huisje in de Van Hoogendorpstraat nummer drieënveertig had een voor en een achterkamer. In de voorkamer sliepen opa en oma. Boven was een zoldertje en twee slaapkamertjes. Daar waren we dan: opa, oma oom Klaas, oom Dik, oom Freek, tante Tet, Mamma, ik. Best veel. Tante Truus ging bij tante Baaf wonen, een zus van opa. Het was vol, vol en warm en gezellig en iedereen hield van mij.

Wachtwoorden…

Heb jij nou ook zo ongelooflijk de pest aan dat gedoe met wachtwoorden.                      ‘Ja,’ zeuren ze dan, ‘dat is om je privacy te beschermen. Dan kan een ander niet zien wat jij kan zien.’ Nou kan ik me nog voorstellen dat het voor de handelingen die je via het internet met je bank doet nog van enig nut is. Daardoor is het niet voor iedereen mogelijk om het kleine beetje tegoed dat je nog hebt staan direct over te schrijven naar zijn eigen criminele rekening. Hoewel, gehackt wordt er natuurlijk op grote schaal.        Het gaat natuurlijk allemaal over veiligheid, zeggen ze.                                                      Trouwens, je ziet het in de VS, hoe meer vrije wapens onder de burgerij – zij noemen dat veiligheid – hoe meer er zomaar en lukraak wordt gemoord.                                        Iedereen ziet het, iedereen weet het. Het systeem is daar doorgeschoten. De wapenlobby heeft gewonnen. De bazen daarvan zitten nu steenrijk in hun beschermde vestingen wantrouwig naar buiten te kijken, want elk kind dat aan de deur komt om kinderpostzegels te verkopen wordt neergeschoten. ‘Trespassing’ noemen ze dat.          Eerst schieten, dan vragen stellen. Mocht er geen antwoord meer komen dan heb je in ieder geval een potentieel gevaar opgeruimd. Dat het in feite geen gevaar was kon jij toch niet weten? Voorzichtigheid geldt tenslotte nog altijd als de moeder van de porseleinkast, nietwaar?

Ik weet heus wel dat een wachtwoord geen moordwapen is, maar het is wel een slagboom, een hindernis op de weg. Het is een barrière die tegen naderende personen zegt: ‘als je mij niet kent ben je niet welkom.’ Ik vraag me echt af of er nou werkelijk zoveel wachtwoorden nodig zijn. Bij heel veel internetsites moet je inloggen met een wachtwoord. Als je een poosje niet in die winkel bent geweest ben je natuurlijk dat stomme honderd en zoveelste wachtwoord vergeten. Vragen de slijmballen of je misschien je wachtwoord vergeten bent en of je dan misschien een nieuw wachtwoord wilt aanmaken en, oh ja, dat hebben ze ook nog vaak een trucje met scheve letters of verkeersborden om te bewijzen dat je geen robot bent. Negen van de tien keer schrijf ik dan in zo’n venstertje: ‘je bent me kwijt, ik hoef niet meer. Stop je spullen maar waar de zon niet schijnt.’ Maar ja die tekst lijkt in de verste verte niet op het juiste wachtwoord, dus die krijgen ze nooit onder ogen.

Omdat de natuurwinkel in mijn dorp laatst geen Zweedse kruiden kon leveren dacht ik: oké, dan moet ik het maar via het internet bestellen. Mijn voorraadfles begon aardig leeg te raken en ik wilde nieuwe tinctuur bereiden voor hij helemaal leeg was. Ik zocht en vond op het internet een winkel, in België, die een zakje van zestig gram kon leveren. Wachtwoord instellen, vooruit betalen, toe maar weer. De verzendkosten die erbij kwamen maakten het zakje kruiden wel bijna twee keer zo duur, maar vooruit, ik had het nodig. Na een week lag er een kaartje in de bus. De bezorger was aan de deur geweest en had vastgesteld dat ik niet thuis was. Dat komt gelukkig nog tamelijk veel vaker voor. Hij had ook niet de moeite genomen om het pakje bij de buurvrouw af te geven. Daarna gebeurde er niets meer.                                                                              Het is misschien niet heel goed voor mijn bloeddruk, maar ik maak me dan nijdig, niet om die paar rotcenten, maar om de onverschillige incompetentie. Ik mailde de winkel in België en ik kreeg als antwoord dat de bezorger na een tweede vergeefs bezoek het pakje aan het KPN agentschap in onze buurt had afgegeven. Wel was de bezorger vergeten een kaartje met juist die mededeling bij mij in de bus te stoppen. Gisteren was ik even bij dat agentschap. Ze konden precies opzoeken wanneer het pakje was aangeboden, maar nee, het was er niet meer. Na twee weken werd het weer teruggestuurd aan de afzender.                                                                                        Gelukkig kon ik op Texel in de natuurwinkel weer een zakje Zweedse kruiden kopen. Ik heb weer voorraad.

Het lijkt er sterk op dat langzamerhand alles in onze samenleving gericht is op controle, indekken, beveiliging. We zien het onderwijs ten ondergaan aan ambtelijke controledrift. De mensen die er proberen te werken verzuipen in de administratie, wat ten koste gaat van de slagvaardigheid en de kwaliteit van het werk. Bij de huisarts en in de ziekenhuizen is het al niet veel anders: controle, controle en nog eens controle. Alles moet veilig en ik denk: zit dan in vredesnaam maar helemaal stil, beweeg je niet, verberg je dan ziet niemand je.                                                                                          Nee, luister, je hebt gelijk, ik zeur een beetje. Wij hebben niet allemaal een wapen. Dat hebben hier naast de simpele pistooltjes van de politie, alleen de criminelen en die schieten alleen af en toe per ongeluk een niet crimineel dood.

Maar toch hè. Zeiden we niet ooit dat de pen het gevaarlijkste wapen is?                        Nou? Waar ik nou heen wil?                                                                                                Hier heen. Waarmee denk je dat al die stomme formulieren moeten worden ingevuld die door al die ambtenaren na binnenkomst op een grote stapel in een la worden gelegd. Met al die pennen voor gebruik bij het invullen van formulieren winnen wij gemakkelijk de wapenwedloop van Amerika…                                                                                      En met wachtwoorden ja, dat heeft inderdaad te maken met wachten, tijdverlies bedoel ik, want als je eindelijk klaar bent met het invullen dan zit je daar achter je toetsenbord en je denkt: wachtwoord? eh… wacht… verdomme… wat was het ook alweer.

Trojan Horse

 

Onder deze titel is mijn Sciencefiction roman net uitgekomen.

Een korte synopsis van het verhaal:                                                                                    In dienst bij een grote multinational, de Hoyt Uliger Corporation, HUC, hebben drie geniale ontwikkelaars de volmaakte menselijke, robot, de android ontwikkeld. De ontwikkeling was kostbaar en het prachtige product zal in eerste instantie slechts bereikbaar zijn voor de zeer rijken. Het zal naar verwachting vrij lang duren voor in deze tak van de corporatie een economisch break even point wordt bereikt. Omdat HUC echter andere zeer winstgevende bedrijfstakken heeft zou dit tijdelijk achterblijven in winstgevendheid niet als problematisch gezien hoeven te worden.

Hoe dan ook, het werk aan dit project is klaar. Een nieuwe uitdaging voor deze drie ontwikkelaars is nodig. Om er voor te zorgen dat het bedrijf ook iets te bieden heeft voor de iets minder welgestelden komt hoofd ontwikkelaar, Judith Krantz, fysisch ingenieur,  op het idee om de volmaakte Virtual Reality apparatuur te ontwikkelen, waarbij elke gewenste beleving kan worden opgeroepen door er simpelweg aan te denken.

Haar idee wordt echter op beledigende wijze afgeschoten door Cecil Hoyt, de financieel directeur van HUC, die van mening is dat er eerst winst gemaakt moet worden alvorens weer kan worden geïnvesteerd in nieuwe ontwikkeling. Tijdens de ruzie die het gevolg is van de starre kortzichtige weigering van Hoyt nemen de drie ontwikkelaars onmiddellijk ontslag, tot groot ongenoegen van Brian Uliger, de technisch directeur van de organisatie. Hij ziet de mensen die in zijn ogen het belangrijkste intellectuele kapitaal vormen voor het bedrijf verloren gaan.

De drie ontwikkelaars, onder leiding van Judith Krantz, starten een eigen bedrijf, de Neuro Imaging Corporation, NIC. Hun enthousiasme en vindingrijkheid leiden al snel tot succes, waardoor de economische positie van het nieuwe bedrijf een stevige basis krijgt.                                                                                                                                    Cecil Hoyt beseft echter dat het product dat NIC heeft ontwikkeld en dat nauwelijks uit de testfase is een enorme economische bedreiging vormt voor HUC. Hij sleept Uliger tegen diens zin mee in kwalijke en gevaarlijke aanvallen op NIC. De techniek die gebruikt wordt lijkt een op hacken. Hoyt schroomt echter niet om op een zeer fysieke wijze te hacken. Voor Judith Krantz blijkt dit letterlijk levensbedreigend als ze haar handelen niet meer volledig zelf lijkt te controleren, waardoor ze een fatale fout maakt.

Uiteindelijk wordt de gewetenloze man, Cecil Hoyt, met zijn eigen methode en door eigen toedoen ten val gebracht.

Waarom nu deze titel?                                                                                                        De geschiedenis uit de Griekse mythologie over het Trojaanse paard vormde hier te lande de inspiratie voor het Turfschip van Breda. Strijders of strijdmaterialen worden onopgemerkt bij de tegenstander binnengebracht. In Trojan Horse maak je mee hoe het Trojaanse paard via teleportatie bij een mens wordt binnengebracht en de regie overneemt.

Het boek is uitgegeven bij uitgeverij Schrijverspunt en uiteraard in de eigen webshop van de uitgever te krijgen, maar ook andere verkoopkanalen via het internet, zoals Bol.com bieden het te koop aan. De prijs is € 17,95

 

Corruptie, de belangrijkste oorzaak van de enorme migratiestroom.

Naast onderdrukkende religieuze wetten, waarvoor mensen vluchten, is het toch vooral corruptie die mensen huis en haard doet verlaten en op weg zet naar een onzekere en vaak gevaarlijke toekomst.

Wat mij altijd weer verbaast is het gemak waarmee we onszelf lenig in een systeem bewegen waarin met twee maten wordt gemeten. Wat ik bedoel? Nou, eigenlijk heel eenvoudig: we hebben wetten en bepalingen waaraan we moeten gehoorzamen. Maar als er bijvoorbeeld een nieuwe James Bond film te zien is, dan nemen we er genoegen mee dat de held allerlei verboden dingen doet, zoals het vernielen van installaties van de tegenstander of, erger nog, het vermoorden van vertegenwoordigers van opvattingen die niet de onze zijn.                                                                                        Blijkbaar kunnen we dat. Blijkbaar zijn we heel goed in staat om te vinden wie of wat ons tegenwerkt om vervolgens die toestand op passende dan wel definitieve wijze te beëindigen.

Ik weet het wel hoor, zo’n film is fictie, maar wel geloofwaardige fictie. Er gebeuren bij James Bond geen dingen die echt onmogelijk zijn. De opsporingstechnieken zijn allemaal allang bekend. Nee, sterker nog, in de huidige werkelijkheid zijn de opsporingstechnieken zelfs zo geavanceerd dat grote groepen burgers tegenwoordig huiveren bij de gedachte dat al die techniek beschikbaar zou komen voor onze geheime diensten. Wetten op de privacy moeten dat voorkomen. Als ik dat hoor denk ik vaak: ‘Ja hoor, plas je maar lekker warm. Geloof je nou echt dat er dingen kunnen, omdat geniale mensen ze hebben uitgevonden, en dat die dingen dan ongebruikt in de verpakking blijven staan?’ Wake up! Natuurlijk worden die dingen toegepast. Of heb je de laatste tijd het nieuws niet gevolgd en heb je daardoor niet gehoord hoe onze eigen hackers de Russische hackers hebben gehackt en vastgesteld dat ze zich op zeer onoorbare wijze bezighielden met het beïnvloeden van de Amerikaanse presidentsverkiezingen, waardoor we nu opgescheept zitten met een verwend jongetje van twaalf in het lijf van een achtenzestigjarige nitwit. Kijk, dat soort processen kunnen we monitoren. We zien wat ze doen en als het moet kunnen we ze storen.

Wat we volgens mij zeker ook moeten kunnen is het nauwkeurig in kaart brengen van de belangrijkste bronnen van corrupt handelen in Afrika en Azië. Natuurlijk, je moet er een aantal slimmeriken op zetten, maar die hebben we wel. Als je die bronnen op een zodanige manier kunt storen dat ze bijvoorbeeld plotseling niet meer over toegangen en middelen kunnen beschikken, dan kunnen er alleen al daardoor misschien minder mensen uit Afrika en Azië huis en haard moeten ruilen voor een onzeker en gevaarlijk bestaan als vluchteling.

Nog rigoureuzer zou natuurlijk zijn om een flink aantal goed getrainde commando infiltranten alle corruptie gebieden in te sturen om de grote opruiming te starten van al die mensen die zich systematisch dingen en fondsen toe-eigenen die niet van hen – en zeker niet voor hen bedoeld zijn. Die mensen zijn namelijk de bloedzuigers van hun samenleving die in hun kortzichtig begrepen eigenbelang al die miljoenen mensen op de vlucht jagen.

Ach, ach, wat hebben we al ons best gedaan. Op uitdrukkelijk verzoek van de wereldwijde – en voor de aandeelhouders zeer profijtelijke wapenindustrie hebben we onderdelen van onze krijgsmacht op achteraf nutteloze missies gestuurd. Nou ja, nutteloos voor de plaatselijke bevolking dan, want zodra we ophielden trad de oude ellende weer aan.

Nee, ik geloof meer in een groot aantal super getrainde James Bonds, die ver onder de horizon corrupte hufters helpen vervangen door mensen van wie verwacht mag worden dat ze onder scherp toezicht een poosje niet corrupt zullen zijn.

Zou een dergelijk scenario politiek mogelijk zijn? Wat denk je?                                        Ik zal maar eerlijk zijn. Ik ben er niet optimistisch over.                                                      Waarom niet?                                                                                                                    Ach, weet je, onze politici, de mensen die we hebben toevertrouwd om tegen een tamelijk riante betaling problemen in het land en de wereld voor ons op te lossen, die komen nooit met rigoureuze oplossingen. Dat is namelijk niet politiek correct.                Wel politiek correct is: zien wat er mis gaat in het land en de wereld om ons heen en daar met een gebaar van onmacht niets aan doen, onderwijl tijdens eindeloze debatten uiting gevend aan de opvatting dat het zo niet kan doorgaan en dat er toch echt iets aan gedaan zou moeten worden.                                                                                      Ja,ja, blijven praten, heel beschaafd hoor en er gaat ook ongelooflijk veel goedbetaalde tijd mee verloren, Tijd die al die vluchtelingen al heel lang niet meer hebben.