Jan

Het moet meer dan twintig jaar geleden zijn, maar soms moet ik nog wel eens aan Jan denken.                                                                                                                                Hij speelde banjo en slagwerk en hij zong. Met zijn zware doorrookte en door whisky verder prachtig geïntoneerde vocale rasp zong hij bijvoorbeeld op onnavolgbare wijze het mooie dixielandnummer “Rosetta’’.                                                                              Voor Jan was de muziek een tweede thuis, waaraan hij vaak de voorkeur gaf boven het huis waar hij woonde, maar waar hij al sinds heel lang niet meer vond wat hij nodig had.

Eigenlijk was Jan in de allereerste plaats vader, en dan een vader van het soort waarmee de boze buitenwereld maar beter geen ruzie kon maken, want met zijn commandotraining en BVD-achtergrond was hij een vervaarlijk tegenstander.

Ooit was Jan getrouwd geweest met een vrouw die hem vier kinderen schonk, maar die hem daarnaast voortdurend op allerlei manieren belazerde. Toen het Jan allemaal te veel en te machtig werd en het mens bij hem weggelopen was met medeneming van letterlijk alle huisraad, zorgde hij ervoor dat hij zo ongeveer de eerste vader in Nederland was die van de rechter zijn kinderen kreeg toegewezen.

Tja, en toen was Marijke gekomen. Ze kwam als huishoudster en om te helpen de kinderen op te voeden. Ze was lerares en wat kinderen betreft wel wat gewend.              Uiteindelijk trouwde Jan maar met haar omdat ze – zoals hij het uitdrukte – dat wel verdiende. Maar eigenlijk werd het nooit echt wat tussen Jan en Marijke. Altijd, als hij over Marijke sprak zei hij: ‘weet je, ze is een fantastische moeder voor de kinderen en ik zal haar nooit in de steek laten, want dat verdient ze niet. Maar ze is zo verdomde saai.

Jan werkte bij een grote krant. Toen hij zestig werd mocht hij in de VUT. Hij had een huisje gekocht in Frankrijk, in de buurt van de plek waar zijn zoon en diens vrouw op tamelijk armelijke wijze met een schapenboerderij de kost trachtten te verdienen. Jan was daar vele malen naar toe gereden om te helpen met het verbouwen van de boerderij en wat verder de hand te doen vond.

Het huisje in Frankrijk stond klaar en de jonge opvolger van de zwarte labrador Tjoin, had er ook veel zin in.                                                                                                          Vlak voor Jan echt zou vertrekken reed hij zich op de grote weg kapot.

Jan werd begraven in Den Haag, op Okkenburg. Ik ben niet naar de begrafenis gegaan, lafaard die ik ben, want als ze daar – wat stellig te verwachten was – mooie jazz hadden gespeeld, was ik nooit meer opgehouden met huilen.

Jan was van ons kwintet eigenlijk de Godfather. Toen onze blinde saxofonist bij zijn nymfomane vriendin weg liep om met een andere vriendin verder te gaan waren er urenlange verantwoordingsgesprekken met Jan geweest. Er moest net zo lang gepraat worden tot Jan erachter kon staan en het begreep.

Toen ik mijn tweede huwelijk voor gezien hield, omdat ik eindelijk de vrouw van mijn leven had gevonden, kondigde Jan aan dat hij kwam praten en ik verzeker je dat ik me daar toen behoorlijk zenuwachtig over maakte. Na een avond lang en stevig bomen kregen we zijn zegen.                                                                                                          Voor mij betekende dat, dat ik het goed had gedaan, want Jan kon niet leven met mensen die valse rotstreken uithaalden.

Van vrienden die wel naar zijn begrafenis waren gegaan heb ik later gehoord dat er wat klassieke muziek was gedraaid. Vermoedelijk vond Marijke het passender. Jan was na het vertrek uit huis van alle kinderen inmiddels toch niet meer met haar samen.              Klassieke muziek! Jan moet hebben liggen vloeken, daar in die kist.                              Zo verdomde saai.

Advertenties

Moord

Moord is een misdrijf. In alle landen van de wereld schijnt het zo te zijn – nou ja, van de zogenaamde beschaafde landen weten we het tamelijk zeker – dat moord een zwaar misdrijf is. Vaak zie je, als je de moeite neemt om rechtbankverslagen te lezen of in het nieuws te volgen, dat moord kan voortkomen uit verschillende emoties van de dader of daders. Het kan zijn dat iemand gedreven wordt door een onblusbare jaloezie en in die verwardheid – eigenlijk geesteszieke toestand – het eerdere voorwerp van zijn liefde om het leven brengt. Vervolgens hebben we dan de zogenaamde lustmoordenaars. Daarvan hebben we er gelukkig niet heel veel. Het zijn mensen die geestelijk ziek zijn en die ervan genieten om meestal vooral jonge vrouwen om te brengen. Het lijkt maar niet te lukken om deze zieke mensen echt te genezen, maar nogmaals, gelukkig komt dat niet elke dag voor.                                                                                                      Maar dan krijgen we de grootste groep. Weer, moet ik helaas zeggen, mannen, die het om macht of geld te doen is. Heel vaak is moord dan ook roofmoord.

En nu denk je misschien dat we het rijtje nu wel compleet hebben. Tot nu toe hebben we namelijk te maken met duidelijk herkenbare misdadigers die we laten arresteren en opsluiten en soms ook psychiatrisch behandelen.                                                              Maar we zijn er nog niet hoor. O nee.                                                                                In onze beschaafde wereld zijn er namelijk onmetelijk rijke zakenlieden die de macht hebben over levensreddende medicijnen. Die medicijnen maken ze dan zo verschrikkelijk duur (natuurlijk gebruiken ze als reden daarvoor allerlei rotsmoezen) dat bijna niemand het kan betalen. Natuurlijk weten ze dat angst en wanhoop mensen ertoe drijft om volstrekt onverantwoorde dingen te doen om bijvoorbeeld het leven van hun doodzieke kind te redden. Dus ze beginnen eigenlijk meteen al winst te maken met hun idioot hoge prijs.

Dan volgen de taaie onderhandelingen. Er is dan een periode waarin de onderhandelingen over de prijs van het medicijn tergend langzaam verlopen. De zakenman heeft de tijd, nietwaar. De arme sloebers met die doodzieke kinderen zullen alles in het werk stellen om hulp te krijgen om aan het medicijn te komen. De zakenman heeft de tijd. Hij wil de prijs zo hoog mogelijk houden en hij weet dat de wanhoop bij de tegenpartij voor hem werkt.                                                                                                Tijdens die onderhandelingen sterven een aantal patiënten die aan die ziekte lijden en die met het medicijn gered hadden kunnen worden.                                                      De zakenman weet dat. Wat hij echter ook weet is dat hij opereert in het meest veilige corrupte deel van de samenleving, de farmaceutische industrie. Hij heeft moord om geldelijk gewin op zijn geweten en de stupide wetgeving stelt hem wereldwijd in het gelijk. Hij wordt niet aansprakelijk gesteld voor de sterfgevallen die hij gemakkelijk had kunnen voorkomen. Winst is heilig blijkbaar. Dan telt men de doden niet.

Nu hoorde ik zojuist via de radio in de auto dat een Haagse apotheker het medicijn Orkambi, dat levensreddend werkt voor patiënten met de taaislijmziekte, gaat namaken. Natuurlijk is dat officieel verboden want er ligt een octrooi op, waardoor hij het risico loopt een leger advocaten op zijn dak te krijgen van de fabrikant/zakenman.                    Die fabrikant biedt dat middel namelijk aan voor honderdzeventigduizend euro per jaar.  Onze Haagse apotheker denkt het voor twintigduizend euro per jaar te kunnen en dan ga ik ervan uit dat de goede man zelf ook nog wat verdient.

Als je dat even narekent – en laten we nu even aannemen dat die twintigduizend de bodemprijs is – dan maakt die dood door schuld farmaceut/zakenman toch achthonderdvijftig procent winst. Schunnig!

Het patent – en octrooisysteem is natuurlijk prachtig. Jij bedenkt iets handigs waarvan mensen gemak kunnen hebben als ze het willen kopen. ‘Leuk en redelijk voor alle dingen die je niet echt nodig hebt, luxe dingen. Nou, daar mag je wat mij betreft steenrijk van worden.                                                                                                          Maar laten we nou toch eerlijk zijn, uitvindingen waar je niet omheen kunt die je dood betekenen als je ze niet gebruikt, daarop mogen toch geen beschermende octrooien worden gegeven. Dat moeten toch dingen zijn die iedereen moet mogen namaken, zodat bijvoorbeeld alleen de snobs in deze wereld kunnen zeggen: ‘Ik gebruik uitsluitend het echte merkartikel,’ en dat een ander die een heel klein portemonneetje heeft dan antwoord: ‘Nou, ik niet hoor, de namaak die ik gebruik werkt net zo goed al krijg ik het in een papieren zakje mee, in plaats van in een zilveren doosje.

Kijk, als dat soort octrooien nu wordt afgeschaft, dan is zakelijke moord uit winstbejag de wereld uit.

Lijkt mij eigenlijk best redelijk.