Als het er ooit van komt.

Waar de laatste oorlogen al een hele poos voorgoed achter de rug zijn. Is dat nu een ideale samenleving? Hebben we dan een omgeving voor een gelukkige en gezonde mens en boven dien, waarmee houdt die mens zich nog bezig? Tot nu toe kunnen we ons namelijk niet voorstellen dat er een leven bestaat zonder strijd, al is het maar om de dagelijkse kost te verdienen. Als levende wezens zullen we ons altijd moeten voeden. Ons schema vertrouwt erop dat we een stofwisseling onderhouden. En verder, wat vinder we leuk en wat niet. En oh jee, ik zie toch problemen aan het firmament. Als alles goed gaat en er is geen strijd, is er dan nog wel emotie. Moeten we dan opschalen naar een totaal andere manier van waarnemen. Ik neem trouwens ook zomaar aan dat we de graaierige en vooral ook heel onoprechte en zelfs leugenachtige en misdadige BigFarma dan ook niet meer hebben. Oprechte en vooral ook bijna alwetende artsen zullen ons een poosje moeten helpen om tot het zelfbewustzijn te groeien dat weet hoe we probleemloos spelend en passend gezond moeten blijven.

Kortom, hier op het bijna einde van dit stoffelijk leven kan ik achteromkijkend vaststellen dat dit leven mij een vrij volledige kijk heeft gegund in wat er onder ons mensen allemaal mogelijk is en daarbij gaat het natuurlijk over het totale pak aan emoties die een mens kan hebben, hierbij in elk geval aangevend dat alle emoties – zeker de extreme – meestal van korte duur zijn. Hoewel, ik heb eens een boekje geschreven over het effect van emoties en in dat opzicht het effect van tranen, een stof die uitermate gevarieerd kan zijn en die ik bij die openbaring ben gaan beschouwen als een grondstof voor een homeopathisch geneesmiddel. Zonder echt wetenschappelijk bewijs, maar wel met empirische bevestiging kan ik stellen dat tranen die het gevolg zijn van een emotie een genezende werking hebben op de lichamelijke en geestelijke gevolgen van die emoties en de herinnering aan de daarmee samenhangende gebeurtenissen in het verleden van de persoon. Samenvattend kan ik in elk geval zeggen dat het boekje dat ik liefdevol schreef – het was dacht ik in 1995 – weliswaar twee drukken heeft beleefd maar toch niet de belangstelling heeft gebracht die mijn kennelijk een eeuw of zo vooruitlopende ziel ervan had verwacht.

Nee, achteraf beschouwd is dat niet jammer. Het maakte voor mij alleen maar duidelijk dat ik blijkbaar mijn geboorte niet had gepland in een tijd die bij mijn diepste aard past. Op de een of andere manier had ik nog een paar stootjes nodig om me in deze tijd te plaatsen. Volledigheidshalve noem ik ze even op:

  1. Een wereldoorlog die begon toen ik drie maanden oud was en waardoor mijn vader pas zwaar beschadigd terugkeerde toen ik vijf jaar oud was. Ik had dan ook een oorlogsvader die liefdevol en verschrikkelijk was, onbeheersbaar driftig en gewelddadig, wat mijn in de oorlog ontstane angst versterkte.
  2. Op mijn zesde jaar, een dag voor mijn moeders verjaardag werd ik aangereden door een klein vrachtwagentje. Ik vermoed, ik weet het natuurlijk niet zeker, dat ik de aandacht van mijn vader wilde die ik op dat moment beslist onvoldoende kreeg. De breuk in mijn rechter dijbeen was mogelijk in onze tijd gemakkelijk te repareren, maar in die tijd was er blijkbaar onvoldoende kennis en hygiëne, want ik ontwikkelde een chronische bacteriële beenmergontsteking die tot op de dag van vandaag, ik ben nu 86 jaar, bij me is gebleven. Kortom altijd in gevecht met de infecties. Kun je overigens ook sterk van worden is mij gebleken.
  3. Drie vrouwen heb ik langdurig in mijn leven gehad: De eerste twee tien jaar en de derde nu al meer dan veertig jaar. Pas tegen mijn vijftigste kreeg ik kennelijk eindelijk de rust in mijn lijf. Dat werd ook hoog tijd.
  4. Mijn eerste kind was een zoon. Hij werd geboren toen mijn eerste vrouw met een veel te hoge bloeddruk in het ziekenhuis lag en zij een nachtelijke bloedneus kreeg. Jammer dat de KNO-arts zijn bed niet uit wilde komen, want toen mijn zoon geboren werd was hij al overleden. Een triest begin aan je huwelijk zou je zeggen. Prinsen, het hoofd van de school waar ik werkte zei: ‘Peter, na deze tijden komen betere’. Het was goed bedoeld, maar Katinka, mijn tweede kind, stierf toen ze 36 jaar oud was aan de taaislijmziekte. Mij derde kind, Annemieke heeft het recentelijk tot haar 53st uitgehouden. Van haar had mijn lichaam zoveel onbegrepen verdriet dat ik me plotseling bijna niet meer kon bewegen. Ik ben naar het ziekenhuis gebracht in een ambulance. Ze dachten dat ik een hersenbloeding had. Er was echter niets aan de hand met mijnlichaam. Ik had gewoon onuitsprekelijk verdriet, maar mijn gevoel vertelde dat niet. Heel raar.
  5. Nou ja, vanwege die chronische beenmergontsteking, waarvoor ik als kind zoveel rauwe penicilline had gehad, had ik in mijn rechternier een niersteen van ongeveer 2 centimeter ontwikkeld, (oczaalzuur weet je wel) en dientengevolge was er in mijn rechter nierslagader een aneurysma ontstaan. Dat heb ik overigens nog niet zo heel lang geleden ontwikkeld.
  6. Verder is mijn rechteroog praktisch blind, glaucoom denk ik. Hoe dan ook, alles zit rechts.
  7. Gelukkig kan ik nog prima autorijden. Toen ik 85 werd heb ik met enige moeite toch weer mijn rijbewijs voor vijf jaar gekregen. Nou rijd ik niet heel vaak meer, maar ik ben nog een veilige weggebruiker.

Natuurlijk zijn er op mijn leeftijd meer kleine mankementen, maar dat vind ik niet heel erg. Ik leef tot bijvoorbeeld dat aneurysma plotseling openbarst. Dan is het klaar. Wel vraag ik me af hoe het komt dat ik me zo weinig herinner van een aantal gepasseerde levens dat ik deze misère, waarover ik overigens niet treur, toch allemaal echt zelf verdiend heb. Maar goed, ik maak een rustig en vrolijk staartje aan dit leven. Het kan nog best een poosje duren, denk ik. Als dat niet zo is, is het ook goed.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.