Niet bewezen

Vannacht reed ik terug van de jamsessie in een gezellig café-restaurant in Maarssen. Het was een heel plezierige avond moet ik zeggen in een zaak die zich daarvoor uitstekend leent. Het was gelukkig rustig op de weg en ik zette de radio aan op NPO-1, de actualiteiten zender. Ik kon nog net het laatste deel  van ‘Met Het Oog Op Morgen’ beluisteren. Meestal hoor ik daar dingen die niet alleen aardig zijn om te horen, maar vaak ook interessant. Deze keer trof ik het echter ergerniswekkend slecht. Er was weer eens iemand zeurderig aan het woord namens de vereniging tegen de kwakzalverij.

Nu weet iedereen die mij kent dat ik mij de afgelopen vijftig jaar heb bezig gehouden met het helpen van patiënten door middel van een aantal natuurgeneeskundige behandelwijzen, waaronder chiropraxie en elektroacupunctuur. Bij de laatstgenoemde behandelwijze worden heel vaak homeopathische middelen geadviseerd. Veel mensen heb ik in al die jaren mogen helpen om van uiteenlopende klachten af te komen.

Goed, de jamsessie was dus gezellig en ik heb daar leuk een paar evergreens gezongen, wat altijd weer zeer bevorderlijk is voor mijn stemming. Daarin werd echter door een ietwat verongelijkte stem op een heel vervelende manier verandering gebracht. Het was, naar ik vermoed, een arts die kennelijk onder auspiciën van de vereniging tegen de kwakzalverij jarenlang strijd had gevoerd tegen het oprukkende gebruik van homeopathische middelen, want hij had voor zijn wat mij betreft nutteloze volharding blijkbaar een prijs gekregen.

Ach wat klaagde hij tegen de interviewster. Hij was bedreigd en bedolven onder haatmail. Nou moet ik eerlijk zeggen dat ik dergelijke reacties op iets waarmee je het oneens bent werkelijk weerzinwekkend vind. Wat ik echter eveneens weerzinwekkend vind is het stomme volhouden van die antikwakzalvers met hun bewering dat homeopathie niet werkt, want dat het nimmer wetenschappelijk bewezen is. Dit nu is niet alleen niet waar, maar het is ook een bewuste manipulatie van de feiten. Dat behoeft uitleg:

De reguliere geneeskunde maakt gebruik van de resultaten van voornamelijk de farmaceutische industrie. Ik heb er hier vaker over geschreven. Hier, in dit geval wil ik het ook niet hebben over de schandelijke prijsopdrijverij die in die branche eerder regel dan uitzondering is. Belangrijker vind ik er echter hier op te wijzen dat de resultaten van het zogenaamde wetenschappelijke farmaceutisch onderzoek – voor zover er niet mee is geknoeid om de resultaten op te pimpen – altijd resultaten zijn die voor zoveel mogelijk mensen gelden. Er wordt dus altijd gezocht naar een grootst gemene deler. Hierdoor wordt evenwel voorbij gegaan aan individuele verschillen die zeer groot kunnen zijn en die heel wat meer behelzen dan het verschil in lichaamsgewicht of geslachtsverschillen. Bijna altijd zijn er echter min of meer onplezierige bijwerkingen. Bovendien zijn er steeds weer patiënten die niet op een geneesmiddel reageren of bij wie zelfs slechts verergering optreedt. Er wordt, dat moet gezegd, met name op het gebied van kwaadaardige aandoeningen zeker vooruitgang geboekt. Er is echter geen enkele reden om te roepen dat homeopathie niet werkt. Kennelijk was die zeurende antikwakzalver vergeten wat de uitkomst was van een Frans onderzoek over homeopathie.

Het is inmiddels al weer een aantal jaren geleden dat Professor Benveniste, verklaard tegenstander van de homeopathie, het plan opvatte om eens en vooral te bewijzen dat homeopathie niet werkt. Hij zette een waterdicht onderzoek op. Om er voor te zorgen dat de menselijke opinie van het soort “voel je je nu beter” geen invloed kon hebben, deed hij de proef met een weefselkweek, een groep cellen dus. Gaandeweg zijn onderzoek moest hij zijn mening echter herzien. De proef met een homeopathisch middel op een groep levende cellen toonde aan dat het middel wel degelijk een werking had.

Benveniste was een echte wetenschapper. Hij hield de waarheid voor iets dat belangrijker is dan een algemene en doorgaans vrij starre algemene opinie. Hij publiceerde zijn bevindingen in ‘The Lancet’ een toonaangevend medisch vaktijdschrift. Zoals te verwachten was viel toen de hele wereld, de farmacie voorop, over hem heen. Dit kon onmogelijk waar zijn. ‘Goed,’ zei Benveniste, ‘dan doen we het over.’ Dat deed hij. Er werd argwanend over zijn schouder meegekeken. Het resultaat van het tweede volgens het zelfde protocol uitgevoerde onderzoek was gelijk aan het eerste…                Nee, toch niet helemaal hetzelfde. Het bleek namelijk niet mogelijk de resultaten van dit tweede onderzoek gepubliceerd te krijgen in de toonaangevende literatuur.                Raar, vind je niet?                                                                                                                Wie zouden er nou toch belang bij hebben om de waarheid over homeopathie tegen te houden. Wie het weet mag het zeggen.                                                                        Trouwens, wie het nu nog niet weet heeft echt niet goed opgelet.

Fake, fake, fake

Het sneue ‘kijk eens hoe flink wij regeren spelletje over de rug van twee kinderen heeft kennelijk weer lang genoeg geduurd om de alom tegenwoordige principiële hardliners voldoende te bevredigen. In het begin dacht ik: wanneer heb ik dat ook alweer eerder gehoord? Maar toen schoot het me weer te binnen. Een paar jaar geleden was er een ander kind, een jongen van een jaar of zestien, dacht ik, die ook een enorme sta in de weg vormde voor het rechtschapen deel van onze “dit is van ons en voor de rest allemaal opflikkeren” deel van ons professionele landsbestuur.

Zelf was ik toen heel verbaasd, want ik had het manneke eerst via de radio gehoord. Hij sprak zo mooi accentloos Brabants dat ik direct dacht: ‘waar hebben die gasten in Den Haag het nu over? Dit is toch gewoon een witte met peenhaar van eigen teelt? Nou, dat bleek ik helemaal mis te hebben, want toen ik hem op de televisie zag bleek hij roetzwart. Tja en dat alleen al is in de ogen van veel Haagse keutelaars wel een serieuze handicap. Wat bleek, het was een slimme Afrikaanse jongen die uit een erg vervelend land in Afrika – en daar barsten ze daar van – door iemand was meegenomen een jaar of acht eerder en gedumpt bij een gastvrije familie in Brabant. Ik hoorde toen ook dat hij goed op school was en daar ook heel veel vrienden had. Die pleegouders en al die vrienden van hem liepen met hem weg, om nog maar niet te spreken van de voetbalclub, want – nou ja dat weet iedereen natuurlijk – zwarte jongens kunnen vaak heel goed voetballen. Nee, sterker nog, in voetballand zou niemand ooit meer van Nederland horen als we geen zwarte jongens hadden.

Ik heb zelfs wel eens gehoord dat er in de vaderlandse voetbalclubs speciaal hele goeie zwarte voetballers uit Afrika worden gehaald en daar regelen ze dan een verblijfsvergunning voor. Maar ach, logisch ook eigenlijk. Voetbal is natuurlijk belangrijker dan wat dan ook. Dus als je als regering in dat soort zaken gaat dwarsliggen kun je het bij de volgende verkiezingen natuurlijk wel schudden.              Een beetje regering  heeft belangrijker zaken aan het hoofd. Die moet natuurlijk scoren met het openlijk wegwerken van die verdomde kleine keutelaars die hier niet thuishoren. Anders wordt het natuurlijk een enorme bende.

Nu hadden we weer die twee uit Armenië. Hun moeder was al weggewerkt. Die is daar, met geweld van haar kinderen gescheiden helemaal het Noorden kwijtgeraakt en ze zit nu in een inrichting voor mensen die onherstelbaar in de war zijn geraakt. Goed werk van onze regering denk ik: iemand wegsturen die je niet kent, van haar kinderen scheiden, zodat ze er helemaal gek van wordt. Tja, dan moeten ze het maar niet proberen. En dan die kinderen. Twaalf en dertien zijn ze nu en ze zijn hier nu tien jaar. Als je niet beter weet lijken ze gewone Nederlandse kinderen, want dat brabbeltaaltje van dat land waar ze ooit geboren zijn, dat kennen ze helemaal niet. ‘Toch terug naar huis,’ we moeten ferm optreden tegen deze mensen… eh… ik bedoel kinderen, natuurlijk,’ is het regeringsstandpunt.

Met rode konen zaten ze bij elkaar in Den Haag. Zei de een: ‘we maken op deze manier wel een verdomd onmenselijke indruk.’ Zei de ander: ‘doet er niet toe man. Zie je dan niet dat de populisten steeds meer terrein winnen en als dat gebeurt kunnen wij wel inpakken, daar gaat het om.’                                                                                          Zei die ander weer: ‘nee, sorry, ik begreep je even verkeerd. Ik dacht even dat het om die kinderen ging, maar het gaat natuurlijk om ons. Nogmaals sorry, mijn fout.’

Nu heb ik begrepen dat ze toch maar van mening veranderd zijn, daar in Den Haag, om dat ze merkten dat er een sterke stroming begon te ontstaan die nog sterker was dan het populisme. Tja, je bent natuurlijk een heel slechte democratisch gekozen regeerder als je niet reageert op de wens van het volk. Bovendien moet je nooit vergeten dat het pluche waarop je zit het beste met je eigen op macht beluste reet warm gehouden kan worden.

Er zijn zo’n driehonderd van dit soort gevalletjes die echt uitgezet moeten worden. Reken even mee: driehonderd op de ruim zeventien miljoen. Dat is… even rekenen hoor… O wacht, rekenmachine erbij. Ja, dat is niet gering dat is 0,001764705%. Iets minder dan twee duizendste procent van de bevolking. Lekker belangrijk. Daar kun je als landsbestuurder probleemloos mee scoren, vooral als je erin getraind bent je ogen te sluiten voor menselijke ellende.

Snel, sneller, snelst

Een gevoelig onderwerp, ik geef het toe, maar ik ga er toch een stukje over schrijven op gevaar af over te komen als de oude man die ik nu eenmaal geworden ben. Wat mij in elk geval opvalt is dat op elk terrein snelheidswinst het belangrijkste item lijkt te zijn. Zo moeten de elektronische communicatiesystemen – ja, inderdaad, de computers – steeds sneller worden en steeds meer dataopslag te krijgen, waarbij die data blijkbaar steeds sneller gecombineerd en verwerkt moeten kunnen worden.                               Nu kan ik me voorstellen dat wetenschappers en administrerende bedrijven daar baat bij hebben, maar ik niet. Ik gebruik mijn computer om af en toe een betaling te doen en daarbij kan het me echt niet schelen of het bedrag nu vandaag of pas morgen daar aankomt waar ik het naar toe heb gestuurd. Ook gebruik in mijn computer om te schrijven. Wie regelmatig mijn blogs leest weet in elk geval dat ik mij nooit sterk heb gemaakt voor meer snelheid of meer opslagcapaciteit. Lettertjes nemen in het computergeheugen niet overdreven veel ruimte in, dus wat ik met terabytes aan geheugen moet zou ik niet weten. Als ik alles wil volschrijven wat ik nu nog aan geheugenruimte heb moet ik de komende twintig jaar 24 uur per dag doorschrijven ( ik tik met maar twee vingers).                                                                                                Nu begrijp ik wel dat de fabrikanten het verkopen het gemakkelijkst afgaat als ze elke keer iets nieuws te bieden hebben, maar wat de laatste tijd blijkbaar een beetje zoek begint te raken is het onderscheid tussen features en benefits.                                        Wat zeg je, ben je dat ook een beetje vergeten?                                                                Ik leg het uit: de features van een ding, wat het ook is, zijn de opsomming van wat het ding allemaal kan. De benefits zijn altijd voor iedereen die iets aanschaft persoonlijk namelijk wat je eraan hebt, of het voor jou nuttig is.                                                            En nu moet je voor de aardigheid eens kijken naar de features van een paar zaken vol modern technisch vernuft die je recentelijk hebt aangeschaft. En vergelijk dat nu eens met wat je ervan gebruikt. Tien tegen één dat je meer dan de helft niet gebruikt, maar je hebt er wel voor betaald, omdat het ding zoveel kon.

Snel, sneller snelst is in het hele leven doorgedrongen. Weet je nog dat je vroeger op de fiets naar school ging? Altijd had je zowel op de heen – als op de terugweg wind tegen. Dus je spaarde en met je verjaardag kreeg je er nog wat bij en dan kocht je een fiets met versnellingen. Daarmee kon je met wind mee onverantwoord hard rijden, maar het ging lekker, tot je een keer noodlottig met iets in aanraking kwam dat weinig meegaf, waarna je pas drie maanden laren weer op je inmiddels gelukkig gerepareerde fiets kon stappen en intussen beter begrepen had waarvoor die versnellingen nu waren.

Welnu, ook in de fiets heeft de immer gretige industrie het aanbieden van steeds weer nieuwe features doorgevoerd. Eerst waren het de oudere mensen wier conditie het niet meer toeliet dat ze op de fiets aan het verkeer deelnamen die de motivatie vormden voor de fiets met elektrische trapondersteuning. Inderdaad, voor die mensen is het misschien een zegen, want in de fietstas gaan meer en zwaardere boodschappen dan wanneer je met die zware volle tas moet lopen, omdat je niet meer genoeg kracht hebt om te fietsen.                                                                                                                    Goed dan, voor de wat krachteloos wordende mens die nog wel in staat is om het overzicht in het verkeer te houden en die ook op twee wielen zijn evenwicht nog kan bewaren is de ‘elektrische fiets’ misschien een zegen. Mensen die niet lijden aan krachtverlies en die toch zo’n fiets kopen moeten er echter rekening mee houden dat hun prestatievermogen snel terugloopt omdat ze zich bij het fietsen noch nauwelijks hoeven in te spannen. Ik spreek uit ervaring moet ik helaas zeggen. En het is natuurlijk niet klaar, want de fabriek Nooitgenoeg gevestigd te Handelismooi brengt nu forensenfietsen. Met heel weinig inspanning kun je met een gangetje van rond vijfenveertig kilometer per uur de afstand naar je werk binnen een straal van rond dertig kilometer gemakkelijk binnen een uur overbruggen. Hartstikke gezond man, lekker buiten. Natuurlijk ben je niet getraind op die hoge snelheden, dus als het even mis gaat dan breek je tenminste serieus wat botten. Bovendien hoort niemand je ook nog aan komen dus heb je een beste kans om tegen die slome sukkels aan te rossen.                Als je op je scootertje zou gaan dan horen ze in elk geval nog, maar dan vervuil je natuurlijk weer de lucht.

Vaak moet ik nog denken aan die jongens en meiden die van Texel en van Wieringen naar onze HBS in Den Helder kwamen. Elke dag op de fiets. Een rot end weg vonden wij altijd, maar die gasten waren nooit ziek. Volgens mij horen er geen features en wel heel veel benefits bij gezonde inspanning.

Tocht

Warm is het op het ogenblik in ons landje, zo warm dat er hier en daar al mensen aan bezwijken. Was het ooit eerder zo warm en zo lang achter elkaar? Ik heb het eigenlijk niet bijgehouden, de meeste mensen niet, vermoed ik. Af en toe hoor ik wel berichten dat het  niet eerder zo lang droog is geweest, betrouwbare berichten, dat weet ik zeker, want er zijn mensen die dat soort zaken professioneel bijhouden. Ik niet, ik leef bij de dag als het om het weer gaat. Overigens moet ik zeggen dat ik gezegend ben met een lichaam dat glimlachend warmte, kou, regen, storm en noem maar op verdraagt, nou ja, bijna dan. Eigenlijk is er qua weer maar één ding waaraan ik een beetje een broertje dood heb als ik buiten ben en dat is de combinatie met droog weer en storm en dan op het strand zijn. Dat je daar gezandstraald wordt en dat het alleen enigszins te verdragen is als je met de wind mee loopt, maar dat je helaas ook weer terug moet. Maar verder? Nee hoor, doe maar met dat weer. Ik vind alles best.

Oh ja, er is binnenshuis – ja wat heeft dat nou met het weer te maken – ook nog een omstandigheid die ik buitengewoon onaangenaam vind, een omstandigheid die echt mijn humeur volledig kan bederven: tocht! Echt afschuwelijk vind ik dat. Tocht is wind, maar wind hoort buiten, niet binnen. Tocht vind ik een reden om rond te gaan draven en alles potdicht te doen. Wonderlijk trouwens dat dit soort prikkelgevoeligheden heel ver in je leven terug kunnen gaan.

Ik was nog maar een jaar of vier toen we terugkeerden van ons evacuatiedorp, Schagerbrug,  naar Den Helder. Voor de rest van de nog steeds voortdurende tweede wereldoorlog verbleven we bij Opa en Oma Slot in de Van Hoogendorpstraat. Oma was een ouderwetse huisvrouw. Samen met tante Tetje, de jongste zus van mijn moeder moest altijd alles gepoetst, afgestoft, geschrobd, uitgeklopt en noem maar op. Heel vaak stonden dan de voordeur zowel als de achterdeur open en dan waaide het in huis. ‘Het trekt Pee,’ zei Oma dan. Daar had ik echt een hekel aan want je was dan binnen niet echt binnen, want binnen hoort het niet te waaien. Gek eigenlijk dat ik me daar als kind al zo druk om maakte en dat ik dat nog steeds doe.

Buiten in de wind, in de storm voor mijn part, prima! Binnen met de deuren tegen elkaar open om bijvoorbeeld even de pannenkoeken baklucht te verdrijven, ik ga wel even naar boven achter mijn computer zitten. Of, het is smoorheet in huis – ik vind dat wel lekker – en er moet zo’n ventilator heen en weer staan te zwaaien met kunstmatige verkoelende wind. Niet voor mij. Als ik wind wil ga ik wel naar buiten.                            Af en toe denk ik wel eens: hoe komt dat toch, waar heb ik dat van?                              Ik krijg geen enkel beeld voor me bij die vraag.                                                                  Misschien heeft het iets te maken met een huis dat kapot is…was?                                Ik zie geen beelden, maar ik voel het nog steeds.

Knielen voor BigFarma

‘Jaaa,’ werd er gejuicht in de gebouwen van de Amerikaanse multinational Biogen. Er was een kindermedicijn ontwikkeld voor kinderen met een heel zeldzame dodelijke ziekte: SMA (Spinale Musculaire Atrofie). Die kinderen zullen jong sterven na een dramatisch leven, waarin hun spieren steeds minder kunnen tot tenslotte hun nog veel te jonge hartje er ook mee stopt.                                                                                        Wanhopige, diep bedroefde ouders die tot alles bereid zijn als hun kindje maar mag blijven leven. Eerlijk gezegd – en wie mijn blogs vaker leest weet dat – ben ik een ervaringsdeskundige als het gaat om het verliezen van een kind, want mijn Katinka stierf na een lange lijdensweg op zesendertigjarige leeftijd aan de taaislijmziekte. Toen waren er nog geen middelen die echt effect hadden. Later kwam er een middel op de markt dat toen waanzinnig veel geld moest kosten. Onderhandelingen met de fabrikant brachten het idioot hoge winstpercentage van de fabrikant een beetje omlaag. Overigens bleek het middel de gezondheid van mijn tweede dochter met de zelfde nare erfelijke aandoening alleen maar te verslechteren, maar dit terzijde.

De farmaceutische jongens zien maar geen kans die dollartekens uit hun graaierige geesten te krijgen. Blijkbaar zijn ze van mening dat zieke mensen een ideale business opportunity zijn en niet meer dan dat. De bruikbaarheid van antibiotica hebben ze met hun ramsj-praktijken van obsolete middelen in derde wereldlanden al vroegtijdig naar de gallemiezen geholpen, zodat we nu weer wereldwijde infectie uitbraken moeten vrezen. Maar klaar met graaien zijn ze natuurlijk niet. En er bestaat natuurlijk geen betere drijfveer om mensen naar je wanstaltig dure producten te leiden dan de natuurlijke angst voor ziekte en dood die ons allen ingebakken lijkt te zijn.

Terugkomend op een van de nieuwste inkomensbronnen van Big Farma, het middel ‘Spinraza’ voor kinderen met SMA. Volgens de fabrikant moest het middel in het eerste jaar tweehonderdduizend eurootjes kosten. In de volgende jaren zou het dan voor de helft kunnen. Je begrijpt dat de ouders van die in rap tempo achteruit gaande kinderen in wanhoop de haren uit het hoofd trokken en als het kon alles wat ze hadden te gelde maakten om het knielend en smekend aan voeten van de grijnzende farmaceut te leggen. Sommige van die ouders kregen het niet voor elkaar. Bij radar op de tv vertelden ze dat. Konden we allemaal verontwaardigd meehuilen.

Nu is onze minister Bruins van volksgezondheid met zijn Belgische collega samen naar de fabrikant van Spinraza gegaan, Biogen, om te onderhandelen. En raad eens wat, ze hebben iets van de prijs afgekregen en het middel mag nu in het basispakket van de verzekeraars.                                                                                                                      Wat ze eraf hebben gekregen?                                                                                          Nou, dat zit zo: dat mogen ze niet zeggen, dat is deel van de afspraak met Biogen.      Ik weet niet hoe het jou vergaat, maar deze farmaceutische wisseltruc stinkt wat mij betreft weer vele malen erger dan stront.

 

Kijk uit

Het is al weer ruim tien jaar geleden, denk ik.                                                          ‘Vreemd,’ dacht ik.                                                                                                              Buiten op de stoep voor ons huis stond ik en ik keek naar de lantaarnpaal die voor het huis van de buren stond. Ik kneep mijn linkeroog dicht en ik keek naar die paal. Wat ik zag verbaasde me. Ik wist heel zeker dat het een keurige rechte lantaarnpaal was, maar volgens het beeld dat ik met mijn rechteroog waarnam zat er een vreemde bocht in die paal. Die bocht zag ik niet als ik met mijn linkeroog keek en ook niet als ik met twee ogen keek. Ik dacht: ‘ach, manneke toch, je bent halverwege de zestig. Het zou helemaal niet vreemd zijn als je last van staar hebt.’                                                        Dat gedacht hebbende maakte ik een afspraak bij Zonnestraal, het oogziekenhuis in Hilversum. Toen bevond het ziekenhuis zich ook inderdaad nog op het oorspronkelijke landgoed Zonnestraal.

Er was een wat oudere arts, nou ja, van mijn leeftijd denk ik. Hij keek mij diep in de ogen met behulp van allerlei onbegrijpelijke flitsjes en gekleurde streepjes en zei toen: ‘Ja, een heel klein beetje staar heb je wel, maar dat is nog nauwelijks de moeite waard en dat veroorzaakt ook niet het probleem.’                                                                        ‘O, maar wat veroorzaakt dan die kronkel in de verticale lijnen?’ vroeg ik.                        ‘Je hebt een macula pucker,’ zei hij met een geheimzinnige blik in zijn ogen.                Nou, je begrijpt dat mijn wenkbrauwen omhoog schoten. Macula, dat wist ik wel, dat is de gele vlek. Het gebiedje achter in je oog waarmee je scherp ziet, maar pucker? Geen idee.                                                                                                                                    ‘Luister,’ zei de dokter en er verscheen een uitdrukking op zijn gezicht die duidelijk moest maken dat het nu ineens menens was, ‘een pucker is een kreukel in het vliesje dat over je gele vlek ligt. Dat kunnen we niet zo laten, dat moeten we weghalen anders ontstaat er een gat in de macula en wordt je blind aan dat oog.’                                    Daar schrok ik nogal van. Want ja, als zo’n specialist zoiets tegen je zegt, dan moet je wel luisteren, want anders…

De operatie werd uitgevoerd door een heel kundige Italiaanse oogarts in het AMC ziekenhuis. Het duurde alles met elkaar een uur of twee, waarvan het eerste uur gebruikt werd om steeds weer druppels in mijn oog te laten vallen die er voor zorgden dat er helemaal geen gevoel meer in zat. Toen werd ik naar een kleine operatiekamer gebracht en moest ik een lange tijd doodstil liggen. Dat begreep ik natuurlijk wel, want je wilt natuurlijk niet meemaken dat zo’n oogchirurg uitschiet en dat hij dan per ongeluk de helft van het kleine beetje verstand dat achter dat oog zit weg haalt.                            Ik moet zeggen dat ik er op enkele kleinigheden na niets van heb gevoeld. Wel hoorde ik voortdurend een heel hoog gierend geluid, alsof er een klein stofzuigertje bezig was om mijn gekreukelde vliesje weg te zuigen.                                                                        Het was trouwens druk in die kleine operatiekamer. Ik denk dat die knappe Italiaanse oogarts al zijn mooie coassistenten had uitgenodigd om hem als grote meester aan het werk te zien. En passant had ik ook gevraagd om een staarlensje te plaatsen als de boel toch open lag. Dat werd verstandig gevonden want, zeiden ze, als je in een oog gaat rommelen dan versneld dat onbedoeld het troebelen van de lens.

De volgende dag was – laat ik eerlijk zijn – de dag van de grote meevaller. Ik kon kijken met dat oog. Het was tamelijk anders, maar ik dacht: ‘niet zeuren, dat trekt wel bij.’ Welnu, dat laatste is niet het geval. De vervorming van het beeld in mijn rechteroog is en blijft helaas letterlijk aanzienlijk.

Nu heeft zich echter door de tijd heen bij mij een nieuw probleem ontwikkeld, een andere oogaandoening, glaucoom of groene staar. Die aandoening ontstaat als de vochtdruk in de oogbol te hoog is, waardoor de zenuwcellen waarmee je kijkt langzaam van buiten naar binnen afsterven. Er ontstaat dan een groenachtige kleurverandering in het vocht in de oogbol. Vandaar de naam ‘groene staar’. Mijn goede, linkeroog heeft een prachtige lage oogboldruk. Bij het geopereerde rechteroog loopt die druk al jaren steeds weer op tot bedenkelijke hoogten. Ik begin met dat rechteroog ook steeds slechter te zien. Dat is natuurlijk behoorlijk vervelend en ik troost me met de gedachte dat ik gelukkig twee ogen heb, maar leuk is anders.

Ik ging dan maar weer terug naar Zonnestraal en vroeg de ogenjongens – en meisjes hoe dat nou toch komt dat in dat geopereerde oog de druk steeds oploopt. ‘Dat weten we niet,’ zeggen ze dan. En als je dan oppert dat het misschien wel het gevolg is van die pucker operatie of je vraagt bijvoorbeeld – wijsneus die je bent – wat dan de vervangende oogbolvloeistof was die er na de operatie in ging om de bol weer te vullen en op de normale spanning te brengen, dan zeggen ze dat het gewoon water was en dat je lichaam dat al lang heeft ververst en vervangen door lichaamseigen vloeistof. Tja, maar waarop ik nog steeds geen antwoord krijg is de vraag waarom mijn lichaam dan toch voortdurend denkt dat er meer vloeistof bij dat rechter oog moet. En dan kan ik eigenlijk maar één ding bedenken: het meet – en regelsysteempje dat de oogboldruk moet regelen en stabiliseren is bij die goedbedoelde pucker-operatie beschadigd. Maar ja, Ik ben natuurlijk geen oogarts.                                                                                        Wel lijkt het onderwerp mij voor een wetenschappelijk geïnteresseerd aankomend ogendoktertje een heel aardig onderwerpje om op te promoveren, als in de dissertatie tenminste een bruikbare – en afdoend getoetste oplossing wordt aangedragen.

Vanmiddag ga ik maar weer eens laten meten of de oogdruppeltjes die ik nu weer moet gebruiken alweer in voldoende mate de explosie van het oog weten te verhinderen, want ja, als je maar blijft pompen dan knapt zo’n bal op een gegeven moment.              Onzin natuurlijk maar goeie hemel wat een raar gezicht zou dat zijn.

 

Peter P. van Oosterum

Ziek geconcurreerd

Zorg Nu stuurt berichtjes over actuele zaken die de gezondheidszorg betreffen.             Deze keer lees ik dat er ongelooflijk veel mensen met chronische aandoeningen last hebben van het zogenaamde preferentiebeleid. Waar gaat het hier nu om? Eigenlijk om narigheid uit een hoek van waaruit je het niet zou moeten kunnen verwachten. De ziektekostenverzekeraars – nee, niet slechts één, maar allemaal – bepalen bij welke producent de apotheek medicijnen mag inkopen. Een beetje krom zou je op het eerste gezicht zeggen, want de arts of specialist schrijft toch voor welk medicijn moet worden gebruikt? Stil nou maar, want dat is ook zo. Die arts doet het zo goed als hij kan. Zo is hij bijvoorbeeld goed geïnformeerd over de werking van alle relevante medicijnen die voor zijn vakgebied beschikbaar zijn. De oorspronkelijke fabrikant heeft die informatie verstrekt. Bedenk daarbij dat de geneesmiddelinformatie altijd handelt over de zogenaamde inhoud-stof – of stoffen. Die inhoud-stoffen kunnen natuurlijk niet zomaar puur aan de patiënten worden gegeven. Met micro precisie wordt de werkzame stof afgewogen en vervolgens wordt er met behulp van zogenaamde ballaststoffen een pil van gemaakt. Die laatste stoffen worden geacht geen invloed op de werking van het medicijn te hebben. Natuurlijk is er de oorspronkelijke fabrikant veel aan gelegen een goed en nauwkeurig werkend medicijn te leveren.

Los van alle bijwerkingen die veel medicijnen nu eenmaal hebben, hebben we tot zover te maken met het optimale resultaat wat de westerse geneeskunde kan leveren.               Waar gaat het dan mis? Waar zitten dan de lieden die de boel in de war schoppen, met de resultaten van jouw dokter knoeien? Goede vraag!

Laat ik maar beginnen met te zeggen dat het geknoei openlijk gebeurt. Sedert de marktwerking zijn intrede in de geneeskunde heeft gedaan is heel veel niet alleen duurder, maar ook slechter geworden. De verzekeraars bepalen tegenwoordig wat een medicijn mag kosten. Het gevolg is dat malafide bedrijven een heleboel medicijnen gaan namaken om ze tegen een lagere prijs aan te bieden. Natuurlijk probeert de oorspronkelijke fabrikant ook mee te komen in de strijd, maar door het gebruik van productie in arme landen, zoals India, waar milieueisen nauwelijks bestaan en door het gebruik van goedkopere ballaststoffen valt de keus van de verzekeraars vaak op de goedkope troep in plaats van op betrouwbaar en onder streng toezicht geproduceerde medicijnen.

 Wat is er dan met die ballaststoffen? Ach het is eigenlijk heel eenvoudig. De juiste ballaststoffen hebben geen werking of ze versterken zelfs de werking van de inhoud-stof (dat laatste is overigens voornamelijk bij natuurlijke medicijnen het geval). Goedkopere ballaststoffen kunnen daarentegen interacties met de inhoud-stof vertonen of bij een kleine groep mensen allergische reacties opwekken. ‘Ach,’ zegt de Indiase fabrikant, ‘bijna niemand heeft er last van. Ze moeten niet zo zeuren.’ ‘Ach,’ zeggen de ziektekostenverzekeraars, wij geloven dat het nogal meevalt. Ze moeten niet zo zeuren. Bovendien is het zo goedkoper en daar gaat het ons om.’

 Bijna een kwart van de chronische patiënten die gedwongen worden op een ander (goedkoper) merk medicijnen over te gaan vraagt medisch onderzoek ten gevolge van de plotseling opduikende bijwerkingen.

 Luister: je arts wil dit niet. Die wil dat jij als patiënt je goed voelt als je eenmaal goed op een behandeling met een medicijn bent ingesteld. Maar je arts heeft er nu geen moer meer over te vertellen. De verzekeraar die druk bezig is met geld verdienen om zijn aandeelhouders tevreden te houden, die bepaalt welke goedkope meuk je nu weer door de strot geduwd krijgt. Het marktstelsel in de zorg heeft ervoor gezorgd dat de kwaliteit achteruit holt en de gelden terecht komen bij brutale graaiers die gesteund worden door heel veel uitgekookte juristen.

Bah, het zal mij benieuwen hoelang het duurt voordat ziekenhuizen, apotheken en artsenposten gaan stinken, omdat de verzekeraars hebben bepaald dat de schoonmaak wel goedkoper kan.

 

Zorg(elijk)

In de krant lees ik dat de jaarlijkse rondedans inclusief alle beschuldigende wijsvingers rond de zorgkosten weer is begonnen. Erbarmelijk om jaar in jaar uit die kosten omhoog te zien gaan, terwijl je op je klompen aanvoelt – en met je simpele boerenverstand kunt zien dat we gewoon bestolen worden.                                              Het ogenschijnlijke centrum, waar de verantwoordelijkheid officieel moet liggen is natuurlijk onze regering. Als we echter jaarlijks de ontwikkelingen volgen dan lijkt het erop dat diezelfde regering probeert zoveel mogelijk mist gordijnen op te trekken (rookgordijnen mogen natuurlijk niet meer). Dus, even voor de duidelijkheid: de regering bij monde van het ministerie van volksgezondheid draagt de verantwoordelijkheid voor het in de hand houden van de zorgkosten.

Ik heb werkelijk geen idee hoeveel ambtenaren op dat ministerie dagelijks present zijn en nog minder van wat ze doen. Blijkbaar hebben ze het erg druk, want voor de onderhandelingen over juist die zorgkosten hadden onze regeerders de Nederlandse Zorgautoriteit in het leven geroepen. Blijkbaar was het onderwerp te moeilijk voor de minister en al die ambtenaren. Het resultaat, zo las ik in die zelfde krant is dat er nu volgend jaar twee miljard extra in de zorg moet worden gepompt. Ja, ja, je leest het goed, er staat tweeduizend miljoen extra.                                                                          Nu zijn ze in Den Haag net uit hun winterslaap en hebben ze besloten dat die (natuurlijk vet betaalde) Nederlandse Zorgautoriteit maar niet meer over de kosten moet gaan. Vermoedelijk zullen er enkele medewerkers moeten afvloeien met al even vermoedelijk een riante afvloeiingsregeling. Bij volksgezondheid zien ze dit als een bezuiniging.          Nou, dan weet ik er nog een paar:

Begin maar eens alle managers die geen medische of verpleegkundige taak hebben te ontslaan (geen riante wachtgelden, maar sollicitatieplicht. ( Ik hoop dat ze ook nog iets anders kunnen dan tegen andere mensen roepen wat ze moeten doen)

Weiger alle idioot dure medicijnen te betalen, maar maak ze na. De Amerikaanse advocaten die je dan op je hals haalt zijn bijna allemaal dieven die op eigen voordeel uit zijn. Onze rechters zullen dat na rijp beraad bevestigen, zodat die dames en heren terug kunnen naar de Trumpzone gekleed in pek en veren.

Houd op met het steeds weer bouwen van nieuwe ziekenhuizen. Het is niet nodig en je bent alleen maar bezig de corrupte bouw – en toeleverende industrie te bevoordelen. Laat die lui in plaats  van peperdure ziekenpaleizen maar zoveel mogelijk betaalbare huizen voor gewone mensen bouwen. dan heb je meteen veel meer gelukkige mensen die dientengevolge ook minder vaak ziek worden.

Zorgverzekeraars die winst moeten maken om hun aandeelhouders tevreden te houden moeten geweerd worden. Winst op zorg maakt dat er zorgvraag wordt gecreëerd.

Als we er nu op een mooie voorjaarsdag in slagen de bovenstaande dingetjes even te regelen, dan kunnen de premies vermoedelijk met meer dan een derde naar beneden.

Ach, nou vergeet ik bijna het belangrijkste. De minister van volksgezondheid moet een zinnetje paraat hebben en ook vol overtuiging kunnen roepen naar alle aanbieders. Ik stel het volgende zinnetje voor: ‘Nee, flikker op, je probeert nog steeds alle Nederlanders op te lichten. Kom terug als je een redelijk aanbod hebt en anders… voor jou een ander!’

Ik zie het voor me, weet je. Hier word ik nou helemaal warm van.

In de ochtend van mijn leven, vervolg

In de zomer van negentienvierenveertig liep ik tussen mijn moeder en tante Truus van Schagerbrug, het dorp waar we drie jaar lang geëvacueerd hadden gezeten, terug naar Den Helder. De laatste zeven kilometers, vanaf Julianadorp had ik mogen meerijden achterop de fiets van een man die mijn moeder of mijn tante blijkbaar kenden.

Het was de zomer voorafgaand aan de hongerwinter, maar ik herinner me heel goed dat het voedsel grotendeels mondjesmaat was. Er waren wat etenswaren die we ons tegenwoordig niet meer voor kunnen stellen. Zo was er brood dat voor een aanzienlijk deel uit bloembollenmeel bestond. Als je er tegen kon was er niets aan de hand. Ik kon er niet tegen en ik leed daardoor aan enkele ongemakken die mij overigens niet weerhielden vrolijk op straat te spelen. Die ongemakken zouden tegenwoordig mogelijk tot veel kabaal hebben geleid. Toen hadden zoveel mensen er last van dat eigenlijk niemand erover zeurde. Je ging er in elk geval niet aan dood. Zo had ik broodschurft, zoals het genoemd werd. De huid aan mijn knieën en ellebogen was kapot. Elke dag werden er schone lappen omheen gebonden. Verband was niet of nauwelijks voorhanden. De lappen waarmee mijn kapotte velletje werd verbonden werden uit oude kledingstukken gescheurd. Elke morgen als ik wakker werd zat de boel zo vastgeplakt dat ik jammerde als het werd losgetrokken. Maar het moest eraf. Daarin was mijn moeder onverbiddelijk. Ze moest me uiteindelijk helemaal wassen en dat gaat niet als je ellebogen en knieën in het verband zitten. Het ging maar niet over, die broodschurft, totdat mijn grootvader zei: je moet dat kind ermee in de zon laten lopen. Die lappen eromheen, dat is niet goed. Toen ging het over.

Mijn opa Slot was trouwens een verhaal apart, een verhaal dat ik overigens pas later hoorde, maar wat hier wel in thuishoort, vanwege de gevolgen die het voor het gezin had. Opa had ooit een groot verhuisbedrijf. Als enige in heel Noord Holland mocht hij onder meer voor de  bekende pianohandel, Ypma in Alkmaar, piano’s en vleugels vervoeren. Het bedrijf van mijn opa had een flink aantal grote verhuiswagens. Vrachtauto’s zag men in die tijd nog niet heel erg veel. Opa werkte met paarden die de wagens moesten trekken. Hij had er twintig op stal staan, twintig mooie sterke trekpaarden. Ten tijde van mijn geboorte was zijn hele bedrijf er echter niet meer.            In die tijd kwam de auto industrie op, waardoor er ook steeds betere vrachtwagens op de weg kwamen. Opa had in die vernieuwing mee moeten gaan. Eerst had hij dat kennelijk onzin gevonden en eigenlijk durfde hij niet goed en toen de concurrentie hem al flink wat schade had toegebracht raakte hij aan de drank. Het werd van kwaad tot erger. De paarden moesten verkocht worden. Dat kon op de markt in Schagen. Als hij dan geld had gevangen waren er ook in Schagen meer dan voldoende kroegen om de winst te verdrinken. Enkele keren gebeurde het dat hij dagen niet thuis kwam. Als hij dan eindelijk thuis kwam was het geld op. Driemaal had hij een delirium, waarin hij alles in huis kort en klein sloeg. Het moet een verschrikkelijke tijd geweest zijn voor oma, die thuis met zes kinderen zat. Als kind wist ik daar allemaal niets van en opa was toen mijn grote held, maar toen dronk hij al een hele poos niet meer. Navrant detail was dat mijn op een na jongste oom, oom Dik, op zijn zevende jaar al een fascinatie had voor auto’s. Hij groeide uit tot een automonteur die alle toenmalige garagebedrijven graag in dienst wilden hebben.

De laatste tien jaren van het interbellum, de periode tussen de twee wereldoorlogen, staat in de geschiedenis van ons landje bekend als ‘de malaise’ In negentiennegenentwintig was er in Amerika een beurscrash geweest en in de hele westerse wereld ging het slecht. Het gevolg was dat er veel werklozen waren en dat mensen van een minimale overheidsondersteuning moesten leven. Veel voornamelijk mannen werden door moedeloosheid een schaamte gedreven tot het zoeken naar vergetelheid. Die vonden ze in de drank. Ik vermoed dat mijn grootvader, wanhopig ziende dat zijn bedrijf te gronde ging door de opkomst van de vrachtauto, waar hij niet aan durfde, ook in de drank gevlucht is. Maar, toen alles duister was en het gezin bijna aan de bedelstaf geraakt was kwam er redding.

In plaats van de trotse eigenaar van een groot verhuisbedrijf te zijn werkte hij als rangeerder bij de spoorwegen. Het weinige geld wat hij daarmee verdiende kwam voor het grootste deel in de kroeg. Jaren nadat opa overleden was heeft oma nog de schulden betaald aan alle kleine Helderse middenstanders die haar jarenlang op de pof hadden geleverd. En niet alleen dat; opa had dronken vechtend in een van de kroegen de vent waarmee hij ruzie had opgepakt en als een zak aardappelen dwars door het grote raam aan de voorzijde van de kroeg gegooid. Schade ruim tweehonderd gulden. Als voormalig verhuizer was opa zo sterk als een beer. Ook die schuld is oma twintig jaar na zijn dood gaan betalen.

Tja, zo ging dat toen. Maar zoals ik schreef, er kwam redding. Opa’s zuipmaatje, waarmee hij bij de spoorwegen werkte werd op een dag op staande voet ontslagen wegens dronkenschap. Daarvan is opa toen zo geschrokken dat het een totale ommekeer in zijn leven veroorzaakte. In die tijd was het uit Engeland overgewaaide Leger Des Heils erg actief in de pogingen de enorme menigte drinkebroers op andere gedachten te brengen en te redden van de ondergang. Mijn opa werd heilsoldaat. Hij dronk niet meer, hij rookte niet meer en als het leger uitrukte met alle koperblazers en overal in de stad halt hield om hun getuigenissen te laten horen, dan liep mijn bekeerde opa Slot voorop met de vlag, trots op zijn uniform en vastbesloten niet meer de weg van verderf op te gaan.

Toen Mamma en ik in negentienvierenveertig bij opa en oma introkken was het niet meer dan vanzelfsprekend dat opa mij meenam naar het zondagsschooltje van het Leger Des Heils. Ik vond het allemaal prachtig. Daar werd gezongen onder begeleiding van veel ritmisch handgeklap en er werden mooie verhalen verteld. Zingen doe ik nog steeds graag en verhalen bedenken en vertellen is mijn voornaamste bezigheid en ik denk dat de voorliefde daarvoor in die tijd geboren is.                                                      In dat Leger Des Heils konden ze trouwens behoorlijk op je gemoed werken. Zieltjes winnen zouden we dat tegenwoordig noemen. Elke zondag op dat zondagsschooltje werd ons kinderen verteld dat wij zondaars waren en dat de Here erg gelukkig zou zijn als we ons bekeerden door voor in de zaal te knielen voor de zondaarsbank. Ja, zo ging dat. Ik vrees trouwens dat nog steeds heel veel kinderen op soortgelijke wijze ook vandaag de dag nog quasi gewetensvol worden gehersenspoeld en voorzien van een pakket aannames die op geen enkele manier bewijsbaar zijn, maar die in de achter ons liggende eeuwen hebben bewezen in hoge mate bij te dragen aan een gepolariseerde en oorlogvoerende wereld. Allemaal met de beste bedoelingen natuurlijk, maar is er niet een spreekwoord dat zegt dat de weg naar de hel juist geplaveid is met goede bedoelingen. Nee, ik wil echt niemand voor het hoofd stoten, maar geloven is niet braaf, het lijkt alleen maar braaf als je weinig onderscheidend vermogen hebt.

Terug naar mijn kindertijd. Ik was toegetreden tot het Heilsleger, geronseld zou men tegenwoordig zeggen. Ik was jong soldaat en trad ook toe tot het jeugdmuziekkorps. Daartoe werd mij een grote trompet, een flügelhorn of bügel ter hand gesteld. Ik kreeg les van een volwassen muzikant en heilsoldaat, Bram Staalman, die in het dagelijks leven fietsenmaker was. Ik leerde muziek lezen en op die toeter spelen, wat me trouwens aardig wat inspanning kostte. Braaf was ik, een heel braaf kind.

In september vijfenveertig was mijn vader eindelijk terug uit de oorlog. Ziek, lichamelijk gesloopt tijdens zijn zesendertig zesweekse patrouilles naar de Middellandse zee met het utility class duikbootje, Hare Majesteits Dolfijn. Het was zes uur in de morgen. Er was gebeld, er was een hoop gedraaf in huis. Ik zat op de tweede tree van de trap bij oma in de gang. Het zonlicht viel door het halfronde bovenraam boven de voordeur. De deur ging open en een vreemde man in een matrozenpak omhelsde en kuste mijn moeder. En ik was in mijn hele kleine leventje nog nooit zo alleen geweest.

Als een vrolijke – maar ook heel katholieke jongen was hij de oorlog in gegaan. Het geloof uit zijn kindertijd had hij in de oorlog grondig afgeleerd. Pas jaren later heeft hij over zijn jaren onderwater met die kleine onderzeeboot van de utility klasse, waarbij de Engelse marine had besloten dat er geen snorkel – een Nederlandse vinding – op mocht komen, omdat de vijand dat zou kunnen zien.                                                        Rond middernacht, zo vertelde hij ooit, konden ze boven water komen om de luchtflessen weer te vullen, maar ’s middags rond twaalf uur wilde van een aangestoken lucifer doorgaans alleen de kop nog branden. De zuurstof was dan nagenoeg op. Tegenwoordig weten we dat zuurstofgebrek niet alleen benauwd is, maar dat somberheid, angst en ook agressie het gevolg kunnen zijn.                                              Als manneke van vijf jaar begreep ik daar natuurlijk allemaal niets van. Hoe had ik als kind ook kunnen begrijpen hoe vijf jaar ontbering en doodsangst, slecht voedsel, gebrek aan water, schurft, scheurbuik en nog veel meer ellende het karakter van een vrolijke gezonde man veranderen. Het enige wat ik merkte was dat er een voor mij totaal onberekenbare man in ons leven was gekomen, die om het minste of geringste driftig werd en erop los sloeg. Mijn moeder raakte dan altijd totaal in paniek. Nooit had iemand het jongetje dat ze met veel moeite door de oorlog had gebracht geslagen. En dat uitgerekend de man waarvan ze zielsveel hield dat deed moet haar vaak innerlijk hebben verscheurd. Als oudste kind in het gezin van een onberekenbare dronkaard was ze opgegroeid. Het geweld dat zich daar om haar heen afspeelde had haar een onbeheersbare angst voor dronken mannen en geweld ingeboezemd.                            Oh zo vaak hoorde ik haar dan in doodsangst smekend, huilend roepen: ‘Oh nee Piet, Piet, niet doen alsjeblieft,’ Terwijl ik, weerloos en te laat begrijpend wat ik nu weer verkeerd had gezegd, klappen tegen mijn hoofd kreeg.

Terwijl ik dit schrijf voel ik weer de angst voor die doldriftige man, die toch ook steeds weer mijn beste en meest gevoelige vriend was, die na zijn driftaanvallen nooit zou zeggen dat het hem speet, maar die zich uitputte in zijn pogingen om het maar weer goed te maken. De vader die me leerde zingen en die me jazz liedjes leerde en vooral timing. Die man, mijn vader, die me angst inboezemde, maar met wie ik later samen op de planken stond. Dat we samen een repertoire opbouwden dat we tweestemmig zongen, waarbij ik de gitaarbegeleiding speelde.                                                                Voor mijn moeder betekende dat muziek maken van ons heel veel. Vaak repeteerden mijn vader en ik onze kleinen optredens na de avondmaaltijd. Bij die gelegenheden kon mijn moeder in de keuken geluidloos de afwas doen, want ze wilde niets missen van wat we zongen.

Vaak denk ik: had ik als kind maar begrepen wat hij allemaal had moeten doorstaan, hoe zijn toekomst door die oorlog kapot geslagen was. Hoe hij zijn vertrouwen en het geloof in de mens en de kerk volledig was kwijtgeraakt. Hoe hij met een lichaam dat zwaar beschadigd was verder moest. Hoe hij te horen kreeg dat zijn gezondheid de grond vormde voor zijn ontslag uit dienst bij de marine, waardoor hij niet, zoals alle marinemensen met zijn vijfenvijftigste met pensioen kon, maar in de burgermaatschappij tien jaar langer mocht werken. Hoe hij na de oorlog te horen kreeg dat mijn moeder via het rode kruis maandelijks zeventig gulden had ontvangen en dat hij daardoor teveel geld had gekregen, zodat het teveel ontvangen bedrag door de kruideniers in Den Haag maandelijks van zijn gage werd afgetrokken. Dat er een paar honderd van de mannen met wie hij de oorlog was in gegaan met onderzeeërs en al op de bodem van de Middellandse Zee lagen vormde kennelijk voor onze toenmalige bestuurders geen reden om met enige coulance met de voormalige strijders om te gaan.Mijn vader was daar woedend over. Als enige marineman uit de onderzeedienst is hij tweeënnegentig jaar geworden. Altijd weer zei hij, nog steeds strijdlustig: ‘Ik verdom het om dood te gaan. Betalen zullen ze.’                                                                            Als enige marineman, zei ik zo-even, maar dan vergeet ik er een. Oud premier Piet de Jong, die meer dan honderd jaar oud is geworden was ook ooit commandant van Hare Majesteits Dolfijn. De commandanten gingen echter allemaal slechts zes maal zes weken op de onderzeeboot patrouilles mee. Omdat er echter te weinig bemanning beschikbaar was moesten mijn vader en zijn maten er genoegen mee nemen zesendertig keer zes weken onder water te zitten en nooit langer dan drie dagen binnen te liggen.

Nu ik zelf langzamerhand de tachtig jaar begin te naderen is mijn oordeel over – en mijn begrip voor mijn vader natuurlijk gerijpt. Nu begrijp ik dat je een gewonde militair wel uit de oorlog kunt halen, maar dat de oorlog gedurende zijn hele leven nooit meer uit hem weg gaat.

Zoals veel van mijn vrienden die ik op school kreeg had ik een oorlogsvader en een behoorlijk driftige ook. Waarvan ik tot ver in mijn volwassen leven last heb gehad was gelegen in de blinde, niets ontziende drift die zich van tijd tot tijd van mijn vader meester maakte. Angstig werd ik daardoor. Ik weet nu dat hij daar totaal geen controle over had, Ik was dan echt nergens veilig. Mijn boezemvriend op de middelbare school, Leo, had ook een oorlogsvader. In tegenstelling tot mij kon hij, als hij tenminste snel genoeg was, ontsnappen naar zijn kamer. Als hij de deur van zijn kamer achter zich kon sluiten was hij veilig. Zijn vader achtervolgde hem nooit tot op zijn kamer. Vaak dacht ik dan met enige afgunst dat de woedeaanvallen van Leo’s vader eigenlijk meer een soort toneelstukje waren, bedoeld om de grenzen tussen wat wel – en wat niet mocht goed duidelijk te trekken.

Hoe moet ik dit nu allemaal eens samenvatten. Laat ik het zo zeggen: ik had de liefste moeder van de hele wereld en een fantastische vader, die helaas voor een belangrijk deel kapot was gemaakt voordat hij de gelegenheid kreeg om echt de vader te zijn die hij wilde zijn. Jammer, maar zo was het nu eenmaal.

Nu lopen er langzamerhand veel generaties van mensenkinderen op deze wereld die of wel een oorlogsvader hadden ofwel zelf in een oorlogsgebied onder de meest afschuwelijke omstandigheden zijn opgegroeid. Het zal voorlopig niet ophouden. Bovendien, vrede zit er niet alleen niet in, maar lijkt ook vreemd te zijn aan de menselijke soort. De voor-Socratische filosoof Heraclitus zei eens: ‘De oorlog is de vader van alle dingen.’ Waarschijnlijk gaf hij daarmee uitdrukking aan iets wat we eigenlijk allemaal wel weten, namelijk dat de menselijke soort over het algemeen beter presteert, inventiever is en meer geneigd het onmogelijke toch ook maar eens uit te proberen als er gevaar dreigt of de concurrentie ons dreigt te vernietigen. Ik vermoed dat dit waar is. Wat ik echter zeker weet is dat te veel dreiging en te veel geweld verlammend werkt. Als dreiging, geweld, angst en vernietiging lang genoeg duren, ontstaat in de mensen die eraan blootgesteld zijn een verlammende wanhoop die kan leiden tot totale lethargie.

Tenslotte: uit het feit dat iedereen die regelmatig mijn schrijfsels leest valt in het licht van het bovenstaande gemakkelijk op te maken dat de vaderlijke dreiging uit mijn vroege jeugd, evenmin als de oorlogsjaren een al te verlammend effect op mijn creativiteit en uitingsdrang hebben gehad. Sterker nog, misschien had het zelfs wel zin. Ik kan daardoor in elk geval begrijpen wat gevaar en dreiging bij mij veroorzaken, waardoor de veronderstelling gerechtvaardigd lijkt dat ik dat ook begrijp als het anderen overkomt.                                                                                                                        Mededogen heet dat, geloof ik

 

In de ochtend van mijn leven

De ochtend van mijn leven speelde zich grotendeels af op een boerendorpje, Schagerbrug, in de buurt van het Noord- Hollandse Schagen.                                          Op een zonnige morgen was mijn oom Klaas, de jongste broer van mijn moeder, met een bakfiets voor de deur gekomen. Oom Klaas werkte voor een kolenboer. Zijn werk bestond er in die tijd uit steenkool  bezorgen met een paard en wagen. Iedereen had in die tijd een kolenkachel. Weliswaar werden de kolen schaars naarmate de tweede wereldoorlog voortduurde, maar voor mijn oom Klaas was er altijd werk, want de Duitse bezetters wilde ook bij een warme kachel zitten en ach, af en toe viel er dan ook wel eens een zak kolen net bij oma voor de deur van de wagen.Ja, bij oma. In die tijd woonde ik met mijn moeder bij oma en opa Slot. Mijn vader was een marineman. Veel later, na de oorlog, vertelde hij dat hij vanuit Rotterdam met een half afgebouwde onderzeeër, de O21, zo ongeveer over de bodem van de Noordzee naar Engeland was gekomen, terwijl het Duitse bombardement op Rotterdam al gaande was.                        Voor mij was mijn vader een foto die altijd wel ergens op stond.

Volgens welke verordening of regel weet ik niet, maar toen ik anderhalf jaar oud was moesten wij evacueren. Ik vermoed dat de Bezetter in onze woonplaats, Den Helder, een marinehaven, alleen mensen wilden hebben die nodig waren. Mijn moeder in ik, anderhalf jaar oud waren dat natuurlijk niet. Op een zonnige oktobermorgen stond oom Klaas met een grote bakfiets voor de deur, waarop de meest noodzakelijke meubeltjes van mijn moeder geladen waren. Voor mij was een klein plekje uitgespaard, vlak achter het linker voorspatbord. En daar gingen we.                                                                    In mijn herinnering duurde de tocht ongeveer de hele dag. De bestemming was Schagerbrug, want aan een weg die ‘De Buurt’ werd genoemd was een vrijstaand gebouwtje, dat eerder in gebruik was geweest als werkplaats voor de timmerman Veul, ja zo heette die man. Het gebouwtje stond dan ook bekend als ‘de noodwoning Veul’. Mijn moeder en ik mochten daar wonen. Bij binnenkomst was de ruimte nagenoeg leeg. Wel was er een aanrechtje met een kraantje en in het midden stond een potkachel van waaruit een lange kachelpijp de duistere hoogte van het zadeldak in liep.                        Als we het deurtje uitkwamen stonden we in het gras. Er was een hek dat uit houten planken bestond, maar waar ik doorheen kon kijken. Achter het hek was een lang weiland dat ik ‘de lijnbaan’ heb horen noemen. Kennelijk werd daar vroeger touw geslagen. De Duitsers gebruikten het weiland echter voor heel andere zaken. Aan het einde van ons uit gezien hadden ze een lanceerinrichting voor V2 raketten. Natuurlijk begreep ik daar als hummel van nauwelijks twee jaar niets van, maar wel zag ik dingen de lucht in gaan waar het vuur achter uitspoot.

In de ongeveer drie jaren die we in ons evacuatiedorp doorbrachten zijn we drie keer op een ander adres terecht gekomen. Ik herinner me dat we na de noodwoning Veul terecht kwamen in een kamertje met bedsteden aan de voorkant van een arbeiderswoning. Bij dat huisje hoorde de naam Hartsuiker. Vage – en meest exemplarische beelden heb ik van die tijd. In een kinderstoel zit ik aan tafel. Blijkbaar was ik voor het vastzitten in een dergelijk meubel iets te beweeglijk, want op een gegeven moment viel ik met stoel en al om naar rechts. Het was een behoorlijke klap, maar ik had me niet bezeerd. Wel ervoer ik mijn positie, op mijn zij liggend terwijl ik geen kant op kon, als verontrustend. Ik ben flink gaan huilen, waardoor mijn moeder uit de keuken kwam aandraven en mij weer rechtop zette.

Alle herinneringen uit die vroege jeugdperiode zijn fragmentarisch. Maar toch lijkt het zo te zijn dat de mate waarin heel vroege herinneringen toegankelijk en bewaard blijven afhankelijk te zijn van je taalontwikkeling. Zo was ik, naar mijn moeder later vertelde, heel laat met lopen, bijna anderhalf jaar oud. Spreken deed ik evenwel veel eerder al op een redelijk niveau. Volgens de overlevering sprak ik onder het jaar al hele volzinnen zoals: ‘mag ik ook sokuigeren’, wat natuurlijk stofzuigeren moest wezen, maar toch een heel aardige fonetische aanduiding vormde voor een handeling die mijn moeder uitvoerde en die mij nu juist zo aantrekkelijk leek om te doen.

Dat ik pas laat kon lopen betekende niet dat ik mij niet uit het zicht kon begeven. Op een mooie dag kroop ik voor het huis. Dat mijn moeder een touw rond mijn middel had gebonden kan ik me niet herinneren. Dat ze dat een perfecte manier vond om me in de buurt te houden was iets wat ze me veel later vertelde. Wat ik me wel herinner is dat ik tussen de stokbonen doorkroop die in de tuin aan de achterzijde van het huis groeiden. Op boerendorpjes had iedereen natuurlijk de tuin als moestuin.

Aan het einde van het pad waarop ik voortkroop zag ik een intrigerend gat in de heg. Daar aangekomen bleek dat vlak achter de heg de sloot liep. Vlak voor ik in het water zou rollen had mijn moeder me te pakken. Waarschijnlijk had ik het met een minder oplettende moeder nu niet kunnen navertellen. Uiteraard heb ik aan die gebeurtenis geen enkele schrik of angst herinnering. Daarvoor was ik nog onvoldoende bewust. De beelden, het zonnige gevoel vrijheidsgevoel tussen die stokbonen is zelfs vandaag nu ik dit schrijf nog bij me. Een andere ervaring aan de rand van het water heeft wel een angstspoor meegekregen.

Ons dorp werd doorsneden door een smalle vaart die de naam Grote Sloot droeg. Mijn oudoom Bram voer daar tweemaal daags met een platte stalen schuit doorheen om de melkbussen van de boeren langs de vaart te halen, die hij dan wegbracht naar de melkfabriek, ‘De Eensgezindheid’ in Sint Maartens Vlotbrug.                                          Ik was nu wat ouder en het lopen had ik inmiddels ruimschoots onder de knie. Op een dag had het geijzeld. Spekglad was het. Aan de rand van het water ontwaarde ik een steigertje. Het was een oud steigertje, waarschijnlijk bedoeld om een roeibootje aan vast te leggen. Het steigertje liep een tikje schuin af richting het water van de Grote Sloot Doordat het oppervlak spiegelde in het zonnetje trok het sterk mijn aandacht. Natuurlijk kwam dat doordat er een spiegelend laagje ijzel op lag. Toen ik er echter een voet op zette gleed ik onderuit en gleed langzaam in de richting van het water. Mijn handen lagen met de palmen naar beneden op de ijzige planken in een wanhopige poging om te vermijden dat ik in het water gleed. Ik werd gered doordat ik bij mijn kraagje werd gegrepen door een tierende Tante Maartje, de vrouw van oom Bram, die vanuit haar huisje aan de overkant een sprint van minstens tweehonderd meter getrokken moet hebben. Ik kreeg een paar woedende kletsen voor mijn achterwerk voor ze me een stukje verderop bij mijn moeder in haar keukentje afleverde. Wat er daar tussen die twee vrouwen verder gezegd werd is langs mij heen gegaan.

Het huisje waar we toen woonden was de derde en ook laatste evacuatiewoning die we betrokken. Er was een keuken en een huiskamertje en een slaapkamer. Tante Truus, de zus van mijn moeder kwam bij ons wonen. Tante Truus was mijn absolute favoriet en later ging ik met haar trouwen zodat ik twee aanspreektitels voor haar had: ‘tantruus’ en natuurlijk ‘vrouw’ refererend aan dat voornemen. Ik vermoed dat tante Truus de noodzakelijkheid van haar aanwezigheid in Den Helder ook niet goed duidelijk had kunnen maken. Maar ik denk ook dat het voor mijn moeder wel fijn was dat ze, amper vijfentwintig jaar oud met een kind van nog geen vier jaar oud, gezelschap kreeg van haar zus die een zonnig en zorgeloos karakter had.

In negentien vierenveertig gingen we terug naar Den Helder, lopend. Vervoer was niet voorhanden. Ik kan me herinneren dat ik twee vrouwenhanden ter weerszijden vasthoudend voort stapte.

Om welke reden weet ik niet, vermoedelijk om controleposten te ontlopen, maar mijn moeder en tante kozen binnendoor wegen in plaats van de korte weg langs het Noord-Hollands kanaal. Bij Julianadorp kwam ons een man achterop fietsen – zulke mannen met fietsen had je in die tijd niet heel veel – die mijn moeder of tante kennelijk kende. Of ik daar nou over had lopen zeuren, dat mijn voetjes moe waren of iets dergelijks, weet ik niet meer, maar ik mocht bij die man achterop de reis naar het huis van opa en oma Slot in de Van Hoogendorpstraat vervolgen. Mijn moeder en tante Truus wandelden dapper voort, maar ik reed bij die man achterop de fiets Den Helder binnen totdat we aankwamen en ik achter de brede rug voor mij vandaan kijkend het jongste zusje, Tetje, van mijn moeder voor de deur een stofdoek zag uitkloppen. Tegen de man op de fiets riep ik: ‘we zijn er, want daar staat Tet!’

Aan het begin van dat laatste oorlogsjaar waren we teruggekeerd in de schoot van de familie. Het huisje in de Van Hoogendorpstraat nummer drieënveertig had een voor en een achterkamer. In de voorkamer sliepen opa en oma. Boven was een zoldertje en twee slaapkamertjes. Daar waren we dan: opa, oma oom Klaas, oom Dik, oom Freek, tante Tet, Mamma, ik. Best veel. Tante Truus ging bij tante Baaf wonen, een zus van opa. Het was vol, vol en warm en gezellig en iedereen hield van mij.