Onbekend's avatar

Over Peter van Oosterum

Natural health practicioner Science Fiction writer

Trojan Horse

 

Onder deze titel is mijn Sciencefiction roman net uitgekomen.

Een korte synopsis van het verhaal:                                                                                    In dienst bij een grote multinational, de Hoyt Uliger Corporation, HUC, hebben drie geniale ontwikkelaars de volmaakte menselijke, robot, de android ontwikkeld. De ontwikkeling was kostbaar en het prachtige product zal in eerste instantie slechts bereikbaar zijn voor de zeer rijken. Het zal naar verwachting vrij lang duren voor in deze tak van de corporatie een economisch break even point wordt bereikt. Omdat HUC echter andere zeer winstgevende bedrijfstakken heeft zou dit tijdelijk achterblijven in winstgevendheid niet als problematisch gezien hoeven te worden.

Hoe dan ook, het werk aan dit project is klaar. Een nieuwe uitdaging voor deze drie ontwikkelaars is nodig. Om er voor te zorgen dat het bedrijf ook iets te bieden heeft voor de iets minder welgestelden komt hoofd ontwikkelaar, Judith Krantz, fysisch ingenieur,  op het idee om de volmaakte Virtual Reality apparatuur te ontwikkelen, waarbij elke gewenste beleving kan worden opgeroepen door er simpelweg aan te denken.

Haar idee wordt echter op beledigende wijze afgeschoten door Cecil Hoyt, de financieel directeur van HUC, die van mening is dat er eerst winst gemaakt moet worden alvorens weer kan worden geïnvesteerd in nieuwe ontwikkeling. Tijdens de ruzie die het gevolg is van de starre kortzichtige weigering van Hoyt nemen de drie ontwikkelaars onmiddellijk ontslag, tot groot ongenoegen van Brian Uliger, de technisch directeur van de organisatie. Hij ziet de mensen die in zijn ogen het belangrijkste intellectuele kapitaal vormen voor het bedrijf verloren gaan.

De drie ontwikkelaars, onder leiding van Judith Krantz, starten een eigen bedrijf, de Neuro Imaging Corporation, NIC. Hun enthousiasme en vindingrijkheid leiden al snel tot succes, waardoor de economische positie van het nieuwe bedrijf een stevige basis krijgt.                                                                                                                                    Cecil Hoyt beseft echter dat het product dat NIC heeft ontwikkeld en dat nauwelijks uit de testfase is een enorme economische bedreiging vormt voor HUC. Hij sleept Uliger tegen diens zin mee in kwalijke en gevaarlijke aanvallen op NIC. De techniek die gebruikt wordt lijkt een op hacken. Hoyt schroomt echter niet om op een zeer fysieke wijze te hacken. Voor Judith Krantz blijkt dit letterlijk levensbedreigend als ze haar handelen niet meer volledig zelf lijkt te controleren, waardoor ze een fatale fout maakt.

Uiteindelijk wordt de gewetenloze man, Cecil Hoyt, met zijn eigen methode en door eigen toedoen ten val gebracht.

Waarom nu deze titel?                                                                                                        De geschiedenis uit de Griekse mythologie over het Trojaanse paard vormde hier te lande de inspiratie voor het Turfschip van Breda. Strijders of strijdmaterialen worden onopgemerkt bij de tegenstander binnengebracht. In Trojan Horse maak je mee hoe het Trojaanse paard via teleportatie bij een mens wordt binnengebracht en de regie overneemt.

Het boek is uitgegeven bij uitgeverij Schrijverspunt en uiteraard in de eigen webshop van de uitgever te krijgen, maar ook andere verkoopkanalen via het internet, zoals Bol.com bieden het te koop aan. De prijs is € 17,95

 

Cocon

Misschien was ik nauwelijks zichtbaar toen ik aan de bouw van deze cocon begon.        Ik weet niet meer zeker of ik heel gerichte plannen had toen. Natuurlijk, het was voor de zoveelste keer weer het begin van alles dat komen ging. Mijzelf kennende denk ik echter dat ik eerder een soort van dromerige verlangens koesterde dan dat ik echt omlijnde plannen had.                                                                                                        Wel had ik uit de beide grondstoffenbanken bepaalde kenmerken meegenomen die mij handig en nuttig leken om bij me te hebben. Ook een hoop rommel trouwens, waarvan ik later meer last had dan me lief was. Eerlijk gezegd ging het allemaal nog al haastig. Het was op een avond, vroeg in de zomer, dat ik merkte dat er een kansje was om met de bouw te beginnen. Ik kan me eigenlijk niet eens meer goed herinneren hoe ik het wist. Er was ergens een dansfeestje, het is allemaal vaag hoor, waar ik was uitgenodigd. Nou ja, uitgenodigd was ik eigenlijk niet, maar ik dacht dat ik daarbinnen een bekende zag. Volgens mij merkte daar niemand op dat ik daar rond hing, want degenen die ik meende te kennen waren hele andere figuren. Nee, wacht, iemand had me gezegd dat het daar gezellig was en dat zij zelf ook gingen, maar toen ik daar aangekomen naar hen toe ging leken ze dat wel vergeten. Heel druk en intiem waren ze met elkaar. Later gingen ze naar buiten. Ze liepen een poos hand in hand langs het strand. Ach weet je, het waren eenvoudige luitjes. Hoewel, veel later heb ik wel gemerkt dat hij wel heel mooie kenmerken had. Zij was eigenlijk alleen maar lief, een beetje angstig maar lief.                                                                                                                Ik weet nog wel dat het een zachte avond was en dat ik toen hoopvol vlak achter hen aan in met hen mee liep. Je snapt natuurlijk dat ik mijn kans moest afwachten. Ja, je mag of je mag niet. Zo gaat het nu eenmaal altijd.

Nou ja, je moet goed begrijpen dat mijn manier van werken, of liever gezegd mijn manier van beginnen altijd weer van zo ontzettend veel factoren afhangt. Als je wist hoe vaak ik bijvoorbeeld voorafgaand aan die gelegenheid alleen al geprobeerd heb om ergens mee te kunnen doen en de gelegenheid te krijgen om te beginnen met de eerste voorbereidingen van de bouw van deze cocon – of van überhaupt een nieuwe cocon, dan zou je misschien tegen me zeggen: man, man, man, heb je dan nooit gedacht: waar begin ik in vredesnaam aan. Daar heb je op zich natuurlijk wel gelijk in, maar het gekke is dat ik nooit heb kunnen stoppen als ik eenmaal begonnen was.

Achteraf gezien was het ook niet helemaal een gelukkige keuze, nou ja, dat moment en dan die twee wel hoor, die waren prima, maar de hele wereld stond op het punt om in de brand te vliegen. Maar ja, ik was nou eenmaal begonnen en na tientallen keren het bos in gestuurd te zijn denk ik dan – en zo ben ik nog steeds hoor – : kom op, niet zeuren, nu doorpakken. Dat heb ik gedaan. Duidelijk, anders zat ik hier niet.

Ik denk er nog wel eens aan terug, wat een risico ik toen heb genomen.                          Zij had er in het begin helemaal geen erg in dat ik met de bouw was begonnen. Oh nee, ze dacht helemaal nergens aan, alleen aan hem. Ze vereerde hem gewoon, maar ik dacht: ik bemoei me er niet mee. Ik heb mijn werkplaats om te bouwen en als ik klaar ben zien we wel verder. Tja, als huisvesting schaars is en je vindt na heel veel teleurstelling en afwijzing eindelijk een plek om te bouwen, dan moet je niet te veel zeuren. Collega’s die een beetje de zelfde instelling hebben als ik hadden me vaak gewaarschuwd als ik ze tegenkwam. Dan zeiden ze: ‘als je ergens een bruikbare plek voor de bouw hebt gevonden, dan moet je niet te veel rotzooi maken en zeker niet gaan lopen zeuren, want voor je het weet hebben ze ineens genoeg van jouw bouwactiviteiten  en dan flikkeren ze je zo naar buiten.

Eén keer heb ik dat meegemaakt. Nou moet ik wel zeggen dat het grotendeels aan mezelf lag hoor, want ik stookte veel te hard, maar ik had ook niet erg zorgvuldig mijn voorraadbanken uitgezocht. Nou ja, ondoordacht hè, zo ben ik eigenlijk vaak nog wel. Maar ik kan je wel vertellen dat het een afschuwelijke ervaring was die ik mijn ergste vijand niet zou gunnen. Je ligt ineens met je half afgebouwde cocon op de koude stenen. Zeer pijnlijk. Weliswaar maar even, want je loopt natuurlijk weg en je gaat op nieuw op zoek naar twee geschikte – en liefst wel een beetje stabiele voorraadbanken maar, eerlijk gezegd, niet onmiddellijk.  Zo’n ervaring op de koude stenen maakt je toch terughoudend, mij tenminste. Ik weet wel dat ik toen een hele tijd dacht: ‘nou, dan maar niet,’ weet je wel. ‘Ze zoeken het maar uit.’ Ja, dat denk je dan. Maar zo werkt het niet. Je moet! Het zit in je. Soms weet je niet eens waarom.

Deze keer wist ik dat trouwens wel. Mijn vorige cocon was een hele mooie donkere. Ik had het prima naar mijn zin daarbinnen. Maar er was een stelletje afgunstelingen, een overmacht eigenlijk en die ramden mijn mooie cocon kapot. Ik had er nog jaren plezier van kunnen hebben. Je begrijpt natuurlijk dat ik eigenlijk woedend onmiddellijk op zoek ging naar twee geschikte voorraadbanken. Waarschijnlijk is dat ook de reden geweest dat ik minder kieskeurig te werk ben gegaan dan wenselijk was.

De bouw verliep voorspoedig en toen ik klaar was voer ik in mijn nieuwe cocon de buitenwereld in. Het was een prachtige feestelijke zondag en ik dacht: ‘ziezo, ondanks mijn wat haastige keus, toch een goed begin aan mijn leven in deze cocon. Zoals gewoonlijk verwachtte ik dat mijn twee voorraadbanken in hun eigen cocons mij samen een beetje op weg zouden helpen. Dat hadden ze ook graag gewild. Maar zoals ik daarstraks al zei, de wereld stond op het punt in de brand te vliegen. Mijn sterkste voorraadbank vertrok om de brand te helpen blussen. Toen hij vijf jaar later terug kwam was hij ernstig beschadigd, onberekenbaar. Oh, hij was ook wel aardig en inspirerend, maar zijn onberekenbaarheid maakte hem vaak angstaanjagend, voor mij in elk geval.

Vreemd is dat ik door de jaren heen ben gaan denken dat ik mijn cocon ben en niet meer dan dat. Diep van binnen weet ik natuurlijk wel beter. Als ik achterom kijk en ik zie al die cocons die ik heb gebouwd. Elke keer weer vol goede moed, overmoed eigenlijk vaak. Elke keer raakte die cocon weer in verval, soms al na een paar jaar en een enkele keer na bijna een eeuw in de tijd te hebben verbleven.

Ik weet natuurlijk niet hoe het jou vergaat. Mijn huidige cocon is vrij degelijk. Hoewel ik er wel bij moet zeggen dat de twee die mij in deze cocon als voorraadbank zagen heb ik niet anders dan materiaal van een zeer bedenkelijke kwaliteit kunnen leveren. De oudste van de twee heeft haar cocon al jaren geleden moeten achterlaten en de jongste heeft ook niet veel geluk met haar cocon: pijn, benauwdheid. Nee slecht materiaal. Een enorm positief is ze wel en klagen doet ze ook niet.                                                          Als ik misschien mijn keus voor mijn eigen twee voorraadbanken zorgvuldiger had gemaakt… Nou ja, laat ik me dat nou maar niet te veel aantrekken. Per slot van rekening hebben ze mij toch ook al dan niet zorgvuldig gekozen. Niet mijn verantwoordelijkheid. Ja, dat zeg ik nou wel, maar zo voelt het niet.

Ach, weet je, ik denk dat ik nog een poosje heb om binnen deze cocon mijn eigen werkelijkheid te maken. Het voelt allemaal nog vrij stevig. Maar één ding weet ik zeker: Als mijn huidige cocon het ooit begeeft, dan stap ik heel rustig uit en dan ga ik eens een keer heel zorgvuldig nadenken wat ik wil. Niet zomaar wat pakken omdat het toevallig langs komt. Geduldig zijn en weloverwogen keuzes maken, weet je.                              Misschien heb ik dat deze keer eindelijk geleerd.

Jan

Het moet meer dan twintig jaar geleden zijn, maar soms moet ik nog wel eens aan Jan denken.                                                                                                                                Hij speelde banjo en slagwerk en hij zong. Met zijn zware doorrookte en door whisky verder prachtig geïntoneerde vocale rasp zong hij bijvoorbeeld op onnavolgbare wijze het mooie dixielandnummer “Rosetta’’.                                                                              Voor Jan was de muziek een tweede thuis, waaraan hij vaak de voorkeur gaf boven het huis waar hij woonde, maar waar hij al sinds heel lang niet meer vond wat hij nodig had.

Eigenlijk was Jan in de allereerste plaats vader, en dan een vader van het soort waarmee de boze buitenwereld maar beter geen ruzie kon maken, want met zijn commandotraining en BVD-achtergrond was hij een vervaarlijk tegenstander.

Ooit was Jan getrouwd geweest met een vrouw die hem vier kinderen schonk, maar die hem daarnaast voortdurend op allerlei manieren belazerde. Toen het Jan allemaal te veel en te machtig werd en het mens bij hem weggelopen was met medeneming van letterlijk alle huisraad, zorgde hij ervoor dat hij zo ongeveer de eerste vader in Nederland was die van de rechter zijn kinderen kreeg toegewezen.

Tja, en toen was Marijke gekomen. Ze kwam als huishoudster en om te helpen de kinderen op te voeden. Ze was lerares en wat kinderen betreft wel wat gewend.              Uiteindelijk trouwde Jan maar met haar omdat ze – zoals hij het uitdrukte – dat wel verdiende. Maar eigenlijk werd het nooit echt wat tussen Jan en Marijke. Altijd, als hij over Marijke sprak zei hij: ‘weet je, ze is een fantastische moeder voor de kinderen en ik zal haar nooit in de steek laten, want dat verdient ze niet. Maar ze is zo verdomde saai.

Jan werkte bij een grote krant. Toen hij zestig werd mocht hij in de VUT. Hij had een huisje gekocht in Frankrijk, in de buurt van de plek waar zijn zoon en diens vrouw op tamelijk armelijke wijze met een schapenboerderij de kost trachtten te verdienen. Jan was daar vele malen naar toe gereden om te helpen met het verbouwen van de boerderij en wat verder de hand te doen vond.

Het huisje in Frankrijk stond klaar en de jonge opvolger van de zwarte labrador Tjoin, had er ook veel zin in.                                                                                                          Vlak voor Jan echt zou vertrekken reed hij zich op de grote weg kapot.

Jan werd begraven in Den Haag, op Okkenburg. Ik ben niet naar de begrafenis gegaan, lafaard die ik ben, want als ze daar – wat stellig te verwachten was – mooie jazz hadden gespeeld, was ik nooit meer opgehouden met huilen.

Jan was van ons kwintet eigenlijk de Godfather. Toen onze blinde saxofonist bij zijn nymfomane vriendin weg liep om met een andere vriendin verder te gaan waren er urenlange verantwoordingsgesprekken met Jan geweest. Er moest net zo lang gepraat worden tot Jan erachter kon staan en het begreep.

Toen ik mijn tweede huwelijk voor gezien hield, omdat ik eindelijk de vrouw van mijn leven had gevonden, kondigde Jan aan dat hij kwam praten en ik verzeker je dat ik me daar toen behoorlijk zenuwachtig over maakte. Na een avond lang en stevig bomen kregen we zijn zegen.                                                                                                          Voor mij betekende dat, dat ik het goed had gedaan, want Jan kon niet leven met mensen die valse rotstreken uithaalden.

Van vrienden die wel naar zijn begrafenis waren gegaan heb ik later gehoord dat er wat klassieke muziek was gedraaid. Vermoedelijk vond Marijke het passender. Jan was na het vertrek uit huis van alle kinderen inmiddels toch niet meer met haar samen.              Klassieke muziek! Jan moet hebben liggen vloeken, daar in die kist.                              Zo verdomde saai.

Bacteriofagen 3

Twee keer heb ik hier nu een stukje gepubliceerd over bacteriofagen. Misschien herinner je je nog wel dat ik beschreef dat het hier gaat om de natuurlijke vijanden van bacteriën – en dan natuurlijk meer in het bijzonder van die bacteriën die ons ziek maken. Die natuurlijke vijanden zijn virussen die één soort bacterie doden. Toegegeven, het is een heel gezoek voor je het goede virus gevonden hebt.

Gisteravond was er weer een uitzending onder de titel: ‘De Nieuwe Dokters’, waar dit onderwerp weer aan de orde kwam. Nu is het wel zo dat die titel voor een televisieprogramma de indruk maakt veel nieuws te zullen bieden en voor de meeste mensen is dat ook zo. Ik heb dus maar zitten kijken ondanks het feit dat ik de meeste info al had.

In een eerder programma dat door dezelfde presentatrice werd gebracht was het onderwerp ‘bacteriofagen’ ook al aan de orde geweest. Deze keer werden twee patiënten meegenomen naar een kliniek in Tbilisi, de hoofdstad van Georgië, een van de vroegere Sovjetrepublieken. De reden om juist deze twee patiënten te volgen was dat er hier door onze eigen artsen niets meer voor hen kon worden gedaan. Ze leden aan zware bedreigende infecties waarop geen enkel antibioticum nog vat kon krijgen. De bacteriën die de infecties veroorzaakten waren resistent geworden.                            Maar waarom nu toch in vredesnaam helemaal naar Tbilisi?

Nou, dat zit zo. Een kleine honderd jaar geleden werd aan onze kant van de wereld de penicilline ontdekt door Alexander Flemming. Dat was een geweldige vondst, want in de eerste wereldoorlog waren vele duizenden gewonden op de slagvelden bezweken aan de infecties die het gevolg waren van hun verwondingen. De penicilline en de later daarop volgende nieuwere antibiotica hadden het voordeel dat er heel veel schadelijke bacteriën aan stierven. Helaas hadden deze middelen ook het nadeel dat veel goede bacteriën – die in onze darmen leven en die werk voor ons doen waar ons lichaam zelf niet toe in staat is – ook het loodje legden. Ongewenste bijwerkingen noemen we dat. Maar omdat we niets anders hadden om onze infecties te bestrijden namen we dat voor lief. Ja, je moest toch wat, nietwaar?

Hoe dan ook, Big Farma maakte zich meester van de antibiotica. Natuurlijk hadden ze al snel in de gaten dat bacteriën heel intelligente verdedigingssystemen hebben. Ze leren namelijk heel snel hoe ze zich tegen antibiotica moeten verweren. Dat soort antibioticum werkte dan niet meer. De oude voorraden werden dan door Big Farma in de derde wereld landen gedumpt. Dan bracht het in ieder geval nog wat geld op. Vervelend was dan wel dat ook daar nog andere gevaarlijke bacteriën resistent werden. Maar ach, grote financiële belangen, begrijp je. Voor ons, hier in het welvarende deel van de wereld hadden ze dan wel weer een nieuw antibioticum ontwikkeld. Maar ja, nu werkt er eigenlijk bijna geen enkel antibioticum meer. Meer dan waar ook ter wereld leer je hier dat zelfs de kleinste wezentjes in de natuur, de bacteriën, Big Farma te slim af zijn. Van antibiotica kunnen we nu zeggen: het was een mooie droom zolang het duurde. Er zijn door Big Farma miljarden mee verdiend, maar het is voorbij.

We blijven echter met één klein probleempje zitten. De Big Farma jongens zijn er nog niet aan toe om toe te geven dat ze met de antibiotica op een doodlopende weg zitten. Het zou hen sieren als ze dat wel deden en gracieus opzij stapten. Maar toegeven dat je iets niet kunt schijnt heel moeilijk te zijn, vooral als je heel rijk bent.

Maar goed, voor de genen die de uitzending gezien hebben vertel ik niets nieuws, maar er gingen een paar mannen naar Tbilisi, naar die heel bijzondere kliniek waar ze met bacteriofagen werken, want antibiotica hebben ze daar nooit gehad weet je. Ze genezen daar heel succesvol de meest smerige infecties met die virusjes die ze overal uit de natuur halen en waaraan eigenlijk weinig ontwikkelingskosten zitten. Honderden hebben ze er intussen. Die ene man liep de hele dag te krimpen van de pijn en slikte dan ook voortdurend pijnstillers. Hij had een bacteriële ontsteking van de prostaat. Antibiotica hielp helemaal niet. Met gebruikmaking van de juiste bacteriofagen is hij nu genezen. Uiteraard zijn hier na zijn terugkomst nog de nodige onderzoeken aan hem verricht die zijn genezing hebben bevestigd. Dan was er nog een man. Ze zeiden het niet, maar ik vermoed dat hij een diabetespatiënt was. Hij had een smerige ontsteking aan zijn voet. Het werd steeds erger en er was besloten dat die voet maar moest worden geamputeerd. Nou, je begrijpt, dat wilde hij niet. Ook deze man kwam in de kliniek in Tbilisi zijn ontstoken voet werd weer en gezonde voet. Gelukkig konden we als televisiekijkers het hele verhaal meebeleven, want de presentatrice was met een Tv-ploeg mee gereisd en voerde daar allerlei verhelderende gesprekken.

Daar in Georgië zijn de mensen die verantwoordelijk zijn voor wat er in die kliniek gebeurt allemaal artsen. Net als bij ons zijn ze op de universiteit opgeleid. Verder is het zonneklaar dat hun methode zeer goed werkt. Hier, waar de antibiotica niet meer werken en waar de nood eigenlijk dwingt tot doortastend handelen, heeft medicaland – vast en zeker onder druk van Big Farma – besloten dat er heeeel rustig onderzocht mag worden wat er nu waar is van dat bacteriofagen verhaal.

In Georgië wordt de methode al bijna honderd jaar toegepast. En volgens mij zijn die artsen daar minstens zo goed opgeleid als hier. Maar toch wordt er zand in de machine gegooid. In plaats van te zeggen: dit hebben we echt heel erg nodig, kom hier maar vlug een kliniek opzetten, dan kunnen wij hier gemakkelijker leren wat jullie allemaal al zo lang weten.

Weet je, ik had dit stukje “Arrogantie” willen noemen, maar dat heb ik nog even binnen gehouden. Maar wat vind jij nou. Hoe moet ik dat nou noemen. We zien iets dat heel veel doodzieke mensen kan helpen. Er is bijna een eeuw ervaring mee en er is heel veel overtuigend bewijs. Het is in vergelijking met de westerse geneeskunde ook nog eens goedkoop. Het zal mogelijk het aantal chronische en dus dure patiënten flink kunnen doen afnemen. En wat zien we? Zogenaamde zorgvuldigheid die maakt dat het nog veel te lang gaat duren voor die prachtige geneeswijze hier naast alles wat we al hebben een waardige plaats krijgt.                                                                                      Dus ik vraag het nog maar eens: hebben we nu te maken met arrogantie van wij kunnen alles beter of zijn de verantwoordelijke jongens gewoon zo stik jaloers dat ze er plat voor gaan liggen om het maar zo lang mogelijk tegen te houden. Ik weet het antwoord niet hoor. Zeg jij het maar.

Het eigen risico voor de zorg, list en bedrog.

Als het doorgaat moet iedereen die gebruik maakt van medische hulp, iedereen die een zorgverzekering heeft, daarvoor volgend jaar € 400,- bijbetalen. Dit jaar was het al € 385,- maar er komt mogelijk doodleuk vijftien euro bij. Dat is een verhoging van dat eigen risico van bijna 4%. Ongetwijfeld zullen de premies die de verzekeraars van ons vragen ook wel weer om hoog gaan.

Redelijk zou zijn als de verhoging van de zorgkosten min of meer gelijke tred zou houden met de eventuele inflatie. Ik heb het even opgezocht, de gemiddelde inflatie (geldontwaarding) bedraagt voor dit jaar 1,63%. Daardoor veroorzaakte prijsstijgingen zijn natuurlijk veel lager dan wat de zorgjongens ons nu weer flikken. En wat ik me nu afvraag is hoe dat nou komt dat die zorgkosten zoveel harder stijgen dan alle andere kosten, als dat tenminste echt waar is. Vervolgens vraag ik me af hoe het komt dat wij ons dat met de ogen in wanhoop ten hemel geslagen zo gemakkelijk door de strot laten duwen.                                                                                                                                 Het antwoord op de laatste vraag denk ik trouwens wel te weten: angst.                           Hoezo angst?                                                                                                                     Nou heel simpel, als je eenvoudig mens bent en eenvoudig denkt – en dat doen de meeste mensen – dan denk je: ‘de zorg kunnen we niet missen. De mensen van de verzekeringen zeggen allemaal dat de prijzen omhoog moeten, maar heel vaak kan ik toch niet de medicijnen krijgen die de dokter heeft voorgeschreven. Dan moet ik maar een goedkoper merk slikken dat ergens in Verweggistan is gemaakt, maar daar krijg ik dan weer last van. Huh? Ik begrijp het geloof ik niet.’

Tja, die verzekeraars. Ten aanzien van deze bedrijfstak hanteer ik altijd de volgende stelling: Verzekeraars zijn kooplieden in angst. Altijd houden ze je voor wat er gebeurt als dit, als dat, als zus, als zo. Altijd zijn dat gebeurtenissen, rampen kun je wel zeggen, waarvan iedereen hoopt ze nooit mee te maken. Met een rampscenario dat voor het merendeel van het volk aannemelijk klinkt kun je veel geld verdienen.

Maar goed, stel dat de verzekeraars min of meer gewetensvolle lieden zijn, dan nog zijn het handelshuizen die altijd in het eigen belang en dat van hun aandeelhouders moeten proberen zoveel mogelijk winst te maken. Dat is ook de reden dat ze nu alle huisartsen zwaar in de tang hebben. Die arme huisarts komt dagelijks in situaties waar de verzekeraar hem belet te doen wat hij geleerd heeft dat goed en nodig is.

De verzekeraars noem ik daarom de goed verdienende tussenhandel, die zich bemoeit met zaken waarvan hij onvoldoende kennis heeft, maar waarmee hij zich om uitsluitend financiële redenen bemoeit, met alle kwalijke gevolgen van dien.

Dan komen we bij de geneesmiddelen industrie, de farmacie. Die kunnen gemakkelijk hun prijzen zelf bepalen. Vaak gebeurt het dat de handelsprijs van een geneesmiddel honderden malen de werkelijke kostprijs is. Bovendien, moet je echt weten, wereldwijd is de invloed van de Amerikaanse Food & Drug Administration (FDA) heel groot als het erom gaat welke geneesmiddelen op de markt worden toegelaten. Van dat deel van de Amerikaanse markt is bekend dat hier de vriendjespolitiek en eigenbelang veruit de belangrijkste drijfveren zijn.

Nu heb ik twee bronnen benoemd die een belangrijke factor zijn bij het uit de pas lopen van de zorgkosten. Maar er is er nog een en met enige spijt moet ik zeggen dat we dat zelf hebben laten gebeuren.                                                                                             Als je ergens verantwoordelijk voor bent en het gaat fout, je doet iets verkeerd, je hebt niet goed opgelet, je wist het niet echt precies hoe het moest, nou ja, noem maar op, dan komt er een moment dat je wordt aangesproken op je fouten. Dat is natuurlijk heel vervelend. Per slot van rekening maak je niet expres fouten.                                             De zorg kent dit soort problemen beter dan welk ander gebied ook. Je weet wel; dokter maakt foutje, patiënt dood, of voor de rest van zijn leven invalide.

Het dragen van verantwoordelijkheid is best moeilijk als je er alleen voor staat. Dan is het namelijk altijd jouw schuld als er iets mis gaat. Daar hebben ze nu in de zorg een oplossing voor gevonden, die als je beter kijkt eigenlijk een schijnoplossing is. Nee, juich nou niet, het is namelijk een oplossing waar geen enkele patiënt baat bij heeft. In tegendeel. Voor de zorg aan de patiënt blijft er door die oplossing steeds minder over voor de echte zorg.                                                                                                           Maar die o zo moeilijk te dragen verantwoordelijkheid die wordt opgelost met duur betaalde adviseurs en managers. Die adviseurs en managers steken geen poot uit naar de patiënten, maar ze krijgen wel elke maand grote sommen geld binnen. Ze noemen dat salaris, dan lijkt het alsof ze het verdienen. Klauwen met geld kost het managers – en adviseurs apparaat in alle ziekenhuizen en andere zorgorganisaties.                           Voor de mensen die het echte werk moeten doen blijft er dan veel minder over en… oh ja, voor ik vergeet het te zeggen, de mensen die het echte werk doen zijn nog steeds verantwoordelijk voor hun eigen fouten. Het is alleen een stuk lastiger geworden om er de vinger op te leggen.

Samenvattend, waardoor stijgen de zorgkosten zo onevenredig snel:

  1. Winstbejag (farmacie, verzekeraars)
  2. Bedrog (farmacie)
  3. Angst voor verantwoordelijkheid (ziekenhuisleiding en zorgorganisaties)

Het zit allemaal zo slim in elkaar dat het net lijkt alsof het niet anders kan. Toegegeven, de oplossing is moeilijk, maar ook duidelijk. Wij zouden een landsbestuur moeten hebben dat de moed heeft om heel veel mensen die dat betreft te dwingen te stoppen met datgene te doen wat niet nodig is. In plaats van manager of adviseur zijn kunnen ze misschien wel nuttig werk doen in de zorg…                                                                     Of nee, zoals gewoonlijk idealiseer ik natuurlijk weer. De handen van die mensen staan natuurlijk helemaal verkeerd. Ze zijn helemaal niet gewend om echt werk te doen. Dat kunnen ze natuurlijk helemaal niet.                                                                                     Nou ja, omscholen dan maar, toch? Ik zie het al voor me zo’n omscholingscursus onder de titel: Van een ander laten doen naar zelf eindelijk je luie klauwen eens leren gebruiken. Dat wordt zweten jongens. Maar wel lachen, nou ja, wij dan hè.

De heilige vrijheid van meningsuiting leidt tot doden en gewonden.

Het wordt langzamerhand behoorlijk onduidelijk in deze wereld.                                       Het verspreiden van giftige – en doorgaans ook nog onware en indoctrinerende informatie door de zogenaamde haat-imams kan niet worden gestopt. Wij hebben vrijheid van meningsuiting.  Je mag zeggen wat je wilt. Je mag met je opruiende, haat zaaiende betoog de geest van onwetende jonge mannen zodanig verwarren dat ze werkelijk gaan geloven dat ze een goede daad verrichten en de toekomst van de wereld zeker stellen als ze iedereen die niet slaafs en ziekelijk gehoorzaam de extreme islam aanhangt doden, zodoende de Aarde reinigend van, ja, van wat eigenlijk.

Na alles wat er gebeurd is zou ik toch een lans willen breken om het begrip ‘handelen’ eens nader te definiëren. Het is in onze wetgeving namelijk redelijk duidelijk wat maatschappelijk als handelen is toegestaan en wat niet.

In onze wet is een aantal handelingen strafbaar gesteld: geweld, diefstal, smokkel. Verboden daden, zou je kunnen zeggen. Onze geheime diensten zoeken zich blind naar mogelijke voorbereidingen van jihadistisch geweld. Maar die voorbereidingen beginnen bij dat opruiende gezwets van die haatimam.                                                   Wat nu als we het spreken van zo’n figuur eens aanduiden als een handeling. Per slot van rekening is (s)preken zijn vak. Hij verdient er zijn brood mee.

Ja, ik hoor het geschreeuw al. De heilige vrijheid van meningsuiting. Want als spreken onder voorwaarde een strafbare handeling zou zijn – en waarom zou spreken niet als een handeling kunnen worden opgevat – het is tenslotte iets wat een mens doet – en je mag nou een keer niet alles doen wat er maar in je gekke kop opkomt. Dat zou er namelijk toe kunnen leiden dat spreken strafbaar kan worden als het erop gericht is mensen aan te zetten tot subversief dan wel jihadistisch of wel maatschappij ontwrichtend gedrag.

Wat moet er nu veranderen? Het spreken van een haatimam zou moeten worden opgevat als onderdeel van de voorbereiding van terroristische aanslagen.                     Waarom?                                                                                                                           Ach, misschien heb ik ongelijk hoor, maar ik denk dat de simpele zielen die door die haatimams volgepompt zijn met de absolute noodzaak om iedereen die het zogenaamd ware geloof niet aanhangt om zeep te helpen uit zichzelf niet op dat idee zouden komen.

Haatimams indoctrineren die simpele, vaak onvolwassen jongens dat ze martelaren en helden kunnen worden door niet moslims te doden. Nou ja zeg, als je zestien of zeventien bent, dan is held en martelaar worden toch geweldig.                                     En die imams zelf? Nou, die blijven alleen maar praten, lekker op de achtergrond, want praten mag. Hier wel in ieder geval.                                                                                 ‘Ik doe toch niks?’ zeggen ze met een schijnheilige grijns. ‘Ik zeg alleen wat mijn mening is.’

Maar ach, wat zit ik het hier allemaal weer lekker beter te weten. Misschien is het wel veel beter als we zelf ook niet zo vreselijk veel in vrijheid onze mening uiten als het over een ander gaat. Je weet tenslotte maar nooit of goed voorbeeld soms toch doet volgen…

Sip

Zo vaak heb ik dat gevoel in mijn leven gehad, zo ontzettend vaak, maar nooit eerder heb ik begrepen wat er gebeurt. Het is een vreemd leeg gevoel. Ik voel het eigenlijk heel lichamelijk.                                                                                                                 Misschien ken jij het al lang en misschien weet jij wat er dan gebeurt, maar eigenlijk verwacht ik dat niet. Daarom schrijf ik er nu over.                                                             Zulke kleine, ja bijna nietige oorzaken kunnen dat gevoel bij me oproepen.

Laat ik maar eens beginnen met het gevoel te beschrijven.                                             Om te beginnen voel ik me een beetje ontdaan, niet erg hoor, nee, een beetje.               Ik staar voor me uit of ik doe een suffig spelletje op mijn tablet.                                       Ik heb heus wel wat beters te doen weet je, maar ik kom niet in beweging, niet van binnen tenminste.                                                                                                             Waarschijnlijk kan ik deze toestand het best omschrijven als een soort onthutstheid. Ja, nu ik erover nadenk, dat is  eigenlijk een beter woord.

Nu wil je misschien eindelijk wel eens weten wat er gebeurd is, waardoor ik in deze toestand ben geraakt. Misschien stel ik me aan hoor… maar nee, ik ga het toch opschrijven. Al was het alleen maar omdat ik denk dat sommige mensen die dit lezen bij zichzelf zullen denken: ‘ja, gut, nou je het zo omschrijft, dat herken ik wel, dat heb ik soms ook.’                                                                                                                           Nou, goed dan. Ik had een afspraak gemaakt. Iemand zou langs komen. We zouden een gesprek hebben. Die persoon worstelde eigenlijk met allerlei tegenstrijdige gevoelens en had blijkbaar behoefte aan een klankbord. Dat kan ik best aardig, al zeg ik het zelf. Bovendien had ik de ontmoeting ook voorbereid, een A-viertje aantekeningen gemaakt, ook om mee te geven. Best wel een beetje moeite gedaan eigenlijk.

Er moet gisteravond al een sms zijn binnen gekomen, maar die zag ik pas een minuut of vijf nadat de tijd van de afspraak al verstreken was. Niet goed opgelet. Ja, dat ook.     Maar nu zat ik dus een hele tijd voor me uit te kijken. Het gaat niet door.                         En ineens zei ik hardop: ‘Wat doe ik nou, wat is dit, waarom heb ik dit gevoel.             Maar ineens drong het tot me door.                                                                                     Ik treur.                                                                                                                                 Zo voelt dat dus.

Langdurige mishandeling.

Het wetboek van strafrecht:

Artikel 302

  1. Hij die een ander opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toebrengt, wordt, als schuldig aan zware mishandeling, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.
  2. Indien het feit de dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Hierboven staat het officiële artikel uit het wetboek van strafrecht dat handelt over – en voor de rechtspraak richting verschaft over wat als mishandeling moet worden gezien en welke straf de rechter ten hoogste kan opleggen in geval het oordeel ‘ schuldig aan mishandeling, dan wel zware mishandeling’ is.                                                                     Onbesproken in dit artikel is de vraag of de mishandeling  – wat zeker mogelijk is – met goede bedoelingen, uit onwetendheid of – wat heel vaak voorkomt – uit winstbejag plaatsvond.

Eigenlijk zou ik willen pleiten voor een uitbreiding van het begrip mishandeling. Ik zou dan een categorie toegevoegd willen zien betreffende een gebied dat nu valt onder voedselveiligheid en derhalve onder de vele voorschriften die te vinden zijn in de warenwet en waar het beslist minder streng toegaat dan bij de rechtspraak.

In mijn blog onder de titel Eerlijk(e) waar besprak ik de onwenselijkheid van de zeer gangbare toevoegingen in bereide voedingsmiddelen: E621 en E631.                                 Wat het effect is van de bovengenoemde toevoegingen valt gemakkelijk te vergelijken met andere gebruik bevorderende stoffen zoals nicotine, drugs en alcohol. Het zijn stoffen met een verslavingseffect. Het effect van deze stoffen is namelijk dat het signaal dat de maag zou moeten krijgen als er voldoende is gegeten onderbroken wordt. De zak chips moet leeg en meer dan dat. Deze twee stoffen in bereide voedingsmiddelen maken dat de gebruiker gulzig blijft eten.

Grote welvaartsziekten (ja, ja, zo wordt het genoemd, hoewel dat kant noch wal raakt) zijn adipositas = vetzucht en diabetes = suikerziekte met alle gevolgen van dien. De kosten voor de volksgezondheid lopen rampzalig op.

Let nu toch op mensen. De voedingsmiddelenindustrie kan zijn gang gaan en allerlei troep die we niet nodig hebben aan onschuldig ogend voedsel toevoegen zodat we er meer van gaan eten dan goed voor ons is. Zij steken de winsten in hun al behoorlijk gevulde zakken. Wij betalen jaarlijks groeiende en langzamerhand wurgende zorgkosten.               Wanneer staan nu eindelijk die maatschappelijk bewuste juristen op die langdurige mishandeling ten eigen bate door niet noodzakelijke toevoegingen in ons voedsel in het wetboek van strafrecht krijgen. Misschien komen we dan eindelijk zover dat de voedingsindustrie veroordeeld wordt tot het betalen van de helft van de totale ziektekosten premies van het hele land. Misschien is dat wel een geldboete van een nieuwe categorie, de zesde. Dan houden ze vanzelf op met die rotzooi in ons eten te stoppen om ons maar meer en meer te veel te laten eten.

Ik stel me voor dat het nieuwe, toegevoegde, wetsartikel betreffende mishandeling dan als volgt luidt:

  1. Hij die grote groepen mensen uit persoonlijk gewin zware gezondheidsschade toebrengt zal worden beschouwd als veroorzaker van ten hoogste de helft van de kosten voor de volksgezondheid in dit land. Hij zal als schuldig aan zware mishandeling worden gestraft met de betalingsplicht van deze kosten, subsidiair een boete van de nieuwe, zesde categorie. Bij herhaling van hier bedoeld misdrijf zal het bedrijf van de veroordeelde voorgoed van de markt worden geweerd, gesloten en van overheidswege gesloopt.

Ach kijk, ik zit hier natuurlijk als heel klein mannetje wild om me heen te trappen tegen dat wat ik zie als schandelijk en gevaarlijk onrecht. Natuurlijk worden de grote industrieën niet aangepakt. De lobby, laksheid en niet te vergeten schijterigheid zullen er nog jaren voor zorgen dat alles blijf zoals het is. Maar weten jullie nog het kabaal in de hele pers over dat mannetje met die kanker kliniek die zich foute troep in zijn vingers had laten duwen en die toen ook nog op een heel domme en eigenlijk misselijk makende manier een patiënt in nood de deur uit had geduwd zodat het niet zou lijken dat het zijn schuld was wat er met die patiënt gebeurde.                                                                                                                 Weten jullie het nog?                                                                                                               Die patiënt ging dood. De wereld was te klein. Barbertje moest hangen en deed dat ook. Iedereen opgelucht. De anti kwakzalverij jongens voorop.                                                     Maar wanneer gaat er nu eens iets echt goeds gebeuren aan de veiligheid van bereide voedingsmiddelen. Want, echt waar hoor, als je jong bent is het leuk en lekker met die zakken chips en die pizza’s en die cola op de bank voor de buis. Maar als je oud bent en ziek van het jarenlange gebruik van die rotzooi dan duren de dagen lang en het blijft de rest van de tijd regenen.

Managerial damage.

Hoe krijgen we het samen voor elkaar om beschikbare budgetten te laten besteden voor datgene waarvoor ze bedoeld zijn. We hebben een regering bestaande uit een premier en een aantal ministers die allemaal een ministerie achter zich hebben dat moet uitvoeren wat in de ministerraad besloten is en daarna indien relevant goedgekeurd door de volksvertegenwoordiging. Ja, het lijkt allemaal wel simpel en doorzichtig, maar dat is het niet.                                                                                                                                       Laat ik nu eens twee grote ‘strijkstok gevoelige’ terreinen bij de kop nemen: het onderwijs en de zorg.

In het onderwijs hebben we jarenlang schaalvergroting zien plaatsvinden. De oude Rijks HBS die ik op mijn negentiende met het diploma 5-jarige HBS-B verliet en waar we met iets meer dan twintig klaslokalen en een gymzaal, die ook voor de schoolfeesten werd gebruikt, heel goed onderwijs kregen, die school bestaat niet meer. Hij is vervangen door heel grote scholen met vaak een paar duizend leerlingen in diverse stromingen.

Heeft die school nog een directeur, waar je naar toe diende te gaan als je weer eens de klas was uitgestuurd? Och, die directeur of rector is er nog wel, maar hij wordt tegenwoordig geassisteerd door een aantal managers die boven de vakgroepen staan en daaraan leiding geven. Zijn dat dan onderwijsmensen, die managers?                                   Dat kan, maar het hoeft niet. Een leraar kan manager worden. Je ziet hem dan nooit meer voor de klas, maar het kan ook gerust iemand met een heel andere opleiding zijn die bijvoorbeeld helemaal geen verstand van onderwijs heeft, zo’n… ja, hoe moet ik dat nou zeggen… ja zo’n regelneef die met een iets beter salaris dan een leraar naar huis gaat, maar waarvan het onderwijs eigenlijk geen voordeel heeft. De lessen worden er niet beter door. Eigenlijk is zijn verschijnen veroorzaakt door de schaalvergroting.

De oorspronkelijke bedoeling van de schaalvergroting was dat door grotere instituten er minder kleine scholen zouden zijn en dat één schoolgebouw voor vierduizend leerlingen goedkoper moest zijn dan acht schoolgebouwen voor elk vijfhonderd leerlingen.                 Achteloos werd echter vergeten dat die acht kleinere schoolgebouwen er al waren en doorgaans redelijk goed voldeden, terwijl dat enorme nieuwe schoolgebouw door grote bouwondernemers moest worden gebouwd en dat prijzen in de bouw nog wel eens ondoorzichtig willen zijn. Bovendien lijkt het geaccepteerd gebruik dat afgesproken prijzen altijd ruimschoots worden overschreden.

De oude, kleinere scholen hadden geen managers nodig. Directeur en leraren konden de hele boel, samen met een uitstekende conciërge prima redden. Die laatste hield namelijk altijd alles en iedereen in de gaten en als leerling paste je wel op dat de conciërge je niet bij je kladden pakte.

Ik beweer: De gestegen kosten in het onderwijs zijn grotendeels veroorzaakt door schaalvergroting, nieuwbouw en managers. Leerlingen hebben er allemaal niets aan, integendeel. Er is zoveel geld weggelopen in bovenbeschreven misvattingen dat er onvoldoende voor het onderwijs zelf overblijft. Te weinig ook om leerkrachten zodanig te betalen dat het vak van leraar voor jonge mensen weer aantrekkelijk wordt. Onze eeuwig wantrouwige overheid maakt het zelfs nog veel erger. De mensen in het onderwijs worden doodgegooid met allerlei formulieren die voortdurend moeten worden ingevuld en waarvan niemand ooit nut of resultaat te zien krijgt.                                                                               Laten we deze hele bemoeienis van de overheid met het onderwijs samenvatten met één woord: gepruts!

In de zorg gebeurt eigenlijk precies het zelfde: Nieuwbouw, schaalvergroting en zwermen managers. Doen die managers dat iets nuttigs? Ze moeten ervoor zorgen dat de coördinatie in de mega-ondernemingen die ziekenhuizen tegenwoordig zijn in tact blijft. Ook hier kost nieuwbouw ongelooflijk veel geld en worden kleinere, bestaande en nog goed functionerende ziekenhuizen zonder werkelijke noodzaak verlaten: kapitaalvernietiging!

Als we de berichtgeving volgen met betrekking tot medische missers in die grote patiënten fabrieken, waar alles volkomen onpersoonlijk is geworden, rijzen je de haren te berge. Veel gedoe met ziekenhuisinfecties met onder meer de beruchte MRSA bacterie.             Ook hier is er duidelijk minder tijd en geld voor de werkelijke zorg, omdat de bouwwereld en de managers samen het gigantische gat vormen waardoor het geld weg loopt dat helemaal niet kan worden gemist bij de werkelijke zorg voor de patiënten.

Wat doet zo’n manager dan precies? Nou vast een heleboel, voornamelijk praten natuurlijk. Ik kan het echter toch niet laten om een praktijkvoorbeeld te geven:                     Een goede vriend van mij, nu gepensioneerd, was internist en als zodanig gespecialiseerd in diabetes zorg. Ooit had hij een samenwerkingsverband helpen organiseren, de diabetes poli. Diabetespatiënten hebben verschillende specialisten nodig, voor de ziekte als geheel, voor de ogen, voor de voeten, enz. De diabetes poli regelde het zo dat alles op een en de zelfde dag kon gebeuren, zodat toch al zwaar belaste patiënten niet keer op keer voor al die consulten behoefden terug komen. Die poli zat in een aardige oude villa en draaide in economische zin uitstekend. Overheid zorgde er echter voor dat het goed lopende onderdeel opgenomen werd in een verlies lijdend ziekenhuis in Utrecht. Daar trof ik mijn vriend op een keer in een ietwat mismoedige stemming.

Nu moet je weten dat diabetespatiënten vaak jaar in jaar uit bij die zelfde internist komen. Er is een gemoedelijke – min of meer huiselijke sfeer. Zo droeg mij vriend nooit een witte jas, omdat alleen die jas al afstand schept en dat kan misschien in sommige gevallen nuttig zijn, maar niet tussen de arts en de tevreden en goed ingeregelde diabetespatiënten die hem al jaren kennen en doorgaans bij de voornaam aanspreken.

Daar kwam op een dag de manager binnen. Niet een man met een medische achtergrond of opleiding trouwens. Hij eiste dat mijn vriend voortaan een witte jas droeg met de knoopjes dicht. Er werden in die spreekkamer nooit medische handelingen verricht, maar uitsluitend gesprekken gevoerd. Voor de medische handelingen was daar het laboratorium en de diabetesverpleegkundige die natuurlijk wel witte jassen droegen.

Met dat soort onzinnige dwingelandij verdiende deze manager een vorstelijk salaris, welk bedrag dan natuurlijk weer in mindering kwam op het voor echte zorg beschikbare budget.

Wat wil ik nu eigenlijk zeggen met deze twee uiteenzettingen? Dit: het onderwijs en de zorg – en naar ik vrees nog veel meer terreinen in de samenleving – worden misbruikt door geldverdieners, kostenposten die er alleen maar zijn om zichzelf in stand te houden ten koste van de organisaties die hen in goed – maar helaas misplaatst vertrouwen hebben ingehuurd.

Wij zijn langzamerhand overgeleverd aan parasieten die er op slimme wijze voor zorgen dat de bronnen die ze leegzuigen net niet helemaal overlijden. Uit zelfbehoud natuurlijk. Wat dacht je!

Eerlijk(e) waar, het mag allemaal, dat wel, maar wie heeft dat goedgekeurd?

De zogenaamd beschaafde wereld heeft door de jaren heen kans gezien een wonderlijke definitie van het begrip eerlijkheid te ontwikkelen. Waarom ik dit nu schrijf heeft te maken met het waarschijnlijk achterhaald inzicht in mijn hoofd dat eerlijkheid en eervolheid op de een of andere wijze met elkaar van doen hebben. Dat blijkt in de dagelijkse werkelijkheid echter heel anders te zijn.
Eerlijk lijkt in onze samenleving ongeveer alles te zijn wat niet op enigerlei wijze verboden is. Zo is het natuurlijk niet verboden om winst te maken. Ook is het niet verboden om exorbitant hoge winsten te maken op producten die iedereen nodig heeft. Dat is niet verboden, dus is het eerlijk.
Het begrip eerlijkheid is al vele jaren losgekoppeld van morele wenselijkheid.
Zo zien we bijvoorbeeld in de voedselindustrie het gebruik van toevoegingen hand over hand toenemen. Die toevoegingen hebben wij voor het overgrote merendeel niet nodig. Enkele toevoegingen hebben van doen met de houdbaarheid. Deze worden voornamelijk gevonden in geconserveerde voedingsmiddelen (pakken, potten, blikken, e.d.) Ook zijn er toevoegingen die van invloed zijn op de smaak. Deze zijn bedoeld om het behandelde voedsel lekkerder te laten smaken. Prima, zou je zeggen. Er zit evenwel een flinke adder onder het gras. Ik citeer nu uit een artikel van voedingsdeskundige Robert van Boxtel betreffende een stof die de voedingsmiddelenindustrie veel en graag toevoegt:  ve-tsin, bekend onder de code E621

Wat doet E621 precies en waarom moet ik het vermijden?                                             Het zorgt er in ons lichaam onder meer voor dat onze hormoonhuishouding verstoord wordt en dat we honger krijgen/houden. E621 is neurotoxisch (schadelijk voor de hersenen) en het heeft een eetlust verhogende werking omdat dit het endocriene systeem (hormoonhuishouding) ontregeld. Dit hormoonsysteem regelt namelijk je honger- en verzadigingscentrum. E621 verbreekt de verbinding tussen ons verzadigingscentrum in de hersenen en de maag waardoor de hersenen van de maag niet meer het sein ‘vol’ krijgen en we blijven eten. Mononatriumglutamaat doet dus de eetlust toenemen, zonder dat het lichaam eigenlijk extra voedsel nodig heeft. Dat is ook de reden dat die zak chips in één keer op moet. En dat is wat de voedingsindustrie graag wil. Meer honger is meer  eten, is meer eten kopen, is meer geld. En geld lijkt in veel gevallen het enige wat telt, er is bij veel voedingsproducenten geen moreel besef om voeding echt gezond te maken. Als ze dat wel zouden hebben, zouden ze op zijn minst E621, en eigenlijk alle E-nummers, verwijderen en dat kan. Want in de biologische winkel kom je het niet of uiterst zelden, tegen.

Ik heb nog een aardige, of liever kwaadaardige stof, die ook op ruime schaal door de industrie wordt toegepast, ook een smaakversterker: E631 dinatriuminosinaat. Dinatriuminosinaat wordt synthetisch, bereid uit inosinezuur (E630).                                     Natriuminosinaat vindt je in rijstsnacks, bouillonblokjes en in vleeswaren, vaak in combinatie met het veel goedkopere natriumglutamaat (E621). De combinatie van 95% glutamaat met 5% inosinaat is een 10x sterkere smaakversterker dan natriumglutamaat alleen. Als mogelijke bijwerkingen zijn astma-aanvallen, allergische verschijnselen zoals netelroos en jeuk en vochtophoping bekend.                                                           Natriuminosinaat mag niet gebruikt worden voor jonge kinderen en is absoluut te vermijden door mensen die aan jicht lijden.

Ziezo, dat was het weer voor vandaag. En nu hoop ik maar dat het weer gelukt is om mijn lezers de dubbele moraal van onze goedkeurende overheidsinstanties in samenhang met de voedingsindustrie te tonen. Het voert te ver om alle samenhangen en belangen van de voedingsindustrie te laten zien. Maar vooruit, voor de duidelijkheid zet ik er even een paar op een rijtje:

  1. Op de producten van de voedingsmiddelen industrie worden verschillende belastingen geheven. De schatkist wordt hierdoor gevuld.
  2. Er wordt druk campagne gevoerd tegen het gebruik van alcohol en tabak. Dit zijn echter producten die heel veel geld in het belastinglaatje brengen. Uiteraard zijn deze producten schadelijk voor de gezondheid en werken sterk ten nadele voor de kosten voor de volksgezondheid.
  3. Allerlei zogenaamde soft – en harddrugs zijn verboden en op de producenten en aanbieders wordt gejaagd. Naast illegaliteits – en daaruit voortvloeiende politionele problemen stelt de overheid natuurlijk knarsetandend vast dat op die producten geen heffingen kunnen worden gelegd.

Wat ik nou wil beweren?                                                                                                         Dat is toch duidelijk: onze overheid heeft belang bij alle bovenstaande narigheid, dus mag het. Bij de soft – en harddrugs heeft de overheid geen belang. Dus mag het niet.                 Eerlijk waar!