Wegen naar binnen 2

Een jaar of vijftien geleden moest ik ineens denken aan de tijd dat ik een onderwijsopleiding volgde in mijn geboortestad, Den Helder. We waren jong en vol idealen, maar in het weekend maakten we plezier, wat er wel eens toe kon leiden dat de vroege maandagmorgen niet het mooiste moment van welbevinden was. Ach, dat typische katterige gevoel hoef ik waarschijnlijk aan bijna niemand uit te leggen.

De pedagogische academie waar ik studeerde hechtte zeer aan rituelen en een van de belangrijkste  rituelen was dat wij op maandagochtend begonnen met twee uur koorzang. Nee, geen kinderliedjes, zoals je misschien zou verwachten, maar mooie vierstemmige klassieke stukken. Bij de jaarlijkse uitvoering van de Matheus Passion werd een aantal van ons telkens weer uitgenodigd om plaats te nemen in de gelederen van het Helderse Toonkunst koor. De frisheid en jeugdigheid van de indruk die het koor op de toehoorders achterliet ging daar flink mee vooruit.

Niettemin bracht opgemelde maandagse katterigheid mee dat de aanvankelijk gevoelde behoefte om uit volle borst te zingen niet heel groot was. Maar tijdens het zingen gebeurde er iets merkwaardigs, iets wonderlijks eigenlijk. Als wij rond elf uur na de koorzang buiten stonden, dan voelden we ons wonderlijk prettig. In die tijd ervoer ik dat weliswaar, maar kwam niet op de gedachte er een verklaringsmodel voor te bedenken. Later wel. Toen bedacht ik er twee. De eerste is een sociale, de tweede een die in meer technische zin op de structuur van de klank is gebaseerd. Ik begin met de eerste.

Een vriend van mij die dierenarts is vertelde mij eens over het huilen van wolven. Hij vertelde dat wolven altijd in een groep jagen en vaak in het donker. Eerst zitten ze dan een poosje in een kring bij elkaar en hoor je tot in de omtrek hun gehuil. Dan, plotseling, stopt het huilen. De roedel gaat op jacht en dat gebeurt zo goed gecoördineerd, omdat kennelijk elke wolf in de roedel weet waar de anderen zich bevinden. Met de klank van de wolvenstem kunnen wolven blijkbaar op elkaar afstemmen.

Ik maak uit mijn eigen ervaringen met koorzang op dat iets dergelijks bij mensen ook gebeurt. Maar er gebeurt meer. De menselijke stem bestaat niet uit een eenvoudige enkelvoudige klankgolf. Onze stem is doorgaans een gecompliceerde klank waarin veel zogenaamde boventonen voorkomen. Dat zijn de eigenaardigheden van een stem die maken dat je iemand aan zijn stem kunt herkennen.

Dit brengt me bij een tweede verklaringsmodel: Als je in een koor zingt bevatten de stemmen om je heen elementen die je eigen stem niet – of in mindere mate heeft. Je kunt dat opvatten als een soort aanvulling op wat je zelf aan geluid voortbrengt. Is dat dan belangrijk en waarom?                                                                                                           Ja, in mijn verklaringsmodel is dat uiterst belangrijk.

Ons lichaam bestaat voor een heel groot deel uit water. Klanken brengen al dat water in trilling. Water is niet samendrukbaar wat tot gevolg heeft dat klanken al het water in je lichaam in trilling brengen. Je hele lichaam wordt als het ware gemasseerd door klank, waarbij elke frequentie, elk trillingsgetal natuurlijk zijn eigen invloed uitoefent.                     Dat gaat heel ver en het kan ook helemaal verkeerd uitpakken. Zo is inmiddels vastgesteld dat sommige vaak heel lage klanken mensen ziek kunnen maken, maar gelukkig heb ik kunnen ontdekken dat met klank veel goeds gedaan kan worden. Ik noem een vraag die ik mijzelf bij de zoektocht hiernaar stelde: ‘Maar wat nu,’ dacht ik op zeker moment, als je bepaalde tonen in je stem mist?’ Tja, dan wordt er in jouw lichaam met die frequentie niet gemasseerd en – dacht ik toen – ‘misschien kunnen daardoor wel gebreken ontstaan.’                                                                                                                   Een behoorlijk vergezocht en theoretisch verhaal tot dusver, vind je niet?

Ik geef maar weer een voorbeeld en ik zeg erbij dat ik ook nu weer geluk had iemand te ontmoeten wiens problemen al jaren voortduurden en voor wie de gewone geneeskunde betrekkelijk weinig kon doen.                                                                                                 Hij was een oude man met ernstig longemfyseem. Hij had zijn hele leven met veel smaak heel veel gerookt en het grootste deel van zijn longen was van nuttige longblaasjes veranderd in bindweefsel dat geen zuurstof meer op kon nemen. Hij had nog maar negentien procent opnamecapaciteit en liep de hele dag met een zuurstof slang achter zich aan te slepen die ervoor zorgde dat het zogenaamde zuurstofbrilletje met buisjes in de neus hem de hele dag extra zuurstof toediende.                                                               Bij hem ging ik een opname maken van zijn stem. Thuis gekomen maakte ik met een speciaal computerprogramma een grafiek van zijn stemgebruik, een stemspectrum, waardoor ik kon zien welke tonen, frequenties, in zijn stem weinig voorkwamen. Van precies die tonen heb ik een Cd gemaakt die hij de hele dag zachtjes draaide.                   Kennelijk vond hij het geluid niet onaangenaam, want hij zei: ‘het klinkt alsof er ergens een wasmachine staat te draaien. Het hindert me niet.

Een week of zes later belde hij mij en vertelde dat het hem naar zijn idee veel beter ging.   Uiteraard vond ik dat leuk om te horen, maar ik denk nooit al te snel dat ik succes heb en vroeg hem naar het oordeel van zijn longarts. Daar was hij nog niet geweest, dus vroeg ik hem te melden wat de longarts ervan vond als hij daar was geweest. Het nieuws dat ik enkele weken later van hem hoorde was dat hij van negentien procent opnamecapaciteit naar dertig procent was gegaan. Voortaan hoefde hij alleen nog maar extra zuurstof als hij uitging en met zijn scootmobiel boodschappen ging doen.

Ik moet zeggen dat ik het inderdaad nog steeds als een bof beschouw dat ik hem tegenkwam. Hij was, zelfs in zijn benauwde tijd een getalenteerde jazzpianist en ook organiseerde hij regelmatig podia waar jazzmuzikanten konden optreden. Om die reden was hij gewend de publiciteit te zoeken. Toen dan bleek dat ik hem goed geholpen had schreef hij een artikel voor de Amersfoortse krant, die hem al jaren kende, een artikel over wat ik voor hem had gedaan. Daar heb ik veel voordeel van gehad, want ik werd door de NCRV uitgenodigd om mijn verhaal te komen vertellen. Op een zaterdag morgen zat ik bij het radioprogramma Cappuccino.                                                                                             In de dagen daarop regende het telefoontjes en kon ik een lijst met twintig proefpersonen maken. Het merendeel van die proefpersonen waren oudere mensen met longemfyseem. Ik bezocht hen eens in de zes weken om een nieuwe opname te maken. Veel gingen aanvankelijk wat vooruit en bleven daarna stabiel. Dat was winst.

Een proefpersoon had een heel ander probleem. Hij was – en is nog steeds – een MS patiënt. Ik ken hem nu veertien jaar. Bij hem heb ik helaas geen verbetering kunnen bewerken. Wel is hij in al die tijd nagenoeg niet achteruit gegaan en dat is voor een MS patiënt heel ongebruikelijk.

En ja, ik durf het nu wel te zeggen: in de klank van de stem liggen ook mogelijkheden om een sleutel tot een weg naar binnen te maken.

Wegen naar binnen

Wegen naar binnen, ingangen naar het wezenlijke van de mens, van mij, van wellicht iedereen, vormen de grootste zoekopdracht. Naar binnen om te voelen wat wordt gevoeld, te zien wat wordt gezien, te horen wat gehoord wordt, te ruiken wat wordt geroken, te proeven wat wordt geproefd en tenslotte, te weten wat geweten wordt, van elkaar, van elk ander.

Het reisdoel ligt nu vast. Nu sta ik voor die mooie en lastige onbegrijpelijkheid, die ander, die niet ik, tenminste, dat denk ik tot nu toe. Maar daaraan begin ik tegenwoordig gelukkig te twijfelen, twijfelen of elk ander echt niet ik is. Soms denk ik een hele poos van niet.

Om nu niet al direct in bespiegelingen te verdwalen ga ik eerst maar eens kijken in mijn gereedschapskist, de kist waarin al mijn inbrekersgereedschap ligt. Wanordelijk door elkaar ligt het. Om waar dan ook binnen te komen moet je minstens heel methodisch zijn en dat ben ik tot nu toe eigenlijk nooit geweest. Als ik al ergens binnen kwam was het door iets wat ik bij toeval ontdekte, door iets wat plotseling in mij opkwam. Kennelijk komen dingen die plotseling in mij opkomen bij mij binnen of… misschien lag het er altijd al. Want ja, wat zei ik nu zojuist: ‘bij toeval ontdekte’. Alleen iets dat eerst bedekt was kan worden ontdekt. Natuurlijk betekent dat niet dat het er altijd al was. Per slot van rekening kan het bedekt zijn binnen gekomen, zodat ik het eerst moest ontdekken om het waar te nemen.

Beetje verwarrend? Goed, voorbeeld dan. Ooit, ik weet niet eens meer wanneer, maar veel jaren geleden in ieder geval, las ik een Duits natuurgeneeskundig werkje over de therapie met gebruikmaking van eigen bloed en urine. Dat zijn allebei lichaamsvloeistoffen die allebei ieder op hun eigen wijze worden gebruikt door het lichaam om stoffen te vervoeren door het lichaam. In beide gevallen behoren daar zeker afvalstoffen bij die worden vervoerd naar een orgaan dat geschikt is om ze uit het lichaam te verwijderen. De Duitse natuurgeneeskunde gebruikt beide vloeistoffen – kleine hoeveelheden ervan – om op een bepaalde wijze te bewerken en aan het lichaam terug te geven. De bedoelde werkwijze is ontleend aan de bereidingswijze van homeopathische middelen en wordt ‘Isopatisch’ genoemd. Het effect van deze wijze van behandelen wordt omschreven als: een verhoogde uitscheiding van de afvalstoffen die in bloed en urine gemeten werden voorafgaand aan de toediening.

Dit is een werkwijze die niet door mij is ontdekt, maar waarover ik heb gelezen.                 Wel van mij kwam plotseling het idee dat tranen ook, net als urine, een uitscheidingsproduct zijn en ik vroeg me af of tranen afvalstoffen bevatten. Per slot van rekening wordt er dagelijks een behoorlijke hoeveelheid traanvocht aangemaakt om de ogen vochtig te houden, maar in een aantal emotionele toestanden komt er bij de meesten van ons een ware tranenvloed op gang.

Ik trek vaak de vergelijking met de toestand van diarree. Je hebt iets verkeerds gegeten en je lichaam reageert daarop met het sturen van grote hoeveelheden vocht naar de darmen, zodat de hele inhoud tezamen met de ziek makende bestanddelen zo snel mogelijk worden weggespoeld.

Het blijkt nu – ook weer niet zelf ontdekt, maar opgezocht en gevonden – dat tranen inderdaad ook afvalstoffen bevatten namelijk stukjes eiwitten, zogenaamde neuropeptiden, die in ons zenuwstelsel als verbindingsstofjes worden gebruikt. Van die stofjes hebben de onderzoekers er honderden verschillende ontdekt en ze lijken te maken te hebben met verschillende emoties.

Om het verhaal niet te ingewikkeld te maken houd ik het even simpel: Ik deed een proef.   Ik had geluk, want er kwam een mevrouw bij mij die een heel verdrietig verleden met zich mee torste. Ze was er heel ziek van geworden en vele kilo’s afgevallen in feite sleepte haar ziektegeschiedenis zich al jaren voort. Terwijl ze haar verhaal vertelde huilde ze vreselijk en ik zat heel dicht bij haar en kon gemakkelijk haar tranen opvangen.

In afkijken ben ik altijd heel goed geweest. Ik deed simpelweg wat de Duitse therapeuten met bloed en urine doen in therapeutische zin en ik maakte op hun manier een isopatisch middel van die tranen dat ik in een druppelflesje deed en aan haar mee gaf.                       Van af dat moment keerde het ziekteproces van die vrouw zich om en begon ze beter te worden. Nadien heb ik veel mensen op die manier kunnen helpen met hun bevrijding van de knellende banden van oud – en zelfs van recent leed door op de hier beschreven wijze gebruik te maken van de afvalstoffen die in hun tranen zaten.

Over die therapie met tranen heb ik trouwens een boekje geschreven dat bij uitgeverij Ankh Hermes is uitgegeven onder de titel “Laat je tranen de vrije loop”.                               Tranen kunnen wat mij betreft dus worden opgevat als een gereedschap om naar binnen te komen.

Zelf verloor ik mijn oudste dochter toen ze nog maar zesendertig jaar was aan de slopende taaislijmziekte. Door mijn eigen tranen te gebruiken heb ik mijzelf toen kunnen helpen, waardoor mijn verdriet de scherpte snel verloor. Natuurlijk mis ik haar na vele jaren nog altijd, maar het is verdriet dat zijn plaats heeft gekregen.

Hoe dit ook zij, ik ben ervan overtuigd dat met tranen die werkelijk om ernstig leed geplengd worden iets mooi voor mensen kan worden gedaan. De tranen die bij verdriet over de wangen stromen bieden dus op hun weg naar buiten als het ware een sleutel om naar binnen te komen.

Zulke sleutels, ja, die zoek ik.

Nieuws

Elke dag kijk ik er naar. Elke dag vraag ik me af wanneer het nieuws nu eindelijk eens een glimlach tevoorschijn roept. Dat kan denkelijk nog wel even duren.                                       Hot items van het moment? In het nationale nieuws gaat het al dagen over het vrijwillig levenseinde. Onze doorgaans al heel kordate minister Edith Schippers kwam op het fantastische idee om eens uit te spreken wat ze al heel lang zelf dacht. Ja, nou denk je misschien dat het normaal is om uit te spreken wat je zelf denkt.                                           Voor jou en voor mij is dat ook zo, maar niet als je minister bent.

Hoe dan ook, Edith zei dat ze vindt dat oude mensen die nog wilsbekwaam zijn, dus niet dement, de baas over hun eigen leven moeten zijn. Als ze er echt genoeg van hebben en het leven niets meer te bieden heeft dan elke dag wachten of je eindelijk morgen niet meer wakker wordt, dat je dan hulp kunt krijgen om te stoppen met leven.

Nou is er voor dit helemaal niet zo slechte ideetje van Edith gelukkig een kleine meerderheid in de tweede kamer. Maar ja, in de eerste kamer liggen de kaarten anders. Daar zit een wat hoger percentage gelovers. Dat woord heb ik eerder gebruikt, omdat ik het woord “gelovigen” zo iets vals onaantastbaars vind hebben en het woord gelovers heeft voor mij meer iets van een zelf gekozen halsstarrigheid in de sfeer van ‘ik heb gelijk omdat het zo is, het is toch zeker zo en als ik allerlei onbewezen overtuigingen tot de heilige waarheid wil verklaren dan heb je mij maar te respecteren. Bovendien moet je accepteren dat ik mijn zin krijg als het over jouw leven gaat. Dat dus.                               Nou ja, goed, ik ben daar niet van, maar ik vind wel dat die gelovers het tot op zeker hoogte zelf maar moeten weten.

Het vervelende is echter dat ze daar nooit genoeg aan lijken te hebben. Ze blijven maar proberen om in de diepste eigenheid van andere mensen, de zeggenschap over hun eigen leven, hun zin door te drukken. Volgens de gelovers zal De Heer – zijn achternaam heb ik nooit gehoord – wel uitmaken wanneer jou leven – het enige dat echt van jou is – afgelopen mag zijn.

We zien het wereldwijd, geloof geeft strijd. (mooi rijm zinnetje toch?)                                     Hier te lande, waar wij soms tegen beter weten graag aannemen dat wij in een beschaafde samenleving leven blijkt ook nog altijd dat mijn bovenstaand zinnetje niet helemaal compleet is. Er moet eigenlijk staan:                                                                                       We zien het wereldwijd, geloof geeft strijd. Doodsstrijd.

Be(Ver)keerd.

 

In mijn wakkere ochtendkrant tref ik een pagina vullend artikel over een vrouw, met een foto, met een balk over de ogen. Op het eerste gezicht denk ik dan dat het een crimineel mens moet zijn die omwille van de privacy zogenaamd onherkenbaar is gemaakt. Wel wordt natuurlijk haar voornaam genoemd en de eerste letter van haar achternaam en dat ze uit Maastricht komt, zodat in ieder geval voldoende mensen haar zullen herkennen.     Oh nee, dat was niet de bedoeling.

De vrouw komt in het stuk zelf aan het woord. Ik vat haar verhaal maar even samen: ontwricht gezin, uit huisgeplaatst, internaten, misbruikt, nog eens uit huis geplaatst. Ze raakt losgeslagen, doet alles wat losgeslagen jonge – en ook wel oudere mensen doen: drank, drugs, wangedrag en noem maar op.

En dan hoort ze van de politie dat haar vader is overleden. Dit brengt een hevige schok in haar teweeg en plotseling verdiept ze zich in het geloof, want dat doen mensen soms als ze geen vaste grond meer in het leven voelen. In haar geval is het de Islam. Ze gaat zich kleden als een gelovige islamitische vrouw en bij de imam legt ze de geloofsbelijdenis af. De imam heeft haar in al haar wanhoop en onzekerheid namelijk verteld dat een mens soms plotseling kan sterven en dat het werkelijk rampzalig is als je dan als ongelovige de dood in gaat. Naar hoe hij dat zo zeker weet wordt eigenlijk in geen enkele geloofsgemeenschap gevraagd.

Na haar geloofsbelijdenis kan ze – haar eigen woorden – niets anders als huilen, huilen van geluk.

Deze vrouw kwam, blij gelovend en wel, in de kringen van de jihad, want ja, elk geloof wil hoe dan ook verspreid worden. En zo vreemd is dat trouwens niet. Als je echt gelooft, dan weet je gewoon zeker dat wat jij gelooft de echte waarheid is. Die wil je uitdragen, zodat iedereen net zo gelukkig wordt als jij, toch?                                                                             Omdat het hier nu een moslima betreft die zich naar het schijnt met de jihad heeft ingelaten wordt ze gepresenteerd als een crimineel.

Ik maak nu even een overstapje naar mijn eigen leven. Nee, ik ben geen moslim en al helemaal geen jihadist. Ik wil het hebben over een heel vroege periode in mijn leven. Ja, ja, het gaat nog steeds over geloven.

Nadat hij in de dertiger jaren van de vorige eeuw zijn hele verhuisbedrijf met twaalf paarden en idem zoveel verhuiswagens had omgezet in drank en oeverloze gezinsellende bekeerde mijn grootvader zich tot het christelijke geloof. Hij werd in zijn eigen woorden gered door het Leger Des Heils.                                                                                               Prachtig. Hij dronk niet meer, liep voorop met de vlag als het Leger op straathoeken van de blijde boodschap ging getuigen en verkondigde bij die gelegenheden ruimschoots het woord van de Here.                                                                                                                   Mij nam hij op het eind van de tweede wereldoorlog mee naar het zondag schooltje van het Leger.                                                                                                                                       De verhalen vond ik prachtig en de kapitein die ons kinderen toesprak moedigde ons aan te beseffen dat wij zondaars waren en dat het om die reden aan te bevelen was als wij naar voren zouden komen om te knielen bij de zondaarsbank om zo, opnieuw, in de genade des Heren te worden opgenomen.

Na gedurende meerdere zondagspreekjes hiertoe aangemoedigd te zijn knielde ik op zekere zondag aan de zondaarsbank, waarna de kapitein mij en de andere geknielde zondaartjes vertelde dat we nu ‘Jongsoldaten’ waren en dat we in ’s Heren genade waren opgenomen. Ook konden wij toetreden tot de jonge muzikanten, waar we dan bij gebleken muzikaliteit een instrument kregen benevens les om er op in het muziekkorps der jongsoldaten te kunnen meespelen.

Let wel, die toeter die ik te leen kreeg, een bugel, daar was het mij eigenlijk om te doen. Daarmee was deze zevenjarige zondaar binnen de kring der goddelijke genade gehaald.

Ach ja, het Leger Des Heils. Eigenlijk waren het best lieve gelovige mensen die met elkaar probeerden de mensen in nood te helpen, want die waren ook toen al in ruime mate voorhanden. Er werd gebeden en gedankt, vaak zingend, want zingen deden ze veel en vaak en eerlijk gezegd zing ik nog steeds graag.                                                                    Maar toch ging er in mijn jonge zieltje iets mis.

Toen ik een jaar of twaalf was wilde ik niet meer. Ik wilde niet meer bidden, niet meer danken. Ik wilde gewoon, ja, wat eigenlijk… Ik denk dat ik eigenlijk een hekel begon te krijgen aan dwangmatige procedures in het leven. Ja, dat zal het wel geweest zijn, want daaraan heb ik nog steeds de pest.

De reden dat ik dit stukje schrijf is echter een heel andere.                                                   Toen ik probeerde op te houden met bidden en danken voelde ik me schuldig, en niet een beetje hoor. Het heeft jaren geduurd voordat ik dat stomme schuldgevoel kwijt was. Wat er met de paplepel is ingegoten, daar ben je niet zo snel van verlost. Soms denk ik dat heel rigide gelovigen misschien ook wel last hebben van dat schuldgevoel als ze los van hun conventies proberen te komen.

Misschien iets om aan te denken voor mensen die hun kinderen echt in vrijheid willen opvoeden.

 

Verandering

In elk mensenleven is het soms hoog tijd voor verandering. Soms heeft dat te maken met verveling, sleur of ziek makende irritatie, maar een enkele keer heeft het te maken met iets waar je al heel lang met afgewend hoofd omheen loopt. Je weet al jaren dat het moet en dat je zo niet kunt doorgaan, ondanks het feit dat je jezelf nog steeds – gebruik makend van bijna geloofwaardige argumenten – wijs maakt dat je er toch altijd nog onwaarschijnlijk goed tegen kunt.                                                                                             Begin je al iets te herkennen?                                                                                                 Erg moeilijk is dat trouwens niet, want er zijn wat mij betreft maar twee taaie gewoonten die met recht als verslaving mogen gelden: roken en drinken.

Wat het eerste betreft, het roken, vinden we tegenwoordig de weliswaar knarsetandende, maar toch handhavende overheid aan de goede kant. Ik zeg knarsetandend, want de belastingopbrengsten uit de accijnzen op rookwaar moeten nu voor een flink deel uit andere als even onredelijk ervaren opleggingen worden gehaald. Hoe dit ook zij, men is er in geslaagd het roken in een kwaad daglicht te stellen. In geen enkele openbare gelegenheid mag het nog en elke volhardende roker zegt om zichzelf te overtuigen, dat hij of zij minder rookt dan vroeger, al was het alleen al omdat het tegenwoordig zo duur is.       Eigenlijk is tabak bijna verboden. Er mag in elk geval geen reclame meer voor worden gemaakt en elke verpakking toont beelden en beloften van dodelijke misère, waaraan iedere roken overigens inmiddels gewend is en wat derhalve op niemand meer indruk maakt.

Nou ja, zelf rook ik al jaren niet meer, of niet meer… ach, een paar keer per jaar krijg ik wel eens een mooie sigaar aangeboden. Rustig zitten en langzaam weg puffen. Best lekker hoor, maar niet te vaak.

Hoe anders gaat dit bij die andere verslaving, drank. Nog steeds vliegen ons via de reclame de mooie aanbiedingen van het alcohol consortium om de oren. En zeg er maar niets van, want dan word je zeker voor een aculturele, maar in elk geval smakeloze pummel gehouden. Met name wijn… ja, wijn, daar heb je toch iets mee. Daarover worden lyrische verhalen verteld, reizen naar chateau’s georganiseerd. Hoe ouder de wijn – als – ie tenminste geschikt is om te bewaren – hoe kostbaarder.                                                 Maar weet je, alcohol is op een soortgelijke manier als tabak verslavend en ziekmakend.

Onder alcohol kun je allerlei organische dingen bewaren. Bacteriën en schimmels hebben er dan geen vat op. Die sterven namelijk in alcohol. En wat denk je van je eigen levende cellen.                                                                                                                                     De anti drank campagne komt in onze publicitaire media niet verder dan het gemoedelijk gebromde: “Alcohol maakt meer kapot dan je lief is”. Mag je ook pas kopen als je achttien jaar of ouder bent en je op basis van meerderjarigheid het volledige recht hebt verworven om je gezondheid naar de kloten te helpen.

Zoals ik al zei, roken doe ik al een poos niet meer. Of het moeilijk was om ermee te stoppen? Voor mij niet. Ik hoestte nogal en ik dacht: laat ik eens proberen of niet roken helpt. Nou, fantastisch. Dus ben ik er ook maar niet meer aan begonnen. Maar drinken… jongens… ik kon er wat van. Elke dag als ik stond te koken, want dat doe ik bij ons altijd en ‘s avonds. En als we ergens aten en na de maaltijd en cognac bij de koffie en…en… Een fles whisky ging nooit langer dan een week mee. (ook een flinke kostenpost trouwens).

Op een nacht, een week of zes geleden denk ik, had ik aan de rechterkant van mijn lichaam, onder de ribben een wat mij betreft beangstigende ervaring. Het was een soort gevoel alsof de boel daar op het punt stond te ontploffen, als een ballon die te ver wordt opgeblazen, weet je wel. Nou weet ik toevallig dat daar mijn lever zit. Dat is een vrij groot orgaan dat vele honderden onmisbare taken in mijn lijf vervult.

Ik zal heel eerlijk zijn. Ik schrok me kapot, ik was bang, maar het heeft me ook tot een tamelijk ingrijpend besluit gebracht. Ik ben maar helemaal gestopt met drank.                       Of ik dat ga volhouden?                                                                                                           Hoe moet ik dat nou weten?                                                                                                     Maar ik voel me wel een stuk lekkerder, ik slaap veel beter, ben niet meer moe.

Overigens ben ik de laatste om te roepen dat ik alles goed doe, maar weet je, ik dacht ik vertel het je even. Dan kun je het ook eens proberen, toch?

Medische missers

Gedurende zijn werkzame leven als arts – anesthesioloog en ook jaren daarna als columnist kon professor Bob Smalhout geweldig fulmineren tegen onzorgvuldigheden door artsen en andere medische behandelaars . Ooit verscheen er zelfs een boek onder de titel “Medische Missers” door hem in samenwerking met een schrijvend journalist samengesteld.

In mijn vorige blog, Katalyse, raakte ik weer even aan de neiging van de wereldwijde farmaceutische industrie, om de eigen producten altijd beter te vinden en naar voren te schuiven onder het luidkeels ontkennen van de waarde van geneeskrachtige middelen van andere oorsprong.                                                                                                           Ik ging er op dat moment al schrijvend vanuit dat ik – niet dat men zich binnen die industrie daarvan iets zou aantrekken – weer een flinke oorveeg had uitgedeeld en dat het onderwerp voorlopig wel weer een poosje kon rusten.

Nu is er binnen mijn eigen familie iets voorgevallen waarvan ik, een beetje tot mijn spijt, de internationale pillendraaiers niet rechtstreeks de schuld kan geven. Ik zeg het een beetje onbeleefd, de pillendraaiers. Maar van hen kan in elk geval nog met enige zekerheid gezegd worden dat ze verstand hebben van wat ze doen en maken.                                     Nu, dat laatste geldt zeker niet voor de verzekeraars.

De omissie waarover ik nu schrijf betreft een vrouw van midden veertig. Zij is een CF-patiënte. (Cystische Fibrose = de taaislijmziekte) Deze vrouw heeft afgezien van haar levensbedreigende kwaal die haar dagelijks kwelt en veel pijn bezorgt  inmiddels ook al een periode doorgemaakt waarin ze leed aan Non Hodgkin, een levensbedreigende lymfeklierkanker. Daar heeft ze zich moedig doorheen gevochten. Haar ziekte brengt echter mee dat er soms een heel zware antibioticakuur nodig is die alleen per infuus gegeven kan worden. Tot voor kort ging dat – laten we zeggen – zo goed als het gaan kon. Het betreffende middel moest in twee toedieningen, verdeeld over de dag worden gegeven. Dat betekende natuurlijk een hele opname dag of twee dure want deskundige huisbezoeken. Maar toen kwam – ja ik weet het, ik heb het een poosje niet over hem gehad – de verzekeraar. Die zei, uiteraard zonder verstand van zaken en zeker zonder aanzien des persoons: ‘twee dingen. In de eerste plaats kan dat middel, Tobramycine, wel van een goedkoper adres worden betrokken en in de tweede plaats lijkt het ons niet nodig om er zo lang over te doen om het bij een patiënt naar binnen te brengen. Het moet in één keer, want meer werk betalen we niet.’

Die vrouw heeft door deze verzekeringsmisdaad – ik kan het niet anders zien – nu een onherstelbaar beschadigd evenwichtsorgaan. Tot voor kort kon ze nog met de auto zelf ergens komen. Nu niet meer. Nu beweegt ze zich slingerend en onzeker voort, voortdurend duizelig.

Gezien in het licht van wat er op de wereld gebeurt is dit natuurlijk klein leed. Voor mij komt het echter net iets te dicht bij, want die vrouw is mijn jongste dochter, haar zeven jaar oudere zus hebben we al in het jaar tweeduizend aan de taaislijmziekte verloren. En, weet je, ik ben eigenlijk te verbijsterd om nog boos te kunnen zijn. Kennelijk gaat het bij verzekeraars alleen maar om geld.                                                                                         Dat is, wat mij betreft, de enige zekerheid die ze altijd bieden.

 

 

Katalyse.

Een onontbeerlijk verschijnsel in onze werkelijkheid. Zo kun je dit met een gerust hart noemen. Ondanks de ogenschijnlijk grote vrijheid van handelen die we tegenwoordig hebben (als we maar betalen). Wanneer het gaat om onze gezondheid, lijkt het hoofddoel van de verdedigers der farmacie toch altijd nog gelegen in het van de weg rijden van alle vormen van geneeskunst die niet van doen hebben met hun producten. Kinderachtig, zou je misschien denken, maar vergis je niet. Er zijn wereldwijd grote financiële belangen mee gemoeid. Sterker nog, de farmaceutische industrie is een van de grootste economische spelers in de westerse wereld. Nobel, en altijd werkend voor onze gezondheid is het imago dat men daar nog altijd probeert op ooghoogte te houden…

Soms word ik plotseling geconfronteerd met iets dat wordt gepresenteerd als een panacee, een middel dat alles geneest. Hele en halve claims, vaak slecht of niet onderbouwd, moeten de lezer dan duidelijk maken dat dit wondermiddel voor hem of haar wezenlijk van levensbelang is. En – haast ik mij nu erbij te zeggen – soms is dat ook zo, maar kan de schrijver van de wervende tekst niet op de juiste argumenten komen om het onderhavige betoog de nodige werkelijkheidswaarde mee te geven.

Stel, je hebt iets gevonden – laten we het voorlopig even een ‘gezondheidsmiddel’ noemen, dat keer op keer blijkt een sterk positieve invloed te hebben op het welbevinden van mensen. Word nou niet te enthousiast. Schaats nou niet in je zelf gehakte wak. Er wordt namelijk vals lachend op je gewacht als je dom genoeg bent om te roepen dat je gelijk hebt omdat je het toch met eigen ogen ziet en zo meer.

Maar ja, eigenlijk heb je er geen idee van hoe het werkt. De wetenschap der fysiologie is dermate ingewikkeld dat je erg moet oppassen met claims. Voor je het weet is een scherpzinnige betweter bezig jouw betoog te verwijzen naar het grote ‘Placebo rijk’.           Tja, en daar zit je dan weer met je wondermiddel.

Kort geleden kwam ik een reeks middelen tegen die gemaakt waren van de edelmetalen zilver, goud en platina. Ik las vele getuigenissen van mensen die met behulp van deze middelen aan de allerergste lichamelijke beproevingen waren ontkomen. Veel enthousiaste verhalen over hoe ziek ze eerst waren en hoe gezond ze nu zijn.

Ook las ik de bekende afkrakers, de zogenaamde echte wetenschappelijke criticasters, die met sterke argumenten uitleggen waarom het door bovenbedoelde enthousiastelingen beweerde absoluut niet waar kan zijn en slechts berust op suggestie. Hun argumenten zijn – en dat weten ze heel goed – vaak in hoge mate steek houdend.

In dit geval schreven ze bijvoorbeeld dat goud en platina wel een grote aantrekkingskracht op de mens hebben, maar dat juist die metalen zich als edelmetalen nergens mee kunnen verbinden en dat er daarom geen geneeskrachtige werking vanuit kan gaan. En inderdaad, goud en platina gaan nauwelijks of niet chemische verbindingen aan. Dat is waar.                                                                                                                                         Vreemd en eigenlijk ook wel behoorlijk hufterig van deze lieden is echter dat ze een heel belangrijk verschijnsel in de chemie verzwijgen: katalyse.                                                     Om dit wonderlijke verschijnsel uit te leggen gebruik ik altijd een voorbeeld uit mijn jeugd.   Op een dag had mijn moeder van een man aan de deur een aansteker voor het gasfornuis gekocht. Nee, piëzo elektrische speeltjes waren er nog niet en het ding had ook geen vuursteentje. Eigenlijk was het niet veel meer dan een staafje met een opgerold draadkokertje aan het einde waardoorheen een heel dun draadje liep. ‘Kijk,’ zei mijn moeder vol trots, ‘dat is platina.’                                                                                               ‘Nou en,’ riepen Vader en ik smalend.                                                                                     ‘Daarmee kun je het gas aansteken,’ zei mijn moeder, al zwakjes in de verdediging.           ‘Die man heeft het laten zien hoor.’                                                                                           ‘Je hebt je een oor laten aannaaien,’ zei mijn vader hoofdschuddend, maar hij liep toch mee naar de keuken en daar aanschouwden wij het wonder: moeder draaide de gaskraan open en hield het platina draadje in het uitstromende gas. Het draadje  begon te gloeien???? Ja, echt waar… en het gas floepte aan.                                                               Dat draadje is een hele poos mee gegaan, tot het op een dag doorgebrand was.

Kijk, dat is nou een prachtig voorbeeld van katalyse: de in-uit deelname van een chemisch element. Er gebeurt iets in de ‘aanwezigheid’ van iets of iemand wat zonder die aanwezigheid niet kan gebeuren. Zowel in de chemie als in de fysiologie als in de mensenmaatschappij is het verschijnsel katalyse onontbeerlijk. Jammer dat de farmaceuten ons liever niet met dit idee in aanraking laten komen en bij voorkeur roepen dat iets niet kan.

Het lange verhaal kort:                                                                                                           We hebben het product ‘Goudwater’ dat eigenlijk colloïdaal goud moet heten, een product dat in een aantal gevallen duidelijke werkzaamheid laat zien en dat door de wetenschap eigenlijk direct al in de sloot gegoten wordt. Dat is dom en jammer. Van platina weten we natuurlijk de katalytische werking, dat wordt zelfs in de uitlaten van auto’s toegepast.         Katalyse maakt allerlei processen mogelijk of verbetert ze sterk.                                           Dat zal zeker het geval zijn bij de Nano deeltjes van de edele metalen die in dit product zitten en die letterlijk overal in ons lichaam hun katalyserende werk kunnen doen en er zo voor zorgen dat alle levensprocessen in dat vaak weerbarstige lijf van ons een beetje beter, vlotter, lekkerder verlopen.

Jaren geleden – misschien heb je hem toen wel op de Tv gezien – was er een man die een goedkope en eenvoudige manier had ontdekt om brandwonden te behandelen. Die man was fysiotherapeut en hij goot op de Tv kokend water over zijn arm om te laten zien dat zijn methode werkte. Zijn methode bestond uit olie, gewone zonnebloemolie, waarin heel veel keukenzout was opgelost. Hij liet onder het toeziend oog van artsen en verder heel Nederland zien dat zijn middel werkte. Wat je noemt een moedige man met een visie. Zijn middel werkte uitstekend. Hij kreeg geen brandwonden op de plek die hij met kokend water had overgoten. Maar als je nou denkt dat Nederlands beroemdste brandwonden centrum in Beverwijk er iets mee ging doen, dan heb je het mis. Wat deze brave fysiotherapeut deed was in strijd met de zeer ingewikkelde medische etiquette. Hij had vergeten een hotemetoot in te schakelen. In medicaland worden successen alleen behaald en geaccepteerd als mannen van naam ermee aankomen. Ondanks dat het hele land kon zien dat deze fysiotherapeut gelijk had werd zijn middel niet toegepast.

Oh ja, wat die edele metalen betreft, je moet ze wel regelmatig gebruiken. Niet altijd hoor, maar af en toe een poosje. Zulke metalen blijven nou eenmaal niet in je lichaam. Ze verbinden zich immers nergens mee; daarvoor zijn het nou edele metalen.                           Maar, wees eerlijk, eten en drinken moet je toch ook blijven doen?

 

Budgetpil = gelegaliseerde mishandeling

Heb je het ook gelezen of gehoord, of heb je zelf nooit medicijnen nodig? Nou, dan hoor je bij de gelukkigen of misschien kan ik beter zeggen: dan behoor je tot de mensen die tot nu toe in elk geval medisch niet bewust in gevaar worden gebracht.

Ik lees net in de krant – het is natuurlijk al veel langer bekend – dat tien procent van de medicijngebruikers die op een goedkoper zogenaamd ‘loco’ worden gezet hun leven langzaamaan in een hel zien veranderen. Stel je maar even voor. Je trouwe huisarts schrijft je een middel voor omdat je een hoge bloeddruk hebt. Middel werkt prima. Jij tevreden. Maar dan.                                                                                                          Komt je verzekeraar om de hoek en die zegt: ‘Ja, dat gaat allemaal wel lekker met jou, maar zo kunnen we niet doorgaan. Wat zeg je? Ja, dat weten we wel dat je de afgelopen tien jaar elke maand zo’n honderd eurootjes naar ons toe hebt geschoven, maar dat is eigenlijk allemaal niet genoeg weet je. Die pillen van jou zijn ons te duur. als we zo doorgaan verdienen we geen flikker. Dus kort en goed, jij krijgt goedkopere pillen waar het zelfde in zit. Nee, niet de zelfde ballaststoffen, daar gaat het nou net om. We hebben nou een fabrikant in Verweggistan die voor ons voor een scheet en drie knikkers die pillen van jou draait. En nou moet je ophouden met zeuren dat je tanden uit je bek vallen en dat je hoofdpijn krijgt en dat je huid helemaal schilferig wordt. Nee, luister nou. Daar gaat het helemaal niet om. Je hebt die pillen voor je bloeddruk en daar werken ze voor. Voor ons is dat een stuk goedkoper en als je toch je oude pillen weer wil hebben dan betaal je ze zelf maar. Wat? nou toch weer een hoge bloeddruk? Ja, dat komt natuurlijk om dat je de hele dag over die pillen loopt te zeiken.                                                                                           ”Zie zo, dat was dat. Afpoeieren die gasten, in ieder geval tot de overheid ingrijpt, maar dat kan lang duren en mocht dat het geval zijn, nou dat gaan onze vertragingsjuristen aan het werk en dan kan het nog jaren duren voordat we weer verantwoorde medicatie moet gaan vergoeden.

Wat denk je, best lezer van mijn blogjes. Denk je dat ik overdrijf. Nou, laat ik er dit van zeggen. Inhoudelijk is het correct en waarschijnlijk erger, maar natuurlijk wordt de boodschap naar het volk in keurig en verhullend en daarmee uiterst verneukeratief taalgebruik gebracht.

Stelling, en laat me maar weten of je het ermee eens bent: Bewust het feit negeren dat heel veel goedkopere medicijnen voor een groot deel van de gebruikers nare tot levensbedreigende bijwerkingen hebben staat gelijk aan mishandeling en behoort krachtig te worden vervolgd.

 

De Waarheid

De waarheid is een mening,                                                                                                     Waarmee veel mensen spelen,                                                                                               Die van de meest getrouwe…                                                                                                 Die gaat het snelst vervelen.

Je kunt hem niet bezitten,                                                                                                         Leer daarmee nou maar leven.                                                                                               Want alles wat echt waar lijkt,                                                                                                   Duurt meestal maar heel even.

Vaak heb ik hem zien komen,                                                                                                   Met dikwijls veel bombarie,                                                                                                       Maar dan, na korte tijd al,                                                                                                       Dacht ik vaak: wat een larie.

Heel vaak hoor ik een mening,                                                                                                 En soms lijkt zonneklaar,                                                                                                         Verdomd, da’s ook mijn mening,                                                                                             En dat is dan wel waar.