Er valt weer bijna iemand weg

Ach, je weet wel. Het valt me trouwens wel op dat het steeds vaker gebeurt, nou ja, bij ons dan hè. Vroeger? Nou In de afgelopen veertig jaar kon ik ze nog op de vingers van één hand tellen weet je. Maar als ik nu kijk. Ik wil niet veel zeggen hoor, maar bijna elke maand kunnen wel weer het stemmige pak aan en naar het crematorium of een enkele keer het kerkhof.                                                                                                                       Nu ook weer hè. Zo’n vreselijk aardige man.                                                                           Net tachtig. Je zou toch denken dat je dan tegenwoordig nog wel een stukje door mag.

We kwamen hem en zijn vrouw een paar keer tegen op de verjaardag van de vriend van de oudste dochter van mijn vrouw. Gezellige mensen, brede belangstelling, sportief… maar ja…                                                                                                                                   Ineens had hij geen trek meer in eten.                                                                                     Naar de dokter.                                                                                                                         Na de gebruikelijke eerste aanpak die niet hielp moest er dan maar een scan worden gemaakt.                                                                                                                                   Vlekjes op de lever, zeiden ze.                                                                                                 Dat is nou amper vier weken geleden en nu is het bijna… ja, bijna wat eigenlijk.                 Ik denk er wel eens aan. Niet dat ik er treurig of angstig van word hoor. Dat heeft weinig zin, want weglopen kun je er toch niet voor.                                                                           Maar ja, weet je: ik begin zelf ook al aardig op te schieten en dan ga je vanzelf wel eens denken, hè?

Ja, en weet je wat ook zo slecht voor je is?

Ik hoop dat je het allemaal nog een beetje kunt volgen en dat je het de laatste tijd ook gevolgd hebt. Jeetje zeg, er zijn zoveel dingen slecht voor je. Straks mag je bijna niks meer, als je tenminste niet uit je ziektekostenverzekering gegooid wilt worden.                     Sinds een aantal jaren is de oorlog tegen het roken aan de gang. Nou, daar zijn we het allemaal wel mee eens… nou ja, allemaal?

Ja, ik weet het, voortschrijdend inzicht. Eerst deed iedereen het gewoon, toen begonnen ze te roepen dat je er ziek van werd, maar het mocht nog wel overal. In de betere restaurants kon je na de maaltijd nog bij het cognacje een mooie sigaar uit een speciale assortimentskist nemen. Dan werd er een spaantje cederhout voor je aangestoken om een geurig vuurtje te geven. Ik denk nog wel eens dromerig aan terug aan de geur van een mooie sigaar als ik in dat zelfde restaurant mijn espresso na de maaltijd drink en door de tegenwoordig onbezwangerde atmosfeer heel helder de mensen aan de overkant zie zitten. Maar goed, ik moet niet zo zeuren, want nu leven we langer. Of het lijkt langer… nee, dat is flauw.

Interessant is het om op te merken dat er gedoseerd ten strijde wordt getrokken tegen de dingen die slecht voor ons zijn. Let maar eens op; als de ene levensbedreigende verslaving flink op de korrel wordt genomen staan alle anderen grijnzend en waarschijnlijk aanmoedigend buiten de ring te schreeuwen.

Ken je trouwens deze nog? “Drank maakt meer kapot dan je lief is”. Jaaa, ik weet het wel, er wordt nog wel hier en daar wat gerumoerd om het comazuipen van de jeugd, maar je hoort bijna niets meer over de gevaren van voortdurend teveel alcohol. Ik vermoed eigenlijk dat onze verstandige overheid heel goed begrijpt dat je wel moet zorgen dat de accijnzenstoom op gang blijft. Als die bron van het rokertje langzaam opdroogt moet je natuurlijk niet tegelijk alle andere kraantje dichtdraaien.

In Nederland zien we zich nu een nieuw aspect in de nobele strijd tegen de verslaving aftekenen. Er komt een grote rechtszaak tegen de tabaksindustrie. Er is namelijk aangetoond dat deze bedrijfstak stofjes aan hun producten toevoegt die maken dat je na het gebruik ervan alweer verlangt naar het moment dat je de volgende kunt opsteken.

Maar, wacht nou eens even, waar heb ik dat nou eerder gehoord?                                     Ach, natuurlijk, ik weet het alweer: het was bij de voedingsmiddelen industrie. Daar stoppen ze al die stiekeme E-nummers in zo veel mogelijk producten om er maar voor te zorgen dat je meer gaat eten dan nodig is. Och jeetje, wat zullen ze daar blij zijn dat nu alle aandacht naar de tabaksindustrie gaat en al het kwaad dat die boeven aan richten met hun kankerverwekkende rotzooi. Ja, natuurlijk zijn ze daar hartstikke blij. Trouwens, zij niet alleen hoor. Grote moeder, de farmaceutische industrie, die al die  mooie toevoegingen door de jaren heen heeft ontwikkeld moet er echt niet aan denken dat al die mooie inkomsten bronnen in eens opdrogen. Stel je voor, dat gedram pakt je al de mooie kans af om nog tientallen jaren middelen te kunnen ontwikkelen tegen de longkanker die je zelf hebt helpen ontstaan, maar dan moeten ze voorlopig wel afblijven van je mogelijkheden om allerlei kansrijke ingewandsaandoeningen in het leven te roepen. Ja, zeg nou zelf, hoe moet je in vredesnaam anders je profijtelijke groeimarkt aan de praat houden.                                                                                                                                     Nee, ga maar lekker door met het aanpakken van de tabak, dat verdient alle aandacht. Dan kunnen wij van de voeding en de frisdranken nog fijn een poosje door knoeien.

Obese

In een eerder blog publiceerde ik al eens een Engelse songtekst over dit verschijnsel.       ‘Obese’, obesitas bij ons, een aandoening die mensen niet alleen doodziek maakt, maar ook doodongelukkig en niet alleen vanwege het groteske en wanstaltige uiterlijk dat ze gaandeweg ontwikkelen, maar eigenlijk meer nog door de toenemende ziekte en beperkingen die het leven in een obesitas lichaam oplegt.

Vanavond kwam ik zappend op een van de commerciële zenders die onder de titel ‘Te Dik’ een programma bracht waarin een drietal patiënten gevolgd werd die door hun eetgedrag kans hadden gezien hun lichaamsgewicht veel meer dan te verdubbelen ten opzichte van wat we nog als normaal beschouwen.

Allemaal kwamen ze in een kliniek in Noord Engeland waar onder bepaalde voorwaarden de operatie wordt uitgevoerd om de maag te verkleinen. Er was een vrouw van middelbare leeftijd die tweehonderdtweeëntwintig kilo woog. Het arme mens was ten einde raad. Behalve dat ze bijna niet meer kon opstaan en zich door haar woning bewoog zittend op een kruk met wieltjes, kwam ze ook niet meer zelfstandig buiten de deur. Uiteraard was ze ook diabetes patiënt.

De reden dat ik nu, voor de tweede keer dit onderwerp oppak is eigenlijk dat ik een ander verschijnsel wil belichten: haastige onverschilligheid. Een levensgevaarlijk verschijnsel.   Ja, ja, hoor ik u denken, overdrijf toch niet zo man. Het zal heus zo’n vaart niet lopen en trouwens, ik heb nergens last van.

Goed, laat mij dan een klein – en voor zeer welgestelde mensen een heel onbelangrijk puntje noemen. Het is u wellicht opgevallen dat de kosten voor de gezondheidszorg jaarlijks toenemen. Premies worden steeds hoger, het eigen risico groeit navenant mee en daarbij worden steeds meer zaken niet vergoed en wordt het werk van de arts steeds moeilijker gemaakt door de budgetteringsdrang van de verzekeringswereld. Daartegen is zoveel weerstand dat het de zorgverzekeraars vaak in een kwaad daglicht stelt.

Ik durf te beweren dat het probleem slecht voor een klein deel bij de verzekeraars ligt. Natuurlijk zijn het bedrijven die winst moeten maken en die daarvoor verplichte verzekeringen gebruiken. Maar verzekeraars zijn uiteraard rekenaars. Zij moeten zorgen dat de rekeningen betaald kunnen worden en dat de stakeholders elk jaar weer tevreden zijn. Dat hoeft echter de kosten niet zo dramatisch te laten stijgen als nu het geval is. Nee, het grote probleem zie ik in het overvloedige aanbod van gemaksvoedsel. Wie niet kan koken of geen zin of geen tijd heeft om dagelijks van verse producten maaltijden samen te stellen, die kan jarenlang het gevoel hebben niets te kort te komen met alle kant – en – klare maaltijden en wat dies meer zij.

Bedenk echter dat de voedingsindustrie er belang bij heeft dat er zoveel mogelijk omzet wordt gegenereerd. Dan heb je stoffen nodig die de smaak versterken, het hongergevoel langer in stand houden dan strikt noodzakelijk is. Een reeks van toevoegingen die in de voedingsindustrie worden toegepast zijn niet alleen overbodig, maar ook schadelijk. Die toegevoegde stoffen zijn door de keuringsinstanties gelobbyd. Is dat corrupt? Ach, het is maar hoe je het bekijkt. Als je het als industrie voor elkaar krijgt dat je met voedingsmiddelen die wezenlijk schadelijke stoffen bevatten toch vette winst kunt maken, dan moet je daarvoor hier en daar misschien wel eens wat eh… vriendelijkheden ten toon spreiden.

Wel jammer is dat een waarschijnlijk groter bedrag dan die winst van die industrie wordt uitgegeven aan de gezondheidszorg door de schade die ontstaat door met grote regelmaat die troep te eten.                                                                                                 Hoe ontstaat nou zo’n probleem? Heel eenvoudig: wie nergens last van heeft interesseert het geen bal. Heb je er wèl last van, dan ben je negen van de tien keer te laat en kan de ellende alleen nog maar met veel moeite en tegen hoge kosten worden opgelost of zelfs dat niet.

Ach, weet u, denk er maar eens over als u niet even vlug hoeft te eten.

Duitsers maken geen grappen

Heb je die reclame voor dat nieuwe kleine Opeltje gezien. Staat die verkoper eerst te roepen wat de prijs is, tegen die twee mensen die er in de showroom in zijn gestapt. En dan roept die man die met een gretige blik in zijn ogen het stuurtje vasthoud: ‘U maakte een grapje’,  dat gaat dan natuurlijk over de prijs die de verkoper heeft genoemd en waarvan de potentiële klant zogenaamd denkt dat de genoemde prijs veel te laag is en dat het betreffende autootje daarvoor nooit te koop kan zijn. Die verkoper trekt dan ineens een heel streng gezicht en zegt: ‘Duitsers maken geen grappen.’

Goed, afgezien van het feit dat in de praktijk de zogenaamde kosten voor het rijklaar maken inderdaad de genoemde prijs als een grap moeten doen beschouwen zou het te wensen zijn dat Duitsers inderdaad geen grappen maken en daartoe ook geen pogingen zouden doen.

Ik vermoed namelijk dat de Turkse president, aan wiens naam ik tegenwoordig echt niemand hoef te herinneren, ook denkt dat Duitsers geen grappen maken en dat alles wat ze zeggen echt gemeend is.

Ja, en waar brengt ons dat vandaag?

Bij een woedende en beledigde Turkse president, die kennelijk alles serieus neemt wat een smakeloze, zichzelf geen enkele beperking opleggende Duitse poging tot grove spotternij uitbrakende zelfs niet een beetje leuke humorist op een openbaar tv-station’over hem meende te moeten debiteren, op die manier een gemakkelijk vermijdbare – maar niettemin ernstige politieke rel veroorzakend.

Blijkbaar weten de organisatoren bij de Duitse tv niet dat spotternij best mag en dat je heel duidelijk je mening op grappige wijze mag verwoorden, maar dan moet dat wat je zegt wel een komische presentatie van feiten zijn en niet het soort smakeloze vuilbekkerij dat de zich inmiddels verstoppende pseudo-leukerd de wereld in meende te moeten slingeren.

Misschien kon deze Duitse talentloze adspirant humorist inderdaad geen grappen maken. Dat was trouwens goed te merken, want het was niet leuk, wel smerig. Advies aan de man zou moeten zijn: oefenen doe je thuis. Wat denk je van een jaar of twintig.

Spotten met een president die al jaren bezig is zijn regime meer en meer totalitair te maken is natuurlijk gewenst, maar misschien niet makkelijk. Op de manier van deze Duitser werkt het echter niet.

Trouwens, als de Turkse president een beetje gevoel voor humor zou hebben zou hij de humorist een fles gier kunnen sturen met de boodschap: ‘Hier heb je een fles mondwater. Flink spoelen!

Keuze

Levensloop is een keuze. En niet alleen dat. Er is keuze in deze keuze die elke volgende keuze beïnvloedt. Die keuze in de keuze levensloop is de keuze van de visie op de levensloop. Hoe je echt, eerlijk naar je eigen leven kijkt.

Stel, de eerste te beschouwen keuze op die visie is deze: Vanaf de geboorte is er een opgang naar een steeds waardevoller en waardiger volwassenheid tot het moment dat er een hoogtepunt bereikt is, daarna volg er een rustige neergang, die wordt gekenmerkt door een toenemend terugtrekken uit het waardige waardevol zijn in een min of meer contemplatieve toestand, waarin men nog slechts terugblikt. Deze visie zou in zekere mate bevredigend kunnen zijn voor mensen die leven in het besef dat de toekomst gekomen is en tegenwoordig “nu” heet en die bevrediging vinden in de veelheid van hun herinneringen. In bijna alle vroegere literatuur wordt een dergelijk leven beschreven als een “rijk vervuld bestaan”.

Stel nu, de tweede te beschouwen keuze op die visie is deze: Vanaf de geboorte is er een opgang naar een zekere waardevolle en waardige volwassenheid, doch de bevredigende beleving van een hoogtepunt lijkt steeds nog in te toekomst te liggen. Het gevoel en het bewustzijn van het ooit gestelde doel te hebben bereikt blijft afwezig en in de plaats daarvan staat de dagelijkse beleving van onophoudelijk doch met toenemende moeite en afnemende krachten bezig te zijn het doel na te streven. Tegelijkertijd is er soms wel de contemplatie en het terugblikken, maar het bevredigende besef dat uit de herinneringen zou moeten komen is er niet en in de plaats daarvan is er de dagelijkse worsteling om alsnog het doel te bereiken, een doel dat door de jaren heen zijn scherpe omlijning heeft verloren en in toenemende mate een gevoel van ontoereikendheid veroorzaakt. Ik vermoed, zonder dat natuurlijk zeker te weten, dat deze keuze van visie op het eigen leven door veel mensen wordt herkend als de hunne.

En tenslotte denk ik dat er ook nog een derde visie op de eigen levensloop is en hoewel ik vermoed dat juist degenen die deze keuze hebben gemaakt in de eerste plaats dat zeker niet bewust hebben gedaan en in de tweede plaats – eigenlijk een onbelangrijke opmerking – dit stukje zeker niet zullen lezen. Hun visie op de eigen levensloop is echter deze, dat niet alleen de omstandigheden, maar verder ook iedereen waarmee ze op enigerlei wijze in het leven in aanraking zijn gekomen op elke denkbare manier het bereiken van hun levensdoel – dat zijzelf overigens onmogelijk kunnen formuleren – hebben tegengewerkt, waardoor zij het leven eigenlijk beschouwen als een volkomen onoverzichtelijke en bovendien uitermate oneerlijke rotzooi.

Dit stukje begint nu een heel klein beetje te lijken op een afdaling naar een onbeheersbaar en buitengewoon onplezierig perspectief. Dat is het echter niet, want niet voor niets gebruikte ik in de titel het woord ‘keuze’ en een keuze maak je zelf, toch?

Wat, wat wilde je nou weten?                                                                                                   Welke keuze ik zelf heb gemaakt?                                                                                         Jaaa… ik ben daar gek!                                                                                                           Dat gaat je lekker niks aan, tenzij je me kent, maar dan hoef je het niet te vragen.

Improvisatie, niets dan improvisatie

Redenen om aan het leven te beginnen en redenen om er – zo lijkt het vaak – zo lang mogelijk mee door te willen gaan, er zijn er vast heel veel meer dan ik nu kan bedenken. Eens kijken hoe ver ik kom.

Veel kan ik me natuurlijk niet herinneren uit de toestand waarin ik mij bevond voor ik mij in de situatie begaf waarin tijd zulk een belangrijke rol speelt en die we over het algemeen aanduiden met het woord ‘leven’.

Aangezien ik mijzelf graag mijn rechtmatige verdiensten aanreken ben ik lang geleden opgehouden iets of iemand anders verantwoordelijk te stellen voor dingen die in mijn leven gebrekkig – of helemaal mislopen. Dit laatste is dan ook veruit de belangrijkste reden waarom ik er zeker van ben dat ik gekozen heb voor dit tijdelijk bestaan. Ons unieke leven heeft – hoe ellendig dat van sommige mensen ook is ingericht – iets moois, iets van een lange, eenmalige voorstelling, waarvan voor geen enkel onderdeel gerepeteerd kan worden, maar die altijd nieuwe vergezichten biedt. Altijd weer moet er worden geïmproviseerd. Elke handeling die je verricht, elk woord dat je spreekt, elke gedachte die in je hoofd opkomt is nieuw, want de tijd is voortgeschreden tussen het vorige ogenschijnlijk identieke moment, de vorige ogenschijnlijk identieke handeling.

Als je, zoals de meeste mensen, van zekerheid meent te houden kun je jezelf oefenen in allerlei vaardigheden, zoals bijvoorbeeld een musicus zijn partijen oefent. Maar bedenk: hoe je ook oefent, elke uitvoering van dat wat je hebt geoefend is anders, want jij bent anders, stukje verderop in je leven. In elk geval ben je steeds weer aangekomen op een moment dat je nooit eerder hebt kunnen beleven. Het lukt dan beter of minder goed het geoefende uit te voeren en er is maar één innerlijke houding die je steeds weer helpt door te gaan: improviseren. Dat lijkt overigens vaak niet zo, omdat veel van deze improvisaties ten doel hebben een reeds eerder beleefde werkelijkheid te doen herleven. Als dan de huidige belevenis sterk overeenkomt met het herinneringsbeeld vinden we dat prachtig, want net als toen we kinderen waren moet een gezochte gebeurtenis – net als het sprookje dat ons vroeger werd verteld – graag op de zelfde wijze en met de zelfde woorden worden verteld. We houden namelijk van zekerheid. Die is er natuurlijk niet in ons leven, en dat is maar goed ook, maar de meeste mensen blijven daar toch naar zoeken. Dat, dat zoeken naar zekerheid, naar iets – hoe gering ook – dat blijvend is, dat is een drang die ons maar blijft vervullen tot het moment dat de belofte van onze eigen tijdelijkheid wordt ingelost en ons leven zijn einde vindt en het enige zekere vooruitzicht dat we hebben realiteit wordt.

In onze sterk seculariserende deel van de wereldbevolking is gaandeweg steeds minder behoefte aan het gezamenlijk beleven en belijden van aannames die de grenzen van het tijdelijke leven overschrijden. Ik doel hier natuurlijk op het geloven en de godsdienstigheid. Tussen de religieuze en de wetenschappelijke wereld heerst namelijk een merkwaardige tegenstelling. Die tegenstelling is objectief beschouwd zo enorm dat je zou verwachten dar er fundamentele strijd uit voort zou komen. Stel je voor: aannames hebben in alle wetenschappen de functie dat ze door middel van bewijsvoering – desnoods uit het ongerijmde – bewezen of verworpen moeten worden. Hoe anders is dat binnen de religieuze wereld. En nu laat ik zelfs de heel streng gelovige Bijbel-belt figuren tezamen met alle andere orthodoxie maar even buiten beschouwing, maar toch zijn er nog opvallend veel tamelijk gematigde gelovigen die ervan  uitgaan dat er na dit leven een soort toestand ontstaat – wat voor naam je er ook aan wilt geven – waarin eeuwigdurend alles goed komt. Volgens deze levensbeschouwingen krijg je daar echt alles voor elkaar wat je hier tijdens je leven door eigen – of andermans schuld door de neus is geboord. Ook gaat een geringer aantal in die kringen ervan uit dat er na het leven eerst een louterende periode moet volgen, waarin met afgrijzen wordt teruggeblikt op de eigen wandaden. Heb je dat een keer achter de rug dan komt echt alles goed. Ik denk altijd: als je dat nu echt allemaal aanneemt, dan zul je vermoedelijk met toenemend verlangen naar het einde van je levensweg uitzien.

Maar ja, er zitten toch een paar lelijke dunne plekken in die veiligheidsdeken van het geloof. In de eerste plaats heeft eeuwigdurendheid twee onverteerbare kenmerken voor de starter op dat terrein: Eeuwigdurend heeft geen einde, maar daardoor ook geen begin. Als namelijk de eeuwigheid pas begint als ik voorgoed mijn ogen sluit waarmee hebben die arme sukkelaars die vòòr mij stierven dan al die tijd in de wachtkamer zitten wachten totdat ik eindelijk dood ging zodat voor hen ook eindelijk de deur naar de eeuwigheid open kon.                                                                                                                                           Als we bovenstaande stellingname voor elk menselijk individu  door redeneren is het een onbestaanbaar verhaal. Eindeloos is aan weerszijden onbegrensd. Het heeft geen begin en geen einde. De eeuwigheid is een virtuele denkinhoud, waarmee we verhalen kunnen bedenken, maar ook hogere wiskunde. De eeuwige oneindigheid is namelijk abstract.

Een oude, in onze taal nog vaak gebruikte uitdrukking kan misschien een beter licht werpen op het verschijnsel sterven. Omdat de taal aan veel veranderingen bloot staat horen we oude uitdrukkingen niet vaak meer. Vroeger hoorde men over iemand die overleden was vaak zeggen: hij of zij is uit de tijd. En nu weet ik wel dat de tweede, minder letterlijke betekenis van deze uitdrukking tegenwoordig gebruikt wordt om aan te geven dat iets niet meer bij de huidige mode of gebruiken past, maar die letterlijke betekenis, niet meer in de tijd zijn, dat vind ik een heel mooie betekenis om het geheim te omschrijven van na – en zo je wilt vòòr dit leven. De opvatting die in deze uitdrukking naar voren komt is er een die veel meer ruimte laat voor onze voortdurende improvisatiedrang: Hij of zij is uit de tijd. Wij niet, wij zijn nog in de tijd. Als je namelijk in de tijd bent is er nog beweging, zijn er nog gebeurtenissen, want gebeurtenissen en beweging hangen samen met tijd. Wie of wat ophoudt te bewegen is daarmee uit de tijd.

Het is eigenlijk heel merkwaardig dat zoveel mensen, als het gaat om leven of dood behoefte aan een speculatieve mening te hebben. Een soort preview van een programma dat later zal worden vertoond. Dan weten we alvast waarop we moeten rekenen.

Nu was ik het hier bijna vergeten. Het is natuurlijk die behoefte aan zekerheid. Maar zekerheid is er niet mensen, wel improvisatie. Dat is trouwens veel leuker en in ieder geval verrassender dan zekerheid.

Tsunami of er is nog heel veel speelruimte tussen droom en wetenschap

 

Een tsunami is een golf (Japans letterlijk: haven golf), die zich met heel grote snelheid verplaatst vanuit de bron in alle mogelijke richtingen. Die bron is doorgaans een beving op grote diepte in de oceaan, waarbij in zeer korte tijd een heel grote verandering in het bodemoppervlak ontstaat.

De belangrijkste oorzaak van de hoge snelheid van de golf die ontstaat is dat water niet kan worden samengedrukt. Daardoor ontstaat er een golf die zich met veel hogere snelheid verplaatst dan windgolven, die een voortplantingssnelheid kunnen hebben van ca veertig kilometer per uur. Bij een dergelijke golf de op de bodem van de oceaan die als het ware door een klap ontstaat kan een voortplantingssnelheid van 1000 km/u gemakkelijk voortkomen. Dat is er ook de oorzaak van dat, wanneer een dergelijke snelle golf aan de kust in ondiep water komt, er een enorme opstuwing van het water optreedt en een reusachtige alles verwoestende golf over de kuststreek spoelt.

Of een tsunami optreedt hangt samen met de eigenschappen van het medium, water in dit geval. Een zich supersnel verplaatsend verschijnsel is natuurlijk iets dat sterk tot de verbeelding spreekt van elke wetenschapper, maar ook van elke dromer of fantast, zoals ik, die zich bezig houdt met het bedenken van Fantasy – of Science Fiction verhalen. Denk ook maar eens aan de Harry Potter verhalen van Jo Rawling, waarin het vaak voorkomt dat plotselinge verplaatsing over betrekkelijk grote afstand kan geschieden door middel van bepaalde voorwerpen of plekken, de zogenaamd viavia’s.

In de Science Fiction komen we op soortgelijke wijze de zogenaamde portals tegen. Plaatsen of ingewikkelde poort-achtige apparaten, die het mogelijk maken om van de ene op de andere seconde op een heel andere plaats in het universum te zijn. En laten we ook niet de zogeheten wormholes vergeten, die in de StarTrek films vaak gewilde of ongewilde verplaatsingen naar een totaal ander deel van het universum mogelijk maken.

Dat een wormhole niet moet worden afgedaan als fantastische lariekoek bewijst het grondige wetenschappelijke werk van de beroemde fysicus en hoogleraar, Stephen Hawking, die het bestaan van deze fenomenen in zijn theorie over een gekromd universum voor alleszins denkbaar houdt.

Al jaren loop ik rond met een intrigerende gedachte. Helemaal van mijzelf is die gedachte trouwens niet. Mijn vader, die gedurende de tweede wereldoorlog bij de Koninklijke Marine diende in de duikbootoorlog in de Middellandse Zee, had daar zoveel niet te rijmen ellende meegemaakt, dat hij na die oorlog zijn katholieke geloof afzwoer. Hij doorzag als geen ander het onderliggende winstbejag en opportunisme van alle geloven en eerlijk gezegd bewijst het dagelijkse nieuws helaas nog steeds zijn gelijk.                                                 Des te wonderlijker was het daarom dat hij mij toch altijd een overtuiging mee gaf die eigenlijk haaks stond op zijn visie op geloven. Vaak hadden we lange gesprekken, discussies over van alles en nog wat, maar als we het over de werkelijkheid hadden zei hij altijd: ‘Peter, als je iets kunt fantaseren, kan het ook bestaan.’ Hij was daar vast van overtuigd en zijn overtuiging heb ik met graagte overgenomen in mijn eigen opvatting die is, dat een mens zijn eigen werkelijkheid schept en niet andersom.

Terugkerend bij het verschijnsel tsunami kunnen we vaststellen dat het in water kan optreden vanwege de fysische eigenschappen van het medium water. Met geluidsgolven in de lucht is het niet heel eenvoudig een soortgelijk verschijnsel te veroorzaken. Lucht kan gemakkelijk worden samengeperst en de voortplantingssnelheid van geluid in lucht is 343 meter per seconde of wel 1234,8 kilometer per uur. Het medium lucht kan naar alle kanten uitwijken. Ga maar eens op een winderige dag buiten iets roepen naar iemand die honderd meter verderop staat. Hij hoort je echt niet hoor. Voor het ontstaan van het verschijnsel tsunami heb je waarschijnlijk een medium nodig dat niet of niet gemakkelijk samendrukbaar is. Het moet op een bepaalde manier op water lijken. In ieder geval moet de erop uitgeoefende plotselinge druk ertoe leiden dat – net als bij de tsunami – de schokgolf zich met een zeer hoge snelheid verplaatst.

Wel is er sinds enige tijd een onderzoeker, Frank Joseph Pompei, die met een door hem ontwikkelde techniek in staat is om geluid bijna als een laser te richten. Ooit liep ik op een populaire expositie waar twee parabolische spiegels verticaal waren opgesteld. De spiegels stonden op grote afstand van elkaar precies op elkaar gericht. Als je op de juiste afstand in de spiegel sprak kon iemand op de juiste plek voor de andere spiegel je goed verstaan. Hier ging het echter om het bundelen van het geluid. De verplaatsingssnelheid veranderde niet.

Overigens hebben natuurlijk ook de militairen zich met enige ijver gestort op deze technieken waarmee “zachte” oorlogvoering kan worden bedreven. Zo is er een magnetron kanon dat gemakkelijk op een jeep kan worden gemonteerd en dat tot op vijfhonderd meter de ultradunne zweetlaag op ieders huid verhit en mensen heel snel dekking doet zoeken. Verder is er ook nog het laagfrequent kanon, dat door middel van een parabolische speaker geconcentreerde laagfrequent geluidsgolven uitstuurt, waardoor de inwendige organen zodanig gaan schudden dat mensen acuut misselijk worden.         Dit laatste zijn natuurlijk de bekende helaasjes waar we in onze wereld blijkbaar niet omheen kunnen.

Gelukkig hoef ik niet zo heel veel te fantaseren. De dromende wetenschappers zijn er al decennia mee bezig. Oh, je dacht misschien dat wetenschappers heel erg vast met de voeten op de grond staan. Voor een aantal wetenschappen is dat misschien ook het geval, maar dan moet je denken aan toegepaste kennis wetenschappen, zoals bij veel beoefenaren van helaas de medische wetenschap.  Waarom zeg ik nu een beetje pesterig ‘helaas’? Dat heeft te maken met de bijna misselijk makende financiële belangen die de farmaceutische industrie bij die wetenschap heeft. Laten we de geneeskunde – niet voorgoed hoor – voorlopig even buiten de hoopgevende wetenschap stellen. Overigens niets ten nadele van de echt gepassioneerde onderzoekers die elke dag weer bezig zijn een gezondere mensheid te helpen ontstaan, maar ik denk meer aan de wetenschappen van de wiskunde en natuurkunde en vooral denk ik aan het begrip ‘ether’.

Ether werd tot aan het begin van de 20e eeuw gezien als de stoffelijke tussenstof die voortplanting van licht en andere elektromagnetische straling mogelijk maakte.

Christiaan Huygens had in de 17e eeuw reeds vastgesteld dat licht interferentie vertoont en dus een golfverschijnsel of trilling is. Interferentie werd goed begrepen bij geluid (een golf in lucht) en bij golven in het wateroppervlak. Het ligt dan voor de hand dat men zich dan afvraagt wát er golft. In een mechanisch wereldbeeld heeft een trilling immers een veerkrachtig medium nodig om zich te verplaatsen. Dit medium werd aether of ether genoemd. Men kende aan deze tussenstof eigenschappen toe als veerkracht (elasticiteit) en absolute rust (stilstand). De ether drong door alle stof heen en vulde de ruimte tussen de atomen. De relativiteitstheorieën van Einstein toonden aan dat de ether niet bestond: het vacuüm kan kennelijk licht geleiden, de leegte kreeg de functie van de vroegere ether.

Toch is hiermee niet bewezen dat de ether niet zou kunnen bestaan. Op 5 mei 1920 gaf Einstein een lezing aan de universiteit van Leiden (onder de titel “Aether and Relativity”) waarin hij zei:

  “Recapitulating, we may say that according to the general theory of relativity space is endowed with physical qualities; in this sense, therefore, there exists an ether.  

(Wikipedia)

Licht, en daarmee natuurlijk ook warmte, zijn elektromagnetische golfverschijnselen. Zo weten we dat in water dat beïnvloed wordt door warmte de moleculen sneller gaan bewegen. De invloed van warmte op de materie is dus versnelling. Licht doet ongetwijfeld het zelfde, want waarom zouden het ene soort elektromagnetische golven zich principieel anders gedragen dan het andere. Beweging wordt blijkbaar doorgegeven aan iets dat kan bewegen. Maar ja, wat beweegt er dan in vredesnaam bij voorbeeld tussen de Zon en de Aarde. Want als het boven gestelde een beetje waarheid bevat, dan zou je moeten denken aan een hele lang rij dominostenen. Ze staan stil op hun plekje totdat ze een stootje krijgen, ze gaan bewegen of sneller bewegen. Dan stoten ze de volgende aan en zo verder, totdat de aangestoten dominosteentjes onze eigen planeet als het ware bedekken bereikt worden. Dat komen ze in beweging. Wij noemen dat licht of warmte.                         Alleen, tja, het zijn natuurlijk geen dominosteentjes, maar wat dan wel?

Daarover las ik een theorie en, zoals ik al eerder stelde met betrekking tot een aanname, een theorie levert kennis op als hij kan worden bewezen.                                                     Dat het licht van de zon hier naartoe komt hoeven we niet te bewijzen. Dat merken we elke dag, maar ja, die dominosteentjes…

Goed, die theorie die ik las beweerde het volgende: Het universum is niet leeg, het is helemaal gevuld met dicht opeen gepakte trillende partikeltjes. Het is moeilijk om je het voor te stellen, maar een dergelijk partikeltje, deeltje kun je ook zeggen, maar het is eigenlijk een elektromagnetisch golfje dat stil op zijn eigen plekje staat te wiebelen of misschien wel om zijn eigen as draait als een hondje dat in zijn eigen staart probeert te bijten.

Als we dat nu voor het gemak even aannemen dan geeft de energie van de zon de golfjes die tussen de zon en de Aarde staan te wiebelen een energetische optater, zodat ze in beweging komen. Beweging hangt, zoals we gezien hebben, samen met tijd. Het kost dan ook ongeveer acht minuten (300.000 kilometer per seconde) voor dat die oplawaai, die op de zon aan de golfjes daar werd gegeven, is doorgegeven aan de golfjes die ons omringen.                                                                                                                                 Tot zover vind ik het zelf nog vrij begrijpelijk.

Maar nu…                                                                                                                                 Einstein heeft beweerd en bewezen dat de snelheid waarmee het licht zich verplaatst de absoluut hoogste snelheid is. Als eenvoudige leek kom je dan heel vreemde vragen tegen, bijvoorbeeld: lichtstraal a vertrekt van de zon in de richting van een andere ster. Op het zelfde moment vertrekt er van die ster een lichtstraal in de richting van de zon. Met welke snelheid naderen die lichtstralen elkaar nu? Ja, precies, 2x de lichtsnelheid. Mis, want de Lichtsnelheid is de hoogste snelheid. Harder gaat niet, tenminste, volgens de geldende wetten en niet te vergeten volgens Einstein.

Maar hoe komt het dan dat ik in de serie Star Trek hoor dat de lichtsnelheid ‘Warp 1’ wordt genoemd en dat daar gereisd wordt met snelheden tot Warp 12 of nog hoger, want anders schiet het niet op tussen die melkwegstelsels.

Nou kijk en dan moet ik denken aan wat mijn vader mij leerde: ‘Peter, als je iets kunt fantaseren, dan kan het ook bestaan. Vandaar dat ik nu maar fantaseer over die tsunami in die zee van wiebelende golfjes. Misschien gaat het met een flinke klap wel sneller dan het licht. Want als het nu net zo gaat als bij die watergolven die bij een tsunami een voortplantingssnelheid hebben die vijfentwintig maal zo groot is, dan zou dat voor de lichtgolven betekenen dat Warp 25 mogelijk moet zijn en dat is vijfentwintig maal driehonderdduizend is maar liefst zeven en een half miljoen kilometer per seconde. Kijk, dat begint een beetje op te schieten.

Weet je wat, wacht maar af. Je zult zien dat het wordt ontdekt. Ja, want wat ontdekt wordt dat was er altijd al. Het was alleen bedekt, toch?