Be(Ver)keerd.

 

In mijn wakkere ochtendkrant tref ik een pagina vullend artikel over een vrouw, met een foto, met een balk over de ogen. Op het eerste gezicht denk ik dan dat het een crimineel mens moet zijn die omwille van de privacy zogenaamd onherkenbaar is gemaakt. Wel wordt natuurlijk haar voornaam genoemd en de eerste letter van haar achternaam en dat ze uit Maastricht komt, zodat in ieder geval voldoende mensen haar zullen herkennen.     Oh nee, dat was niet de bedoeling.

De vrouw komt in het stuk zelf aan het woord. Ik vat haar verhaal maar even samen: ontwricht gezin, uit huisgeplaatst, internaten, misbruikt, nog eens uit huis geplaatst. Ze raakt losgeslagen, doet alles wat losgeslagen jonge – en ook wel oudere mensen doen: drank, drugs, wangedrag en noem maar op.

En dan hoort ze van de politie dat haar vader is overleden. Dit brengt een hevige schok in haar teweeg en plotseling verdiept ze zich in het geloof, want dat doen mensen soms als ze geen vaste grond meer in het leven voelen. In haar geval is het de Islam. Ze gaat zich kleden als een gelovige islamitische vrouw en bij de imam legt ze de geloofsbelijdenis af. De imam heeft haar in al haar wanhoop en onzekerheid namelijk verteld dat een mens soms plotseling kan sterven en dat het werkelijk rampzalig is als je dan als ongelovige de dood in gaat. Naar hoe hij dat zo zeker weet wordt eigenlijk in geen enkele geloofsgemeenschap gevraagd.

Na haar geloofsbelijdenis kan ze – haar eigen woorden – niets anders als huilen, huilen van geluk.

Deze vrouw kwam, blij gelovend en wel, in de kringen van de jihad, want ja, elk geloof wil hoe dan ook verspreid worden. En zo vreemd is dat trouwens niet. Als je echt gelooft, dan weet je gewoon zeker dat wat jij gelooft de echte waarheid is. Die wil je uitdragen, zodat iedereen net zo gelukkig wordt als jij, toch?                                                                             Omdat het hier nu een moslima betreft die zich naar het schijnt met de jihad heeft ingelaten wordt ze gepresenteerd als een crimineel.

Ik maak nu even een overstapje naar mijn eigen leven. Nee, ik ben geen moslim en al helemaal geen jihadist. Ik wil het hebben over een heel vroege periode in mijn leven. Ja, ja, het gaat nog steeds over geloven.

Nadat hij in de dertiger jaren van de vorige eeuw zijn hele verhuisbedrijf met twaalf paarden en idem zoveel verhuiswagens had omgezet in drank en oeverloze gezinsellende bekeerde mijn grootvader zich tot het christelijke geloof. Hij werd in zijn eigen woorden gered door het Leger Des Heils.                                                                                               Prachtig. Hij dronk niet meer, liep voorop met de vlag als het Leger op straathoeken van de blijde boodschap ging getuigen en verkondigde bij die gelegenheden ruimschoots het woord van de Here.                                                                                                                   Mij nam hij op het eind van de tweede wereldoorlog mee naar het zondag schooltje van het Leger.                                                                                                                                       De verhalen vond ik prachtig en de kapitein die ons kinderen toesprak moedigde ons aan te beseffen dat wij zondaars waren en dat het om die reden aan te bevelen was als wij naar voren zouden komen om te knielen bij de zondaarsbank om zo, opnieuw, in de genade des Heren te worden opgenomen.

Na gedurende meerdere zondagspreekjes hiertoe aangemoedigd te zijn knielde ik op zekere zondag aan de zondaarsbank, waarna de kapitein mij en de andere geknielde zondaartjes vertelde dat we nu ‘Jongsoldaten’ waren en dat we in ’s Heren genade waren opgenomen. Ook konden wij toetreden tot de jonge muzikanten, waar we dan bij gebleken muzikaliteit een instrument kregen benevens les om er op in het muziekkorps der jongsoldaten te kunnen meespelen.

Let wel, die toeter die ik te leen kreeg, een bugel, daar was het mij eigenlijk om te doen. Daarmee was deze zevenjarige zondaar binnen de kring der goddelijke genade gehaald.

Ach ja, het Leger Des Heils. Eigenlijk waren het best lieve gelovige mensen die met elkaar probeerden de mensen in nood te helpen, want die waren ook toen al in ruime mate voorhanden. Er werd gebeden en gedankt, vaak zingend, want zingen deden ze veel en vaak en eerlijk gezegd zing ik nog steeds graag.                                                                    Maar toch ging er in mijn jonge zieltje iets mis.

Toen ik een jaar of twaalf was wilde ik niet meer. Ik wilde niet meer bidden, niet meer danken. Ik wilde gewoon, ja, wat eigenlijk… Ik denk dat ik eigenlijk een hekel begon te krijgen aan dwangmatige procedures in het leven. Ja, dat zal het wel geweest zijn, want daaraan heb ik nog steeds de pest.

De reden dat ik dit stukje schrijf is echter een heel andere.                                                   Toen ik probeerde op te houden met bidden en danken voelde ik me schuldig, en niet een beetje hoor. Het heeft jaren geduurd voordat ik dat stomme schuldgevoel kwijt was. Wat er met de paplepel is ingegoten, daar ben je niet zo snel van verlost. Soms denk ik dat heel rigide gelovigen misschien ook wel last hebben van dat schuldgevoel als ze los van hun conventies proberen te komen.

Misschien iets om aan te denken voor mensen die hun kinderen echt in vrijheid willen opvoeden.

 

Verandering

In elk mensenleven is het soms hoog tijd voor verandering. Soms heeft dat te maken met verveling, sleur of ziek makende irritatie, maar een enkele keer heeft het te maken met iets waar je al heel lang met afgewend hoofd omheen loopt. Je weet al jaren dat het moet en dat je zo niet kunt doorgaan, ondanks het feit dat je jezelf nog steeds – gebruik makend van bijna geloofwaardige argumenten – wijs maakt dat je er toch altijd nog onwaarschijnlijk goed tegen kunt.                                                                                             Begin je al iets te herkennen?                                                                                                 Erg moeilijk is dat trouwens niet, want er zijn wat mij betreft maar twee taaie gewoonten die met recht als verslaving mogen gelden: roken en drinken.

Wat het eerste betreft, het roken, vinden we tegenwoordig de weliswaar knarsetandende, maar toch handhavende overheid aan de goede kant. Ik zeg knarsetandend, want de belastingopbrengsten uit de accijnzen op rookwaar moeten nu voor een flink deel uit andere als even onredelijk ervaren opleggingen worden gehaald. Hoe dit ook zij, men is er in geslaagd het roken in een kwaad daglicht te stellen. In geen enkele openbare gelegenheid mag het nog en elke volhardende roker zegt om zichzelf te overtuigen, dat hij of zij minder rookt dan vroeger, al was het alleen al omdat het tegenwoordig zo duur is.       Eigenlijk is tabak bijna verboden. Er mag in elk geval geen reclame meer voor worden gemaakt en elke verpakking toont beelden en beloften van dodelijke misère, waaraan iedere roken overigens inmiddels gewend is en wat derhalve op niemand meer indruk maakt.

Nou ja, zelf rook ik al jaren niet meer, of niet meer… ach, een paar keer per jaar krijg ik wel eens een mooie sigaar aangeboden. Rustig zitten en langzaam weg puffen. Best lekker hoor, maar niet te vaak.

Hoe anders gaat dit bij die andere verslaving, drank. Nog steeds vliegen ons via de reclame de mooie aanbiedingen van het alcohol consortium om de oren. En zeg er maar niets van, want dan word je zeker voor een aculturele, maar in elk geval smakeloze pummel gehouden. Met name wijn… ja, wijn, daar heb je toch iets mee. Daarover worden lyrische verhalen verteld, reizen naar chateau’s georganiseerd. Hoe ouder de wijn – als – ie tenminste geschikt is om te bewaren – hoe kostbaarder.                                                 Maar weet je, alcohol is op een soortgelijke manier als tabak verslavend en ziekmakend.

Onder alcohol kun je allerlei organische dingen bewaren. Bacteriën en schimmels hebben er dan geen vat op. Die sterven namelijk in alcohol. En wat denk je van je eigen levende cellen.                                                                                                                                     De anti drank campagne komt in onze publicitaire media niet verder dan het gemoedelijk gebromde: “Alcohol maakt meer kapot dan je lief is”. Mag je ook pas kopen als je achttien jaar of ouder bent en je op basis van meerderjarigheid het volledige recht hebt verworven om je gezondheid naar de kloten te helpen.

Zoals ik al zei, roken doe ik al een poos niet meer. Of het moeilijk was om ermee te stoppen? Voor mij niet. Ik hoestte nogal en ik dacht: laat ik eens proberen of niet roken helpt. Nou, fantastisch. Dus ben ik er ook maar niet meer aan begonnen. Maar drinken… jongens… ik kon er wat van. Elke dag als ik stond te koken, want dat doe ik bij ons altijd en ‘s avonds. En als we ergens aten en na de maaltijd en cognac bij de koffie en…en… Een fles whisky ging nooit langer dan een week mee. (ook een flinke kostenpost trouwens).

Op een nacht, een week of zes geleden denk ik, had ik aan de rechterkant van mijn lichaam, onder de ribben een wat mij betreft beangstigende ervaring. Het was een soort gevoel alsof de boel daar op het punt stond te ontploffen, als een ballon die te ver wordt opgeblazen, weet je wel. Nou weet ik toevallig dat daar mijn lever zit. Dat is een vrij groot orgaan dat vele honderden onmisbare taken in mijn lijf vervult.

Ik zal heel eerlijk zijn. Ik schrok me kapot, ik was bang, maar het heeft me ook tot een tamelijk ingrijpend besluit gebracht. Ik ben maar helemaal gestopt met drank.                       Of ik dat ga volhouden?                                                                                                           Hoe moet ik dat nou weten?                                                                                                     Maar ik voel me wel een stuk lekkerder, ik slaap veel beter, ben niet meer moe.

Overigens ben ik de laatste om te roepen dat ik alles goed doe, maar weet je, ik dacht ik vertel het je even. Dan kun je het ook eens proberen, toch?

Medische missers

Gedurende zijn werkzame leven als arts – anesthesioloog en ook jaren daarna als columnist kon professor Bob Smalhout geweldig fulmineren tegen onzorgvuldigheden door artsen en andere medische behandelaars . Ooit verscheen er zelfs een boek onder de titel “Medische Missers” door hem in samenwerking met een schrijvend journalist samengesteld.

In mijn vorige blog, Katalyse, raakte ik weer even aan de neiging van de wereldwijde farmaceutische industrie, om de eigen producten altijd beter te vinden en naar voren te schuiven onder het luidkeels ontkennen van de waarde van geneeskrachtige middelen van andere oorsprong.                                                                                                           Ik ging er op dat moment al schrijvend vanuit dat ik – niet dat men zich binnen die industrie daarvan iets zou aantrekken – weer een flinke oorveeg had uitgedeeld en dat het onderwerp voorlopig wel weer een poosje kon rusten.

Nu is er binnen mijn eigen familie iets voorgevallen waarvan ik, een beetje tot mijn spijt, de internationale pillendraaiers niet rechtstreeks de schuld kan geven. Ik zeg het een beetje onbeleefd, de pillendraaiers. Maar van hen kan in elk geval nog met enige zekerheid gezegd worden dat ze verstand hebben van wat ze doen en maken.                                     Nu, dat laatste geldt zeker niet voor de verzekeraars.

De omissie waarover ik nu schrijf betreft een vrouw van midden veertig. Zij is een CF-patiënte. (Cystische Fibrose = de taaislijmziekte) Deze vrouw heeft afgezien van haar levensbedreigende kwaal die haar dagelijks kwelt en veel pijn bezorgt  inmiddels ook al een periode doorgemaakt waarin ze leed aan Non Hodgkin, een levensbedreigende lymfeklierkanker. Daar heeft ze zich moedig doorheen gevochten. Haar ziekte brengt echter mee dat er soms een heel zware antibioticakuur nodig is die alleen per infuus gegeven kan worden. Tot voor kort ging dat – laten we zeggen – zo goed als het gaan kon. Het betreffende middel moest in twee toedieningen, verdeeld over de dag worden gegeven. Dat betekende natuurlijk een hele opname dag of twee dure want deskundige huisbezoeken. Maar toen kwam – ja ik weet het, ik heb het een poosje niet over hem gehad – de verzekeraar. Die zei, uiteraard zonder verstand van zaken en zeker zonder aanzien des persoons: ‘twee dingen. In de eerste plaats kan dat middel, Tobramycine, wel van een goedkoper adres worden betrokken en in de tweede plaats lijkt het ons niet nodig om er zo lang over te doen om het bij een patiënt naar binnen te brengen. Het moet in één keer, want meer werk betalen we niet.’

Die vrouw heeft door deze verzekeringsmisdaad – ik kan het niet anders zien – nu een onherstelbaar beschadigd evenwichtsorgaan. Tot voor kort kon ze nog met de auto zelf ergens komen. Nu niet meer. Nu beweegt ze zich slingerend en onzeker voort, voortdurend duizelig.

Gezien in het licht van wat er op de wereld gebeurt is dit natuurlijk klein leed. Voor mij komt het echter net iets te dicht bij, want die vrouw is mijn jongste dochter, haar zeven jaar oudere zus hebben we al in het jaar tweeduizend aan de taaislijmziekte verloren. En, weet je, ik ben eigenlijk te verbijsterd om nog boos te kunnen zijn. Kennelijk gaat het bij verzekeraars alleen maar om geld.                                                                                         Dat is, wat mij betreft, de enige zekerheid die ze altijd bieden.

 

 

Katalyse.

Een onontbeerlijk verschijnsel in onze werkelijkheid. Zo kun je dit met een gerust hart noemen. Ondanks de ogenschijnlijk grote vrijheid van handelen die we tegenwoordig hebben (als we maar betalen). Wanneer het gaat om onze gezondheid, lijkt het hoofddoel van de verdedigers der farmacie toch altijd nog gelegen in het van de weg rijden van alle vormen van geneeskunst die niet van doen hebben met hun producten. Kinderachtig, zou je misschien denken, maar vergis je niet. Er zijn wereldwijd grote financiële belangen mee gemoeid. Sterker nog, de farmaceutische industrie is een van de grootste economische spelers in de westerse wereld. Nobel, en altijd werkend voor onze gezondheid is het imago dat men daar nog altijd probeert op ooghoogte te houden…

Soms word ik plotseling geconfronteerd met iets dat wordt gepresenteerd als een panacee, een middel dat alles geneest. Hele en halve claims, vaak slecht of niet onderbouwd, moeten de lezer dan duidelijk maken dat dit wondermiddel voor hem of haar wezenlijk van levensbelang is. En – haast ik mij nu erbij te zeggen – soms is dat ook zo, maar kan de schrijver van de wervende tekst niet op de juiste argumenten komen om het onderhavige betoog de nodige werkelijkheidswaarde mee te geven.

Stel, je hebt iets gevonden – laten we het voorlopig even een ‘gezondheidsmiddel’ noemen, dat keer op keer blijkt een sterk positieve invloed te hebben op het welbevinden van mensen. Word nou niet te enthousiast. Schaats nou niet in je zelf gehakte wak. Er wordt namelijk vals lachend op je gewacht als je dom genoeg bent om te roepen dat je gelijk hebt omdat je het toch met eigen ogen ziet en zo meer.

Maar ja, eigenlijk heb je er geen idee van hoe het werkt. De wetenschap der fysiologie is dermate ingewikkeld dat je erg moet oppassen met claims. Voor je het weet is een scherpzinnige betweter bezig jouw betoog te verwijzen naar het grote ‘Placebo rijk’.           Tja, en daar zit je dan weer met je wondermiddel.

Kort geleden kwam ik een reeks middelen tegen die gemaakt waren van de edelmetalen zilver, goud en platina. Ik las vele getuigenissen van mensen die met behulp van deze middelen aan de allerergste lichamelijke beproevingen waren ontkomen. Veel enthousiaste verhalen over hoe ziek ze eerst waren en hoe gezond ze nu zijn.

Ook las ik de bekende afkrakers, de zogenaamde echte wetenschappelijke criticasters, die met sterke argumenten uitleggen waarom het door bovenbedoelde enthousiastelingen beweerde absoluut niet waar kan zijn en slechts berust op suggestie. Hun argumenten zijn – en dat weten ze heel goed – vaak in hoge mate steek houdend.

In dit geval schreven ze bijvoorbeeld dat goud en platina wel een grote aantrekkingskracht op de mens hebben, maar dat juist die metalen zich als edelmetalen nergens mee kunnen verbinden en dat er daarom geen geneeskrachtige werking vanuit kan gaan. En inderdaad, goud en platina gaan nauwelijks of niet chemische verbindingen aan. Dat is waar.                                                                                                                                         Vreemd en eigenlijk ook wel behoorlijk hufterig van deze lieden is echter dat ze een heel belangrijk verschijnsel in de chemie verzwijgen: katalyse.                                                     Om dit wonderlijke verschijnsel uit te leggen gebruik ik altijd een voorbeeld uit mijn jeugd.   Op een dag had mijn moeder van een man aan de deur een aansteker voor het gasfornuis gekocht. Nee, piëzo elektrische speeltjes waren er nog niet en het ding had ook geen vuursteentje. Eigenlijk was het niet veel meer dan een staafje met een opgerold draadkokertje aan het einde waardoorheen een heel dun draadje liep. ‘Kijk,’ zei mijn moeder vol trots, ‘dat is platina.’                                                                                               ‘Nou en,’ riepen Vader en ik smalend.                                                                                     ‘Daarmee kun je het gas aansteken,’ zei mijn moeder, al zwakjes in de verdediging.           ‘Die man heeft het laten zien hoor.’                                                                                           ‘Je hebt je een oor laten aannaaien,’ zei mijn vader hoofdschuddend, maar hij liep toch mee naar de keuken en daar aanschouwden wij het wonder: moeder draaide de gaskraan open en hield het platina draadje in het uitstromende gas. Het draadje  begon te gloeien???? Ja, echt waar… en het gas floepte aan.                                                               Dat draadje is een hele poos mee gegaan, tot het op een dag doorgebrand was.

Kijk, dat is nou een prachtig voorbeeld van katalyse: de in-uit deelname van een chemisch element. Er gebeurt iets in de ‘aanwezigheid’ van iets of iemand wat zonder die aanwezigheid niet kan gebeuren. Zowel in de chemie als in de fysiologie als in de mensenmaatschappij is het verschijnsel katalyse onontbeerlijk. Jammer dat de farmaceuten ons liever niet met dit idee in aanraking laten komen en bij voorkeur roepen dat iets niet kan.

Het lange verhaal kort:                                                                                                           We hebben het product ‘Goudwater’ dat eigenlijk colloïdaal goud moet heten, een product dat in een aantal gevallen duidelijke werkzaamheid laat zien en dat door de wetenschap eigenlijk direct al in de sloot gegoten wordt. Dat is dom en jammer. Van platina weten we natuurlijk de katalytische werking, dat wordt zelfs in de uitlaten van auto’s toegepast.         Katalyse maakt allerlei processen mogelijk of verbetert ze sterk.                                           Dat zal zeker het geval zijn bij de Nano deeltjes van de edele metalen die in dit product zitten en die letterlijk overal in ons lichaam hun katalyserende werk kunnen doen en er zo voor zorgen dat alle levensprocessen in dat vaak weerbarstige lijf van ons een beetje beter, vlotter, lekkerder verlopen.

Jaren geleden – misschien heb je hem toen wel op de Tv gezien – was er een man die een goedkope en eenvoudige manier had ontdekt om brandwonden te behandelen. Die man was fysiotherapeut en hij goot op de Tv kokend water over zijn arm om te laten zien dat zijn methode werkte. Zijn methode bestond uit olie, gewone zonnebloemolie, waarin heel veel keukenzout was opgelost. Hij liet onder het toeziend oog van artsen en verder heel Nederland zien dat zijn middel werkte. Wat je noemt een moedige man met een visie. Zijn middel werkte uitstekend. Hij kreeg geen brandwonden op de plek die hij met kokend water had overgoten. Maar als je nou denkt dat Nederlands beroemdste brandwonden centrum in Beverwijk er iets mee ging doen, dan heb je het mis. Wat deze brave fysiotherapeut deed was in strijd met de zeer ingewikkelde medische etiquette. Hij had vergeten een hotemetoot in te schakelen. In medicaland worden successen alleen behaald en geaccepteerd als mannen van naam ermee aankomen. Ondanks dat het hele land kon zien dat deze fysiotherapeut gelijk had werd zijn middel niet toegepast.

Oh ja, wat die edele metalen betreft, je moet ze wel regelmatig gebruiken. Niet altijd hoor, maar af en toe een poosje. Zulke metalen blijven nou eenmaal niet in je lichaam. Ze verbinden zich immers nergens mee; daarvoor zijn het nou edele metalen.                           Maar, wees eerlijk, eten en drinken moet je toch ook blijven doen?

 

Budgetpil = gelegaliseerde mishandeling

Heb je het ook gelezen of gehoord, of heb je zelf nooit medicijnen nodig? Nou, dan hoor je bij de gelukkigen of misschien kan ik beter zeggen: dan behoor je tot de mensen die tot nu toe in elk geval medisch niet bewust in gevaar worden gebracht.

Ik lees net in de krant – het is natuurlijk al veel langer bekend – dat tien procent van de medicijngebruikers die op een goedkoper zogenaamd ‘loco’ worden gezet hun leven langzaamaan in een hel zien veranderen. Stel je maar even voor. Je trouwe huisarts schrijft je een middel voor omdat je een hoge bloeddruk hebt. Middel werkt prima. Jij tevreden. Maar dan.                                                                                                          Komt je verzekeraar om de hoek en die zegt: ‘Ja, dat gaat allemaal wel lekker met jou, maar zo kunnen we niet doorgaan. Wat zeg je? Ja, dat weten we wel dat je de afgelopen tien jaar elke maand zo’n honderd eurootjes naar ons toe hebt geschoven, maar dat is eigenlijk allemaal niet genoeg weet je. Die pillen van jou zijn ons te duur. als we zo doorgaan verdienen we geen flikker. Dus kort en goed, jij krijgt goedkopere pillen waar het zelfde in zit. Nee, niet de zelfde ballaststoffen, daar gaat het nou net om. We hebben nou een fabrikant in Verweggistan die voor ons voor een scheet en drie knikkers die pillen van jou draait. En nou moet je ophouden met zeuren dat je tanden uit je bek vallen en dat je hoofdpijn krijgt en dat je huid helemaal schilferig wordt. Nee, luister nou. Daar gaat het helemaal niet om. Je hebt die pillen voor je bloeddruk en daar werken ze voor. Voor ons is dat een stuk goedkoper en als je toch je oude pillen weer wil hebben dan betaal je ze zelf maar. Wat? nou toch weer een hoge bloeddruk? Ja, dat komt natuurlijk om dat je de hele dag over die pillen loopt te zeiken.                                                                                           ”Zie zo, dat was dat. Afpoeieren die gasten, in ieder geval tot de overheid ingrijpt, maar dat kan lang duren en mocht dat het geval zijn, nou dat gaan onze vertragingsjuristen aan het werk en dan kan het nog jaren duren voordat we weer verantwoorde medicatie moet gaan vergoeden.

Wat denk je, best lezer van mijn blogjes. Denk je dat ik overdrijf. Nou, laat ik er dit van zeggen. Inhoudelijk is het correct en waarschijnlijk erger, maar natuurlijk wordt de boodschap naar het volk in keurig en verhullend en daarmee uiterst verneukeratief taalgebruik gebracht.

Stelling, en laat me maar weten of je het ermee eens bent: Bewust het feit negeren dat heel veel goedkopere medicijnen voor een groot deel van de gebruikers nare tot levensbedreigende bijwerkingen hebben staat gelijk aan mishandeling en behoort krachtig te worden vervolgd.

 

De Waarheid

De waarheid is een mening,                                                                                                     Waarmee veel mensen spelen,                                                                                               Die van de meest getrouwe…                                                                                                 Die gaat het snelst vervelen.

Je kunt hem niet bezitten,                                                                                                         Leer daarmee nou maar leven.                                                                                               Want alles wat echt waar lijkt,                                                                                                   Duurt meestal maar heel even.

Vaak heb ik hem zien komen,                                                                                                   Met dikwijls veel bombarie,                                                                                                       Maar dan, na korte tijd al,                                                                                                       Dacht ik vaak: wat een larie.

Heel vaak hoor ik een mening,                                                                                                 En soms lijkt zonneklaar,                                                                                                         Verdomd, da’s ook mijn mening,                                                                                             En dat is dan wel waar.

Verdere beschouwingen aangaande het geheugen.

(misschien denk je na het lezen van dit bizarre en eigenlijk tamelijk ingewikkelde stukje dat ik vrij ernstig mijn hoofd heb gestoten en hoop je in je vriendelijkheid dat het over gaat. Ik kan je echter verzekeren dat ik aanneem dat de toekomstige werkelijkheid nog veel ongedachter en fantastischer is dan ik nu kan verzinnen)

Mijn vader moet ondanks alles wat hij in de oorlog moest meemaken als machinist op een utility class onderzeebootje, meer dan dertig keer zes weken in de Middellandse zee, net zo’n dromer en fantast geweest zijn als ik nu nog steeds ben. Een van zijn meest inspirerende uitspraken was voor mij altijd: ‘Peter, als je iets kunt fantaseren kan het ook bestaan.’

Of dat nou één op één aan de werkelijkheid kan worden getoetst weet ik echt niet. Wat ik wel weet is dat nieuwe dingen vaak worden gevonden en gemaakt door heel creatieve – en dus fantasierijke mensen, mensen die ‘misschien’ en ‘laten we eens proberen of dat kan,’ belangrijker vinden dan zekerheden. Spannende mensen vind ik dat.

Tegenwoordig is er een hele ontwikkeling op het gebied van de zogenaamde Virtual Reality. We zien allerlei op het hoofd te dragen apparatuur op de markt verschijnen. Er wordt zelfs al gewerkt met interactieve opnames, waarbij je met een VR bril op je kunt omdraaien en om je heen kijken. Dat is zeker spannend en in een aantal commerciële toepassingen ook nuttig. Maar ja, dat gedoe met die brillen, waardoor je eigenlijk het zicht verliest op wat er werkelijk om je heen gebeurt… en ach, niet alleen dat, maar die dingen zijn ook een beetje lomp, zal ik maar zeggen. Het moet anders kunnen, denk ik dan. En misschien geef ik wel een fantastisch idee weg. Nou ja, wie het pakt mag het gebruiken. Als je dan maar niet zegt dat ik er niet meer over mag praten. Ideeën zijn net als dromen, van iedereen.

Goed, er is inmiddels geheugenmateriaal. Dat is materiaal dat na vervorming onder invloed van temperatuur de oorspronkelijke vorm weer aanneemt.                                         Om de uiteindelijk ideale vorm van Virtual Reality te kunnen realiseren is het nuttig, zo niet noodzakelijk om te beschikken over materiaal dat kan dienen als basis voor een immense bibliotheek van bestuurbare realiteits-inhouden; data waarmee een gewenste werkelijkheid kan worden opgebouwd.

Het weefsel zou eruit kunnen zien als een doorzichtige zijdeachtige stof, die zich des gewenst moeiteloos aan de huid hecht – en desgewenst ook weer loslaat, tezamen met de kleine gel computer, die ter hoogte van de zevende halswervel hecht, wordt dat dan het besturings – en opslag systeem. De zijdeachtige stof bestaat uit lange eiwitketens die informatie kunnen opslaan door positionele draaiing  in de moleculaire structuur. De eiwitketens zijn heel lang, vergelijkbaar met DNA, maar wel allemaal identiek. De geheugenfunctie wordt gevormd door dat de betekenis van de opgeslagen data wordt bepaald door de positie binnen het molecuul van het aminozuur dat gedraaid in het molecuul zit en uiteraard van het aantal participerende moleculen. De intensiteit bij uitlezing van de geheugenopslag kan dan afhangen van de mate van draaiing en de energie die nodig is om de draaiing in stand te houden of te veroorzaken, energie die overigens geheel aan het lichaam wordt onttrokken, maar die slechts één procent van de beschikbare energie neemt.

Het hele idee van de moleculaire geheugenopslag komt in feite als gevolg van de ontwikkelingen in de twintigste en eenentwintigste eeuw bij de opslag van beeld en geluid op niet bewegende opslagmedia. We kennen thans allemaal de Mp3 en Mp4 opslag.

Hier, bij deze door mij gefantaseerde zeer uitgebreide informatie opslag wordt het doel bereikt door gebruik te maken van lange, identieke eiwitmoleculen en spreken de (toekomstige?) ontwikkelaars van Mp7 (of hoger) opslag.                                                     Omdat van het Mp7 materiaal gemakkelijk soepele stoffen kunnen worden geweven spreken de ontwikkelaars ook wel van soft-memory materiaal.

Koppel nu – loop nou eens even met me mee – aan deze dromerij van mij het eeuwenoude feit dat volgens de wetten van de acupunctuur alle levensverrichtingen via de huid beïnvloed kunnen worden en gooi er vervolgens een flinke emmer hoopvolle fantasie overheen en je zult zien dat we naar en nieuwe samenleving toegroeien, waarin iedereen kan beleven wat hij wil, maar vooral wat hij nodig heeft, zonder dat het bevoorrecht leven alleen is weggelegd voor een kleine – vaak niet eens heel sympathieke elite.

Geheugen

Als je nou bedenkt dat bij wat je ook doet in dit leven altijd iets of iemand aanwezig is waardoor je handelingen worden waargenomen en als het ware vastgelegd, dan ga je toch vanzelf een beetje oppassen met wat je uithaalt zou ik zo denken. Ik heb me wel eens laten vertellen dat alles wat gedurende je leven gebeurt en wat jij op de een of andere manier hebt waargenomen, ergens in je brein wordt opgeslagen.

De schrijver Harry Mulisch, die zich over het algemeen zeer grondig informeerde, beschreef in een van zijn boeken dat er bij iemand bepaalde gebieden in de hersenen werden aangeraakt. Dat gebeurde natuurlijk bij een hersenoperatie, waarbij mensen in veel gevallen bij bewustzijn moeten blijven. Tijdens zo’n hersenoperatie had de patiënt herbelevingen die zo helder waren alsof hij daar weer was, compleet met beeld, geluid, geur, gevoel en noem maar op.

Nu hebben we de neiging om te denken dat de hersenen een grote klont zenuwcellen zijn. Dat is natuurlijk goeddeels zo, maar er zijn ook heel veel celletjes die zorgen voor de voedselvoorziening, want dat kunnen zenuwcellen zelf niet, de gliacellen en dan zijn er nog steunweefselcellen die de hele boel op zijn plaats moeten houden. Wat ook vooral niet vergeten mag worden is de liquor, de vloeistof waarin de hersenen liggen. Trouwens, niet alleen de hersenen liggen in die vloeistof. Aan de onderkant van de schedel zit een opening waaruit een dikke kabel zenuwen vanuit de hersenen de ruggengraat in gaat. De ruggenwervels vormen samen een kanaal dat ook gevuld is met die liquor, waarin natuurlijk allerlei stoffen, moleculen en ook cellen voorkomen die nodig zijn voor het goed functioneren van het totale zenuwstelsel.

Omdat nu in het algemeen wordt aangenomen dat wij met die zenuwcelletjes denken wordt het hele verhaal over het menselijk bewustzijn behoorlijk ingewikkeld. Veel mensen die gespecialiseerd zijn in de kennis van de bouw en de werking van het zenuwstelsel hebben de neiging het hele bewustzijn toe te schrijven aan de activiteiten van de zenuwcellen.

Nu is het in het hele lichaam zo – trouwens in de hele levende natuur – dat er gespecialiseerde cellen zijn die heel goed zijn in bepaalde functies. Zo kan een zenuwcel bijvoorbeeld erg goed prikkels doorgeven. Dat gaat door middel van het verplaatsen van kleine elektrische ladinkjes. Inmiddels is echter bekend dat eigenlijk alle levende cellen een bepaalde elektrische lading hebben, waardoor ze met elkaar en met de buitenwereld kunnen reageren en communiceren. Die zenuwcellen kunnen dat alleen maar sneller en beter, begrijp je.

Ik schrijf dit, omdat ik denk dat bewustzijn eigenlijk alleen maar goed kan werken als alle cellen hun steentje bijdragen en in feite, net als de zenuwcellen op alles reageren.

Maar ja, dan zijn we er natuurlijk niet. Laten we maar eens proberen te volgen hoe wij de werkelijkheid beleven, want die beleving is tenslotte iets wat in ons bewustzijn gebeurt.       Er gebeuren dingen om ons heen, tenminste dat nemen we aan, want in ons hoofd nemen we beeld en geluid en geur waar en in ons lichaamsoppervlak warmte, kou, pijn. Trouwens de hele binnenboel van ons lichaam kan mee reageren. Denk maar aan honger of dorst. Dat zijn gevoelsgewaarwordingen die je eerder buiten – dan in je hoofd beleeft.     Eigenlijk denk ik vaak dat ons hele lichaam een groot beleving – en waarnemingsapparaat is en dat je alleen maar in je hoofd zou waarnemen lijkt op grond van alle dagelijkse ervaringen een onzinnige bewering.

Maar goed, dit weten we eigenlijk allemaal wel. Dat is zogezegd niet nieuw. Hedendaagse kennis van ons lichaam, maar stel je nou eens voor: ik ga een beetje voortborduren op wat ik hierboven schreef. Wij hebben eigenlijk alleen maar cellen die alles kunnen. Wel kunnen ze ergens in gespecialiseerd zijn. Daarin zijn ze dan beter dan andere cellen.

Neem nou geheugen. Wat denk je? Alleen in je hersenen? Ik geloof er niets van. Ik denk dat alle cellen in alle soorten weefsels geheugen hebben. Waarom ik dat denk?

Laatst heb ik iets opgezocht over het geheugen van planten. Daar heb je bijvoorbeeld een plantje dat we in het Nederlands ‘kruidje roer me niet’ noemen. Als je langs de blaadjes strijkt vouwen die zich samen en gaan slap naar beneden hangen. Tot nu toe heeft geen enkele bioloog in die plant hersencellen kunnen ontdekken of iets wat daar op lijkt.             Hoe dan ook, met die plant hebben ze een leuke proef gedaan. Ze lieten hem namelijk van een kleine hoogte vallen. De eerste keren dat ze dat deden was er een duidelijke reactie: blaadje in elkaar vouwen, slap hangen, kortom de hele schrikreactie. Maar na een poosje trok de plant zich er zichtbaar niets meer van aan als of hij zeggen wou: dat laten vallen doet me niks hoor. Die plant heeft dus merkbaar niet alleen een geheugen, maar hij leert blijkbaar ook. Nou kijk, zulke verschijnselen prikkelen mijn fantasie.

Wat nou, denk ik dan, als we op een gegeven moment in staat zijn om dat geheugen uit te lezen. Dat we precies kunnen zien en horen wat die plant heeft meegemaakt.                     Nu zijn er plantendelen, met name sporen van mossen en zwammen die uit een heel fijn stof bestaan. In die vorm kunnen die sporen honderden, ja soms duizenden jaren onveranderd in leven blijven.                                                                                                   En wat nou – zou helemaal niet zo vreemd zijn – als die sporen ook een geheugenfunctie hebben.                                                                                                                                     En wat nou – je moet er maar op komen – als die sporen in de kleurlaag van alle wanden zitten.                                                                                                                                         Ja, en wat nou als we dat geheugen van elke wand die daarmee bedekt is heel gemakkelijk kunnen uitlezen, dat we precies te weten kunnen komen wat er in die ruimte is gebeurd.

Nou, dan worden we pas goed in de gaten gehouden.                                                           Of niet soms.

 

 

Netwerken

Je kunt er niet vroeg genoeg mee beginnen, moet het fragiele blonde ventje gedacht hebben, dat ik vanmiddag bezig hoorde.                                                                                 Met een vriendje, ja, was het dat eigenlijk wel, hoorde ik hem druk bezig. Dat wil zeggen hij, dat kleinen blonde mannetje, was voortdurend aan het woord.

Ik liep hen voorbij op mijn wandeling langs het havenhoofd.                                                   Helemaal precies verstaan kon ik hen daar niet, maar gelukkig haalden ze me later in.

Het bruinharige jongetje zei niet veel. Wel nam hij grote stappen, zodat het blonde ventje flink moest doorstappen om hem bij te houden. Ik denk dat hij daar eigenlijk wat onzeker van werd met betrekking tot de vriendschapsbanden tussen hen, want hij besloot met een gerichte vraag zijn positie te testen: ‘Wat heb je liever,’ zei hij, ‘dat ik met jou kom spelen of dat ik op tennis ga.’

Ik dacht: ‘nou ben ik benieuwd, want zo heftig heb ik nog niet vaak een kind een ander kind voor het blok horen zetten.’                                                                                             Het aangesproken kereltje zei echter helemaal niets terug.

Later – ik was een heel eind doorgelopen en liep met de hond op een weiland achter bomen – zag ik het donkerharige jongetje staan. Hij keek wat ongemakkelijk om zich heen. Maar toen hij uit de verte het heldere stemmetje van zijn vriendje zijn naam hoorde roepen ging hij er als een haas van door.

Tja, sommige relaties zijn moeizaam. Daar kom je vaak bijna niet vanaf.