Een lastige vraag?

Het is een vraag die me echt bezig houdt: kunnen we het winnen? Is het überhaupt te winnen?

Stel je even voor, de hele wereld is gecommercialiseerd. Een klein, zogenaamd handig deel van de wereld heeft ontdekt hoe de eigen voortdurend groeiende rijkdom kan blijven groeien op kosten van het overgrote, niet zo handige deel van de wereld. Dat verschijnsel noemen we in de biologie parasitair leven. Een bepaalde levensvorm hecht zich aan of in een andere levensvorm en leeft op kosten van de inspanningen van die levensvorm. Een mooi voorbeeld kun je zien als een boom wat minder sterk begint te worden. De boom kan oud zijn. Vaak zien we dan dat die boom omgroeid wordt door klimop die met zijn duizenden kleine worteltjes hecht aan de boom, erin binnendringt en leeft van de sappen die de boom uit de bodem haalt. Na een poos zie je die boom dan minder blad krijgen en tenslotte sterven. De klimop gaat dan via de bodem op zoek naar een volgende zwakkeling in bomenland. In de meeste bossen is dit spel van de parasiet op de verzwakte gastheer te volgen. Maar zulk parasitair leven moeten we eigenlijk waarderen. Het ruimt op wat zwak is.

Parasieten komen natuurlijk ook in de dieren – en mensenwereld voor. Ze halen de vitaliteit en het gevoel van welbevinden uit het slachtoffer, maar zorgen er intussen wel voor dat het slachtoffer in leven blijft. Vroeger heel bekend, maar nu gelukkig niet meer zo vaak voorkomend waren bijvoorbeeld de lintwormen, die in de menselijke darm leefden door zich vast te zetten aan de darmwand. Meters lang kon zo’n lintworm worden en heel veel energie wegnemen van de ongelukkige persoon die de pech had hem te herbergen. Ook komt er tegenwoordig noch vaak een bepaalde schimmel voor: candida albicans, de witte candida. Een vervaarlijke tegenstander als je hem in je lichaam hebt en lastig kwijt te raken omdat de schimmeldraden meer dan een meter lang kunnen worden en overal doorheen groeien. Waarschijnlijk is ook hier de veronderstelling mogelijk dat alleen slordig – of slecht verdedigde dieren en mensen slachtoffer van parasieten worden. Dat zou best waar kunnen zijn, maar gevoelsmatig staan we hier toch anders tegenover dan tegenover de parasieten in het rijk der planten en bomen.

Wat in de microwereld van onze lichamen gebeurt, vinden we echter op minstens even grote schaal in de macrowereld die we de samenleving noemen. Er zijn veel parasieten die zich verrijken en een vrolijk quasi belangrijk leven leiden op kosten van anderen. Heel vaak zien we dan zogenaamde een-tweetjes, een ogenschijnlijk toevallig samenspel waarbij twee grote spelers elkaar profijtelijk de bal toespelen. Altijd wordt er bij deze spelletjes gebruik gemaakt van een oeroude – maar zeer effectieve techniek: de lobby. Een paar voor waarschijnlijk iedereen overduidelijk voorbeelden zijn hier op zijn plaats:Eeuwen lang al bezig, maar in de afgelopen eeuw steeds sterker geworden is de wapenindustrie. Overal op de wereld worden oorlogen uitgevochten met de wapens van een wereldwijd conglomeraat aan fabrikanten. Natuurlijk moeten die wapens in handen gelegd worden van de arme stumpers die is wijsgemaakt dat ze of wel vrede moeten gaan brengen, ofwel dat ze strijden voor een goede – en vaak zelfs heilige zaak. In alle gevallen waar het motto “vrede brengen” wordt gebruikt zijn nationale overheden erin gelobbyd. Via heel betrouwbaar ogende, doch doortrapte kanalen wordt een overheid aangemoedigd ergens vrede te gaan brengen met feitelijk slechts één doel, namelijk dat er wapentuig verbruikt wordt. Het vrede brengen lukt uiteraard negen van de tien keer niet, maar de wapenindustrie is er steeds flink mee geholpen. Zelf blijven ze trouwens altijd letterlijk buiten schot. Ik vermoed dat van alle regeringen de Amerikaanse zelf het beste op de hoogte is van het economische spel met de wapens, omdat heel veel bestuurders belangen hebben in die industrie. De kosten worden gedekt door de belastingen die geheven worden, waardoor derhalve elke belasting betalende inwoner van een land meebetaalt aan de weelde van de wapenindustrie. Belangrijke spelers in dit wereldwijde spel met verborgen agenda’s zijn NAVO, Verenigde Naties en vaak ook senatoren, ministers en hoge militairen. Door hun ernstig uitgesproken argumenten lijken de meeste deelnemers in dit spel met de dood van vele onschuldige mensen heel vaak integer. Maar schijn kan behoorlijk bedriegen, zoals we allemaal weten.

Een volgend – en langzamerhand gigantisch een-tweetje, waarschijnlijk tegenwoordig nog groter dan dat tussen de wapen industrie en die andere spelers is het samenspel tussen de fabrikanten die medicijnen ontwikkelen en maken, de farmaceutische industrie, ook wel BigFarma genoemd en de langzamerhand in heel grote conglomeraten samenwerkende zorgverzekeraars.

Net als het eerste een-tweetje treft dit ons namelijk allemaal op pijnlijke wijze. Voornamelijk dankzij een betere hygiëne en gevarieerder voedsel worden we ouder dan vroeger. Die vooruitgang rekent BigFarma zichzelf echter met het grootste gemak toe. Omdat de moderne maatschappij echter vele verlokkingen kent die ofwel met genot, ofwel met gemak van doen hebben zien we steeds weer gecompliceerdere beschavingsziekten komen. Denk aan ouderdomssuikerziekte aan hart – en vaat ziekten, overgewicht, reumatische aandoeningen, een langzamerhand schier oneindige reeks van kankersoorten en noem maar op. Hier zien we dit uiterst bedrieglijke en kostbare een-tweetje in werking.                                                   

Met de moderne medische technieken is steeds meer mogelijk, wordt gezegd. Voor een flink deel is dat ook zo. Voor een niet onbelangrijk ander deel wordt echter in zeer ruime mate over behandeld met medicijnen. Het meest schrijnende voorbeeld zien we bij de neergang van de antibiotica, waarvan zo onvoorstelbaar veel is voorgeschreven dat langzamerhand alle schadelijke ziekteverwekkers immuun zijn en antibiotica niet meer werken. De winst is in die productie blijkbaar gedaald, want de farmacie wenst geen moeite meer te doen om op dit terrein nog vernieuwend onderzoek te doen. Veel meer valt er te verdienen bij de middelen ter bestrijding van zogenaamde zeldzame ziekten. Denk in dit verband aan de middelen tegen specifieke kankersoorten, de middelen die ontwikkeld werden tegen bepaalde spierziekten waaraan vaak kleine kinderen overlijden of zoals enkele jaren geleden gebeurde een middel tegen de taaislijmziekte. Alle middelen in deze laatste groep worden door de farmacie vaak tegen krankzinnig hoge prijzen op de markt gebracht. Het middel tegen de taaislijmziekte werd voor honderdzeventigduizend euro per jaar op de markt gebracht.

Natuurlijk zijn er nauwelijks ouders van ten dode gedoemde taaislijm patiëntjes te vinden die dat kunnen betalen. Maar dan komt de eerder genoemde lobby op gang, want de prijs moet naar een zodanig niveau zakken dat de verzekeraars het gaan betalen. Wat je dan ziet gebeuren is echt heel merkwaardig. Onze minister van volksgezondheid gaat met de fabrikant onderhandelen. Er wordt ook een resultaat bereikt, maar de minister heeft met de fabrikant afgesproken daarover te zwijgen. Wel gaan de verzekeraars nu tot vergoeding over, maar de verhoging van de jaarlijks te betalen premie valt jaar in jaar uit weer tegen. Allemaal betalen wij dus die farmaceutische industrie, die toch al nagenoeg de rijkste tak van industrie ter wereld is.

Jaar in jaar uit wordt dit armetierige toneelstukje opgevoerd. BigFarma komt met iets ogenschijnlijk sensationeels, een doorbraak, de indruk wordt gewekt dat we na deze farmacologische overwinning allemaal minstens een eeuw in blakende gezondheid kunnen leven. Vervolgens roepen de verzekeraars dat het veel te duur is en dat ze het niet gaan betalen. En dan gebeurt het. Telkens weer zien we dan in kranten en nieuwsuitzendingen de vraag: ‘maar wat is dan de prijs van een mensenleven? Daar kan toch onmogelijk een prijs aan gehangen worden. Het leven is toch onbetaalbaar. Het moet toch altijd gered (lees gerekt) worden als dat mogelijk is. Met de tranen in de ogen maken we ons druk om het leed van de ouders van dat vierjarige jongetje dat vanwege de prijs van het medicijn en door de onwilligheid van de verzekeraars nu een zekere dood tegemoet gaat. Met dikke krokodillentranen zitten we naar de talkshows te kijken waar de ongelukkige ouders de kans krijgen ons hun verdriet en verontwaardiging te tonen. ‘Erg hè?’ zeggen we tegen elkaar, ‘die stinkerds van een farmaceuten en zorgverzekeraars denken alleen maar aan zichzelf!’ Maar ik zeg: ‘we kijken naar een toneelstukje voor twee wereldspelers, bedoeld om hun prijzen net iets harder te laten stijgen dan de rest van de prijsindex, want alleen op die manier kunnen ze groeien als economische macht.’ Zolang wij maar standaard farmaceutische middelen blijven gebruiken, terwijl het eigenlijk heel vaak best zonder kan, helpen we deze valsspelers.

Maar kijk eens aan, de grote spelers lijken bedreigd te worden, nee niet ernstig, ze kunnen er nu nog een beetje lacherig over doen. Hoewel, het gaat wel over echte wetenschap en aantoonbare effecten. Een nieuwe benadering die vermoedelijk een groot deel van het gebruikelijke verdienmodel van BigFarma buiten spel gaat zetten. Eerder schreef ik “Een verhaal met een luchtje”.

Door op een zeer geraffineerde wijze de anderhalve kilo bacteriën die in onze darmen leven in een goede natuurlijke samenlevingsbalans te brengen, zouden we straks wel eens veel minder medicijnen van BigFarma nodig kunnen hebben. Die bacteriën blijken namelijk van vitaal belang voor zowel onze lichamelijke als geestelijke gezondheid te zijn.                    In een televisieprogramma, Dokters van Morgen, werd dit duidelijk. Het was een programma van dezelfde makers als dat over de zogenaamde bacteriofagen, die waarschijnlijk alle antibiotica totaal overbodig kunnen gaan maken. Tot kijk en het beste ermee BigFarma.                                   Wel ben ik nu heel erg benieuwd welke geniepige en subversieve activiteiten dit op de gezondheidsmarkt gaat uitlokken. Want ik geloof absoluut niet dat BigFarma het helemaal aan het geneuzel van de antikwakzalver jongens gaat overlaten. Nee, let maar op, ze gaan spectaculaire ramptoestanden laten ontstaan die overduidelijk veroorzaakt lijken te worden doordat er te weinig van hun producten gebruikt worden. En dan zal vast en zeker de halve wereld weer vallen voor het perfect geregisseerde bedrog.

Ik weet overigens best hoe dat komt hoor. De waarheid is vaak zo ingewikkeld dat de perfecte leugen het meestal wint. Maar kom op mensen, je moet niet altijd denken dat ze gelijk hebben omdat ze groot en rijk zijn. Drugsbaronnen zijn tenslotte ook groot en rijk en die deugen ook niet.

Een verhaal met een luchtje

Bij mijn weten zijn er in televisieland nog nooit eerder zulke mooie en vooral hoopvolle verhalen aan de orde geweest. Deze keer ging het verhaal  over poep. Ja, ik hoor het je zeggen, kan dat nou tegenwoordig maar allemaal. Zo hebben wij toch – ik zelf ben dan van behoorlijk ver uit de vorige eeuw – geleerd dat een dergelijk woord in het gewone taalgebruik van nette mensen niet wordt gebruikt. Als het onderwerp al te pas kwam, dan spraken we met enigszins afgewend hoofd over ontlasting of mooier zelfs nog: stoelgang. Alsof nette mensen op een stoel gingen zitten poepen. Maar ja, iedereen begreep wat je bedoelde. Trouwens, eerlijk gezegd kwam dit onderwerp buiten de familie en de eventuele kring van intimi toch echt niet aan de orde. Ik weet nog heel goed dat mijn moeder – mijn vader was druk met oorlog voeren – mij leerde dat ik moest zeggen dat ik “een bah” moest doen als ik de bekende aandrang voelde. Mijn zusje leerde daarentegen onder de regie van mijn vader, die inmiddels uit de strijd was teruggekeerd, dat zij moest melden dat ze moest “pumpen” als het zover was. Allemaal min of meer onschuldige termen die binnen de familiekring nog met een glimlach dienst konden doen om dit onbetamelijke onderwerp aan te roeren.

Nu is poep echter verheven tot iets van immens belang, door het televisieprogramma: Dokters van Morgen. We zagen daar Antoinette Herzberger een programma presenteren, waaruit overduidelijk het vitale belang van de bacterieculturen die ons voedsel in onze darmen bewerken naar voren kwam. En ook vooral waarvan meer en meer bekend wordt wat ze doen, wat ze betekenen voor onze gezondheid en waarom onze poep moet worden geanalyseerd om erachter te komen welke nuttige werkers we aan boord hebben en welke we beslist moeten proberen in te huren.

Een heel klein beetje was ik eigenlijk al voorbereid op deze medische sprong in de donkerbruine duisternis, moet ik eerlijk zeggen, omdat iedereen tegenwoordig op vrijwillige basis deel kan nemen aan een bevolkingsonderzoek, waarvoor je ook een beetje poep moet inleveren en waaruit dan al dan niet geconstateerd kan worden of je darmkanker hebt. Nu moet ik eerlijk zeggen dat ik dat onderzoek tot nu toe uit de weg ben gegaan. Waarschijnlijk in de eerste plaats omdat ik mijn hoofd niet goed helemaal uit het zand kan halen, maar eigenlijk ook, omdat ik dat een beetje een verdienmodel voor de farmacie vindt. Bovendien, zeg nou zelf, er is alsmaar geharrewar over het feit dat we te oud worden en dat de kosten niet meer zijn op te brengen. We moeten al veel langer doorwerken. De pensioenen gaan gestaag naar beneden. Het zou als je met één onwelwillend oog naar de samenleving kijkt economisch een stuk voordeliger zijn als we wat sneller het tijdelijke met het eeuwige verwisselden. De strijd over de vraag hoe lang we nou eigenlijk moeten of mogen leven staat al jaren op het punt los te barsten. De grote spelers zijn natuurlijk de farmacie en de verzekeraars. De bal zijn wij natuurlijk, dat heb ik al lang in de gaten.

Maar nou was er toch in dat programma van Antoinette over die Dokters van Morgen eindelijk een geluid met een heel andere teneur. Eerder had ze al een programma over de bacteriofagen. Ik heb daarover tweemaal op dit weblog geschreven en nu kwam ze weer met een programma waaruit bleek dat we binnenkort die piepkleine cultuur van die miljarden bacteriën in onze darmen op een niet heel erg kostbare manier zodanig kunnen beïnvloeden dat er daar meer verscheidenheid komt. Bij de drie proefpersonen in het programma bleek dat die zich na een aantal weken inwendig betere bacteriën kweken veel gezonder voelden en dat ook werkelijk waren, zowel lichamelijk als geestelijk en dat ze overgewicht heel gemakkelijk kwijtraakten en dat hun lichaamsvormen erop vooruit gingen. En dat allemaal door de enorme toegenomen verscheidenheid van de bacteriën in de darmen.

Tja dacht ik, als de binnenwereld in mijn lijf zo overduidelijk te kennen geeft dat meer soorten en meer variatie bij de inwoners mij gezonder en vitaler maken, zou het dan toch misschien toch ook waar zijn dat een multiculturele samenleven eigenlijk het gezondste en beste is.

Ja kijk en dan ga ik toch weer twijfelen.

Gees(telijk)tige raad

Deze is niet van mij. Hij kwam langs via de mail, maar ik kan het niet laten dit stukje in ieder geval even op mijn weblog te zetten. Met dank aan de schrijfster: Jiska Sanders.

Onderwerp:Leviticus geschreven door Jiska Sanders

In reactie op de Nashville-verklaring, die ook in Nederland ondertekend wordt, vraag ik als voormalig theologie-studente de ondertekenaars het volgende: 
Beste mede-ondertekenaars van het anti-LHBTI-pamflet! 
Hartelijk dank dat jullie ons weer even herinneren aan de onwrikbaarheid van de Bijbel. Wij weten nu weer hoe homosexuele onreinheid en transgenderisme afgekeurd dient te worden omdat de Bijbel dit zegt (Leviticus 18:22). 
Mag ik jullie advies vragen in enkele andere zaken die in de Bijbel staan, waarvan ik ook graag zou willen weten hoe ik die regels moet opvolgen? Want dat alles wat in de Bijbel staat opgevolgd dient te worden, staat uiteraard buiten kijf. 
1. Leviticus 25:44 zegt dat ik slaven mag bezitten, zowel mannelijk als vrouwelijk, maar alleen als ze aangekocht zijn van buurlanden. Geldt dit nou alleen voor Duitsland en België? Een vriend zegt dat Engeland uitgesloten is, omdat de Noordzee er tussen ligt, maar ik zou toch wel heel graag een Brit bezitten! 
2. Ik wil een van mijn dochters als slaaf verkopen, zoals toegestaan volgens Exodus 21:7. Volgens Leviticus 27:4 is een vrouw dertig gram zilver waard, maar onder de twintig jaar is ze maar tien gram zilver waard. Als mijn dochters al wel volgroeid zijn, maar nog geen twintig, wat is dan in deze huidige economie een redelijke prijs?
3. Een vriend zit met het volgende probleem: volgens Leviticus 15:19-24 mag een man geen contact hebben met een vrouw die in haar menstrueel onreine periode zit. Dat is wel wat lastig te zien. Hoe kan een man dit vermijden? Gewoon vragen valt tegenwoordig niet meer zo lekker, de meeste vrouwen nemen hier aanstoot aan. 
4. Als ik een stier op het altaar verbrand als offer, creëert dit een geur die God welgevallig is, aldus Leviticus 1:9. Ik krijg echter klachten van de buurt als ik dit doe. Zij vinden de geur niet welgevallig. Mag ik ze nu neerslaan? 
5. In mijn straat zijn diverse mensen die maar blijven doorwerken op zondag, Sabbath. In Exodus 35:2 staat duidelijk dat ik ze moet doden. Ben ik nu moreel verantwoordelijk om ze zelf te doden, of mag ik de politie vragen dit voor mij te doen? 
6. Varkensvlees (Leviticus 11:7) en oesters en mosselen (Leviticus 11:10) zijn onreine dieren en mogen niet gegeten worden of aangeraakt worden, en wie ze aanraakt wordt zelf ook onrein. In mijn koor zitten een slager en een visboer, kan ik ze nog wel aanraken als ik handschoenen draag? Oh, en hoe zit dat met het aanraken van een voetbal, gemaakt van varkenshuid? 
7. Volgens Leviticus 21:20 mag ik Gods altaar niet naderen als ik een afwijking in mijn zicht heb. Ik moet toegeven dat ik een bril draag, maar met mijn bril zie ik wel scherp… is hier enige onderhandelingsruimte mogelijk? 
8. Een priester moet trouwen met een maagd, aldus Leviticus 21:13. Daar hebben de katholieken dus al een probleem, hoe gaan de protestanten dit oplossen? 
9. Bijna alle mannen en veel vrouwen in mijn omgeving laten hun haar knippen, óók het haar bij hun slapen. Dit is expliciet verboden in Leviticus 19:27. Hoe moeten ze ter dood gebracht worden? 
10. Een oom van mij heeft een zondige boerderij, want hij plant twéé soorten gewassen in één veld. Daarmee overtreedt hij Leviticus 19:19. Zijn kinderen zijn volgens datzelfde bijbelvers ook zondig, want ze dragen kleding gemaakt van meer dan één soort stof: hun jassen zijn van katoen en polyester. Nog lastiger: zijn vrouw heb ik ‘gvd’ horen vloeken. Nou is het best een heel gedoe om het hele dorp bij elkaar te krijgen om haar te stenigen, zoals Leviticus 24:10-16 voorschrijft. Mogen we ze niet gewoon in een privé-familie-aangelegenheid op de brandstapel verbranden, zoals we doen met mannen die het met hun schoonmoeder aanleggen, zoals voorgeschreven in Leviticus 20:14? 
11. Mijn collega’s lezen de horoscoop in de krant. Volgens Leviticus 19:26 mag je je niet inlaten met waarzeggerij. Hoe lang moet ik ze onrein beschouwen? 
Beste ondertekenaars, jullie hebben de Bijbel veel langer en intensiever bestudeerd dan ik, dus jullie kunnen me hier vast bij helpen. Help mij de wijsheid te verkrijgen om hiermee om te kunnen gaan… hoewel ik nog steeds niet zeker weet of het verstandig is om die wijsheid nou wel te vergaren (Spreuken 3:13-18, gelukzalig hij die wijsheid vindt) of niet (Prediker 1:18, veel wijsheid is veel verdriet). Hartelijk dank dat jullie ons nogmaals duidelijk erop gewezen hebben dat als het maar in de Bijbel staat, het nagestreefd moet worden! 
PS Ik zou toch echt heel erg graag een Brit hebben… PS2Onder punt 3: Het is vrouwen niet toegestaan ergens aanstoot aan te nemen, immers, het hebben van een eigen mening is haar verboden. Bovendien, en ik kan dit niet voldoende benadrukken, een man is verheven boven elke vrouw en bovenal zijn eigen vrouw en hij zal daarom nooit en te nimmer voor haar grieven buigen of zelfs maar deze vrezen. Dus de vraag bij punt 3 kan komen te vervallen.

(NB: Tekst gebaseerd op o.a. een brief van Prof. James M. Kauffman, in reactie op een anti-homoseksualiteit-statement van Dr Laura Schlesinger)

L’ígnorité est tres voisine de límoralité.

L’ignorité est tres voisine de l’imoralité. Onwetendheid ligt vlak naast gewetenloosheid.

Lang geleden kende ik een apotheker die de bovenstaande Franstalige spreuk boven zijn bureau in zijn werkkamer had hangen. Ik vermoed dat hij tijdens zijn studie deze spreuk was tegen gekomen, want de tekst stond niet op een van die bekende spreukentegeltjes, maar was tamelijk primitief ingebrand in een plaatje triplex. Toen ik hem naar de betekenis van deze spreuk voor hem vroeg zei hij dat juist de betekenis ervan hem waakzaam hield in zijn voortdurende streven naar de uiterste zorgvuldigheid. En laten we eerlijk zijn. Hoe vaak doen wij niet dingen, terwijl we niet voor honderd procent zeker zijn van de uitkomst. We weten dan gewoon niet of ons handelen het te verwachten succes zal opleveren en of we het met ons geweten kunnen verantwoorden. We wagen het erop.

Als datgene wat ik erop waag mijzelf betreft, dan neem ik het risico dat het verkeerd afloopt. En als dat dan inderdaad gebeurt kan ik bij mezelf denken: ‘dat was niet slim jongen, je had van tevoren beter het risico moeten bedenken.’ Kortom, een eigen handeling uit genegeerde onwetendheid die zich tegen mij keert. Pijnlijk en soms leerzaam. Maar niet gewetenloos. Maar wat nu als het medisch handelen betreft dat door gespecialiseerde artsen wordt toegepast. Een vinding, een manier van werken, een operatiemethode, waarvan de gevolgen op lange termijn niet bekend zijn. Een dergelijke behandeling of operatie kan bijvoorbeeld aanvankelijk een heel goed resultaat opleveren, maar op de lange duur onverwacht negatieve gevolgen meebrengen.

Nu wordt de bovenstaande Franse spreuk actueel. De betreffende arts ziet tot geruime tijd nadat hij zijn werk heeft gedaan goede resultaten. In het begin zijn de patiënten die hij heeft geholpen tevreden met het resultaat. Een poos later beginnen zich echter nadelige gevolgen van de behandeling te manifesteren. Onherstelbare resultaten. Komt dan het geweten om de hoek? Hebben we nu te maken met wanprestatie? Hebben we te maken met een gewetenloze arts die het risico voor zijn patiënten maar op de koop toe nam als hij maar zoveel mogelijk kon opereren en verdienen? Of moeten we denken dat ook de beste arts niet alles van te voren kan weten, dat ook de meest gewetensvolle arts toch mee zal gaan in wat op dat moment wetenschappelijk juist lijkt en dat bovendien risico’s voor iedereen nu eenmaal bij het leven horen en dat ook elke patiënt zelf toestemming heeft gegeven voor het uitvoeren van de bedoelde behandeling?

Nu dat laatste valt natuurlijk niet te ontkennen, waarbij dan wel direct moet worden opgemerkt dat een patiënt als regel niet over toereikende kennis beschikt en in veruit de meeste gevallen met geen mogelijkheid goed kan overzien waarvoor hij toestemming geeft. Hoe dan ook, hij gaf zelf toestemming. Juridisch is er geen speld tussen te krijgen ook niet als er narigheid van komt en hem wordt voorgehouden: ‘je wou toch zelf?’

Tja, daar sta je dan met je allengs toenemende nadelige bijwerkingen ten gevolge van die behandeling die zo noodzakelijk en goed leek. Het wordt waarschijnlijk een ingewikkelde zaak, als die zou worden aangespannen tegen de behandelende arts of zelfs om de methode ter discussie te stellen. Dat doen we meestal dan ook maar niet. Maar medische behandelingen die weinig of geen resultaat opleveren of die zelfs negatief uitpakken komen vaak voor. Soms levert voortschrijdend inzicht, zeg maar nieuwe ontdekkingen, nieuw onderzoek het antwoord waarom een bepaalde behandelwijze in het verleden beter achterwege had kunnen blijven.

Helaas heb ik zelf ervaren hoe zo’n achteraf gezien onnodig uitgevoerde behandeling kan uitpakken. Een jaar of vijftien geleden kneep ik mijn linkeroog dicht en zag tot mijn verbazing dat er plotseling een bocht in de lantaarnpaal voor mijn huis zat. Toen ik mijn oog weer opendeed was die bocht in die paal er niet meer. Ik vroeg aan de opticien waar ik altijd mijn contactlenzen haalde wat hij ervan dacht. ‘Ik zou maar even een afspraak maken bij een oogarts,’ zei hij.

Dat deed ik. Ik kwam bij een wat oudere arts, die mij met allerlei apparatuur diep in de ogen keek en zei: ‘u hebt een maculapucker.’ ‘Een wat?’ zei ik. ‘Een maculapucker,’ zei hij weer. ‘Dat is een kreukje in het vliesje dat over de gele vlek ligt. Dat moet operatief verwijderd worden, anders wordt het een gat en dan wordt uw oog blind.’

Nu heb ik van een heleboel dingen best wel een aardig beetje kennis al zeg ik het zelf, maar in dit geval was ik volledig overdonderd. Jeetje, blind aan een oog en als dan het andere oog…. Nou ja, je slaat dan al snel aan het piekeren. De dokter wist evenwel raad. Hij had een heel knappe collega die operatief – ja, ja, dat was precisiewerk – dat vliesje kon weghalen…

Ik had geen keus, zo voelde ik dat toen. Blind worden aan één oog? Hou toch op zeg. Ik moet er niet aan denken. Als je dan een vuiltje in je andere oog krijgt zie je ineens helemaal niets meer. Laat ik maar vlug een afspraak maken bij die knappe ogendokter. En dat deed ik. Op een ochtend rond een uur of tien moest ik in het AMC zijn. Ik werd in een gemakkelijke stoel gezet en ieder kwartier kwam een van de assistenten mijn oog indruppelen met iets waardoor er al snel geen gevoel meer in zat. Vervolgens werd mij gevraagd in een smal bedje te gaan liggen, waarin mijn hoofd in een soort holte lag, waardoor het niet heen en weer kon rollen en waarmee ik de behandelkamer van de knappe dokter werd ingereden. Nou, ik moet zeggen dat ik aan vrij veel wat ik zag kon merken dat het een heel knappe dokter was. Zo waren er een stuk of zes of misschien zeven coassistenten, allemaal vrouwen, hele knappe vrouwen, de een nog knapper dan de ander. Maar ja, dacht ik, wat wil je. Die dokter is zelf al zo knap. Overigens is me later wel opgevallen dat er veel vrouwen in oogheelkunde werken.

Van de behandeling in het inmiddels gevoelloze oog heb ik eigenlijk weinig last gehad. Een bepaalde injectie aan het begin die deed eigenlijk ook geen pijn, maar het voelde een beetje raar. Wat de dokter nu precies deed weet ik niet en gelegenheid voor al mijn nieuwsgierige vragen was er eigenlijk niet, maar ik hoorde een hoog ruistoontje waarmee de dokter wel een half uur bezig was. Het leek voor mijn gevoel wel alsof hij met een heel klein stofzuigertje bezig was dat vliesje weg te zuigen.

Toen het klaar was ging er een kapje over het oog. Het was een doorzichtig kapje dat er de volgende dag af mocht bij de controle, maar ik had direct na de operatie tot mijn geruststelling al gemerkt dat ik nog steeds kon zien. Ja de kleuren en het licht, ach, het was allemaal een klein beetje anders, maar dat wende.

Nu heb ik zelf altijd de neiging om te denken dat iets klaar is als het gedaan is. Met andere woorden, ik dacht dat het mankement aan mijn rechteroog verholpen was, totdat mijn opticien bij een periodiek onderzoek de oogboldruk in beide ogen mat en opmerkte dat de druk in het geopereerde oog flink hoger was dat in het andere oog. ‘Ik zou maar eens naar de oogarts gaan,’ zei hij. Dat heb ik ook gedaan en sedert dat moment ben ik bezig met het ene soort druppeltjes na het andere in dat oog. De druk blijft te hoog en het vervelende is dat die gevoelige kleine bloedvaatjes en die zenuwuiteindes die bekend staan als staafjes en kegeltjes en die je nodig hebt om te kunnen zien die kunnen niet tegen die verhoogde druk. Dan sterven ze af. Glaucoom heet dat.

Als ik nu mijn goede linkeroog dichtknijp zie ik ietsje scherp in het midden. De buitenring is eigenlijk matglas. Voor de zekerheid houd ik dus altijd twee ogen open.

Allerlei behandelingen heb ik al gehad, vooral oogdruppels, maar ook laser behandeling en injecties in het oog. En als je nou soms denk dat je de invloed van oogdruppels alleen in je oog voelt, dan heb je het mis. Ik heb druppels gehad waarvan ik heel misselijk werd, of waardoor mijn evenwicht achteruit ging of waarvan ik duizelig werd. Het minst erge vond ik nog de druppels, die overigens helemaal niet hielpen, maar waardoor mijn irissen iets donkerder werden. Nu heb ik dan twee verschillende soorten, zogenaamde bètablokkers. Voor de oogboldruk helpen ze, die is omlaag gegaan, maar ik ga er niet beter door zien. Wel raken mijn darmen er verstopt door en moet ik – wat ik in mijn hele leven nog nooit hoefde – laxeerpillen slikken.

Een oude vriend van vroeger zei, toen de ouderdom hem begon te kwellen met allerlei kwaaltjes: ‘als het gelazer met je gezondheid een keer begint kom je van pissebed in kakkebed.’ Nou ja, van de regen in de drup, bedoelde hij natuurlijk.

Toch is er tot slot iets wat ik je moet vertellen. Even terug naar het begin, weet je nog, over risico’s en zo. Ik vroeg mijn huidige oogarts, een aardige en reële jonge vent wat hij vond van die pucker operatie. Hij zei: ‘Je had alleen last van die kronkel in de verticale lijnen als je met je rechteroog keek hè? ‘Ja,’ zei ik. Een beetje peinzend keek hij me aan toen hij zei: ‘Tegenwoordig overwegen we zo’n operatie eigenlijk pas als je die beeldafwijking ziet als je met twee ogen kijkt….. En geloof het of niet, maar daar baal ik dan behoorlijk van.

Colloïdaal zilver. Ik ben heel voorzichtig enthousiast

Kort geleden heb ik op mijn Facebook pagina al een voorzichtig enthousiast verhaal gehouden over colloïdaal zilver. Het kwam mij op een wat zure en typisch anti- kwakzalverige reactie te staan van een vroegere tandarts, met wie ik overigens een gemoedelijke verstandhouding heb. Hij vond dat colloïdaal zilver een middeleeuws nepmiddel was en dat het gebruik ervan voor veel mensen gevaar oplevert.                    Ik schrijf dit hier omdat ik dit soort kritiek – onzinnig als ik het vind – niet wil verbergen. Van mij mag iedereen gelijk hebben. Kom het maar bewijzen.                                     Goed, heel veel bewijzen heb ik niet, maar ik vind het toch nodig om wat uitvoeriger in te gaan op het al dan niet onzinnige gebruik van colloïdaal zilver.

Altijd wanneer de tegenstanders schrijven dat dit middel gevaarlijk is, dan tonen ze het gelaat van iemand met een blauwe verkleuring. Ik heb zo’n man ook eens in een tv-uitzending gezien. Hij dronk ongeveer een halve liter (véél te veel) colloïdaal zilver per dag. Het verschijnsel van de blauwe huid heet Agyria. Het kwam vroeger veel voor bij mensen die in de zilvermijnen werkten, omdat ze veel meer zilverstof binnen kregen dan goed was. Het klopt echt van veel te veel zilver wordt je huid blauw. Die man met het blauwe gezicht in de uitzending was overigens kerngezond, maar zoveel colloïdaal zilver is niet goed en niet nodig.                                                                                      Even ter vergelijking: als je precies zoveel, zeg maar een halve liter, van een antibioticum tot je neemt gaat het daarna echt een hele poos niet goed met je. Dat van die halve liter is overigens iets wat de antikwakzalversclub er niet bij vertelt.

Goed, dan nu maar even mijn eigen ervaringen. Ik had het colloïdaal zilver (zilverwater wordt het ook vaak genoemd) een beetje vergeten tot ik een kennis trof die mij enthousiast vertelde dat hij door het gebruik ervan zichzelf had genezen van de ziekte van Crohn, een ziekte waarbij de patiënt lijdt aan chronische en door de gehele darm verspreide ontstekingen. Het is een ziekte die regulier vrij lastig te bestrijden is en waarbij bij veel patiënten hele stukken van het darmkanaal operatief verwijderd moeten worden. Deze kennis van mij had er in ieder geval geen last meer van. Voordat iemand van de club die alles beter weet weer over me heen valt, die ziekte was bij deze man uitvoerig en regulier vastgesteld. Zijn aandoening was dus echt op deze manier genezen.

Nu even het verhaal van mij eigen jongste dochter. Mensen die mij kennen weten dat ik ooit twee dochters had. De oudste is in tweeduizend op zesendertigjarige leeftijd gestorven aan de zogenaamde taxislijmziekte (Cystic Fibrosis). Mijn jongste dochter lijdt aan die zelfde ziekte. De grote moeilijkheid bij deze aandoening is dat het slijm, dat bij gezonde mensen dun vloeibaar is, wat dikker en taaier is. Daardoor kunnen bacteriën zich erin nestelen en ontstekingen veroorzaken. De mensen die aan deze ziekte lijden krijgen heel veel antibiotica toegediend. Uit het nieuws en uit ervaring weten we echter dat antibiotica minder goed beginnen te werken. Bovendien zijn er bacteriën die heel ongevoelig zijn voor deze middelen. Een van die bacteriën heet Pseudomonas Aeruginosa. Het is een bacterie met een slijmlaag om zich heen, waardoor de antibiotica hem slecht kunnen bereiken.                                                    De pijnlijke werkelijkheid is ook nog dat die bacterie voor gezonde mensen eigenlijk onschadelijk is. Voor taaislijmpatiënten is het echter de belangrijkste vijand aan het eind van hun leven.

Zoals je misschien merk maakt het vader zijn van zulke kinderen een halve wetenschapper van je, maar daar wil ik je nu eigenlijk niet mee lastigvallen. Wat ik wel belangrijk vind om met je te delen is wat er door mijn voorzichtige bemoeienis waarschijnlijk bij mijn kind aan het gebeuren is.                                                            Regelmatig krijgt ze een longfunctieonderzoek. De resultaten daarvan gaan begrijpelijkerwijs achteruit, omdat de bacteriële infecties langzaam maar zeker haar longen kapot maken. Het vorige functieonderzoek toonde dat ze nog 35% vitale capaciteit had. Dat betekent in het algemeen dat je een deel van de dag extra zuurstof toegediend moet krijgen. Ze kreeg een nieuw antibioticum om te inhaleren. Deze patiënten moeten elke dag sprayen met een speciaal apparaat dat een vloeistof vernevelt, zodat ze het kunnen inademen. Het nieuwe middel maakte haar direct de eerste keer zo ziek dat ze er de hele dag beroerd van was. Het was ongeschikt, maar het was ook het laatste middel dat de arts haar nog kon voorschrijven,                      Eerlijk gezegd ben je op zo’n moment als vader of moeder de wanhoop nabij. Maar toen zei ik: ‘als er dan toch geen bruikbare antibiotica meer zijn, zou ze dan niet eens willen proberen colloïdaal zilver te inhaleren. Zilverionen, de nano zilverdeeltjes werken namelijk anders dan antibiotica. Antibiotica zijn middelen waartegen een bacterie zich teweer kan stellen en waarvoor immuniteit ontstaat. Zilverionen hebben een bepaalde elektrische lading waardoor ze zich aan schadelijke bacteriën hechten. Die bacteriën kunnen daardoor geen voedsel meer opnemen of afvalstoffen naar buiten brengen en gaan dan dood. Er zijn meer dan 700 bacteriesoorten die dood gaan van zilverionen en verder nog een onbekend aantal virussen.

Mijn dochter ging aarzelend op mijn voorstel in. Ik maak zelf het colloïdaal zilver voor haar. Bij het laatste longfunctieonderzoek was ze van 35% naar 41% gestegen. Dat hadden we eigenlijk nog niet vaak eerder meegemaakt.

Nu zijn we voorzichtig optimistisch. Ik heb trouwens als het om ziekte en gezondheid gaat weinig neiging om heel snel conclusies te trekken. Wat ik echter buitengewoon verderfelijk vind is dat er uit de richting van de vereniging tegen de kwakzalverij altijd weer van die opgeblazen en dreigende bangmakerij gespuid wordt. De enige werkelijkheid betreffende colloïdaal zilver is dat een flink aantal bacteriën en virussen er niet tegen kunnen en erdoor doodgaan.

Ach, nu zou ik toch bijna het allerbelangrijkste bezwaar van de reguliere geneesmiddelenhandel, zeg maar Big Farma, vergeten:

COLLOÏDAAL ZILVER KOST HEEL WEINIG EN ER KAN OOK GEEN PATENT OP WORDEN GEVRAAGD. DAARDOOR KUNNEN ER DUS OOK GEEN WAANZINNIGE PRIJZEN VOOR WORDEN GEVRAAGD. HET IS DUS TEN ENE MALE ONGESCHIKT VOOR SCHAAMTELOZE WINSTMAKERIJ.

Waarmee ik meer en meer moeite krijg is dat de heersende klasse in medicijnland denk dat we gek zijn en dat het gebruik van simpele natuurlijke middelen uit alle macht bestreden moet worden.

Begrijp mij goed, colloïdaal zilver is geen wondermiddel, maar het is onschadelijk en een heleboel schadelijke bacteriën en virussen sterven erdoor. Luister dus niet naar de hetze, maar gebruik je gezonde verstand en je eigen ervaring.

De patiënt moet centraal staan?

Ja, ja, geloof je het echt? Zijn we echt zo naïef om te denken dat het streven in de gigantische zorgfabriek die zo kenmerkend is voor de huidige moderne samenleving erop gericht is de patiënt centraal te stellen? Als je dat echt gelooft dan moet je wel van mening zijn dat de moderne zorgverlener een speciaal type mens is met een totaal ander normen en waardepakket dan de gemiddelde mens.                                            Van oudsher bestaat de opvatting dat de dokter een hoogstaand en vooral onbaatzuchtig mens is die het belang en het welzijn van zijn patiënten boven het eigen welzijn stelt. Die gedachte wordt nog altijd gevoed door verhalen, waarin zulke mensen hun morele hoogstandjes vertonen.                                                                                  En natuurlijk bestaan ze ook. Denk maar aan Albert Schweitzer en aan Florence Nightingale.

In de huidige werkelijkheid heeft de huisarts nog de zwaarste baan. Oh ja, hij heeft een redelijk, boven modaal inkomen, maar het internationale conglomeraat van zorgverzekeraars heeft ervoor gezorgd dat een steeds groter deel van zijn tijd moet worden besteed aan het invullen van formulieren waaraan hij zelf in ieder geval niets heeft. Ook mag hij vanwege diezelfde verzekeraars steeds minder vaak voorschrijven wat hij zelf het beste vindt: te duur. Het komt neer op beklemd, zuchtend voort otteren tot de pensioengerechtigde leeftijd uitkomst brengt. In vrijheid met liefde voor het werk en het welzijn van de patiënt werken is er al heel lang niet meer bij. Overigens werkt bijna nergens meer een huisarts alleen. Dat zou veel te duur zijn. Tegenwoordig zijn er veel groepspraktijken, waarbinnen assistentie en administratie in elk geval gezamenlijk gedragen worden.

Een zorgetage hoger, zo zien wij dat in ieder geval, hebben we de professionele bevolking van het ziekenhuis. Eigenlijk is dat ook een heel grote groepspraktijk, maar wel een met een zeer gecompliceerde samenstelling. En daar zit ook de permanente bron van ellende. In grote lijnen samengevat kunnen in een ziekenhuis de volgende activiteitenclusters worden onderscheiden.

  1. Het bestuur. Meestal een raad, waarboven ook nog een raad van commissarissen staat. Soms kunnen daar mensen in zitten met een medische opleiding, maar ook andere disciplines kan men daar vinden, vooral economen. Bestuur en raad van commissarissen moeten ervoor zorgen dat het ziekenhuis als een bedrijf wordt geleid en dus in zekere mate winstgevend is. Dat laatste lijkt nogal eens een onuitvoerbare opgave te zijn. Wel is er sedert ook in de zorg het principe van de marktwerking opgeld doet het voor zakenmensen en investeringsgroepen mogelijk geworden een ziekenhuis te kopen, er snel en handig veel geld mee te verdienen, er zogezegd uit te halen wat erin zit, om het vervolgens failliet te laten gaan, dan wel te laten overnemen voor wat de gek er nog voor geeft. Hierbij wordt uiteraard niet omgezien naar het belang van de instelling, noch naar het belang van alle mensen die er werken en zeker niet naar het belang van de patiënten die ervan afhankelijk zijn. Het geld is immers binnen en waarschijnlijk geherinvesteerd. De investeerder gaat dan verder en let er zorgvuldig op vooral niet om te zien. Het leven gaat verder, nietwaar?
  2. De artsen-specialisten. Vaak georganiseerd in maatschappen van gelijke discipline. Net als de huisartsen delen zij vaak assistentie en administratie, hetgeen kostenbesparend zou moeten werken. Afhankelijk van de discipline maken zij in meerdere of mindere mate gebruik van de ruimten en de technische faciliteiten die het ziekenhuis beschikbaar heeft en waarvoor het ziekenhuis vergoeding kan verlangen van de maatschappen. Specialisten moeten vaak een flink aantal jaren als laag betaalde coassistenten hun specialistische opleiding volgen. De honoraria voor consulten en verrichtingen zullen bij de medisch specialisten dan ook altijd hoger zijn dan bij de huisartsen, die overigens sedert het midden van de vorige eeuw ook een vervolgspecialisatie doen om huisarts te kunnen worden. Beschikbaarheid van coassistenten plaatsen kan ertoe leiden dat een jonge arts-specialist pas na zijn dertigste kan beginnen met verdienen. Het overigens terechte verlangen om op het gebied van verdienen een inhaalslag te maken leidt tot een aanzienlijke kostenfactor in de medische zorg. Marktwerking zullen we maar zeggen. Natuurlijk – artsen zijn net mensen – komen er binnen de specialistenmaatschappen conflicten voor. Soms over de opvattingen betreffende het werk, maar vaak ook gaat het om geld. In het verleden zijn afdelingen en zelfs hele ziekenhuizen tijdelijk gesloten door dit soort interne oorlogen. Beschamend? Ach, wat ik al schreef: artsen zijn net mensen.
  3. De managers. De moderne ziekenhuizen zijn zo groot, dat leiding en specialisten het leiding geven en organiseren van personeel graag uit handen geven. Geharrewar en gedoe met personeel wordt in het algemeen als storend beschouwd. De leiding, alsook de artsen-specialisten kunnen het niet of hebben er geen zin in of tijd voor of ze zien het gewoon niet als hun taak, hoewel het welslagen van hun werk er wel vanaf hangt. Dan worden er managers ingehuurd, doorgaans permanent. De managers hebben geen medische – maar uitsluitend een personele functie. Zij genieten doorgaans hogere inkomens dan het verplegend personeel. Het verschijnsel managers heeft tot een aanzienlijke kostenverhoging in de zorg geleid en kan gezien worden als gevolg van de steeds maar grotere ziekenhuizen.
  4. Het al dan niet gespecialiseerde verplegend en verzorgend personeel. Eigenlijk is dit de grootste groep mensen die in een ziekenhuis werkt en ervoor moet zorgen dat het ziekenhuis bekend staat als een goed ziekenhuis. Het is ook de groep die het minst betaald krijgt voor het werk dat vaak in continudienst gedaan moet worden. Ook is dit de groep zonder welke het ziekenhuis niet zou kunnen functioneren. En juist deze onmisbare groep heeft doorgaans geen enkele invloed op de gang van zaken in het ziekenhuis.
  5. De voorzieningen. Een gigantische – en vooral dagelijks terugkerende kostenpost wordt gevormd door de medicijnen die in het ziekenhuis worden verstrekt. Hier weten we dat het opdrijven van de prijzen door de farmaceutische industrie eigenlijk op zichzelf al een dodelijke aanslag op de zorg is. Maar we hebben vaak ook het kostbare wedstrijdje zien spelen wie de mooiste en de nieuwste spullen heeft. Dure en nog uitstekend werkende apparatuur wordt vaak vervangen door een nieuwere versie, waarbij de concurrentiepositie van het ziekenhuis vaak een doorslag gevende reden vormt. Veel geld dus dat weer tussen de vloerplanken wegloopt. En dan hebben we nog de planken zelf. Een nieuw ziekenhuis dat voor vele honderden miljoenen gebouwd wordt, waarbij er nauwelijks een buitenstaander te vinden is die kan begrijpen wat er mis was met het bestaande ziekenhuis, maar waarbij we zeker kunnen weten dat er met de bouwsector deals zijn gemaakt die niets van doen hebben met de kwaliteit van de zorg.

Bovenstaand stuk schrijvend kon ik niet ontkomen aan de overtuiging dat onze gezondheidszorg zelf ziek is. Door de opvatting dat marktwerking het misschien allemaal goedkoper kan maken is de hele zorg bezig als een kaartenhuis in elkaar te storten. De patiënt staat helemaal niet centraal als cliënt die verantwoord moet worden geholpen, maar als mogelijkheid om geld mee te verdienen.

O wacht, nu begrijp ik het…                                                                                              Ja, inderdaad, op die manier staat de patiënt nog steeds centraal.

 

 

Niet bewezen

Vannacht reed ik terug van de jamsessie in een gezellig café-restaurant in Maarssen. Het was een heel plezierige avond moet ik zeggen in een zaak die zich daarvoor uitstekend leent. Het was gelukkig rustig op de weg en ik zette de radio aan op NPO-1, de actualiteiten zender. Ik kon nog net het laatste deel  van ‘Met Het Oog Op Morgen’ beluisteren. Meestal hoor ik daar dingen die niet alleen aardig zijn om te horen, maar vaak ook interessant. Deze keer trof ik het echter ergerniswekkend slecht. Er was weer eens iemand zeurderig aan het woord namens de vereniging tegen de kwakzalverij.

Nu weet iedereen die mij kent dat ik mij de afgelopen vijftig jaar heb bezig gehouden met het helpen van patiënten door middel van een aantal natuurgeneeskundige behandelwijzen, waaronder chiropraxie en elektroacupunctuur. Bij de laatstgenoemde behandelwijze worden heel vaak homeopathische middelen geadviseerd. Veel mensen heb ik in al die jaren mogen helpen om van uiteenlopende klachten af te komen.

Goed, de jamsessie was dus gezellig en ik heb daar leuk een paar evergreens gezongen, wat altijd weer zeer bevorderlijk is voor mijn stemming. Daarin werd echter door een ietwat verongelijkte stem op een heel vervelende manier verandering gebracht. Het was, naar ik vermoed, een arts die kennelijk onder auspiciën van de vereniging tegen de kwakzalverij jarenlang strijd had gevoerd tegen het oprukkende gebruik van homeopathische middelen, want hij had voor zijn wat mij betreft nutteloze volharding blijkbaar een prijs gekregen.

Ach wat klaagde hij tegen de interviewster. Hij was bedreigd en bedolven onder haatmail. Nou moet ik eerlijk zeggen dat ik dergelijke reacties op iets waarmee je het oneens bent werkelijk weerzinwekkend vind. Wat ik echter eveneens weerzinwekkend vind is het stomme volhouden van die antikwakzalvers met hun bewering dat homeopathie niet werkt, want dat het nimmer wetenschappelijk bewezen is. Dit nu is niet alleen niet waar, maar het is ook een bewuste manipulatie van de feiten. Dat behoeft uitleg:

De reguliere geneeskunde maakt gebruik van de resultaten van voornamelijk de farmaceutische industrie. Ik heb er hier vaker over geschreven. Hier, in dit geval wil ik het ook niet hebben over de schandelijke prijsopdrijverij die in die branche eerder regel dan uitzondering is. Belangrijker vind ik er echter hier op te wijzen dat de resultaten van het zogenaamde wetenschappelijke farmaceutisch onderzoek – voor zover er niet mee is geknoeid om de resultaten op te pimpen – altijd resultaten zijn die voor zoveel mogelijk mensen gelden. Er wordt dus altijd gezocht naar een grootst gemene deler. Hierdoor wordt evenwel voorbij gegaan aan individuele verschillen die zeer groot kunnen zijn en die heel wat meer behelzen dan het verschil in lichaamsgewicht of geslachtsverschillen. Bijna altijd zijn er echter min of meer onplezierige bijwerkingen. Bovendien zijn er steeds weer patiënten die niet op een geneesmiddel reageren of bij wie zelfs slechts verergering optreedt. Er wordt, dat moet gezegd, met name op het gebied van kwaadaardige aandoeningen zeker vooruitgang geboekt. Er is echter geen enkele reden om te roepen dat homeopathie niet werkt. Kennelijk was die zeurende antikwakzalver vergeten wat de uitkomst was van een Frans onderzoek over homeopathie.

Het is inmiddels al weer een aantal jaren geleden dat Professor Benveniste, verklaard tegenstander van de homeopathie, het plan opvatte om eens en vooral te bewijzen dat homeopathie niet werkt. Hij zette een waterdicht onderzoek op. Om er voor te zorgen dat de menselijke opinie van het soort “voel je je nu beter” geen invloed kon hebben, deed hij de proef met een weefselkweek, een groep cellen dus. Gaandeweg zijn onderzoek moest hij zijn mening echter herzien. De proef met een homeopathisch middel op een groep levende cellen toonde aan dat het middel wel degelijk een werking had.

Benveniste was een echte wetenschapper. Hij hield de waarheid voor iets dat belangrijker is dan een algemene en doorgaans vrij starre algemene opinie. Hij publiceerde zijn bevindingen in ‘The Lancet’ een toonaangevend medisch vaktijdschrift. Zoals te verwachten was viel toen de hele wereld, de farmacie voorop, over hem heen. Dit kon onmogelijk waar zijn. ‘Goed,’ zei Benveniste, ‘dan doen we het over.’ Dat deed hij. Er werd argwanend over zijn schouder meegekeken. Het resultaat van het tweede volgens het zelfde protocol uitgevoerde onderzoek was gelijk aan het eerste…                Nee, toch niet helemaal hetzelfde. Het bleek namelijk niet mogelijk de resultaten van dit tweede onderzoek gepubliceerd te krijgen in de toonaangevende literatuur.                Raar, vind je niet?                                                                                                                Wie zouden er nou toch belang bij hebben om de waarheid over homeopathie tegen te houden. Wie het weet mag het zeggen.                                                                        Trouwens, wie het nu nog niet weet heeft echt niet goed opgelet.

Fake, fake, fake

Het sneue ‘kijk eens hoe flink wij regeren spelletje over de rug van twee kinderen heeft kennelijk weer lang genoeg geduurd om de alom tegenwoordige principiële hardliners voldoende te bevredigen. In het begin dacht ik: wanneer heb ik dat ook alweer eerder gehoord? Maar toen schoot het me weer te binnen. Een paar jaar geleden was er een ander kind, een jongen van een jaar of zestien, dacht ik, die ook een enorme sta in de weg vormde voor het rechtschapen deel van onze “dit is van ons en voor de rest allemaal opflikkeren” deel van ons professionele landsbestuur.

Zelf was ik toen heel verbaasd, want ik had het manneke eerst via de radio gehoord. Hij sprak zo mooi accentloos Brabants dat ik direct dacht: ‘waar hebben die gasten in Den Haag het nu over? Dit is toch gewoon een witte met peenhaar van eigen teelt? Nou, dat bleek ik helemaal mis te hebben, want toen ik hem op de televisie zag bleek hij roetzwart. Tja en dat alleen al is in de ogen van veel Haagse keutelaars wel een serieuze handicap. Wat bleek, het was een slimme Afrikaanse jongen die uit een erg vervelend land in Afrika – en daar barsten ze daar van – door iemand was meegenomen een jaar of acht eerder en gedumpt bij een gastvrije familie in Brabant. Ik hoorde toen ook dat hij goed op school was en daar ook heel veel vrienden had. Die pleegouders en al die vrienden van hem liepen met hem weg, om nog maar niet te spreken van de voetbalclub, want – nou ja dat weet iedereen natuurlijk – zwarte jongens kunnen vaak heel goed voetballen. Nee, sterker nog, in voetballand zou niemand ooit meer van Nederland horen als we geen zwarte jongens hadden.

Ik heb zelfs wel eens gehoord dat er in de vaderlandse voetbalclubs speciaal hele goeie zwarte voetballers uit Afrika worden gehaald en daar regelen ze dan een verblijfsvergunning voor. Maar ach, logisch ook eigenlijk. Voetbal is natuurlijk belangrijker dan wat dan ook. Dus als je als regering in dat soort zaken gaat dwarsliggen kun je het bij de volgende verkiezingen natuurlijk wel schudden.              Een beetje regering  heeft belangrijker zaken aan het hoofd. Die moet natuurlijk scoren met het openlijk wegwerken van die verdomde kleine keutelaars die hier niet thuishoren. Anders wordt het natuurlijk een enorme bende.

Nu hadden we weer die twee uit Armenië. Hun moeder was al weggewerkt. Die is daar, met geweld van haar kinderen gescheiden helemaal het Noorden kwijtgeraakt en ze zit nu in een inrichting voor mensen die onherstelbaar in de war zijn geraakt. Goed werk van onze regering denk ik: iemand wegsturen die je niet kent, van haar kinderen scheiden, zodat ze er helemaal gek van wordt. Tja, dan moeten ze het maar niet proberen. En dan die kinderen. Twaalf en dertien zijn ze nu en ze zijn hier nu tien jaar. Als je niet beter weet lijken ze gewone Nederlandse kinderen, want dat brabbeltaaltje van dat land waar ze ooit geboren zijn, dat kennen ze helemaal niet. ‘Toch terug naar huis,’ we moeten ferm optreden tegen deze mensen… eh… ik bedoel kinderen, natuurlijk,’ is het regeringsstandpunt.

Met rode konen zaten ze bij elkaar in Den Haag. Zei de een: ‘we maken op deze manier wel een verdomd onmenselijke indruk.’ Zei de ander: ‘doet er niet toe man. Zie je dan niet dat de populisten steeds meer terrein winnen en als dat gebeurt kunnen wij wel inpakken, daar gaat het om.’                                                                                          Zei die ander weer: ‘nee, sorry, ik begreep je even verkeerd. Ik dacht even dat het om die kinderen ging, maar het gaat natuurlijk om ons. Nogmaals sorry, mijn fout.’

Nu heb ik begrepen dat ze toch maar van mening veranderd zijn, daar in Den Haag, om dat ze merkten dat er een sterke stroming begon te ontstaan die nog sterker was dan het populisme. Tja, je bent natuurlijk een heel slechte democratisch gekozen regeerder als je niet reageert op de wens van het volk. Bovendien moet je nooit vergeten dat het pluche waarop je zit het beste met je eigen op macht beluste reet warm gehouden kan worden.

Er zijn zo’n driehonderd van dit soort gevalletjes die echt uitgezet moeten worden. Reken even mee: driehonderd op de ruim zeventien miljoen. Dat is… even rekenen hoor… O wacht, rekenmachine erbij. Ja, dat is niet gering dat is 0,001764705%. Iets minder dan twee duizendste procent van de bevolking. Lekker belangrijk. Daar kun je als landsbestuurder probleemloos mee scoren, vooral als je erin getraind bent je ogen te sluiten voor menselijke ellende.

Snel, sneller, snelst

Een gevoelig onderwerp, ik geef het toe, maar ik ga er toch een stukje over schrijven op gevaar af over te komen als de oude man die ik nu eenmaal geworden ben. Wat mij in elk geval opvalt is dat op elk terrein snelheidswinst het belangrijkste item lijkt te zijn. Zo moeten de elektronische communicatiesystemen – ja, inderdaad, de computers – steeds sneller worden en steeds meer dataopslag te krijgen, waarbij die data blijkbaar steeds sneller gecombineerd en verwerkt moeten kunnen worden.                               Nu kan ik me voorstellen dat wetenschappers en administrerende bedrijven daar baat bij hebben, maar ik niet. Ik gebruik mijn computer om af en toe een betaling te doen en daarbij kan het me echt niet schelen of het bedrag nu vandaag of pas morgen daar aankomt waar ik het naar toe heb gestuurd. Ook gebruik in mijn computer om te schrijven. Wie regelmatig mijn blogs leest weet in elk geval dat ik mij nooit sterk heb gemaakt voor meer snelheid of meer opslagcapaciteit. Lettertjes nemen in het computergeheugen niet overdreven veel ruimte in, dus wat ik met terabytes aan geheugen moet zou ik niet weten. Als ik alles wil volschrijven wat ik nu nog aan geheugenruimte heb moet ik de komende twintig jaar 24 uur per dag doorschrijven ( ik tik met maar twee vingers).                                                                                                Nu begrijp ik wel dat de fabrikanten het verkopen het gemakkelijkst afgaat als ze elke keer iets nieuws te bieden hebben, maar wat de laatste tijd blijkbaar een beetje zoek begint te raken is het onderscheid tussen features en benefits.                                        Wat zeg je, ben je dat ook een beetje vergeten?                                                                Ik leg het uit: de features van een ding, wat het ook is, zijn de opsomming van wat het ding allemaal kan. De benefits zijn altijd voor iedereen die iets aanschaft persoonlijk namelijk wat je eraan hebt, of het voor jou nuttig is.                                                            En nu moet je voor de aardigheid eens kijken naar de features van een paar zaken vol modern technisch vernuft die je recentelijk hebt aangeschaft. En vergelijk dat nu eens met wat je ervan gebruikt. Tien tegen één dat je meer dan de helft niet gebruikt, maar je hebt er wel voor betaald, omdat het ding zoveel kon.

Snel, sneller snelst is in het hele leven doorgedrongen. Weet je nog dat je vroeger op de fiets naar school ging? Altijd had je zowel op de heen – als op de terugweg wind tegen. Dus je spaarde en met je verjaardag kreeg je er nog wat bij en dan kocht je een fiets met versnellingen. Daarmee kon je met wind mee onverantwoord hard rijden, maar het ging lekker, tot je een keer noodlottig met iets in aanraking kwam dat weinig meegaf, waarna je pas drie maanden laren weer op je inmiddels gelukkig gerepareerde fiets kon stappen en intussen beter begrepen had waarvoor die versnellingen nu waren.

Welnu, ook in de fiets heeft de immer gretige industrie het aanbieden van steeds weer nieuwe features doorgevoerd. Eerst waren het de oudere mensen wier conditie het niet meer toeliet dat ze op de fiets aan het verkeer deelnamen die de motivatie vormden voor de fiets met elektrische trapondersteuning. Inderdaad, voor die mensen is het misschien een zegen, want in de fietstas gaan meer en zwaardere boodschappen dan wanneer je met die zware volle tas moet lopen, omdat je niet meer genoeg kracht hebt om te fietsen.                                                                                                                    Goed dan, voor de wat krachteloos wordende mens die nog wel in staat is om het overzicht in het verkeer te houden en die ook op twee wielen zijn evenwicht nog kan bewaren is de ‘elektrische fiets’ misschien een zegen. Mensen die niet lijden aan krachtverlies en die toch zo’n fiets kopen moeten er echter rekening mee houden dat hun prestatievermogen snel terugloopt omdat ze zich bij het fietsen noch nauwelijks hoeven in te spannen. Ik spreek uit ervaring moet ik helaas zeggen. En het is natuurlijk niet klaar, want de fabriek Nooitgenoeg gevestigd te Handelismooi brengt nu forensenfietsen. Met heel weinig inspanning kun je met een gangetje van rond vijfenveertig kilometer per uur de afstand naar je werk binnen een straal van rond dertig kilometer gemakkelijk binnen een uur overbruggen. Hartstikke gezond man, lekker buiten. Natuurlijk ben je niet getraind op die hoge snelheden, dus als het even mis gaat dan breek je tenminste serieus wat botten. Bovendien hoort niemand je ook nog aan komen dus heb je een beste kans om tegen die slome sukkels aan te rossen.                Als je op je scootertje zou gaan dan horen ze in elk geval nog, maar dan vervuil je natuurlijk weer de lucht.

Vaak moet ik nog denken aan die jongens en meiden die van Texel en van Wieringen naar onze HBS in Den Helder kwamen. Elke dag op de fiets. Een rot end weg vonden wij altijd, maar die gasten waren nooit ziek. Volgens mij horen er geen features en wel heel veel benefits bij gezonde inspanning.

Tocht

Warm is het op het ogenblik in ons landje, zo warm dat er hier en daar al mensen aan bezwijken. Was het ooit eerder zo warm en zo lang achter elkaar? Ik heb het eigenlijk niet bijgehouden, de meeste mensen niet, vermoed ik. Af en toe hoor ik wel berichten dat het  niet eerder zo lang droog is geweest, betrouwbare berichten, dat weet ik zeker, want er zijn mensen die dat soort zaken professioneel bijhouden. Ik niet, ik leef bij de dag als het om het weer gaat. Overigens moet ik zeggen dat ik gezegend ben met een lichaam dat glimlachend warmte, kou, regen, storm en noem maar op verdraagt, nou ja, bijna dan. Eigenlijk is er qua weer maar één ding waaraan ik een beetje een broertje dood heb als ik buiten ben en dat is de combinatie met droog weer en storm en dan op het strand zijn. Dat je daar gezandstraald wordt en dat het alleen enigszins te verdragen is als je met de wind mee loopt, maar dat je helaas ook weer terug moet. Maar verder? Nee hoor, doe maar met dat weer. Ik vind alles best.

Oh ja, er is binnenshuis – ja wat heeft dat nou met het weer te maken – ook nog een omstandigheid die ik buitengewoon onaangenaam vind, een omstandigheid die echt mijn humeur volledig kan bederven: tocht! Echt afschuwelijk vind ik dat. Tocht is wind, maar wind hoort buiten, niet binnen. Tocht vind ik een reden om rond te gaan draven en alles potdicht te doen. Wonderlijk trouwens dat dit soort prikkelgevoeligheden heel ver in je leven terug kunnen gaan.

Ik was nog maar een jaar of vier toen we terugkeerden van ons evacuatiedorp, Schagerbrug,  naar Den Helder. Voor de rest van de nog steeds voortdurende tweede wereldoorlog verbleven we bij Opa en Oma Slot in de Van Hoogendorpstraat. Oma was een ouderwetse huisvrouw. Samen met tante Tetje, de jongste zus van mijn moeder moest altijd alles gepoetst, afgestoft, geschrobd, uitgeklopt en noem maar op. Heel vaak stonden dan de voordeur zowel als de achterdeur open en dan waaide het in huis. ‘Het trekt Pee,’ zei Oma dan. Daar had ik echt een hekel aan want je was dan binnen niet echt binnen, want binnen hoort het niet te waaien. Gek eigenlijk dat ik me daar als kind al zo druk om maakte en dat ik dat nog steeds doe.

Buiten in de wind, in de storm voor mijn part, prima! Binnen met de deuren tegen elkaar open om bijvoorbeeld even de pannenkoeken baklucht te verdrijven, ik ga wel even naar boven achter mijn computer zitten. Of, het is smoorheet in huis – ik vind dat wel lekker – en er moet zo’n ventilator heen en weer staan te zwaaien met kunstmatige verkoelende wind. Niet voor mij. Als ik wind wil ga ik wel naar buiten.                            Af en toe denk ik wel eens: hoe komt dat toch, waar heb ik dat van?                              Ik krijg geen enkel beeld voor me bij die vraag.                                                                  Misschien heeft het iets te maken met een huis dat kapot is…was?                                Ik zie geen beelden, maar ik voel het nog steeds.