Colloïdaal zilver. Ik ben heel voorzichtig enthousiast

Kort geleden heb ik op mijn Facebook pagina al een voorzichtig enthousiast verhaal gehouden over colloïdaal zilver. Het kwam mij op een wat zure en typisch anti- kwakzalverige reactie te staan van een vroegere tandarts, met wie ik overigens een gemoedelijke verstandhouding heb. Hij vond dat colloïdaal zilver een middeleeuws nepmiddel was en dat het gebruik ervan voor veel mensen gevaar oplevert.                    Ik schrijf dit hier omdat ik dit soort kritiek – onzinnig als ik het vind – niet wil verbergen. Van mij mag iedereen gelijk hebben. Kom het maar bewijzen.                                     Goed, heel veel bewijzen heb ik niet, maar ik vind het toch nodig om wat uitvoeriger in te gaan op het al dan niet onzinnige gebruik van colloïdaal zilver.

Altijd wanneer de tegenstanders schrijven dat dit middel gevaarlijk is, dan tonen ze het gelaat van iemand met een blauwe verkleuring. Ik heb zo’n man ook eens in een tv-uitzending gezien. Hij dronk ongeveer een halve liter (véél te veel) colloïdaal zilver per dag. Het verschijnsel van de blauwe huid heet Agyria. Het kwam vroeger veel voor bij mensen die in de zilvermijnen werkten, omdat ze veel meer zilverstof binnen kregen dan goed was. Het klopt echt van veel te veel zilver wordt je huid blauw. Die man met het blauwe gezicht in de uitzending was overigens kerngezond, maar zoveel colloïdaal zilver is niet goed en niet nodig.                                                                                      Even ter vergelijking: als je precies zoveel, zeg maar een halve liter, van een antibioticum tot je neemt gaat het daarna echt een hele poos niet goed met je. Dat van die halve liter is overigens iets wat de antikwakzalversclub er niet bij vertelt.

Goed, dan nu maar even mijn eigen ervaringen. Ik had het colloïdaal zilver (zilverwater wordt het ook vaak genoemd) een beetje vergeten tot ik een kennis trof die mij enthousiast vertelde dat hij door het gebruik ervan zichzelf had genezen van de ziekte van Crohn, een ziekte waarbij de patiënt lijdt aan chronische en door de gehele darm verspreide ontstekingen. Het is een ziekte die regulier vrij lastig te bestrijden is en waarbij bij veel patiënten hele stukken van het darmkanaal operatief verwijderd moeten worden. Deze kennis van mij had er in ieder geval geen last meer van. Voordat iemand van de club die alles beter weet weer over me heen valt, die ziekte was bij deze man uitvoerig en regulier vastgesteld. Zijn aandoening was dus echt op deze manier genezen.

Nu even het verhaal van mij eigen jongste dochter. Mensen die mij kennen weten dat ik ooit twee dochters had. De oudste is in tweeduizend op zesendertigjarige leeftijd gestorven aan de zogenaamde taxislijmziekte (Cystic Fibrosis). Mijn jongste dochter lijdt aan die zelfde ziekte. De grote moeilijkheid bij deze aandoening is dat het slijm, dat bij gezonde mensen dun vloeibaar is, wat dikker en taaier is. Daardoor kunnen bacteriën zich erin nestelen en ontstekingen veroorzaken. De mensen die aan deze ziekte lijden krijgen heel veel antibiotica toegediend. Uit het nieuws en uit ervaring weten we echter dat antibiotica minder goed beginnen te werken. Bovendien zijn er bacteriën die heel ongevoelig zijn voor deze middelen. Een van die bacteriën heet Pseudomonas Aeruginosa. Het is een bacterie met een slijmlaag om zich heen, waardoor de antibiotica hem slecht kunnen bereiken.                                                    De pijnlijke werkelijkheid is ook nog dat die bacterie voor gezonde mensen eigenlijk onschadelijk is. Voor taaislijmpatiënten is het echter de belangrijkste vijand aan het eind van hun leven.

Zoals je misschien merk maakt het vader zijn van zulke kinderen een halve wetenschapper van je, maar daar wil ik je nu eigenlijk niet mee lastigvallen. Wat ik wel belangrijk vind om met je te delen is wat er door mijn voorzichtige bemoeienis waarschijnlijk bij mijn kind aan het gebeuren is.                                                            Regelmatig krijgt ze een longfunctieonderzoek. De resultaten daarvan gaan begrijpelijkerwijs achteruit, omdat de bacteriële infecties langzaam maar zeker haar longen kapot maken. Het vorige functieonderzoek toonde dat ze nog 35% vitale capaciteit had. Dat betekent in het algemeen dat je een deel van de dag extra zuurstof toegediend moet krijgen. Ze kreeg een nieuw antibioticum om te inhaleren. Deze patiënten moeten elke dag sprayen met een speciaal apparaat dat een vloeistof vernevelt, zodat ze het kunnen inademen. Het nieuwe middel maakte haar direct de eerste keer zo ziek dat ze er de hele dag beroerd van was. Het was ongeschikt, maar het was ook het laatste middel dat de arts haar nog kon voorschrijven,                      Eerlijk gezegd ben je op zo’n moment als vader of moeder de wanhoop nabij. Maar toen zei ik: ‘als er dan toch geen bruikbare antibiotica meer zijn, zou ze dan niet eens willen proberen colloïdaal zilver te inhaleren. Zilverionen, de nano zilverdeeltjes werken namelijk anders dan antibiotica. Antibiotica zijn middelen waartegen een bacterie zich teweer kan stellen en waarvoor immuniteit ontstaat. Zilverionen hebben een bepaalde elektrische lading waardoor ze zich aan schadelijke bacteriën hechten. Die bacteriën kunnen daardoor geen voedsel meer opnemen of afvalstoffen naar buiten brengen en gaan dan dood. Er zijn meer dan 700 bacteriesoorten die dood gaan van zilverionen en verder nog een onbekend aantal virussen.

Mijn dochter ging aarzelend op mijn voorstel in. Ik maak zelf het colloïdaal zilver voor haar. Bij het laatste longfunctieonderzoek was ze van 35% naar 41% gestegen. Dat hadden we eigenlijk nog niet vaak eerder meegemaakt.

Nu zijn we voorzichtig optimistisch. Ik heb trouwens als het om ziekte en gezondheid gaat weinig neiging om heel snel conclusies te trekken. Wat ik echter buitengewoon verderfelijk vind is dat er uit de richting van de vereniging tegen de kwakzalverij altijd weer van die opgeblazen en dreigende bangmakerij gespuid wordt. De enige werkelijkheid betreffende colloïdaal zilver is dat een flink aantal bacteriën en virussen er niet tegen kunnen en erdoor doodgaan.

Ach, nu zou ik toch bijna het allerbelangrijkste bezwaar van de reguliere geneesmiddelenhandel, zeg maar Big Farma, vergeten:

COLLOÏDAAL ZILVER KOST HEEL WEINIG EN ER KAN OOK GEEN PATENT OP WORDEN GEVRAAGD. DAARDOOR KUNNEN ER DUS OOK GEEN WAANZINNIGE PRIJZEN VOOR WORDEN GEVRAAGD. HET IS DUS TEN ENE MALE ONGESCHIKT VOOR SCHAAMTELOZE WINSTMAKERIJ.

Waarmee ik meer en meer moeite krijg is dat de heersende klasse in medicijnland denk dat we gek zijn en dat het gebruik van simpele natuurlijke middelen uit alle macht bestreden moet worden.

Begrijp mij goed, colloïdaal zilver is geen wondermiddel, maar het is onschadelijk en een heleboel schadelijke bacteriën en virussen sterven erdoor. Luister dus niet naar de hetze, maar gebruik je gezonde verstand en je eigen ervaring.

De patiënt moet centraal staan?

Ja, ja, geloof je het echt? Zijn we echt zo naïef om te denken dat het streven in de gigantische zorgfabriek die zo kenmerkend is voor de huidige moderne samenleving erop gericht is de patiënt centraal te stellen? Als je dat echt gelooft dan moet je wel van mening zijn dat de moderne zorgverlener een speciaal type mens is met een totaal ander normen en waardepakket dan de gemiddelde mens.                                            Van oudsher bestaat de opvatting dat de dokter een hoogstaand en vooral onbaatzuchtig mens is die het belang en het welzijn van zijn patiënten boven het eigen welzijn stelt. Die gedachte wordt nog altijd gevoed door verhalen, waarin zulke mensen hun morele hoogstandjes vertonen.                                                                                  En natuurlijk bestaan ze ook. Denk maar aan Albert Schweitzer en aan Florence Nightingale.

In de huidige werkelijkheid heeft de huisarts nog de zwaarste baan. Oh ja, hij heeft een redelijk, boven modaal inkomen, maar het internationale conglomeraat van zorgverzekeraars heeft ervoor gezorgd dat een steeds groter deel van zijn tijd moet worden besteed aan het invullen van formulieren waaraan hij zelf in ieder geval niets heeft. Ook mag hij vanwege diezelfde verzekeraars steeds minder vaak voorschrijven wat hij zelf het beste vindt: te duur. Het komt neer op beklemd, zuchtend voort otteren tot de pensioengerechtigde leeftijd uitkomst brengt. In vrijheid met liefde voor het werk en het welzijn van de patiënt werken is er al heel lang niet meer bij. Overigens werkt bijna nergens meer een huisarts alleen. Dat zou veel te duur zijn. Tegenwoordig zijn er veel groepspraktijken, waarbinnen assistentie en administratie in elk geval gezamenlijk gedragen worden.

Een zorgetage hoger, zo zien wij dat in ieder geval, hebben we de professionele bevolking van het ziekenhuis. Eigenlijk is dat ook een heel grote groepspraktijk, maar wel een met een zeer gecompliceerde samenstelling. En daar zit ook de permanente bron van ellende. In grote lijnen samengevat kunnen in een ziekenhuis de volgende activiteitenclusters worden onderscheiden.

  1. Het bestuur. Meestal een raad, waarboven ook nog een raad van commissarissen staat. Soms kunnen daar mensen in zitten met een medische opleiding, maar ook andere disciplines kan men daar vinden, vooral economen. Bestuur en raad van commissarissen moeten ervoor zorgen dat het ziekenhuis als een bedrijf wordt geleid en dus in zekere mate winstgevend is. Dat laatste lijkt nogal eens een onuitvoerbare opgave te zijn. Wel is er sedert ook in de zorg het principe van de marktwerking opgeld doet het voor zakenmensen en investeringsgroepen mogelijk geworden een ziekenhuis te kopen, er snel en handig veel geld mee te verdienen, er zogezegd uit te halen wat erin zit, om het vervolgens failliet te laten gaan, dan wel te laten overnemen voor wat de gek er nog voor geeft. Hierbij wordt uiteraard niet omgezien naar het belang van de instelling, noch naar het belang van alle mensen die er werken en zeker niet naar het belang van de patiënten die ervan afhankelijk zijn. Het geld is immers binnen en waarschijnlijk geherinvesteerd. De investeerder gaat dan verder en let er zorgvuldig op vooral niet om te zien. Het leven gaat verder, nietwaar?
  2. De artsen-specialisten. Vaak georganiseerd in maatschappen van gelijke discipline. Net als de huisartsen delen zij vaak assistentie en administratie, hetgeen kostenbesparend zou moeten werken. Afhankelijk van de discipline maken zij in meerdere of mindere mate gebruik van de ruimten en de technische faciliteiten die het ziekenhuis beschikbaar heeft en waarvoor het ziekenhuis vergoeding kan verlangen van de maatschappen. Specialisten moeten vaak een flink aantal jaren als laag betaalde coassistenten hun specialistische opleiding volgen. De honoraria voor consulten en verrichtingen zullen bij de medisch specialisten dan ook altijd hoger zijn dan bij de huisartsen, die overigens sedert het midden van de vorige eeuw ook een vervolgspecialisatie doen om huisarts te kunnen worden. Beschikbaarheid van coassistenten plaatsen kan ertoe leiden dat een jonge arts-specialist pas na zijn dertigste kan beginnen met verdienen. Het overigens terechte verlangen om op het gebied van verdienen een inhaalslag te maken leidt tot een aanzienlijke kostenfactor in de medische zorg. Marktwerking zullen we maar zeggen. Natuurlijk – artsen zijn net mensen – komen er binnen de specialistenmaatschappen conflicten voor. Soms over de opvattingen betreffende het werk, maar vaak ook gaat het om geld. In het verleden zijn afdelingen en zelfs hele ziekenhuizen tijdelijk gesloten door dit soort interne oorlogen. Beschamend? Ach, wat ik al schreef: artsen zijn net mensen.
  3. De managers. De moderne ziekenhuizen zijn zo groot, dat leiding en specialisten het leiding geven en organiseren van personeel graag uit handen geven. Geharrewar en gedoe met personeel wordt in het algemeen als storend beschouwd. De leiding, alsook de artsen-specialisten kunnen het niet of hebben er geen zin in of tijd voor of ze zien het gewoon niet als hun taak, hoewel het welslagen van hun werk er wel vanaf hangt. Dan worden er managers ingehuurd, doorgaans permanent. De managers hebben geen medische – maar uitsluitend een personele functie. Zij genieten doorgaans hogere inkomens dan het verplegend personeel. Het verschijnsel managers heeft tot een aanzienlijke kostenverhoging in de zorg geleid en kan gezien worden als gevolg van de steeds maar grotere ziekenhuizen.
  4. Het al dan niet gespecialiseerde verplegend en verzorgend personeel. Eigenlijk is dit de grootste groep mensen die in een ziekenhuis werkt en ervoor moet zorgen dat het ziekenhuis bekend staat als een goed ziekenhuis. Het is ook de groep die het minst betaald krijgt voor het werk dat vaak in continudienst gedaan moet worden. Ook is dit de groep zonder welke het ziekenhuis niet zou kunnen functioneren. En juist deze onmisbare groep heeft doorgaans geen enkele invloed op de gang van zaken in het ziekenhuis.
  5. De voorzieningen. Een gigantische – en vooral dagelijks terugkerende kostenpost wordt gevormd door de medicijnen die in het ziekenhuis worden verstrekt. Hier weten we dat het opdrijven van de prijzen door de farmaceutische industrie eigenlijk op zichzelf al een dodelijke aanslag op de zorg is. Maar we hebben vaak ook het kostbare wedstrijdje zien spelen wie de mooiste en de nieuwste spullen heeft. Dure en nog uitstekend werkende apparatuur wordt vaak vervangen door een nieuwere versie, waarbij de concurrentiepositie van het ziekenhuis vaak een doorslag gevende reden vormt. Veel geld dus dat weer tussen de vloerplanken wegloopt. En dan hebben we nog de planken zelf. Een nieuw ziekenhuis dat voor vele honderden miljoenen gebouwd wordt, waarbij er nauwelijks een buitenstaander te vinden is die kan begrijpen wat er mis was met het bestaande ziekenhuis, maar waarbij we zeker kunnen weten dat er met de bouwsector deals zijn gemaakt die niets van doen hebben met de kwaliteit van de zorg.

Bovenstaand stuk schrijvend kon ik niet ontkomen aan de overtuiging dat onze gezondheidszorg zelf ziek is. Door de opvatting dat marktwerking het misschien allemaal goedkoper kan maken is de hele zorg bezig als een kaartenhuis in elkaar te storten. De patiënt staat helemaal niet centraal als cliënt die verantwoord moet worden geholpen, maar als mogelijkheid om geld mee te verdienen.

O wacht, nu begrijp ik het…                                                                                              Ja, inderdaad, op die manier staat de patiënt nog steeds centraal.

 

 

Niet bewezen

Vannacht reed ik terug van de jamsessie in een gezellig café-restaurant in Maarssen. Het was een heel plezierige avond moet ik zeggen in een zaak die zich daarvoor uitstekend leent. Het was gelukkig rustig op de weg en ik zette de radio aan op NPO-1, de actualiteiten zender. Ik kon nog net het laatste deel  van ‘Met Het Oog Op Morgen’ beluisteren. Meestal hoor ik daar dingen die niet alleen aardig zijn om te horen, maar vaak ook interessant. Deze keer trof ik het echter ergerniswekkend slecht. Er was weer eens iemand zeurderig aan het woord namens de vereniging tegen de kwakzalverij.

Nu weet iedereen die mij kent dat ik mij de afgelopen vijftig jaar heb bezig gehouden met het helpen van patiënten door middel van een aantal natuurgeneeskundige behandelwijzen, waaronder chiropraxie en elektroacupunctuur. Bij de laatstgenoemde behandelwijze worden heel vaak homeopathische middelen geadviseerd. Veel mensen heb ik in al die jaren mogen helpen om van uiteenlopende klachten af te komen.

Goed, de jamsessie was dus gezellig en ik heb daar leuk een paar evergreens gezongen, wat altijd weer zeer bevorderlijk is voor mijn stemming. Daarin werd echter door een ietwat verongelijkte stem op een heel vervelende manier verandering gebracht. Het was, naar ik vermoed, een arts die kennelijk onder auspiciën van de vereniging tegen de kwakzalverij jarenlang strijd had gevoerd tegen het oprukkende gebruik van homeopathische middelen, want hij had voor zijn wat mij betreft nutteloze volharding blijkbaar een prijs gekregen.

Ach wat klaagde hij tegen de interviewster. Hij was bedreigd en bedolven onder haatmail. Nou moet ik eerlijk zeggen dat ik dergelijke reacties op iets waarmee je het oneens bent werkelijk weerzinwekkend vind. Wat ik echter eveneens weerzinwekkend vind is het stomme volhouden van die antikwakzalvers met hun bewering dat homeopathie niet werkt, want dat het nimmer wetenschappelijk bewezen is. Dit nu is niet alleen niet waar, maar het is ook een bewuste manipulatie van de feiten. Dat behoeft uitleg:

De reguliere geneeskunde maakt gebruik van de resultaten van voornamelijk de farmaceutische industrie. Ik heb er hier vaker over geschreven. Hier, in dit geval wil ik het ook niet hebben over de schandelijke prijsopdrijverij die in die branche eerder regel dan uitzondering is. Belangrijker vind ik er echter hier op te wijzen dat de resultaten van het zogenaamde wetenschappelijke farmaceutisch onderzoek – voor zover er niet mee is geknoeid om de resultaten op te pimpen – altijd resultaten zijn die voor zoveel mogelijk mensen gelden. Er wordt dus altijd gezocht naar een grootst gemene deler. Hierdoor wordt evenwel voorbij gegaan aan individuele verschillen die zeer groot kunnen zijn en die heel wat meer behelzen dan het verschil in lichaamsgewicht of geslachtsverschillen. Bijna altijd zijn er echter min of meer onplezierige bijwerkingen. Bovendien zijn er steeds weer patiënten die niet op een geneesmiddel reageren of bij wie zelfs slechts verergering optreedt. Er wordt, dat moet gezegd, met name op het gebied van kwaadaardige aandoeningen zeker vooruitgang geboekt. Er is echter geen enkele reden om te roepen dat homeopathie niet werkt. Kennelijk was die zeurende antikwakzalver vergeten wat de uitkomst was van een Frans onderzoek over homeopathie.

Het is inmiddels al weer een aantal jaren geleden dat Professor Benveniste, verklaard tegenstander van de homeopathie, het plan opvatte om eens en vooral te bewijzen dat homeopathie niet werkt. Hij zette een waterdicht onderzoek op. Om er voor te zorgen dat de menselijke opinie van het soort “voel je je nu beter” geen invloed kon hebben, deed hij de proef met een weefselkweek, een groep cellen dus. Gaandeweg zijn onderzoek moest hij zijn mening echter herzien. De proef met een homeopathisch middel op een groep levende cellen toonde aan dat het middel wel degelijk een werking had.

Benveniste was een echte wetenschapper. Hij hield de waarheid voor iets dat belangrijker is dan een algemene en doorgaans vrij starre algemene opinie. Hij publiceerde zijn bevindingen in ‘The Lancet’ een toonaangevend medisch vaktijdschrift. Zoals te verwachten was viel toen de hele wereld, de farmacie voorop, over hem heen. Dit kon onmogelijk waar zijn. ‘Goed,’ zei Benveniste, ‘dan doen we het over.’ Dat deed hij. Er werd argwanend over zijn schouder meegekeken. Het resultaat van het tweede volgens het zelfde protocol uitgevoerde onderzoek was gelijk aan het eerste…                Nee, toch niet helemaal hetzelfde. Het bleek namelijk niet mogelijk de resultaten van dit tweede onderzoek gepubliceerd te krijgen in de toonaangevende literatuur.                Raar, vind je niet?                                                                                                                Wie zouden er nou toch belang bij hebben om de waarheid over homeopathie tegen te houden. Wie het weet mag het zeggen.                                                                        Trouwens, wie het nu nog niet weet heeft echt niet goed opgelet.

Fake, fake, fake

Het sneue ‘kijk eens hoe flink wij regeren spelletje over de rug van twee kinderen heeft kennelijk weer lang genoeg geduurd om de alom tegenwoordige principiële hardliners voldoende te bevredigen. In het begin dacht ik: wanneer heb ik dat ook alweer eerder gehoord? Maar toen schoot het me weer te binnen. Een paar jaar geleden was er een ander kind, een jongen van een jaar of zestien, dacht ik, die ook een enorme sta in de weg vormde voor het rechtschapen deel van onze “dit is van ons en voor de rest allemaal opflikkeren” deel van ons professionele landsbestuur.

Zelf was ik toen heel verbaasd, want ik had het manneke eerst via de radio gehoord. Hij sprak zo mooi accentloos Brabants dat ik direct dacht: ‘waar hebben die gasten in Den Haag het nu over? Dit is toch gewoon een witte met peenhaar van eigen teelt? Nou, dat bleek ik helemaal mis te hebben, want toen ik hem op de televisie zag bleek hij roetzwart. Tja en dat alleen al is in de ogen van veel Haagse keutelaars wel een serieuze handicap. Wat bleek, het was een slimme Afrikaanse jongen die uit een erg vervelend land in Afrika – en daar barsten ze daar van – door iemand was meegenomen een jaar of acht eerder en gedumpt bij een gastvrije familie in Brabant. Ik hoorde toen ook dat hij goed op school was en daar ook heel veel vrienden had. Die pleegouders en al die vrienden van hem liepen met hem weg, om nog maar niet te spreken van de voetbalclub, want – nou ja dat weet iedereen natuurlijk – zwarte jongens kunnen vaak heel goed voetballen. Nee, sterker nog, in voetballand zou niemand ooit meer van Nederland horen als we geen zwarte jongens hadden.

Ik heb zelfs wel eens gehoord dat er in de vaderlandse voetbalclubs speciaal hele goeie zwarte voetballers uit Afrika worden gehaald en daar regelen ze dan een verblijfsvergunning voor. Maar ach, logisch ook eigenlijk. Voetbal is natuurlijk belangrijker dan wat dan ook. Dus als je als regering in dat soort zaken gaat dwarsliggen kun je het bij de volgende verkiezingen natuurlijk wel schudden.              Een beetje regering  heeft belangrijker zaken aan het hoofd. Die moet natuurlijk scoren met het openlijk wegwerken van die verdomde kleine keutelaars die hier niet thuishoren. Anders wordt het natuurlijk een enorme bende.

Nu hadden we weer die twee uit Armenië. Hun moeder was al weggewerkt. Die is daar, met geweld van haar kinderen gescheiden helemaal het Noorden kwijtgeraakt en ze zit nu in een inrichting voor mensen die onherstelbaar in de war zijn geraakt. Goed werk van onze regering denk ik: iemand wegsturen die je niet kent, van haar kinderen scheiden, zodat ze er helemaal gek van wordt. Tja, dan moeten ze het maar niet proberen. En dan die kinderen. Twaalf en dertien zijn ze nu en ze zijn hier nu tien jaar. Als je niet beter weet lijken ze gewone Nederlandse kinderen, want dat brabbeltaaltje van dat land waar ze ooit geboren zijn, dat kennen ze helemaal niet. ‘Toch terug naar huis,’ we moeten ferm optreden tegen deze mensen… eh… ik bedoel kinderen, natuurlijk,’ is het regeringsstandpunt.

Met rode konen zaten ze bij elkaar in Den Haag. Zei de een: ‘we maken op deze manier wel een verdomd onmenselijke indruk.’ Zei de ander: ‘doet er niet toe man. Zie je dan niet dat de populisten steeds meer terrein winnen en als dat gebeurt kunnen wij wel inpakken, daar gaat het om.’                                                                                          Zei die ander weer: ‘nee, sorry, ik begreep je even verkeerd. Ik dacht even dat het om die kinderen ging, maar het gaat natuurlijk om ons. Nogmaals sorry, mijn fout.’

Nu heb ik begrepen dat ze toch maar van mening veranderd zijn, daar in Den Haag, om dat ze merkten dat er een sterke stroming begon te ontstaan die nog sterker was dan het populisme. Tja, je bent natuurlijk een heel slechte democratisch gekozen regeerder als je niet reageert op de wens van het volk. Bovendien moet je nooit vergeten dat het pluche waarop je zit het beste met je eigen op macht beluste reet warm gehouden kan worden.

Er zijn zo’n driehonderd van dit soort gevalletjes die echt uitgezet moeten worden. Reken even mee: driehonderd op de ruim zeventien miljoen. Dat is… even rekenen hoor… O wacht, rekenmachine erbij. Ja, dat is niet gering dat is 0,001764705%. Iets minder dan twee duizendste procent van de bevolking. Lekker belangrijk. Daar kun je als landsbestuurder probleemloos mee scoren, vooral als je erin getraind bent je ogen te sluiten voor menselijke ellende.

Snel, sneller, snelst

Een gevoelig onderwerp, ik geef het toe, maar ik ga er toch een stukje over schrijven op gevaar af over te komen als de oude man die ik nu eenmaal geworden ben. Wat mij in elk geval opvalt is dat op elk terrein snelheidswinst het belangrijkste item lijkt te zijn. Zo moeten de elektronische communicatiesystemen – ja, inderdaad, de computers – steeds sneller worden en steeds meer dataopslag te krijgen, waarbij die data blijkbaar steeds sneller gecombineerd en verwerkt moeten kunnen worden.                               Nu kan ik me voorstellen dat wetenschappers en administrerende bedrijven daar baat bij hebben, maar ik niet. Ik gebruik mijn computer om af en toe een betaling te doen en daarbij kan het me echt niet schelen of het bedrag nu vandaag of pas morgen daar aankomt waar ik het naar toe heb gestuurd. Ook gebruik in mijn computer om te schrijven. Wie regelmatig mijn blogs leest weet in elk geval dat ik mij nooit sterk heb gemaakt voor meer snelheid of meer opslagcapaciteit. Lettertjes nemen in het computergeheugen niet overdreven veel ruimte in, dus wat ik met terabytes aan geheugen moet zou ik niet weten. Als ik alles wil volschrijven wat ik nu nog aan geheugenruimte heb moet ik de komende twintig jaar 24 uur per dag doorschrijven ( ik tik met maar twee vingers).                                                                                                Nu begrijp ik wel dat de fabrikanten het verkopen het gemakkelijkst afgaat als ze elke keer iets nieuws te bieden hebben, maar wat de laatste tijd blijkbaar een beetje zoek begint te raken is het onderscheid tussen features en benefits.                                        Wat zeg je, ben je dat ook een beetje vergeten?                                                                Ik leg het uit: de features van een ding, wat het ook is, zijn de opsomming van wat het ding allemaal kan. De benefits zijn altijd voor iedereen die iets aanschaft persoonlijk namelijk wat je eraan hebt, of het voor jou nuttig is.                                                            En nu moet je voor de aardigheid eens kijken naar de features van een paar zaken vol modern technisch vernuft die je recentelijk hebt aangeschaft. En vergelijk dat nu eens met wat je ervan gebruikt. Tien tegen één dat je meer dan de helft niet gebruikt, maar je hebt er wel voor betaald, omdat het ding zoveel kon.

Snel, sneller snelst is in het hele leven doorgedrongen. Weet je nog dat je vroeger op de fiets naar school ging? Altijd had je zowel op de heen – als op de terugweg wind tegen. Dus je spaarde en met je verjaardag kreeg je er nog wat bij en dan kocht je een fiets met versnellingen. Daarmee kon je met wind mee onverantwoord hard rijden, maar het ging lekker, tot je een keer noodlottig met iets in aanraking kwam dat weinig meegaf, waarna je pas drie maanden laren weer op je inmiddels gelukkig gerepareerde fiets kon stappen en intussen beter begrepen had waarvoor die versnellingen nu waren.

Welnu, ook in de fiets heeft de immer gretige industrie het aanbieden van steeds weer nieuwe features doorgevoerd. Eerst waren het de oudere mensen wier conditie het niet meer toeliet dat ze op de fiets aan het verkeer deelnamen die de motivatie vormden voor de fiets met elektrische trapondersteuning. Inderdaad, voor die mensen is het misschien een zegen, want in de fietstas gaan meer en zwaardere boodschappen dan wanneer je met die zware volle tas moet lopen, omdat je niet meer genoeg kracht hebt om te fietsen.                                                                                                                    Goed dan, voor de wat krachteloos wordende mens die nog wel in staat is om het overzicht in het verkeer te houden en die ook op twee wielen zijn evenwicht nog kan bewaren is de ‘elektrische fiets’ misschien een zegen. Mensen die niet lijden aan krachtverlies en die toch zo’n fiets kopen moeten er echter rekening mee houden dat hun prestatievermogen snel terugloopt omdat ze zich bij het fietsen noch nauwelijks hoeven in te spannen. Ik spreek uit ervaring moet ik helaas zeggen. En het is natuurlijk niet klaar, want de fabriek Nooitgenoeg gevestigd te Handelismooi brengt nu forensenfietsen. Met heel weinig inspanning kun je met een gangetje van rond vijfenveertig kilometer per uur de afstand naar je werk binnen een straal van rond dertig kilometer gemakkelijk binnen een uur overbruggen. Hartstikke gezond man, lekker buiten. Natuurlijk ben je niet getraind op die hoge snelheden, dus als het even mis gaat dan breek je tenminste serieus wat botten. Bovendien hoort niemand je ook nog aan komen dus heb je een beste kans om tegen die slome sukkels aan te rossen.                Als je op je scootertje zou gaan dan horen ze in elk geval nog, maar dan vervuil je natuurlijk weer de lucht.

Vaak moet ik nog denken aan die jongens en meiden die van Texel en van Wieringen naar onze HBS in Den Helder kwamen. Elke dag op de fiets. Een rot end weg vonden wij altijd, maar die gasten waren nooit ziek. Volgens mij horen er geen features en wel heel veel benefits bij gezonde inspanning.

Tocht

Warm is het op het ogenblik in ons landje, zo warm dat er hier en daar al mensen aan bezwijken. Was het ooit eerder zo warm en zo lang achter elkaar? Ik heb het eigenlijk niet bijgehouden, de meeste mensen niet, vermoed ik. Af en toe hoor ik wel berichten dat het  niet eerder zo lang droog is geweest, betrouwbare berichten, dat weet ik zeker, want er zijn mensen die dat soort zaken professioneel bijhouden. Ik niet, ik leef bij de dag als het om het weer gaat. Overigens moet ik zeggen dat ik gezegend ben met een lichaam dat glimlachend warmte, kou, regen, storm en noem maar op verdraagt, nou ja, bijna dan. Eigenlijk is er qua weer maar één ding waaraan ik een beetje een broertje dood heb als ik buiten ben en dat is de combinatie met droog weer en storm en dan op het strand zijn. Dat je daar gezandstraald wordt en dat het alleen enigszins te verdragen is als je met de wind mee loopt, maar dat je helaas ook weer terug moet. Maar verder? Nee hoor, doe maar met dat weer. Ik vind alles best.

Oh ja, er is binnenshuis – ja wat heeft dat nou met het weer te maken – ook nog een omstandigheid die ik buitengewoon onaangenaam vind, een omstandigheid die echt mijn humeur volledig kan bederven: tocht! Echt afschuwelijk vind ik dat. Tocht is wind, maar wind hoort buiten, niet binnen. Tocht vind ik een reden om rond te gaan draven en alles potdicht te doen. Wonderlijk trouwens dat dit soort prikkelgevoeligheden heel ver in je leven terug kunnen gaan.

Ik was nog maar een jaar of vier toen we terugkeerden van ons evacuatiedorp, Schagerbrug,  naar Den Helder. Voor de rest van de nog steeds voortdurende tweede wereldoorlog verbleven we bij Opa en Oma Slot in de Van Hoogendorpstraat. Oma was een ouderwetse huisvrouw. Samen met tante Tetje, de jongste zus van mijn moeder moest altijd alles gepoetst, afgestoft, geschrobd, uitgeklopt en noem maar op. Heel vaak stonden dan de voordeur zowel als de achterdeur open en dan waaide het in huis. ‘Het trekt Pee,’ zei Oma dan. Daar had ik echt een hekel aan want je was dan binnen niet echt binnen, want binnen hoort het niet te waaien. Gek eigenlijk dat ik me daar als kind al zo druk om maakte en dat ik dat nog steeds doe.

Buiten in de wind, in de storm voor mijn part, prima! Binnen met de deuren tegen elkaar open om bijvoorbeeld even de pannenkoeken baklucht te verdrijven, ik ga wel even naar boven achter mijn computer zitten. Of, het is smoorheet in huis – ik vind dat wel lekker – en er moet zo’n ventilator heen en weer staan te zwaaien met kunstmatige verkoelende wind. Niet voor mij. Als ik wind wil ga ik wel naar buiten.                            Af en toe denk ik wel eens: hoe komt dat toch, waar heb ik dat van?                              Ik krijg geen enkel beeld voor me bij die vraag.                                                                  Misschien heeft het iets te maken met een huis dat kapot is…was?                                Ik zie geen beelden, maar ik voel het nog steeds.

Knielen voor BigFarma

‘Jaaa,’ werd er gejuicht in de gebouwen van de Amerikaanse multinational Biogen. Er was een kindermedicijn ontwikkeld voor kinderen met een heel zeldzame dodelijke ziekte: SMA (Spinale Musculaire Atrofie). Die kinderen zullen jong sterven na een dramatisch leven, waarin hun spieren steeds minder kunnen tot tenslotte hun nog veel te jonge hartje er ook mee stopt.                                                                                        Wanhopige, diep bedroefde ouders die tot alles bereid zijn als hun kindje maar mag blijven leven. Eerlijk gezegd – en wie mijn blogs vaker leest weet dat – ben ik een ervaringsdeskundige als het gaat om het verliezen van een kind, want mijn Katinka stierf na een lange lijdensweg op zesendertigjarige leeftijd aan de taaislijmziekte. Toen waren er nog geen middelen die echt effect hadden. Later kwam er een middel op de markt dat toen waanzinnig veel geld moest kosten. Onderhandelingen met de fabrikant brachten het idioot hoge winstpercentage van de fabrikant een beetje omlaag. Overigens bleek het middel de gezondheid van mijn tweede dochter met de zelfde nare erfelijke aandoening alleen maar te verslechteren, maar dit terzijde.

De farmaceutische jongens zien maar geen kans die dollartekens uit hun graaierige geesten te krijgen. Blijkbaar zijn ze van mening dat zieke mensen een ideale business opportunity zijn en niet meer dan dat. De bruikbaarheid van antibiotica hebben ze met hun ramsj-praktijken van obsolete middelen in derde wereldlanden al vroegtijdig naar de gallemiezen geholpen, zodat we nu weer wereldwijde infectie uitbraken moeten vrezen. Maar klaar met graaien zijn ze natuurlijk niet. En er bestaat natuurlijk geen betere drijfveer om mensen naar je wanstaltig dure producten te leiden dan de natuurlijke angst voor ziekte en dood die ons allen ingebakken lijkt te zijn.

Terugkomend op een van de nieuwste inkomensbronnen van Big Farma, het middel ‘Spinraza’ voor kinderen met SMA. Volgens de fabrikant moest het middel in het eerste jaar tweehonderdduizend eurootjes kosten. In de volgende jaren zou het dan voor de helft kunnen. Je begrijpt dat de ouders van die in rap tempo achteruit gaande kinderen in wanhoop de haren uit het hoofd trokken en als het kon alles wat ze hadden te gelde maakten om het knielend en smekend aan voeten van de grijnzende farmaceut te leggen. Sommige van die ouders kregen het niet voor elkaar. Bij radar op de tv vertelden ze dat. Konden we allemaal verontwaardigd meehuilen.

Nu is onze minister Bruins van volksgezondheid met zijn Belgische collega samen naar de fabrikant van Spinraza gegaan, Biogen, om te onderhandelen. En raad eens wat, ze hebben iets van de prijs afgekregen en het middel mag nu in het basispakket van de verzekeraars.                                                                                                                      Wat ze eraf hebben gekregen?                                                                                          Nou, dat zit zo: dat mogen ze niet zeggen, dat is deel van de afspraak met Biogen.      Ik weet niet hoe het jou vergaat, maar deze farmaceutische wisseltruc stinkt wat mij betreft weer vele malen erger dan stront.

 

Kijk uit

Het is al weer ruim tien jaar geleden, denk ik.                                                          ‘Vreemd,’ dacht ik.                                                                                                              Buiten op de stoep voor ons huis stond ik en ik keek naar de lantaarnpaal die voor het huis van de buren stond. Ik kneep mijn linkeroog dicht en ik keek naar die paal. Wat ik zag verbaasde me. Ik wist heel zeker dat het een keurige rechte lantaarnpaal was, maar volgens het beeld dat ik met mijn rechteroog waarnam zat er een vreemde bocht in die paal. Die bocht zag ik niet als ik met mijn linkeroog keek en ook niet als ik met twee ogen keek. Ik dacht: ‘ach, manneke toch, je bent halverwege de zestig. Het zou helemaal niet vreemd zijn als je last van staar hebt.’                                                        Dat gedacht hebbende maakte ik een afspraak bij Zonnestraal, het oogziekenhuis in Hilversum. Toen bevond het ziekenhuis zich ook inderdaad nog op het oorspronkelijke landgoed Zonnestraal.

Er was een wat oudere arts, nou ja, van mijn leeftijd denk ik. Hij keek mij diep in de ogen met behulp van allerlei onbegrijpelijke flitsjes en gekleurde streepjes en zei toen: ‘Ja, een heel klein beetje staar heb je wel, maar dat is nog nauwelijks de moeite waard en dat veroorzaakt ook niet het probleem.’                                                                        ‘O, maar wat veroorzaakt dan die kronkel in de verticale lijnen?’ vroeg ik.                        ‘Je hebt een macula pucker,’ zei hij met een geheimzinnige blik in zijn ogen.                Nou, je begrijpt dat mijn wenkbrauwen omhoog schoten. Macula, dat wist ik wel, dat is de gele vlek. Het gebiedje achter in je oog waarmee je scherp ziet, maar pucker? Geen idee.                                                                                                                                    ‘Luister,’ zei de dokter en er verscheen een uitdrukking op zijn gezicht die duidelijk moest maken dat het nu ineens menens was, ‘een pucker is een kreukel in het vliesje dat over je gele vlek ligt. Dat kunnen we niet zo laten, dat moeten we weghalen anders ontstaat er een gat in de macula en wordt je blind aan dat oog.’                                    Daar schrok ik nogal van. Want ja, als zo’n specialist zoiets tegen je zegt, dan moet je wel luisteren, want anders…

De operatie werd uitgevoerd door een heel kundige Italiaanse oogarts in het AMC ziekenhuis. Het duurde alles met elkaar een uur of twee, waarvan het eerste uur gebruikt werd om steeds weer druppels in mijn oog te laten vallen die er voor zorgden dat er helemaal geen gevoel meer in zat. Toen werd ik naar een kleine operatiekamer gebracht en moest ik een lange tijd doodstil liggen. Dat begreep ik natuurlijk wel, want je wilt natuurlijk niet meemaken dat zo’n oogchirurg uitschiet en dat hij dan per ongeluk de helft van het kleine beetje verstand dat achter dat oog zit weg haalt.                            Ik moet zeggen dat ik er op enkele kleinigheden na niets van heb gevoeld. Wel hoorde ik voortdurend een heel hoog gierend geluid, alsof er een klein stofzuigertje bezig was om mijn gekreukelde vliesje weg te zuigen.                                                                        Het was trouwens druk in die kleine operatiekamer. Ik denk dat die knappe Italiaanse oogarts al zijn mooie coassistenten had uitgenodigd om hem als grote meester aan het werk te zien. En passant had ik ook gevraagd om een staarlensje te plaatsen als de boel toch open lag. Dat werd verstandig gevonden want, zeiden ze, als je in een oog gaat rommelen dan versneld dat onbedoeld het troebelen van de lens.

De volgende dag was – laat ik eerlijk zijn – de dag van de grote meevaller. Ik kon kijken met dat oog. Het was tamelijk anders, maar ik dacht: ‘niet zeuren, dat trekt wel bij.’ Welnu, dat laatste is niet het geval. De vervorming van het beeld in mijn rechteroog is en blijft helaas letterlijk aanzienlijk.

Nu heeft zich echter door de tijd heen bij mij een nieuw probleem ontwikkeld, een andere oogaandoening, glaucoom of groene staar. Die aandoening ontstaat als de vochtdruk in de oogbol te hoog is, waardoor de zenuwcellen waarmee je kijkt langzaam van buiten naar binnen afsterven. Er ontstaat dan een groenachtige kleurverandering in het vocht in de oogbol. Vandaar de naam ‘groene staar’. Mijn goede, linkeroog heeft een prachtige lage oogboldruk. Bij het geopereerde rechteroog loopt die druk al jaren steeds weer op tot bedenkelijke hoogten. Ik begin met dat rechteroog ook steeds slechter te zien. Dat is natuurlijk behoorlijk vervelend en ik troost me met de gedachte dat ik gelukkig twee ogen heb, maar leuk is anders.

Ik ging dan maar weer terug naar Zonnestraal en vroeg de ogenjongens – en meisjes hoe dat nou toch komt dat in dat geopereerde oog de druk steeds oploopt. ‘Dat weten we niet,’ zeggen ze dan. En als je dan oppert dat het misschien wel het gevolg is van die pucker operatie of je vraagt bijvoorbeeld – wijsneus die je bent – wat dan de vervangende oogbolvloeistof was die er na de operatie in ging om de bol weer te vullen en op de normale spanning te brengen, dan zeggen ze dat het gewoon water was en dat je lichaam dat al lang heeft ververst en vervangen door lichaamseigen vloeistof. Tja, maar waarop ik nog steeds geen antwoord krijg is de vraag waarom mijn lichaam dan toch voortdurend denkt dat er meer vloeistof bij dat rechter oog moet. En dan kan ik eigenlijk maar één ding bedenken: het meet – en regelsysteempje dat de oogboldruk moet regelen en stabiliseren is bij die goedbedoelde pucker-operatie beschadigd. Maar ja, Ik ben natuurlijk geen oogarts.                                                                                        Wel lijkt het onderwerp mij voor een wetenschappelijk geïnteresseerd aankomend ogendoktertje een heel aardig onderwerpje om op te promoveren, als in de dissertatie tenminste een bruikbare – en afdoend getoetste oplossing wordt aangedragen.

Vanmiddag ga ik maar weer eens laten meten of de oogdruppeltjes die ik nu weer moet gebruiken alweer in voldoende mate de explosie van het oog weten te verhinderen, want ja, als je maar blijft pompen dan knapt zo’n bal op een gegeven moment.              Onzin natuurlijk maar goeie hemel wat een raar gezicht zou dat zijn.

 

Peter P. van Oosterum

Ziek geconcurreerd

Zorg Nu stuurt berichtjes over actuele zaken die de gezondheidszorg betreffen.             Deze keer lees ik dat er ongelooflijk veel mensen met chronische aandoeningen last hebben van het zogenaamde preferentiebeleid. Waar gaat het hier nu om? Eigenlijk om narigheid uit een hoek van waaruit je het niet zou moeten kunnen verwachten. De ziektekostenverzekeraars – nee, niet slechts één, maar allemaal – bepalen bij welke producent de apotheek medicijnen mag inkopen. Een beetje krom zou je op het eerste gezicht zeggen, want de arts of specialist schrijft toch voor welk medicijn moet worden gebruikt? Stil nou maar, want dat is ook zo. Die arts doet het zo goed als hij kan. Zo is hij bijvoorbeeld goed geïnformeerd over de werking van alle relevante medicijnen die voor zijn vakgebied beschikbaar zijn. De oorspronkelijke fabrikant heeft die informatie verstrekt. Bedenk daarbij dat de geneesmiddelinformatie altijd handelt over de zogenaamde inhoud-stof – of stoffen. Die inhoud-stoffen kunnen natuurlijk niet zomaar puur aan de patiënten worden gegeven. Met micro precisie wordt de werkzame stof afgewogen en vervolgens wordt er met behulp van zogenaamde ballaststoffen een pil van gemaakt. Die laatste stoffen worden geacht geen invloed op de werking van het medicijn te hebben. Natuurlijk is er de oorspronkelijke fabrikant veel aan gelegen een goed en nauwkeurig werkend medicijn te leveren.

Los van alle bijwerkingen die veel medicijnen nu eenmaal hebben, hebben we tot zover te maken met het optimale resultaat wat de westerse geneeskunde kan leveren.               Waar gaat het dan mis? Waar zitten dan de lieden die de boel in de war schoppen, met de resultaten van jouw dokter knoeien? Goede vraag!

Laat ik maar beginnen met te zeggen dat het geknoei openlijk gebeurt. Sedert de marktwerking zijn intrede in de geneeskunde heeft gedaan is heel veel niet alleen duurder, maar ook slechter geworden. De verzekeraars bepalen tegenwoordig wat een medicijn mag kosten. Het gevolg is dat malafide bedrijven een heleboel medicijnen gaan namaken om ze tegen een lagere prijs aan te bieden. Natuurlijk probeert de oorspronkelijke fabrikant ook mee te komen in de strijd, maar door het gebruik van productie in arme landen, zoals India, waar milieueisen nauwelijks bestaan en door het gebruik van goedkopere ballaststoffen valt de keus van de verzekeraars vaak op de goedkope troep in plaats van op betrouwbaar en onder streng toezicht geproduceerde medicijnen.

 Wat is er dan met die ballaststoffen? Ach het is eigenlijk heel eenvoudig. De juiste ballaststoffen hebben geen werking of ze versterken zelfs de werking van de inhoud-stof (dat laatste is overigens voornamelijk bij natuurlijke medicijnen het geval). Goedkopere ballaststoffen kunnen daarentegen interacties met de inhoud-stof vertonen of bij een kleine groep mensen allergische reacties opwekken. ‘Ach,’ zegt de Indiase fabrikant, ‘bijna niemand heeft er last van. Ze moeten niet zo zeuren.’ ‘Ach,’ zeggen de ziektekostenverzekeraars, wij geloven dat het nogal meevalt. Ze moeten niet zo zeuren. Bovendien is het zo goedkoper en daar gaat het ons om.’

 Bijna een kwart van de chronische patiënten die gedwongen worden op een ander (goedkoper) merk medicijnen over te gaan vraagt medisch onderzoek ten gevolge van de plotseling opduikende bijwerkingen.

 Luister: je arts wil dit niet. Die wil dat jij als patiënt je goed voelt als je eenmaal goed op een behandeling met een medicijn bent ingesteld. Maar je arts heeft er nu geen moer meer over te vertellen. De verzekeraar die druk bezig is met geld verdienen om zijn aandeelhouders tevreden te houden, die bepaalt welke goedkope meuk je nu weer door de strot geduwd krijgt. Het marktstelsel in de zorg heeft ervoor gezorgd dat de kwaliteit achteruit holt en de gelden terecht komen bij brutale graaiers die gesteund worden door heel veel uitgekookte juristen.

Bah, het zal mij benieuwen hoelang het duurt voordat ziekenhuizen, apotheken en artsenposten gaan stinken, omdat de verzekeraars hebben bepaald dat de schoonmaak wel goedkoper kan.

 

Zorg(elijk)

In de krant lees ik dat de jaarlijkse rondedans inclusief alle beschuldigende wijsvingers rond de zorgkosten weer is begonnen. Erbarmelijk om jaar in jaar uit die kosten omhoog te zien gaan, terwijl je op je klompen aanvoelt – en met je simpele boerenverstand kunt zien dat we gewoon bestolen worden.                                              Het ogenschijnlijke centrum, waar de verantwoordelijkheid officieel moet liggen is natuurlijk onze regering. Als we echter jaarlijks de ontwikkelingen volgen dan lijkt het erop dat diezelfde regering probeert zoveel mogelijk mist gordijnen op te trekken (rookgordijnen mogen natuurlijk niet meer). Dus, even voor de duidelijkheid: de regering bij monde van het ministerie van volksgezondheid draagt de verantwoordelijkheid voor het in de hand houden van de zorgkosten.

Ik heb werkelijk geen idee hoeveel ambtenaren op dat ministerie dagelijks present zijn en nog minder van wat ze doen. Blijkbaar hebben ze het erg druk, want voor de onderhandelingen over juist die zorgkosten hadden onze regeerders de Nederlandse Zorgautoriteit in het leven geroepen. Blijkbaar was het onderwerp te moeilijk voor de minister en al die ambtenaren. Het resultaat, zo las ik in die zelfde krant is dat er nu volgend jaar twee miljard extra in de zorg moet worden gepompt. Ja, ja, je leest het goed, er staat tweeduizend miljoen extra.                                                                          Nu zijn ze in Den Haag net uit hun winterslaap en hebben ze besloten dat die (natuurlijk vet betaalde) Nederlandse Zorgautoriteit maar niet meer over de kosten moet gaan. Vermoedelijk zullen er enkele medewerkers moeten afvloeien met al even vermoedelijk een riante afvloeiingsregeling. Bij volksgezondheid zien ze dit als een bezuiniging.          Nou, dan weet ik er nog een paar:

Begin maar eens alle managers die geen medische of verpleegkundige taak hebben te ontslaan (geen riante wachtgelden, maar sollicitatieplicht. ( Ik hoop dat ze ook nog iets anders kunnen dan tegen andere mensen roepen wat ze moeten doen)

Weiger alle idioot dure medicijnen te betalen, maar maak ze na. De Amerikaanse advocaten die je dan op je hals haalt zijn bijna allemaal dieven die op eigen voordeel uit zijn. Onze rechters zullen dat na rijp beraad bevestigen, zodat die dames en heren terug kunnen naar de Trumpzone gekleed in pek en veren.

Houd op met het steeds weer bouwen van nieuwe ziekenhuizen. Het is niet nodig en je bent alleen maar bezig de corrupte bouw – en toeleverende industrie te bevoordelen. Laat die lui in plaats  van peperdure ziekenpaleizen maar zoveel mogelijk betaalbare huizen voor gewone mensen bouwen. dan heb je meteen veel meer gelukkige mensen die dientengevolge ook minder vaak ziek worden.

Zorgverzekeraars die winst moeten maken om hun aandeelhouders tevreden te houden moeten geweerd worden. Winst op zorg maakt dat er zorgvraag wordt gecreëerd.

Als we er nu op een mooie voorjaarsdag in slagen de bovenstaande dingetjes even te regelen, dan kunnen de premies vermoedelijk met meer dan een derde naar beneden.

Ach, nou vergeet ik bijna het belangrijkste. De minister van volksgezondheid moet een zinnetje paraat hebben en ook vol overtuiging kunnen roepen naar alle aanbieders. Ik stel het volgende zinnetje voor: ‘Nee, flikker op, je probeert nog steeds alle Nederlanders op te lichten. Kom terug als je een redelijk aanbod hebt en anders… voor jou een ander!’

Ik zie het voor me, weet je. Hier word ik nou helemaal warm van.