Allemaal Braaf?

Krijg jij nou ook zo vreselijk de pest in als je jaar in jaar uit moet meemaken dat gelegenheden als de nacht van 31 december op 1 januari – of trouwens ook, zij het op kleinere schaal, een voetbalwedstrijd tussen sommige clubs – tot uitzinnige vernielzucht leiden? Ik word daar echt woedend van. De stomdronken razernij die als een allesverwoestende tornado door steden trekt en dat we dan roepen dat het mee is gevallen als er slechts vijf bushokjes zijn vernield en dat er maar vier personenwagens na het moedwillig in brand steken in schroot zijn veranderd. Mij lijkt het eens interessant om er eens en voor altijd achter te komen welke mentale mechanismen optreden bij de kennelijk aanstekelijke groepsprocessen die te zien zijn bij vernielzucht als bij bovengenoemde gelegenheden en hoe die te beïnvloeden zijn.

Nu ben ik het er wel mee eens als mensen zeggen dat een samenleving waarin nooit iets mis gaat slaapverwekkend is en misschien zelfs het predicaat “strontsaai” verdient. Maar toch denk ik dat het aardig zou zijn als vlak voor – en ter voorkoming van het uitbreken van massale vernielzucht er zou kunnen worden ingegrepen met middelen die het opvlammen van de schadelijkste processen in de voornamelijk jeugdige koppen dempen.

In het laatste hoofdstuk van mijn sciencefictionroman ‘Het Komodo Project’ laat ik de totale vernietiging plaatsvinden van een groot farmaceutisch bedrijf. Dat bedrijf heeft in opdracht van een machtsbeluste generaal een stofje ontwikkeld waarmee mensen elke lust of behoefte aan agressie wordt ontnomen. Minuscule sporen van deze stof in de atmosfeer zorgen ervoor dat een heel volk zich niet verzet als een vijandelijk bezettingsleger gewoon binnenloopt en de macht overneemt. Doden en gewonden zijn er niet. Er wordt gewoon niet gevochten. Natuurlijk heeft het hele bezettende leger voor de zekerheid een stofje binnen gekregen die de werking van die eerste stof tegen gaat. Een zeer verwerpelijke gedachte die sommige machthebbers op deze wereld met een uitgesproken neiging tot vals spelen maar al te graag zouden steunen.

Weet iemand zich nog te herinneren hoe groot commotie was die ontstond toen bekend werd dat men Fluor aan het drinkwater wilde toevoegen om een overmaat aan tandbederf tegen te gaan. Het was toen bijna oorlog geworden, want als je verdorie nog aan toe al jaren een vals gebit in je mond had, wat moest je dan met dat verdomde Fluor. Er kwamen tankwagens met Fluor-loos drinkwater want ja, men was even vergeten dat niet alle ingewanden even prettig met de aanwezigheid van Fluor in het drinkwater omgaan. Ik weet niet meer hoe lang die strijd heeft geduurd, want het is al bijna vijftig jaar geleden.En evenmin weet ik of er nu tegenwoordig wel of geen Fluor aan ons drinkwater wordt toegevoegd. Een toevoeging aan het drinkwater, al dan niet tijdelijk, kan natuurlijk een tamelijk ingrijpend effect hebben.

Ja zeg, wat krijgen we nou. Ik hoor de menigte brullen. Ben je helemaal gek geworden? Wil je met het drinkwater gaan knoeien? Nee hoor, ik wil helemaal niks, want ik ga daar niet over. Ik ben alleen maar een eenvoudige dromer en fantast die rustig in zijn eigen hoekje droomt over een wereld zonder vernielzucht, zonder geweldsdelicten en onherstelbare gewonden tijdens gebeurtenissen die bedoeld zijn als een feest.

Er is een tijd geweest – ik denk ook alweer jaren geleden dat er in bepaalde milieubewuste kringen veel verdachtmakingen werden geuit over zogenaamde chemtrails. De uitlaatgassen van vliegtuigen zouden volgens die verdachtmakingen gebruikt kunnen worden om bepaalde gedrag-beïnvloedende stoffen in de atmosfeer te verspreiden. Het lijkt mij zomin technisch als fysiologisch niet ondenkbaar of onmogelijk. Of het gebeurt of gebeurd is weet ik niet. Veel dingen op onze wereld gebeuren stiekem om ingrijpen of in opstand komen van “de gewone man” te voorkomen. Daar zullen overigens soms ook nuttige dingen tussen kunnen zitten.

Jaarlijks overlijden veel mensen door medicijnvergiftiging. Het ten naaste bij getal zag ik laatst ergens staan, Het was wat mij betreft een angstaanjagend groot getal en er stond ook bij – maar dat weet iedereen langzamer hand wel – dat een belangrijke oorzaak te vinden is in het feit dat de bestuurders van de farmaceutische bedrijven de economen zijn en niet de medische wetenschappers. Daardoor is er bij die directies vaak meer interesse in winst dan in gezondheid.

Nou kijk, bij die jongens moeten we nou zijn. Ze zijn al gewend om veel dingen verborgen te houden, ze zijn al gewend om met onderzoeksresultaten te knoeien als de gewenste resultaten uitblijven en de troep nodig de markt op moet omdat anders de concurrent je voor is. Mij lijkt een leuke wereldwijde uitdaging voor deze grootverdieners een paar stofjes met een werking van beperkte duur te ontwikkelen die gemakkelijk aan het milieu of het water kunnen worden toegevoegd, voor slechts enkele dagen natuurlijk en die een prettige apathie veroorzaken die na de feestdagen volledig wegtrekt. Een verdienkans die elk jaar – en misschien wel vaker – terugkomt. Ja, stiekem natuurlijk…

Trouwens, weet jij eigenlijk precies wat er allemaal aan ons drinkwater wordt toegevoegd, of wat we met de lucht die we ademen mee binnen krijgen? Nee? Ik ook niet hoor, maar daarom denk ik soms wel eens: If you can’t beat them, join them!

Mondje olie

‘Je kunt het beste een spijsolie nemen die van zichzelf weinig of geen smaak heeft,’ zei ze, de arts die mij deze uiterst simpele methode leerde. Ze had geneeskunde gestudeerd in Heidelberg in Duitsland en daarna was ze werkzaam geweest op plaatsen waar ik zo snel niet opgekomen zou zijn. Zo was ze een poos de huisarts geweest op het Italiaanse vulkaaneilandje Stromboli. Ik wist niet eens dat daar mensen woonden. Ook had ze in het toenmalige Oostblok gewerkt. Daar had ze de eenvoudige en uitermate effectieve ontgiftingskuur geleerd waarover ik nu dit stukje schrijf.

Overigens vraag ik me op dit moment af waarom ik deze methode hier niet eerder heb beschreven. Mijn lezers zouden met enigszins opgetrokken wenkbrauwen wel eens kunnen zeggen: ‘Nou Peter, dat had je ons wel eens eerden mogen vertellen.’ Maar goed, ik vertel het nu.

Veel van onze lichamelijke klachten blijken te maken te hebben met restanten van zware metalen die we ongewild binnen krijgen. Denk dan aan metalen als Cadmium, Kwik, Lood, Arseen, Tin. Hoe krijgen we die stoffen dan binnen? Wel, op heel veel niet te vermijden manieren. De lucht die wij ademen in onze geïndustrialiseerde wereld zit er vol mee, maar ook ons voedsel bevat vaak sporen van zware metalen. En niet te vergeten een van de meest kwalijke vervuilingsbronnen, tabaksrook. Weliswaar worden voedingsmiddelen doorgaans gekeurd en wordt erop gelet dat bepaalde concentraties niet worden overschreden, maar soms help dat niet omdat een flink aantal van de boosdoeners “stapelen” in ons lichaam. Ze komen dus binnen in ogenschijnlijk kleine en zogenaamd veilige hoeveelheden, maar we raken ze niet kwijt.

Aha, hoor ik mensen denken. Die ongewenste zware metalen moeten dan toch in het bloed terug te vinden zijn. Ja, dat is ook zo, maar wel in die ogenschijnlijk veilige concentraties. Zodanig lage concentraties dat je zou denken, ach dat valt wel mee. Maar daar zit nu de vergissing. Ons lichaam is een buitengewoon ingenieus systeem waarin het bloed het voornaamste transportmiddel is. De kwaliteit en de samenstelling van het bloed wordt nauwkeurig bewaakt door een automatisch systeem dat homeostase wordt genoemd. Het komt er dus op neer dat er in het bloed niet vaak grensoverschrijdende waarden van zware metalen gemeten kunnen worden. Vaak moet dan ook aan de hand van een weefselmonster of biopt worden vast gesteld dat er verhoogde concentraties zijn. Maar ook is er natuurlijk de lange lijst van symptomen die kan wijzen op de verhoogde aanwezigheid van zware metalen in het lichaam.

Voor enkele zware metalen wil ik hier een paar indicaties geven.

  1. Lood (vroeger in alle waterleidingen en in de uitlaatgassen van het verkeer) veroorzaakt schade aan het zenuwstelsel en de bloedsomloop. Het kan leiden tot ernstig krachtverlies en zelfs verlamming.
  2. Kwik (komt voor als een van de doorgaans 5 metalen in het amalgaam dat sommige tandartsen nog gebruiken voor vullingen in het gebit) van dit soort vullingen komen zeer langzaam kwikverbindingen vrij die onder meer in de lever worden opgeslagen. Kwikzouten kunnen nadelige effecten hebben op hersenen en longen en de coördinatie (evenwicht!)
  3. Cadmium (komt voor in veel verbrandingsgassen en zeker in tabaksrook) kan een oorzaak van longkanker zijn en van maag-darm klachten.

Veel meer van deze stoffen en chemische verbindingen zijn er, maar de hier genoemde zijn prominent genoeg om er graag vanaf te willen als je lichaam verschijnselen vertoont die de aanwezigheid van één of meer van deze metalen doen vermoeden.

Eigenlijk wel weer een beetje een rampverhaal realiseer ik me nu. Al die gevaarlijke troep die je ongevraagd binnen krijgt en die je gezondheid en je levensgeluk bedreigt. Deze blog schrijf ik echter om een methode te tonen die goedkoop en effectief blijkt te zijn om veel van de belasting met zware metalen kwijt te raken. De titel van dit stukje vormt de samenvatting.

In de mond, onder de tong is de huid heel dun en er stroomt veel bloed doorheen. Van dat feit wordt gebruik gemaakt bij de toediening van sommige medicijnen die je alleen maar onder te tong hoeft te leggen om ervoor te zorgen dat ze worden opgenomen. Die sublinguale huid, de huid onder de tong, maakt het mogelijk om niet alleen stoffen rechtstreeks in de bloedbaan te brengen, maar ook om stoffen uit het bloed te verwijderen. Dan moet die huid echter wel in aanraking zijn met een stof die gemakkelijk kleine beetjes van die zware metalen opneemt. Zo’n stof is bijvoorbeeld zonnebloemolie.

Om de methode met de olie toe te passen moet je het volgende goed begrijpen: van de zware metalen die je graag kwijt wilt zit maar een heel klein beetje in het bloed. Meer laat de homeostase niet toe. Maar als dat kleine beetje via de olie in aanraking met de huid onder de tong steeds weer weggenomen wordt kan uit allerlei opslagplaatsen in het lichaam weer een klein beetje aan het bloed worden meegegeven. Langzaam maar absoluut zeker raak je dan van je zware metalen af. Het is een heel effectieve therapie die je met geduld moet toepassen.

Nu even simpel hoe je het moet doen als je ertoe besluit. Na het opstaan, voor je tanden poetst of eet neem je een eetlepel zonnebloemolie in je mond. (Aan die olie zit weinig of geen smaak en na zeer korte tijd voelt het alleen maar alsof je veel speeksel in je mond hebt). Twintig minuten houd je het in je mond. Absoluut niet doorslikken. Na twintig minuten spuug je het uit (het ziet er dan vuil en grijzig uit), spoelt je mond poetst je tanden. Dat doe je drie weken lang. Na een volgende periode van drie weken kun je het herhalen.

Ik vind het niet meer dan eerlijk om hier de naam te noemen van de arts die me deze methode leerde. Ik ben Rosie Frey dankbaar dat ze me dit leerde.

Niet van mij, maar uit een kritisch wetenschappelijke hoek

Medische wetenschap blijkt kwakzalverijHet gezaghebbende British Medical Journal heeft een onderzoek laten uitvoeren naar 2500 van de meest voorgeschreven reguliere medische behandelingen en medicijnen. De uitkomsten zijn gepubliceerd in Clinical Evidance Handbook. En deze uitkomsten, gedaan door de reguliere medische wereld zelf, zijn zeer verontrustend. De geneeskunde blijkt al jarenlang gebruik te maken van medicatie waarvan slechts 12% een positief effect zou kunnen hebben. De rest is kwakzalverij of zelfs levensgevaarlijk.

Bewezen positief

Het Clinical Evidance Handbook is duidelijk. Slechts 12% van de 2500 meest gebruikte en voorgeschreven medicijnen en behandelingen door artsen krijgen het predicaat ‘bewezen positief effect’.
Dit predicaat is gebaseerd op meta-onderzoek waarbij minimaal één onderzoek is gevonden dat een positief effect aantoont dat groter is dan de schadelijke effecten. De wetenschappelijke redactie houdt daarbij wel een slag om de arm: “ ‘Bewezen positief effect’ betekent niet dat de behandeling bij alle mensen effectief is of dat er ook andere gewenste positieve effecten zijn, noch dat een gemeten positief effect op een ander tijdstip na de behandeling nog steeds aanwezig zal zijn.”


Valsheid in medische publicaties

Sceintific-Ethical Committee for Copenhagen and Fredriksberg Municipalties geven in hun onderzoek aan dat “75% van alle gepubliceerde medisch-wetenschappelijk onderzoek niets anders is dan promotiemateriaal.” Deze enorme fraude kwam aan het licht nadat farmaceutisch fabrikant Wyeth werd gedwongen om al haar documenten openbaar te maken. De zaak werd gestart nadat 14.000 vrouwen na het gebruik van het overgangsmiddel Prempro borstkanker ontwikkelde. Prempro is een medicijn dat bestaat uit een combinatie van geconjugeerde oestrogenen en progesteron. De, in dit geval door Wyeth aangestelde marketingsbureaus, waren bekend als ‘Medische voorlichting en communicatie bureaus”. In 2002 waren er 18 artikelen gepubliceerd waaruit naar voren kwam dat Prempro goede diensten zou verlenen aan vrouwen in de overgang. Deze publicaties waren o.a. te lezen in International Journal of Cardiology en American Journal of Obstetics & Gynecoloy. Opmerkelijk is dat vlak voor deze publicaties de ‘Womens Health Initiative’ had aangetoond dat hormoonpreparaten in de overgang juist gecontraïndiceerd waren omdat ze het risico op borstkanker en herseninfarcten vergroten.
Deze medische voorlichtings- en communicatiebureaus werken in opdracht van alle farmaceuten om hun producten aan de artsen te promoten. Het systeem dat door al deze medische communicatie bureaus wordt, gebruikt ziet er als volgt uit:
Er wordt een meta-analyse gedaan van klinisch wetenschappelijk onderzoeken. De uitkomsten van deze onderzoeken krijgen een positieve draai mee. Vervolgens wordt er een medisch professional of wetenschapper als hoofdauteur in naam aangezocht. Deze ‘hoofdauteur’ hoeft het artikel niet gelezen te hebben. De naam erbij is voldoende voor betaling, publicatie en eeuwige roem.
Professor A. Fugh-Berman van de Georgetown University Medical Centre in Washington deed onderzoek naar deze vorm van medische wetenschappelijke publicaties. Ze ontdekte dat er de afgelopen 12 jaar 90.000 van dergelijke publicaties in medische tijdschriften waren geplaatst. “Elk medisch wetenschappelijk tijdschrift is ‘besmet’ met dergelijk soort reclame materiaal verborgen als wetenschappelijk artikel geschreven door medische communicatie bureaus in opdracht van farmaceuten.” [2].
Wyeth blijft het middel prempro nog steeds als medisch wetenschappelijk bewezen via internet promoten. [3]
Het Sceintific-Ethical Committee for Copenhagen and Fredriksberg Municipalties geeft dan ook aan dat van de door de Clinical Evidance Handbook gestelde 12%, 75% vermoedelijk frauduleus is. Het getal moet naar beneden worden bijgesteld naar 3% met het predicaat ‘bewezen positief effect’.


De cijfers op een rijtje

Clinical Evidance Handbook van de British Medical journal Publisher meldt dat van de 2500 meest voorgeschreven medicamenten en behandelingen:

  • 3 procent een groter ongunstig dan gunstig effect scoort.
  • 5 procent waarschijnlijk geen gunstig effect heeft.
  • 8 procent evenveel gunstige als ongunstige effecten heeft (uitruil middelen).
  • 12 procent enig bewijs van gunstig effect scoort.
  • 23 procent een zeer zwak bewijs voor enig gunstig effect laat zien.
  • En, dat van 49 procent totaal niet bekend is wat voor effect het heeft.

Farmaceuten zelf aan het woord

Vice president genetica A. Roses van GlaxoSmithKline meldde bij de besloten presentatie dat “90% van de producten van GlaxoSmithKline, en dat van ieder ander farmaceutisch bedrijf, bij de meerderheid van de patiënten niet werkt.” [5]
Wetenschappelijk medewerkers van één van de grootste farmaceuten ter wereld: Bayer: “Tweederde van alle medicatie tegen kanker, vrouwenziekten en hartziekten blijken in een tweede onderzoek niet de resultaten te kunnen bevestigen.” Herhaalbaarheid van onderzoeksresultaten is één van belangrijkste grondvesten van wetenschappelijk bewijs. [6]
Amgen, een andere grote farmaceut kon van 53 klinische geneesmiddelonderzoeken voor kanker en andere bloed ziekten 47 niet reproduceren. [7]


Complementaire aanpak

Wetenschappelijk uitwisselingsbureau Science Exchange laat bij monde van directeur E. Iorns het volgende weten: “De natuur is complex en in de experimentele opzet (van medisch wetenschappelijk onderzoek) worden niet altijd alle variabelen voldoende meegewogen.” [9]
Hiermee geeft zij in feite weer dat het leven complex is, het menselijk lichaam dynamisch en voortdurend verandert door de inwerkingen van o.a. de leefstijl, leefomgeving, cultuur enz. En dat de invloed hiervan op o.a. genetica, psyche, neuronale verbindingen enz. niet wordt betrokken in wetenschappelijk onderzoek. Het is zoals longarts Mariska Koster via twitter laat weten “Je leert als arts een mens als patiënt te zien. Veel later leer je dat weer andersom”.
De complementaire geneeskunde wijst hier al eeuwen naar, maar wordt door de overheid, zorgverzekeraars, farmaceuten en reguliere medische wereld als ‘kwakzalverij’ afgeschilderd.


Regulier is kwakzalverij

Het wetenschappelijke tijdschrift ‘New Scientist’ meldde in september 2012: “De Medische wetenschap is op wankele grondvesten gebouwd.”[8]
De ‘Vereniging tegen kwakzalverij’ houdt regelmatig heksenjachten tegen, in hun ogen ‘niet bewezen’ geneesmethoden zoals homeopathie. Haar website http://www.kwakzalverij.nl vermeldt dit ook. Zij stelt dat uitsluitend de reguliere medische praktijk juist en bewezen is. Tot haar grote voorbeelden behoort onderzoeksjournalist Ben Goldacre. Hij stelde regelmatig ‘alternatieve’ en complementaire geneeswijze aan de kaak in zijn column ‘Bad Science’ in The Guardian. Onlangs schreef Goldacre het boek ‘Bad Pharma’. Goldacre meldt daarin dat het merendeel van medische onderzoeken onjuist zijn. Tevens meldt hij dat de meerderheid van de artsen hun wetenschappelijke literatuur slecht kennen en dat deze literatuur door het achterhouden van juiste gegevens door de farmaceutische industrie onjuist is. Werkelijke gegevens van bijwerkingen komen niet bij de arts en de patiënt terecht, maar worden door de farmaceutische industrie achtergehouden. Daarbij maakt Goldacre de lezer er tevens op attent dat het grootste deel van de geneeskundige opleiding van artsen door deze farmaceutische industrie wordt bekostigd. [4]
Wat Goldacre in feite zegt is: De reguliere medische wereld is volgens de normeringen van de overheid voor wetenschappelijk bewijs en de ‘Vereniging tegen Kwakzalverij’ minimaal een pseudowetenschap die neigt naar kwakzalverij. Dit wordt mede ondersteund door de uitkomsten van het onderzoek van de reguliere medische wereld zelf.


Oplossing

Er zou per direct door iedere arts gecontroleerd moeten worden of wat hij voorschrijft op werkelijke wetenschap berust. En er moet voor alle geneeskundige behandelwijze (regulier en complementair) met dezelfde maten gemeten worden.

Illustratief berichtje dat ik gelukkig heb teruggevonden.

De bijdrage van Peer, waarover ik schreef in mijn blog over Inverse Voice Therapy kwam na uren zoeken uit een map in mijn computer, die ik om onduidelijke redenen niet eerder had geopend. Om privacy redenen zal ik alle indertijd door Peer genoteerde namen weglaten. Uiteraard ook zijn achternaam. Op zie dingen na is het stukje echter autentiek

 

PEER

Amersfoort

To whom this may concern, maar in het bijzonder aan:

  1. Mijn huisartsen,
  2. Mijn longarts,
  3. Mijn uroloog,

Geachte dames en heren,

Ervan uitgaande dat u kennis heeft genomen van de achtergronden van de Inverse Voice Therapie, zoals in de bijlage beschreven door Peter van Oosterum, natuurgeneeskundig therapeut, volgen hierna mijn positieve – ja bijna wonderlijke ervaringen.

Ik ben de bewuste geluids-CD 2x per dag gaan draaien begin maart.

Na drie weken, en voorts tot de dag van heden kan ik:

  1. Met zuurstof aanzienlijk langer lopen. Eerst met moeite de lengte van de galerij (ca. 22 m), vaak halverwege even rusten. Nu, rustig lopend zonder zuurstof in één keer
  2. Ook nu, rustig lopend met zuurstof ca. 40 à 50 m.
  3. Ik kan weer 2 x een half uur pianospelen, voorheen 5 minuten.  Vanaf parkeerplaats naar winkel of restaurant was voor half maart ondenkbaar.
  4. Ik kan ’s nachts zonder zuurstof prima slapen.
  5. Saturatie (zonder zuurstof) voorheen 92% heden 94%
  6. Desaturatie voorheen (met zuurstof) na een inspanning vaak onder 80%. Nu 85%
  7. Wassen en aankleden kostte me voorheen ca. een uur. Nu een kwartier.
  8. Voorheen durfde ik, bang voor dispnoe, niet zonder hulp te douchen.
  9. Nu kan ik in mijn sportclub een baantje zwemmen (met zuurstof) en een stoombad nemen. Voorheen ondenkbaar.
  10. Ik heb al enige malen op een terras 2 uur zitten discussiëren of vertellen zonder zuurstof.
  11. 60 km autorijden kan ik makkelijk zonder zuurstof (Amersfoort – Zutphen).
  12. In rustige situaties kan ik toe met 1 liter zuurstof per minuut i.p.v. 2 liter.
  13. Toppunt!  Bij thuiskomst dinsdagavond 30 april vergeten de contractor aan te zetten, hetgeen ik pas ’s woensdags om 16.00 uur ( = na 18 uur) ontdekte, omdat ik het een beetje benauwd had. Geen wonder!
  14. Aangezien ik zuinig moet zijn met vloeibare zuurstof (de leverancier komt eens per 14 dagen), rijd ik met de scootmobiel het centrum (12 minuten) zonder zuurstof en zonder dispnoe.

Bijlage bij mijn uiteenzetting

Van 03 – 05 – ’03

Mijn welbevinden is op de schaal van 1 tot 10 nu een 8.

Een jaar geleden trof  Dr.xxx mij thuis aan, wanhopig huilend en sprekend over euthanasie, maar dat was ook inclusief de hevige depressie die pas eind november “vervlogen” was. Niemand wist goede raad dan wat algemeenheden.

Nog iets:

In het spiro-meting rapport van half februari was de FEV 1 19%.

Het rapport van 11 – 04 – ’03 wees 24% aan

Het zal Dr. XXX interesseren dat als prettig bijverschijnsel mijn incontinentie aanzienlijk minder is, als ik er maar voor zorg dat als ik wat moe ben, bijvoorbeeld aan het eind van de dag, inspanning uit de weg ga.

Hier spreekt een gelukkig mens.

Wij, Peter van Oosterum en ik, zijn  ons ervan bewust dat één zwaluw nog geen zomer maakt en dat het causale verband nog aangetoond moet worden middels vele pilots, maar voorlopig voel ik mij bevoorrecht en werkt het.

Opmerking:

Bij mijn bezoek aan mijn longarts op 08 – 05 toonde hij geen enkele interesse, ondanks inzage van de voorgaande geschriften, maar hield alleen een nieuw medicijn voor mijn neus.

vooral niet doen wat kan, want dat mag niet… ja. van wie eigenlijk?

Dit is wat mij betreft een erg beladen onderwerp, daar om schrijf ik er maar een vage titel boven in de hoop dan niet overal de haren direct al overeind gaan staan.Het gaat over wat mag en wat niet mag. En dan heb ik het niet over allerlei vormen van misdaad, want daar is ongeveer wel duidelijk wat niet mag, hoewel de grenzen wel steeds worden opgerekt. Nee, ik heb het over de veranderingen die tegenwoordig mogelijk zijn aan te brengen in ons genetisch materiaal.Het is werkelijk verbijsterend wat er met bijvoorbeeld de “crispr cas” methode gedaan kan worden om genen te veranderen en daardoor erfelijke eigenschappen te beïnvloeden.

Stel je even voor: de kosten voor de gezondheidszorg rijzen de pan uit. Dramatische tv uitzendingen zien we langskomen als die verdorven op winst beluste verzekeraars weer eens een peperduur middel – waarvan de prijs door de fabrikant natuurlijk ook tot idiote hoogte is opgepompt – weer eens niet betalen waardoor het arme erfelijk belaste kind moet sterven, de wanhopige ouders in diepe smart achterlatend, omdat ze niet rijk genoeg zijn om de prijs te betalen.

Triest hoor kan ik je verzekeren. Ik zelf ben namelijk een ervaringsdeskundige op het gebied van kinderen met een dodelijke erfelijke afwijking. Uit het huwelijk met mijn eerste echtgenote werden twee kinderen geboren. Allebei CF kinderen, de taaislijmziekte die de levensverwachting van een kind ongeveer halveert, nog afgezien van de medische ellende, ziekenhuisopnames chronisch medicijngebruik. Voor een ouder is het angstig en verdrietig om aan te zien en voor de samenleving uitermate kostbaar. Ons oudste kind is ons na een leven vol medische ellende op zesendertigjarige leeftijd ontvallen. Ik kan me geen enkel jaar van haar korte leven herinneren zonder ziekenhuisopname of uitvoerige medische onderzoeken en behandeling. Ons jongste kind is weliswaar al zevenenveertig, maar ook haar leven is een aaneenschakeling van medische ellende.

Er is veel verhitte discussie geweest over de vraag of het ethisch en moreel verantwoord kan zijn zo vroeg mogelijk te aborteren als wordt vastgesteld dat bij ouders die drager zijn van dat CF gen een CF baby wordt verwacht. Zulke ouders hebben namelijk volgens de wetten der erfelijkheid slechts vijfentwintig procent kans om zo’n kind te krijgen, dus is er vijfenzeventig procent kans op een gezond kind dat dan overigens wel drager is van het CF gen. In ons geval was er een doodgeboren eerste kind, dan de oudste dochter, daarna nog eens een miskraam en tenslotte het tweede CF kind. De kansen op een CF kindje waren daardoor in ons geval een stuk hoger.

Het confessionele, religieuze deel van de samenleving is van menig dat elk mens het leed dat hem door de natuur (zij zeggen God) te dragen wordt gegeven op zich moet nemen en zonder klagen moet accepteren. Zij zeggen letterlijk: Niet klagen, maar dragen en vragen om kracht. Ook zeggen ze dat de hele gelovige wereld bewijst dat zij gelijk hebben. Bij mij roept het echter een dwingende vraag op, namelijk of het leven mooier en levenswaardiger wordt als je gehandicapte kinderen hebt in plaats van gezonde. Het leven met kinderen met erfelijke ziekten vraagt namelijk zoveel extra inspanning, geeft zoveel zorg en verdriet. De dromen die een jong stel op hun trouwdag heeft veranderen gaandeweg in een uitzichtloze nachtmerrie.

Nu kan ik me voorstellen dat geloof je helpt je ellende te verdragen, maar dat het leven van ouders met gehandicapte kinderen er mooier en beter door wordt lijkt me uiterst onwaarschijnlijk.  Als je namelijk eerlijk bent had je toch veel liever gezonde kinderen gehad die de prachtige uitdagingen die het leven biedt aankunnen, in plaats van dat soort gezinsgeluk slechts bij anderen te zien.

Niet klagen maar dragen en vragen om kracht… zijn we dan domme pakezels die onvermijdelijke slaag van de meester moeten verdragen, of zijn we intelligente wezens die altijd met alle beschikbare middelen weer zullen proberen een mooi en goed leven te hebben. Mij lijkt het laatste de meest voor de hand liggende levenshouding. En ik ben dan ook van mening dat minstens het oplossen van erfelijke ziekten door toepassing van de technieken die nu beschikbaar zijn niet alleen gewenst, maar ook geboden is. Als we de kansloze menselijke ellende zien die dag in dag uit met grote barmhartigheid, maar ook ten koste van schier onmetelijke inzet en middelen nauwelijks kan voortleven, dan moeten we toch elke kans aangrijpen om de ziekmakende erffactoren te corrigeren.Wat mij in deze ergert en daardoor voortdurend noopt hierover te schrijven is dat zoveel mensen door het nooit bewezen geloof in een hogere macht blijven proberen tegen te houden dat onze wetenschappers zonder beperkingen methoden kunnen ontwikkelen waarmee de mens in elk geval lichamelijk zo vervolmaakt mogelijk kan worden en zonder opmerkelijke ziekteprocessen gelukkig en actief oud kan worden. Dat is toch wat ieder mens die niet volledig zijn verstand kwijt is graag wil.

Ik respecteer die mensen die al die bezwaren hebben tegen het ingrijpen in de erfelijke eigenschappen van de mens. Hun vraag ik alleen hun op geen enkele bewijsbare werkelijkheid berustende opvatting slechts op zichzelf toe te passen. Per slot van rekening kunnen hun kinderen er ook niets aan doen dat hun ouders dergelijke onhoudbare opvattingen aanhangen.

Kortom, ik breek een lans voor onbeperkt genetisch onderzoek. En ja, er zullen uitwassen zijn, waarvan we zeggen: dat lijkt mij niet wenselijk. Het antwoord daarop moet zijn: als jij dat niet goed vindt moet jij dat niet doen. Alleen zo zal er gaandeweg een balans ontstaan, waarin de mens werkelijk heerser in zijn eigen leven is, zoals elk mens zichzelf ongetwijfeld bedoeld heeft.

Voorlezen

Vroeger, toen ik onderwijzer was op wat toen de lagere school heette, vond ik het al leuk om voor te lezen. In die tijd was de concurrentie met allerlei media die tegenwoordig iedereen in tas of broekzak bij de hand heeft nog niet aanwezig. Ik hoefde het dus niet op te nemen tegen de filmpjes op YouTube die iedereen tegenwoordig op zijn smartphone kan bekijken.

Op zaterdagmorgen gingen we nog naar school in die tijd. Tegenwoordig zou dat totaal onbespreekbaar zijn maar ach, we waren het gewend. Zelf moest ik als kind en als middelbare school leerling ook op zaterdagmorgen naar school. Nee, sterker nog, als je er vaker dan gemiddeld uitgestuurd was moest je op zaterdagmiddag ook nog terug komen om allerlei overigens nooit echt vervelende strafklusjes te doen. Die zaterdagmorgen is in mijn herinnering nooit echt vervelend geweest. ’s Middags had je vrij en zelf gebruikte ik het laatste uur na de pauze altijd om in mijn klasje voor te lezen. Een enkele keer, als er storm op komst was en de kinderen erg rumoerig waren, kon er wel eens gedreigd worden dat het voorlezen niet door ging. Dat bleef echter altijd bij een dreigement, want dat was ruim voldoende om de betrekkelijke rust weer te doen terugkeren.

Nu, vele jaren later, vind ik voorlezen nog steeds leuk. Gelukkig hebben de spraaklessen die we tijdens onze onderwijsopleiding kregen goed geholpen, want ik krijg eigenlijk nooit last van mijn stem, hoe lang ik ook voorlees.

Al jaren schrijf ik. Het is geen overweldigende productie die ik tot nu toe heb geleverd: twee sciencefiction romans en een verhalenbundel zijn tot nu toe door mijn uitgever, Schrijverspunt, uitgebracht.

Maar ja, er zijn natuurlijk vele al dan niet getalenteerde schrijvers. De boekenmarkt is overvol. En of het nu aan mijn onbekendheid lag of aan de kwaliteit van mijn werk of juist aan het ontbreken van een behoorlijke smaak bij het publiek – wat volgens mij natuurlijk het geval is –  weet ik niet, maar nadat mijn prachtwerken een jaar in nagenoeg alle internet boekwinkels gestaan hadden liet mijn uitgever weten dat mijn titels zo weinig verkocht werden dat de kosten van de internetwinkels hoger waren dan de opbrengsten van mijn boeken. Einde verhaal.

Ik was uiteraard teleurgesteld, maar toen heb ik gereageerd met de mededeling dat ik bezig was er audioboeken van te maken. Tot mijn grote verrassing liet Schrijverspunt mij weten dat mijn boeken in dat geval op de markt bleven, als ik maar die audiopresentaties aanleverde.

Dat heb ik gedaan en tot mijn grote genoegen kreeg ik daarna het verzoek meer boeken voor te lezen.

Nu zit ik elke dag een uur of vijf voor te lezen in mijn zelf ingerichte thuisstudio. Gelukkig heb ik de goede apparatuur en programmatuur tot mijn beschikking, omdat ik altijd al audio bewerking deed.

Voor mijn uitgever, Schrijverspunt, ben ik nu halverwege het vijfde audioboek.

Ik lever alles keurig in stereo en op mp3 format aan, want grote bestanden kan ik dan versturen met het programma We Transfer. Uiteraard kan ik zelf niet beoordelen of het prettig is om naar mijn stem te luisteren. Zelf vind ik natuurlijk van wel. Dus, mocht iemand van mijn lezers tekst hebben die nodig met veel gevoel en de juiste accenten voorgelezen moet worden, dan is daar met mij onder alleszins redelijke voorwaarden over te praten.

Emotie

Het lijkt de enige bron die ons in beweging zet. Altijd weer is het een min of meer duidelijk gevoel, een gevoel dat de richting al in zich heeft, waardoor ik in beweging kom. Natuurlijk, een gedachte geeft uiteindelijk duidelijk aan wat ik moet gaan doen. Die gedachte wordt echter altijd voorafgegaan door een emotie, een gevoel en gevoel bepaalt mijn stemming. Een gevoel ís altijd een min of meer duidelijke lichamelijke ervaring. Door ervaring hebben we geleerd op een logische rationele manier op een gevoel te reageren. Vaak gebeurt dat trouwens gedachteloos. Simpel voorbeeld: ik heb een ietwat weeïg gevoel in mijn maag, waardoor ik zonder erover na te denken een boterham pak. Waar ik dan weer wel over na denk is wat ik erop zal doen. Die gedachteloze aandrang die we vaak voelen is natuurlijk een gelukkig verschijnsel dat ervoor zorgt dat we veilig en gezond blijven, zonder dat we over elke reactie op een gevoel hoeven na te denken. Maar pas op, er loert gevaar. Er zijn namelijk heel veel mensen en vooral ondernemingen die er belang bij hebben dat we gedachteloos op een gevoel reageren. Reclame maakt namelijk op zeer ruime schaal gebruik van mogelijkheden om door het opwekken van specifieke gevoelens reacties bij ons op te roepen.

Kun je je misschien dat heel flauwe kinderspelletje nog herinneren, waarbij een vriendje tegen je zei: ‘zeg eens één keer ‘ork’. Dat zei je dan. En dan zei dat vriendje: nou twee keer. ‘ork, ork’ zei je dan. Dat ging dan een poosje door: vier keer, vijf keer. En dan zei dat vriendje ineens: ‘soep eet je met een…’ ‘Vork,’ riep je dan spontaan, terwijl je natuurlijk best weet dat je soep met een lepel eet, maar je zei ‘vork’ , omdat het rijmpatroon van dat woordje ‘ork’ dat vanzelfsprekender maakte dan dat je met het juiste antwoord ‘lepel’ zou geven.

Reclame werkt eigenlijk op de zelfde wijze. Reclame probeert namelijk te bereiken dat het voor jouw gevoel vanzelfsprekend is dat je het advies in de reclameboodschap opvolgt. Een geslaagde reclameboodschap laat je als vanzelf dingen doen of kopen zonder je af te vragen of je het nodig hebt, of het wel goed is en zelfs of het misschien riskant is.

Hoe komt het nu dat reclame daar in onze samenleving zo gemakkelijk mee wegkomt. Dat laatste woord gebruik ik niet voor niets, want de reclamemakers komen ermee weg dat ze op grote schaal ons gedrag beïnvloeden en eigenlijk veranderen, zonder dat daarvoor van onszelf uit een noodzaak bestaat. Zij doen dat om daarmee voordeel voor hun opdrachtgevers te bewerkstelligen. Mag dat? Mag je voortdurend pogingen doen het gedrag van mensen te beïnvloeden ten behoeve van je eigen voordeel? Blijkbaar wel, want we worden tegenwoordig doodgegooid met al dan niet effectieve reclame, maar dat is niet altijd zo geweest.

Ik kan me herinneren dat jaren geleden een bepaald soort bioscoop reclame verboden werd. Het was een manier van reclame maken in de tijd voor we nog dagelijks naar de televisie keken, want dat hele verhaal stond nog in de kinderschoenen. Slimme reclamemakers hadden toen echter onderzocht hoe je met filmbeelden het koopgedrag van de bioscoopbezoekers kon beïnvloeden. Het ging als volgt: de film liep door de projector met een snelheid van vierentwintig beeldjes per seconde. Wij zien bij die snelle beeldwisseling een vloeiend bewegend beeld. Een aantal keren hadden ze dan in de film vijf beeldjes vervangen door een reclameboodschap. Die vijf beeldje kwamen dus in ongeveer een vijfde seconde voorbij. Dan stond er bijvoorbeeld drink Coca Cola. En omdat je aandacht op de film gericht was merkte je dat niet op. Het ging ook te snel voor onze ogen om het bewust op te kunnen merken. Toch kwam de boodschap wel ons bewustzijn binnen, maar die wekte alleen maar het gevoel op dat we zin hadden in Coca Cola. Dat konden ze in de bioscoop in de pauze goed aan de verkoop merken. Deze techniek met die beeldjes die je niet bewust waarnam werd subliminal influencing genoemd. Dat was dus een soort stiekeme reclame en in die tijd waren er brave bestuurders die meende als waakhond voor ons welzijn te moeten optreden. Deze vorm van bioscoopreclame werd toen verboden.

Tegenwoordig heeft kostbare research vele technieken ontwikkeld die soortgelijk en nog veel dieper ingrijpend effect hebben dan het simpele truukje met de onopgemerkte beeldjes. Er worden namelijk door de commercie zo ontzettend veel dingen gemaakt en aangeboden, waaraan niemand uit zichzelf behoefte heeft, maar die ze heel graag aan ons willen verkopen. Denk bijvoorbeeld maar eens aan weer een nieuwe smartphone of weer een ander abonnement. Om die reden proberen ze – en heel vaak met succes – ons het gevoel te geven dat we een beter en gelukkiger leven hebben als we zorgen dat we die producten bezitten.Zij zelf weten dat wat ze beweren niet waar is, want we worden er doorgaans niet gelukkiger van. We raken er alleen veel geld aan kwijt. Maar ja, onze hele westerse economie is voor een groot deel gestoeld op het aanzwengelen van een zo groot mogelijke circulatie van geld, ongeacht of datgene waarvoor geld wordt uitgegeven ons een beter en mooier leven geeft.

Ik kan mij voorstellen dat wie dit ook leest bij zichzelf denkt: ‘maar dat wil ik niet. Ik wil niet ongemerkt door mijn gevoel beïnvloed worden en daardoor dingen doen – en voornamelijk kopen waarvan ik achteraf enigszins geërgerd moet vaststellen dat het me alleen maar geld kostte, maar niet gelukkiger maakte.

Dan heb ik goed nieuws en slecht nieuws voor je. Laat ik maar beginnen met het slechte nieuws. Als we allemaal ophouden met het kopen van volstrekt nutteloze dingen – en daarmee bedoel ik dingen die gemakkelijk door goedkopere en eenvoudigere dingen kunnen worden vervangen zonder dat het leven er beroerder van wordt, dan zitten we al heel snel in een wereld die minder glanst, waarin meer armoede is. Het is een duivels dilemma. Het is als het weghalen van een kaart uit een hoog opgebouwd kaartenhuis. Voor je er erg in hebt stort de boel in. Onze samenleving is te gecompliceerd voor ruwe en plotselinge veranderingen.

Maar wat is dan het goede nieuws? Ach, misschien dit: door op elke koopprikkel te reageren ontstaat in een aantal sectoren in de maatschappij een soort wildgroei. Wildgroei is bijna nooit sterk. Wel kan wildgroei erg overwoekeren.

Dus als je nu gewoon je echt serieus afvraagt of je nu echt nodig hebt wat je op weg bent te gaan kopen en ook wat je bijvoorbeeld nog meer met dat geld zou kunnen doen. Misschien wacht je dan nog even met de volgende nutteloze aanschaf. Misschien rem je daarmee de wildgroei wat af, zeker als we het samen doen. Je kunt bijvoorbeeld wat vaker tegen jezelf zeggen: ‘Ik wil niet gedachteloos op prikkels reageren. Ik ben toch geen gedresseerd dier!

Trouwens, maar dat wist je natuurlijk al, wat langzaam groeit is vaak veel sterker dan wat snel groeit.

Kindermishandeling, of niet?

Zelf heb ik ook vaak de neiging om te denken dat dingen die heel lang geleden gebeurd zijn in mijn werkelijkheid van vandaag niet zoveel invloed meer hebben. Steeds meer kom ik er toch achter dat ik me daarin vaak pijnlijk vergis.

Vlak voor de tweede wereldoorlog werd ik geboren. Het was eerste paasdag, maar ik heb nooit de indruk gehad dat er hierdoor een feestelijk tintje over mijn verdere leven werd gestrooid. Pasen wordt door de christenen gevierd als het feest van de opstanding. Inderdaad, nu ik erover nadenk heb ik in mijn leven tamelijk vaak na een harde klap overeind moeten krabbelen, om verder te kunnen gaan. Het begon eigenlijk al toen ik net zes jaar was. Ik belandde in het ziekenhuis met een gebroken beentje. Het been was vlak boven de knie gebroken. Lastig, want van die mooie metalen plaatjes om een moeilijk breuk aan elkaar te schroeven waren er nog niet. Maar zo stompzinnig als het bij mij mis ging had nou ook weer niet gehoeven.

Je moet namelijk weten dat we twee ziekenhuizen hadden in Den Helder, mijn geboorteplaats. Er was het gemeenteziekenhuis, Parkzicht en er was het katholieke Sint Lidwina ziekenhuis.

Nu wilde het geval dat mijn vader nauwelijks een jaar eerder was teruggekeerd uit de onderzeeboot oorlog in de Middellandse Zee. Daar had hij blijkbaar zoveel contra-argumenten tegen het rotsvaste katholieke geloof uit zijn jeugd opgedaan, dat het gebruik maken van een katholiek ziekenhuis tot elke prijs vermeden diende te worden. Later ging hij er trouwens na een zware maagbloeding zelf wel heen, maar dit ter zijde.

Dat gemeente ziekenhuis had één chirurg, een norse oud marine arts, die misschien best aardig een blindedarmoperatie kon verrichten, maar het repareren van gebroken armen en benen, was iets wat bijna nooit goed ging. Veel van zijn, tja, hoe zal ik het zeggen, nou ja vooruit maar, patiënten kwamen weg met krom en scheef gezette armen en benen. Maar ja, ze hadden er niemand anders voor in dat gemeente ziekenhuisje en bovendien werd hij vrij snel kwaad als iemand er wat van zei, maar dat kan natuurlijk schaamte geweest zijn.

Hoe dan ook, de man nam een op zich verstandig besluit. Hij besloot het beentje in tractie te leggen. Botstukken werden op elkaar gezet, zoals hij dacht dat het moest. Beentje omhoog, pennetje door het hielbeen, beugeltje, gewichten, de hele santekraam.

Er kwam een jongetje op mijn kamertje liggen, Jantje. Jantje had open tuberculose en er waren een paar vliegen in ons kamertje die dat kleine gaatje waar die pen mijn voetje in ging heel aantrekkelijk vonden, nadat ze eerst bij Jantje geweest waren. Jantje was trouwens een week later dood. Ik zie nog het zwarte kistje waarin hij werd afgevoerd. Maar ja, toen was mijn voetje al veranderd in een vurige zwerende bal en kreeg ik, helaas een paar dagen te laat penicilline injecties, waarmee de tuberculeuze fistel binnenin mijn hielbeen nooit afdoende bezworen werd.

Gelukkig ontdekte de dokter dat hij behalve de stommiteit met tuberculeuze Jantje nog een foutje had gemaakt, waardoor hij het beentje opnieuw moest breken en opnieuw zetten. De pen ging toen niet meer door de voet, want die was voorlopig vanbinnen in een dik soort papachtige pus veranderd, maar door de knie. Iedereen hield de adem in, maar Jantje was afgevoerd, zoals ik al zei en bij juffrouw Keizer in de andere hoek van de kamer kwamen zelfs geen vliegen. Bovendien had ik nu een dekenkooi over de lage stelling waarop mijn been nu rustte en hield de penetrante lysolgeur, die vroeger elk zindelijk ziekenhuis kenmerkte, elke vlieg brakend op afstand.

Ik was op drieëntwintig april negentien zesenveertig, de dag voordat mijn moeder dertig jaar zou worden, het ziekenhuis in gegaan en eind juli kwam ik er uit. Ik moest opnieuw leren lopen en in september van dat jaar bracht mijn moeder me in een karretje naar school.

Helaas was dit niet het laatste medische gepruts wat ik in mijn leven mocht meemaken. Er lag nog het een en ander te wachten

Maar wat heeft dat nu allemaal met mij in de tegenwoordige tijd te maken?Nou, ik denk dat ik vaak over-kritisch ben in het contact met artsen. Natuurlijk zijn er gewetensvolle en kundige artsen, maar ik heb langzamerhand voldoende medische kennis om ze steeds weer kritisch te bevragen. Als er genoeg onherstelbare schade is aangericht in je leven, dan ga je toch op den duur wat beter opletten. Dat is voor mijn artsen misschien niet altijd even leuk en het vraagt extra tijd, maar ik was niet verantwoordelijk voor het letsel veroorzakende gepruts van hun voorgangers.

Die lange schaduw werpt mijn medisch verleden nog altijd over mijn huidige houding tegenover de geneeskunde.

Het schijngevecht gaat door

Ja, want een schijngevecht is het. Er wordt gelogen, eromheen gedraaid, nergens op slaande smoezen verzonnen en noem maar op. En waarschijnlijk, maar helaas is dat niet te bewijzen, wordt er tegen betaling of gunsten tegengehouden waar tienduizenden mensen hun gezondheid mee terug zouden kunnen krijgen.

Mijn trouwe lezers weten langzamerhand wel dat ik me behoorlijk kan opwinden over huichelachtigheid en gewichtigdoenerij.

In de vorige uitzending van Dokters van Morgen, een format waar ik mijn eerste inspiratie al kreeg om over bacteriofagen te schrijven, kwam een RIVM bobo aan het woord. Met een smalend lachje liep hij rond in de kliniek in Tbilisi, waar al bijna honderd jaar mensen met deze heilzame virussen worden genezen. Met een gewichtige uitdrukking op zijn gezicht wist hij al zijn rijke wijsheid en ervaring te mobiliseren in de volgende zin: ‘het kan best zijn dat hier succesjes worden geboekt met die eh… bacteriofagen, maar er is nog onvoldoende wetenschappelijk gefundeerd onderzoek gedaan naar de werkzaamheid en de veiligheid van deze therapie.’

Ik dacht: ‘die man is vast lid van dat manipulerende en alles afkrakende anti kwakzalvers clubje. Een argument kwam er niet uit. Ik beschouw de gedragswijze die hij en soortgelijke bobo’s vaak vertonen als “de boot afhouden”. Vooral als je dan later in de zelfde uitzending een Poolse hoogleraar emeritus virologie commentaar op de uitspraken van die minkukel hoort geven. Tja, zegt die hooggeleerde heer dan. Er zijn vele jaren vele succesvolle onderzoeken naar het bestrijden van infecties met bacteriofagen gedaan. Ik denk dat deze meneer (hij doelt op die Hollandse RIVM hark) een beetje achterloopt met het lezen van zijn vakliteratuur.

Als iets dergelijks op goede gronden over jou als wetenschapper wordt gezegd, dan dien je onmiddellijk ontslag te nemen en je in te schrijven als werkzoekende bij de gemeentelijke vuilophaal dienst. Dan leer je misschien nog wat echt hard werken is.

Nou goed, ik weet dat veel mensen mijn bacteriofagen columns volgen. Daarom heb ik ook een berichtje aan de redactie van Dokters van Morgen gestuurd. Natuurlijk kunnen die mensen er ook niets aan doen als ze met RIVM lulsmoezen het bos in worden gestuurd. Maar ik dacht: ik weet zeker dat dit wangedrag ook jullie pijn heeft gedaan en dat zal ik jullie dan ook laten weten. Dus stuurde ik het onderstaande berichtje

Geachte,

Uit het feit dat een botte RIVM medewerker na ampele overweging uit de losse pols roept dat er veel meer onderzoek moet worden gedaan naar de werking, maar ook naar de gevaren van het toepassen van bacteriofagen als therapeutische mogelijkheid bij het bestrijden van resistente bacteriën blijken twee mogelijke oorzaken van dit standpunt: 1. Incompetentie veroorzaakt door een niet te vergeven gebrek aan interesse of 2. Quasi gewichtig de boot afhouden op grond van een verborgen agenda, die mogelijk kan duiden op belangen bij de farmaceutische industrie. Er is, zoals de Poolse wetenschapper terecht enigszins smalend liet weten, meer dan voldoende wetenschappelijk bewijs voor de werkzaamheid en de veiligheid van bacteriofagen therapie. Het Nederlandse standpunt toont een houding waaruit een kwetsende arrogantie spreekt bij mensen voor wie het hoog tijd wordt  dat ze hun verantwoordelijkheden neerleggen en overdragen aan mensen die bereid zijn de vakliteratuur te volgen. Een belangrijke spreuk in deze is de volgende:

ONWETENDHEID WOONT VLAK NAAST GEWETENLOOSHEID.

Met vriendelijke groet, Peter P. van Oosterum

Alleen geld telt

Het rijmt ook nog, maar het is ongerijmd. Ik neem even een stukje over uit een artikel dat ik tegenkwam. Overigens een van de vele artikelen over dit onderwerp.

22 november 2006 1 minuut leestijd

wetenschap

Nieuwe morfine achtige pijnstiller

Franse wetenschappers hebben een klein humaan eiwit ontdekt dat in een lage dosis een sterke pijnstillende werking heeft. In een proefdiermodel voor pijn is een zes keer lagere dosering van het peptide even werkzaam als morfine. De onderzoekers hebben het peptide opiorfine gedoopt. De ontdekking is beschreven in Proceedings of the National Academy of Science van 21 november.

De onderzoekers, verbonden aan het Institut Pasteur, zijn op zoek gegaan naar de pijnstillende stof nadat Japanse wetenschappers een dergelijk pijnstillend peptide (spinorfine) bij koeien hadden ontdekt. De Fransen vonden eerder al een vergelijkbare stof bij ratten (sialorfine) en toonden vervolgens aan dat ook mensen een dergelijk peptide produceren. Opiorfine is aantoonbaar in speeksel.

Om de pijnstillende potentie van opiorfine te meten, hebben de onderzoekers het humane peptide toegediend aan ratten die vervolgens een zogeheten pin-pain-test ondergingen. Bij deze proef worden ratten gedurende drie minuten in een vierkant hok met negen vlakken van 15 bij 15 cm gezet. Het middelste vlak heeft een glad oppervlak. In de acht perifere vlakken steken rechtopstaande spijkers 8 mm door de vloer. Ratten vinden het van nature niet prettig om in het midden van een ruimte te zitten en zijn geneigd de kant op te zoeken. Hoe vaak ze de perifere vlakken opzoeken en hoe lang ze daar verblijven, is een maat voor de onderdrukking van pijn.

Ratten die morfine kregen in een dosering van 6 mg/kilo lichaamsgewicht verbleven gemiddeld 72 seconden op de ‘spijkerbedvlakken’. Met opiorfine in een dosering van 1 mg/kg liepen de ratten daar gemiddeld 61 seconden. Ratten die alleen medium kregen ingespoten, verbleven gemiddeld 4 seconden op de vlakken met spijkers.

De auteurs noemen de bevindingen baanbrekend. De in-vivo resultaten met opi­orfine duiden op mogelijke klinische toepassingen ervan, menen ze.

                               ————————————————————————–

Dit heb ik gewoon van het internet gedownload. Een krantenberichtje betreffende een wetenschappelijk onderzoek. Eigenlijk ging dit onderzoek over een soortgelijk stofje dat vrijkomt bij onze moeders als we geboren worden. Als dat namelijk niet zou gebeuren dan zou elke vrouw wel oppassen om ooit een tweede kind te krijgen, omdat de pijn van de bevalling zo verschrikkelijk zou zijn dat het levenslang traumatiserend zou werken. Gelukkig heeft moeder natuur daar wat op gevonden, een zogenaamd endorfine. Dat zijn morfine achtige stoffen die ons lichaam in de meeste gevallen zelf kan maken als het nodig is.

Het hier bedoelde stofje dat ‘opiorfine’ is genoemd is te meten in ons speeksel. Nee, niet bij iedereen evenveel en nee niet als je door angst en schrik bevangen een heel droge mond en keel hebt. En kijk, dat zien we nu juist gebeuren als er iets moet gebeuren waarvan we weten dat het pijn gaat doen of waarvoor we juist bang zijn dat het pijn gaat doen. Angst stopt namelijk de speekselvloed en daarmee ook de productie van onze natuurlijke pijnstiller.

Hoe dan ook, het stofje is bekend en kan gemaakt worden, Die Franse wetenschappers hebben dat aangetoond. En ze hebben heus niet met zijn allen langdurig in een bakje staan spugen om voldoende speeksel te krijgen. Nee, ze hadden al heel snel in de gaten dat het gemakkelijk was na te maken. Maar heb je het jaartal gezien dat boven het artikel stond. Ja? 22 november 2006. Dat wordt dit jaar dus dertien jaar geleden dat een fantastische pijnstiller werd ontdekt, zes maal zo sterk als morfine en omdat het een lichaamseigen stof is zijn er ook geen bijwerkingen.

Eerlijk gezegd had ik jaren geleden al eens een televisie-uitzending gezien waar in het kennelijk over deze stof ging, hoewel hij daar niet duidelijk werd benoemd. Stel je voor, een Spaanse chirurg doet een knieoperatie bij een mevrouw. De knie wordt geopend, er wordt wat kraakbeen weg geknipt en vervolgens wordt de wond weer gesloten. Al die tijd heeft die mevrouw geen narcose gehad en ook geen plaatselijke verdoving. Wat ze wel kreeg was een bepaald soort plantenblaadjes in haar mond, waardoor ze heel veel speeksel maakte. Ze gaf aan wel iets te voelen, maar in elk geval geen pijn. Ik was toen zo verbijsterd over wat ik gezien en gehoord had, dat ik dagenlang over niets anders kon praten. Door die grote speekselvloed kreeg die mevrouw waarschijnlijk ook een heleboel opiorfine van zichzelf vrij.

Ik geloof trouwens niet dat je dit experiment zomaar met iedereen kunt doen, ongeacht wat voor blaadjes je in zijn mond stopt. Maar wel een prachtig middel die opiorfine.

Mooi toch? Wat zou het een zegen voor de wereld zijn als het gewoon bij het Kruidvat en dergelijke winkels verkrijgbaar zou zijn. Het kan ook onmogelijk duur zijn, want op stoffen die de natuur maakt kun je natuurlijk geen patent nemen.

Ach, natuurlijk, nu snap ik ineens waarom het niet verkrijgbaar is. Er kan geen patent op en daardoor kunnen er geen vette winsten op worden gemaakt. De winsten van BigFarma zijn natuurlijk veel belangrijker dan al die honderden miljoenen mensen die dagelijks creperen van de pijn. Wat dom van me dat ik erover begonnen ben.

Nou, weet je wat, vergeet nou maar dat het binnen afzienbare tijd in de winkel ligt. Wat je natuurlijk wel kunt doen is uitproberen waarmee jij veel speeksel in je mond krijgt, speciaal als je ergens pijn hebt. Kun je zelf merken of het werkt.

En wat de productie betreft, toen die pillen voor de taaislijmziekte zo krankzinnig duur waren heeft een apotheker uit Den Haag zijn nek uitgestoken en is die pillen gaan maken voor een veel lagere prijs. Zulke mensen hebben we nodig. Iemand zou een apotheker moeten vinden die opiorfine maakt. Er kan geen patent op rusten. Hij kan dus nooit in de problemen komen. Dan kunnen we misschien eindelijk pijnbestrijding laten gebeuren zonder al die nare bijwerkingen die de pillen van BigFarma doorgaans hebben.

Nou, kom op mensen, wie vindt die menslievende apotheker.