In de ochtend van mijn leven, vervolg

In de zomer van negentienvierenveertig liep ik tussen mijn moeder en tante Truus van Schagerbrug, het dorp waar we drie jaar lang geëvacueerd hadden gezeten, terug naar Den Helder. De laatste zeven kilometers, vanaf Julianadorp had ik mogen meerijden achterop de fiets van een man die mijn moeder of mijn tante blijkbaar kenden.

Het was de zomer voorafgaand aan de hongerwinter, maar ik herinner me heel goed dat het voedsel grotendeels mondjesmaat was. Er waren wat etenswaren die we ons tegenwoordig niet meer voor kunnen stellen. Zo was er brood dat voor een aanzienlijk deel uit bloembollenmeel bestond. Als je er tegen kon was er niets aan de hand. Ik kon er niet tegen en ik leed daardoor aan enkele ongemakken die mij overigens niet weerhielden vrolijk op straat te spelen. Die ongemakken zouden tegenwoordig mogelijk tot veel kabaal hebben geleid. Toen hadden zoveel mensen er last van dat eigenlijk niemand erover zeurde. Je ging er in elk geval niet aan dood. Zo had ik broodschurft, zoals het genoemd werd. De huid aan mijn knieën en ellebogen was kapot. Elke dag werden er schone lappen omheen gebonden. Verband was niet of nauwelijks voorhanden. De lappen waarmee mijn kapotte velletje werd verbonden werden uit oude kledingstukken gescheurd. Elke morgen als ik wakker werd zat de boel zo vastgeplakt dat ik jammerde als het werd losgetrokken. Maar het moest eraf. Daarin was mijn moeder onverbiddelijk. Ze moest me uiteindelijk helemaal wassen en dat gaat niet als je ellebogen en knieën in het verband zitten. Het ging maar niet over, die broodschurft, totdat mijn grootvader zei: je moet dat kind ermee in de zon laten lopen. Die lappen eromheen, dat is niet goed. Toen ging het over.

Mijn opa Slot was trouwens een verhaal apart, een verhaal dat ik overigens pas later hoorde, maar wat hier wel in thuishoort, vanwege de gevolgen die het voor het gezin had. Opa had ooit een groot verhuisbedrijf. Als enige in heel Noord Holland mocht hij onder meer voor de  bekende pianohandel, Ypma in Alkmaar, piano’s en vleugels vervoeren. Het bedrijf van mijn opa had een flink aantal grote verhuiswagens. Vrachtauto’s zag men in die tijd nog niet heel erg veel. Opa werkte met paarden die de wagens moesten trekken. Hij had er twintig op stal staan, twintig mooie sterke trekpaarden. Ten tijde van mijn geboorte was zijn hele bedrijf er echter niet meer.            In die tijd kwam de auto industrie op, waardoor er ook steeds betere vrachtwagens op de weg kwamen. Opa had in die vernieuwing mee moeten gaan. Eerst had hij dat kennelijk onzin gevonden en eigenlijk durfde hij niet goed en toen de concurrentie hem al flink wat schade had toegebracht raakte hij aan de drank. Het werd van kwaad tot erger. De paarden moesten verkocht worden. Dat kon op de markt in Schagen. Als hij dan geld had gevangen waren er ook in Schagen meer dan voldoende kroegen om de winst te verdrinken. Enkele keren gebeurde het dat hij dagen niet thuis kwam. Als hij dan eindelijk thuis kwam was het geld op. Driemaal had hij een delirium, waarin hij alles in huis kort en klein sloeg. Het moet een verschrikkelijke tijd geweest zijn voor oma, die thuis met zes kinderen zat. Als kind wist ik daar allemaal niets van en opa was toen mijn grote held, maar toen dronk hij al een hele poos niet meer. Navrant detail was dat mijn op een na jongste oom, oom Dik, op zijn zevende jaar al een fascinatie had voor auto’s. Hij groeide uit tot een automonteur die alle toenmalige garagebedrijven graag in dienst wilden hebben.

De laatste tien jaren van het interbellum, de periode tussen de twee wereldoorlogen, staat in de geschiedenis van ons landje bekend als ‘de malaise’ In negentiennegenentwintig was er in Amerika een beurscrash geweest en in de hele westerse wereld ging het slecht. Het gevolg was dat er veel werklozen waren en dat mensen van een minimale overheidsondersteuning moesten leven. Veel voornamelijk mannen werden door moedeloosheid een schaamte gedreven tot het zoeken naar vergetelheid. Die vonden ze in de drank. Ik vermoed dat mijn grootvader, wanhopig ziende dat zijn bedrijf te gronde ging door de opkomst van de vrachtauto, waar hij niet aan durfde, ook in de drank gevlucht is. Maar, toen alles duister was en het gezin bijna aan de bedelstaf geraakt was kwam er redding.

In plaats van de trotse eigenaar van een groot verhuisbedrijf te zijn werkte hij als rangeerder bij de spoorwegen. Het weinige geld wat hij daarmee verdiende kwam voor het grootste deel in de kroeg. Jaren nadat opa overleden was heeft oma nog de schulden betaald aan alle kleine Helderse middenstanders die haar jarenlang op de pof hadden geleverd. En niet alleen dat; opa had dronken vechtend in een van de kroegen de vent waarmee hij ruzie had opgepakt en als een zak aardappelen dwars door het grote raam aan de voorzijde van de kroeg gegooid. Schade ruim tweehonderd gulden. Als voormalig verhuizer was opa zo sterk als een beer. Ook die schuld is oma twintig jaar na zijn dood gaan betalen.

Tja, zo ging dat toen. Maar zoals ik schreef, er kwam redding. Opa’s zuipmaatje, waarmee hij bij de spoorwegen werkte werd op een dag op staande voet ontslagen wegens dronkenschap. Daarvan is opa toen zo geschrokken dat het een totale ommekeer in zijn leven veroorzaakte. In die tijd was het uit Engeland overgewaaide Leger Des Heils erg actief in de pogingen de enorme menigte drinkebroers op andere gedachten te brengen en te redden van de ondergang. Mijn opa werd heilsoldaat. Hij dronk niet meer, hij rookte niet meer en als het leger uitrukte met alle koperblazers en overal in de stad halt hield om hun getuigenissen te laten horen, dan liep mijn bekeerde opa Slot voorop met de vlag, trots op zijn uniform en vastbesloten niet meer de weg van verderf op te gaan.

Toen Mamma en ik in negentienvierenveertig bij opa en oma introkken was het niet meer dan vanzelfsprekend dat opa mij meenam naar het zondagsschooltje van het Leger Des Heils. Ik vond het allemaal prachtig. Daar werd gezongen onder begeleiding van veel ritmisch handgeklap en er werden mooie verhalen verteld. Zingen doe ik nog steeds graag en verhalen bedenken en vertellen is mijn voornaamste bezigheid en ik denk dat de voorliefde daarvoor in die tijd geboren is.                                                      In dat Leger Des Heils konden ze trouwens behoorlijk op je gemoed werken. Zieltjes winnen zouden we dat tegenwoordig noemen. Elke zondag op dat zondagsschooltje werd ons kinderen verteld dat wij zondaars waren en dat de Here erg gelukkig zou zijn als we ons bekeerden door voor in de zaal te knielen voor de zondaarsbank. Ja, zo ging dat. Ik vrees trouwens dat nog steeds heel veel kinderen op soortgelijke wijze ook vandaag de dag nog quasi gewetensvol worden gehersenspoeld en voorzien van een pakket aannames die op geen enkele manier bewijsbaar zijn, maar die in de achter ons liggende eeuwen hebben bewezen in hoge mate bij te dragen aan een gepolariseerde en oorlogvoerende wereld. Allemaal met de beste bedoelingen natuurlijk, maar is er niet een spreekwoord dat zegt dat de weg naar de hel juist geplaveid is met goede bedoelingen. Nee, ik wil echt niemand voor het hoofd stoten, maar geloven is niet braaf, het lijkt alleen maar braaf als je weinig onderscheidend vermogen hebt.

Terug naar mijn kindertijd. Ik was toegetreden tot het Heilsleger, geronseld zou men tegenwoordig zeggen. Ik was jong soldaat en trad ook toe tot het jeugdmuziekkorps. Daartoe werd mij een grote trompet, een flügelhorn of bügel ter hand gesteld. Ik kreeg les van een volwassen muzikant en heilsoldaat, Bram Staalman, die in het dagelijks leven fietsenmaker was. Ik leerde muziek lezen en op die toeter spelen, wat me trouwens aardig wat inspanning kostte. Braaf was ik, een heel braaf kind.

In september vijfenveertig was mijn vader eindelijk terug uit de oorlog. Ziek, lichamelijk gesloopt tijdens zijn zesendertig zesweekse patrouilles naar de Middellandse zee met het utility class duikbootje, Hare Majesteits Dolfijn. Het was zes uur in de morgen. Er was gebeld, er was een hoop gedraaf in huis. Ik zat op de tweede tree van de trap bij oma in de gang. Het zonlicht viel door het halfronde bovenraam boven de voordeur. De deur ging open en een vreemde man in een matrozenpak omhelsde en kuste mijn moeder. En ik was in mijn hele kleine leventje nog nooit zo alleen geweest.

Als een vrolijke – maar ook heel katholieke jongen was hij de oorlog in gegaan. Het geloof uit zijn kindertijd had hij in de oorlog grondig afgeleerd. Pas jaren later heeft hij over zijn jaren onderwater met die kleine onderzeeboot van de utility klasse, waarbij de Engelse marine had besloten dat er geen snorkel – een Nederlandse vinding – op mocht komen, omdat de vijand dat zou kunnen zien.                                                        Rond middernacht, zo vertelde hij ooit, konden ze boven water komen om de luchtflessen weer te vullen, maar ’s middags rond twaalf uur wilde van een aangestoken lucifer doorgaans alleen de kop nog branden. De zuurstof was dan nagenoeg op. Tegenwoordig weten we dat zuurstofgebrek niet alleen benauwd is, maar dat somberheid, angst en ook agressie het gevolg kunnen zijn.                                              Als manneke van vijf jaar begreep ik daar natuurlijk allemaal niets van. Hoe had ik als kind ook kunnen begrijpen hoe vijf jaar ontbering en doodsangst, slecht voedsel, gebrek aan water, schurft, scheurbuik en nog veel meer ellende het karakter van een vrolijke gezonde man veranderen. Het enige wat ik merkte was dat er een voor mij totaal onberekenbare man in ons leven was gekomen, die om het minste of geringste driftig werd en erop los sloeg. Mijn moeder raakte dan altijd totaal in paniek. Nooit had iemand het jongetje dat ze met veel moeite door de oorlog had gebracht geslagen. En dat uitgerekend de man waarvan ze zielsveel hield dat deed moet haar vaak innerlijk hebben verscheurd. Als oudste kind in het gezin van een onberekenbare dronkaard was ze opgegroeid. Het geweld dat zich daar om haar heen afspeelde had haar een onbeheersbare angst voor dronken mannen en geweld ingeboezemd.                            Oh zo vaak hoorde ik haar dan in doodsangst smekend, huilend roepen: ‘Oh nee Piet, Piet, niet doen alsjeblieft,’ Terwijl ik, weerloos en te laat begrijpend wat ik nu weer verkeerd had gezegd, klappen tegen mijn hoofd kreeg.

Terwijl ik dit schrijf voel ik weer de angst voor die doldriftige man, die toch ook steeds weer mijn beste en meest gevoelige vriend was, die na zijn driftaanvallen nooit zou zeggen dat het hem speet, maar die zich uitputte in zijn pogingen om het maar weer goed te maken. De vader die me leerde zingen en die me jazz liedjes leerde en vooral timing. Die man, mijn vader, die me angst inboezemde, maar met wie ik later samen op de planken stond. Dat we samen een repertoire opbouwden dat we tweestemmig zongen, waarbij ik de gitaarbegeleiding speelde.                                                                Voor mijn moeder betekende dat muziek maken van ons heel veel. Vaak repeteerden mijn vader en ik onze kleinen optredens na de avondmaaltijd. Bij die gelegenheden kon mijn moeder in de keuken geluidloos de afwas doen, want ze wilde niets missen van wat we zongen.

Vaak denk ik: had ik als kind maar begrepen wat hij allemaal had moeten doorstaan, hoe zijn toekomst door die oorlog kapot geslagen was. Hoe hij zijn vertrouwen en het geloof in de mens en de kerk volledig was kwijtgeraakt. Hoe hij met een lichaam dat zwaar beschadigd was verder moest. Hoe hij te horen kreeg dat zijn gezondheid de grond vormde voor zijn ontslag uit dienst bij de marine, waardoor hij niet, zoals alle marinemensen met zijn vijfenvijftigste met pensioen kon, maar in de burgermaatschappij tien jaar langer mocht werken. Hoe hij na de oorlog te horen kreeg dat mijn moeder via het rode kruis maandelijks zeventig gulden had ontvangen en dat hij daardoor teveel geld had gekregen, zodat het teveel ontvangen bedrag door de kruideniers in Den Haag maandelijks van zijn gage werd afgetrokken. Dat er een paar honderd van de mannen met wie hij de oorlog was in gegaan met onderzeeërs en al op de bodem van de Middellandse Zee lagen vormde kennelijk voor onze toenmalige bestuurders geen reden om met enige coulance met de voormalige strijders om te gaan.Mijn vader was daar woedend over. Als enige marineman uit de onderzeedienst is hij tweeënnegentig jaar geworden. Altijd weer zei hij, nog steeds strijdlustig: ‘Ik verdom het om dood te gaan. Betalen zullen ze.’                                                                            Als enige marineman, zei ik zo-even, maar dan vergeet ik er een. Oud premier Piet de Jong, die meer dan honderd jaar oud is geworden was ook ooit commandant van Hare Majesteits Dolfijn. De commandanten gingen echter allemaal slechts zes maal zes weken op de onderzeeboot patrouilles mee. Omdat er echter te weinig bemanning beschikbaar was moesten mijn vader en zijn maten er genoegen mee nemen zesendertig keer zes weken onder water te zitten en nooit langer dan drie dagen binnen te liggen.

Nu ik zelf langzamerhand de tachtig jaar begin te naderen is mijn oordeel over – en mijn begrip voor mijn vader natuurlijk gerijpt. Nu begrijp ik dat je een gewonde militair wel uit de oorlog kunt halen, maar dat de oorlog gedurende zijn hele leven nooit meer uit hem weg gaat.

Zoals veel van mijn vrienden die ik op school kreeg had ik een oorlogsvader en een behoorlijk driftige ook. Waarvan ik tot ver in mijn volwassen leven last heb gehad was gelegen in de blinde, niets ontziende drift die zich van tijd tot tijd van mijn vader meester maakte. Angstig werd ik daardoor. Ik weet nu dat hij daar totaal geen controle over had, Ik was dan echt nergens veilig. Mijn boezemvriend op de middelbare school, Leo, had ook een oorlogsvader. In tegenstelling tot mij kon hij, als hij tenminste snel genoeg was, ontsnappen naar zijn kamer. Als hij de deur van zijn kamer achter zich kon sluiten was hij veilig. Zijn vader achtervolgde hem nooit tot op zijn kamer. Vaak dacht ik dan met enige afgunst dat de woedeaanvallen van Leo’s vader eigenlijk meer een soort toneelstukje waren, bedoeld om de grenzen tussen wat wel – en wat niet mocht goed duidelijk te trekken.

Hoe moet ik dit nu allemaal eens samenvatten. Laat ik het zo zeggen: ik had de liefste moeder van de hele wereld en een fantastische vader, die helaas voor een belangrijk deel kapot was gemaakt voordat hij de gelegenheid kreeg om echt de vader te zijn die hij wilde zijn. Jammer, maar zo was het nu eenmaal.

Nu lopen er langzamerhand veel generaties van mensenkinderen op deze wereld die of wel een oorlogsvader hadden ofwel zelf in een oorlogsgebied onder de meest afschuwelijke omstandigheden zijn opgegroeid. Het zal voorlopig niet ophouden. Bovendien, vrede zit er niet alleen niet in, maar lijkt ook vreemd te zijn aan de menselijke soort. De voor-Socratische filosoof Heraclitus zei eens: ‘De oorlog is de vader van alle dingen.’ Waarschijnlijk gaf hij daarmee uitdrukking aan iets wat we eigenlijk allemaal wel weten, namelijk dat de menselijke soort over het algemeen beter presteert, inventiever is en meer geneigd het onmogelijke toch ook maar eens uit te proberen als er gevaar dreigt of de concurrentie ons dreigt te vernietigen. Ik vermoed dat dit waar is. Wat ik echter zeker weet is dat te veel dreiging en te veel geweld verlammend werkt. Als dreiging, geweld, angst en vernietiging lang genoeg duren, ontstaat in de mensen die eraan blootgesteld zijn een verlammende wanhoop die kan leiden tot totale lethargie.

Tenslotte: uit het feit dat iedereen die regelmatig mijn schrijfsels leest valt in het licht van het bovenstaande gemakkelijk op te maken dat de vaderlijke dreiging uit mijn vroege jeugd, evenmin als de oorlogsjaren een al te verlammend effect op mijn creativiteit en uitingsdrang hebben gehad. Sterker nog, misschien had het zelfs wel zin. Ik kan daardoor in elk geval begrijpen wat gevaar en dreiging bij mij veroorzaken, waardoor de veronderstelling gerechtvaardigd lijkt dat ik dat ook begrijp als het anderen overkomt.                                                                                                                        Mededogen heet dat, geloof ik

 

In de ochtend van mijn leven

De ochtend van mijn leven speelde zich grotendeels af op een boerendorpje, Schagerbrug, in de buurt van het Noord- Hollandse Schagen.                                          Op een zonnige morgen was mijn oom Klaas, de jongste broer van mijn moeder, met een bakfiets voor de deur gekomen. Oom Klaas werkte voor een kolenboer. Zijn werk bestond er in die tijd uit steenkool  bezorgen met een paard en wagen. Iedereen had in die tijd een kolenkachel. Weliswaar werden de kolen schaars naarmate de tweede wereldoorlog voortduurde, maar voor mijn oom Klaas was er altijd werk, want de Duitse bezetters wilde ook bij een warme kachel zitten en ach, af en toe viel er dan ook wel eens een zak kolen net bij oma voor de deur van de wagen.Ja, bij oma. In die tijd woonde ik met mijn moeder bij oma en opa Slot. Mijn vader was een marineman. Veel later, na de oorlog, vertelde hij dat hij vanuit Rotterdam met een half afgebouwde onderzeeër, de O21, zo ongeveer over de bodem van de Noordzee naar Engeland was gekomen, terwijl het Duitse bombardement op Rotterdam al gaande was.                        Voor mij was mijn vader een foto die altijd wel ergens op stond.

Volgens welke verordening of regel weet ik niet, maar toen ik anderhalf jaar oud was moesten wij evacueren. Ik vermoed dat de Bezetter in onze woonplaats, Den Helder, een marinehaven, alleen mensen wilden hebben die nodig waren. Mijn moeder in ik, anderhalf jaar oud waren dat natuurlijk niet. Op een zonnige oktobermorgen stond oom Klaas met een grote bakfiets voor de deur, waarop de meest noodzakelijke meubeltjes van mijn moeder geladen waren. Voor mij was een klein plekje uitgespaard, vlak achter het linker voorspatbord. En daar gingen we.                                                                    In mijn herinnering duurde de tocht ongeveer de hele dag. De bestemming was Schagerbrug, want aan een weg die ‘De Buurt’ werd genoemd was een vrijstaand gebouwtje, dat eerder in gebruik was geweest als werkplaats voor de timmerman Veul, ja zo heette die man. Het gebouwtje stond dan ook bekend als ‘de noodwoning Veul’. Mijn moeder en ik mochten daar wonen. Bij binnenkomst was de ruimte nagenoeg leeg. Wel was er een aanrechtje met een kraantje en in het midden stond een potkachel van waaruit een lange kachelpijp de duistere hoogte van het zadeldak in liep.                        Als we het deurtje uitkwamen stonden we in het gras. Er was een hek dat uit houten planken bestond, maar waar ik doorheen kon kijken. Achter het hek was een lang weiland dat ik ‘de lijnbaan’ heb horen noemen. Kennelijk werd daar vroeger touw geslagen. De Duitsers gebruikten het weiland echter voor heel andere zaken. Aan het einde van ons uit gezien hadden ze een lanceerinrichting voor V2 raketten. Natuurlijk begreep ik daar als hummel van nauwelijks twee jaar niets van, maar wel zag ik dingen de lucht in gaan waar het vuur achter uitspoot.

In de ongeveer drie jaren die we in ons evacuatiedorp doorbrachten zijn we drie keer op een ander adres terecht gekomen. Ik herinner me dat we na de noodwoning Veul terecht kwamen in een kamertje met bedsteden aan de voorkant van een arbeiderswoning. Bij dat huisje hoorde de naam Hartsuiker. Vage – en meest exemplarische beelden heb ik van die tijd. In een kinderstoel zit ik aan tafel. Blijkbaar was ik voor het vastzitten in een dergelijk meubel iets te beweeglijk, want op een gegeven moment viel ik met stoel en al om naar rechts. Het was een behoorlijke klap, maar ik had me niet bezeerd. Wel ervoer ik mijn positie, op mijn zij liggend terwijl ik geen kant op kon, als verontrustend. Ik ben flink gaan huilen, waardoor mijn moeder uit de keuken kwam aandraven en mij weer rechtop zette.

Alle herinneringen uit die vroege jeugdperiode zijn fragmentarisch. Maar toch lijkt het zo te zijn dat de mate waarin heel vroege herinneringen toegankelijk en bewaard blijven afhankelijk te zijn van je taalontwikkeling. Zo was ik, naar mijn moeder later vertelde, heel laat met lopen, bijna anderhalf jaar oud. Spreken deed ik evenwel veel eerder al op een redelijk niveau. Volgens de overlevering sprak ik onder het jaar al hele volzinnen zoals: ‘mag ik ook sokuigeren’, wat natuurlijk stofzuigeren moest wezen, maar toch een heel aardige fonetische aanduiding vormde voor een handeling die mijn moeder uitvoerde en die mij nu juist zo aantrekkelijk leek om te doen.

Dat ik pas laat kon lopen betekende niet dat ik mij niet uit het zicht kon begeven. Op een mooie dag kroop ik voor het huis. Dat mijn moeder een touw rond mijn middel had gebonden kan ik me niet herinneren. Dat ze dat een perfecte manier vond om me in de buurt te houden was iets wat ze me veel later vertelde. Wat ik me wel herinner is dat ik tussen de stokbonen doorkroop die in de tuin aan de achterzijde van het huis groeiden. Op boerendorpjes had iedereen natuurlijk de tuin als moestuin.

Aan het einde van het pad waarop ik voortkroop zag ik een intrigerend gat in de heg. Daar aangekomen bleek dat vlak achter de heg de sloot liep. Vlak voor ik in het water zou rollen had mijn moeder me te pakken. Waarschijnlijk had ik het met een minder oplettende moeder nu niet kunnen navertellen. Uiteraard heb ik aan die gebeurtenis geen enkele schrik of angst herinnering. Daarvoor was ik nog onvoldoende bewust. De beelden, het zonnige gevoel vrijheidsgevoel tussen die stokbonen is zelfs vandaag nu ik dit schrijf nog bij me. Een andere ervaring aan de rand van het water heeft wel een angstspoor meegekregen.

Ons dorp werd doorsneden door een smalle vaart die de naam Grote Sloot droeg. Mijn oudoom Bram voer daar tweemaal daags met een platte stalen schuit doorheen om de melkbussen van de boeren langs de vaart te halen, die hij dan wegbracht naar de melkfabriek, ‘De Eensgezindheid’ in Sint Maartens Vlotbrug.                                          Ik was nu wat ouder en het lopen had ik inmiddels ruimschoots onder de knie. Op een dag had het geijzeld. Spekglad was het. Aan de rand van het water ontwaarde ik een steigertje. Het was een oud steigertje, waarschijnlijk bedoeld om een roeibootje aan vast te leggen. Het steigertje liep een tikje schuin af richting het water van de Grote Sloot Doordat het oppervlak spiegelde in het zonnetje trok het sterk mijn aandacht. Natuurlijk kwam dat doordat er een spiegelend laagje ijzel op lag. Toen ik er echter een voet op zette gleed ik onderuit en gleed langzaam in de richting van het water. Mijn handen lagen met de palmen naar beneden op de ijzige planken in een wanhopige poging om te vermijden dat ik in het water gleed. Ik werd gered doordat ik bij mijn kraagje werd gegrepen door een tierende Tante Maartje, de vrouw van oom Bram, die vanuit haar huisje aan de overkant een sprint van minstens tweehonderd meter getrokken moet hebben. Ik kreeg een paar woedende kletsen voor mijn achterwerk voor ze me een stukje verderop bij mijn moeder in haar keukentje afleverde. Wat er daar tussen die twee vrouwen verder gezegd werd is langs mij heen gegaan.

Het huisje waar we toen woonden was de derde en ook laatste evacuatiewoning die we betrokken. Er was een keuken en een huiskamertje en een slaapkamer. Tante Truus, de zus van mijn moeder kwam bij ons wonen. Tante Truus was mijn absolute favoriet en later ging ik met haar trouwen zodat ik twee aanspreektitels voor haar had: ‘tantruus’ en natuurlijk ‘vrouw’ refererend aan dat voornemen. Ik vermoed dat tante Truus de noodzakelijkheid van haar aanwezigheid in Den Helder ook niet goed duidelijk had kunnen maken. Maar ik denk ook dat het voor mijn moeder wel fijn was dat ze, amper vijfentwintig jaar oud met een kind van nog geen vier jaar oud, gezelschap kreeg van haar zus die een zonnig en zorgeloos karakter had.

In negentien vierenveertig gingen we terug naar Den Helder, lopend. Vervoer was niet voorhanden. Ik kan me herinneren dat ik twee vrouwenhanden ter weerszijden vasthoudend voort stapte.

Om welke reden weet ik niet, vermoedelijk om controleposten te ontlopen, maar mijn moeder en tante kozen binnendoor wegen in plaats van de korte weg langs het Noord-Hollands kanaal. Bij Julianadorp kwam ons een man achterop fietsen – zulke mannen met fietsen had je in die tijd niet heel veel – die mijn moeder of tante kennelijk kende. Of ik daar nou over had lopen zeuren, dat mijn voetjes moe waren of iets dergelijks, weet ik niet meer, maar ik mocht bij die man achterop de reis naar het huis van opa en oma Slot in de Van Hoogendorpstraat vervolgen. Mijn moeder en tante Truus wandelden dapper voort, maar ik reed bij die man achterop de fiets Den Helder binnen totdat we aankwamen en ik achter de brede rug voor mij vandaan kijkend het jongste zusje, Tetje, van mijn moeder voor de deur een stofdoek zag uitkloppen. Tegen de man op de fiets riep ik: ‘we zijn er, want daar staat Tet!’

Aan het begin van dat laatste oorlogsjaar waren we teruggekeerd in de schoot van de familie. Het huisje in de Van Hoogendorpstraat nummer drieënveertig had een voor en een achterkamer. In de voorkamer sliepen opa en oma. Boven was een zoldertje en twee slaapkamertjes. Daar waren we dan: opa, oma oom Klaas, oom Dik, oom Freek, tante Tet, Mamma, ik. Best veel. Tante Truus ging bij tante Baaf wonen, een zus van opa. Het was vol, vol en warm en gezellig en iedereen hield van mij.

Trojan Horse

 

Onder deze titel is mijn Sciencefiction roman net uitgekomen.

Een korte synopsis van het verhaal:                                                                                    In dienst bij een grote multinational, de Hoyt Uliger Corporation, HUC, hebben drie geniale ontwikkelaars de volmaakte menselijke, robot, de android ontwikkeld. De ontwikkeling was kostbaar en het prachtige product zal in eerste instantie slechts bereikbaar zijn voor de zeer rijken. Het zal naar verwachting vrij lang duren voor in deze tak van de corporatie een economisch break even point wordt bereikt. Omdat HUC echter andere zeer winstgevende bedrijfstakken heeft zou dit tijdelijk achterblijven in winstgevendheid niet als problematisch gezien hoeven te worden.

Hoe dan ook, het werk aan dit project is klaar. Een nieuwe uitdaging voor deze drie ontwikkelaars is nodig. Om er voor te zorgen dat het bedrijf ook iets te bieden heeft voor de iets minder welgestelden komt hoofd ontwikkelaar, Judith Krantz, fysisch ingenieur,  op het idee om de volmaakte Virtual Reality apparatuur te ontwikkelen, waarbij elke gewenste beleving kan worden opgeroepen door er simpelweg aan te denken.

Haar idee wordt echter op beledigende wijze afgeschoten door Cecil Hoyt, de financieel directeur van HUC, die van mening is dat er eerst winst gemaakt moet worden alvorens weer kan worden geïnvesteerd in nieuwe ontwikkeling. Tijdens de ruzie die het gevolg is van de starre kortzichtige weigering van Hoyt nemen de drie ontwikkelaars onmiddellijk ontslag, tot groot ongenoegen van Brian Uliger, de technisch directeur van de organisatie. Hij ziet de mensen die in zijn ogen het belangrijkste intellectuele kapitaal vormen voor het bedrijf verloren gaan.

De drie ontwikkelaars, onder leiding van Judith Krantz, starten een eigen bedrijf, de Neuro Imaging Corporation, NIC. Hun enthousiasme en vindingrijkheid leiden al snel tot succes, waardoor de economische positie van het nieuwe bedrijf een stevige basis krijgt.                                                                                                                                    Cecil Hoyt beseft echter dat het product dat NIC heeft ontwikkeld en dat nauwelijks uit de testfase is een enorme economische bedreiging vormt voor HUC. Hij sleept Uliger tegen diens zin mee in kwalijke en gevaarlijke aanvallen op NIC. De techniek die gebruikt wordt lijkt een op hacken. Hoyt schroomt echter niet om op een zeer fysieke wijze te hacken. Voor Judith Krantz blijkt dit letterlijk levensbedreigend als ze haar handelen niet meer volledig zelf lijkt te controleren, waardoor ze een fatale fout maakt.

Uiteindelijk wordt de gewetenloze man, Cecil Hoyt, met zijn eigen methode en door eigen toedoen ten val gebracht.

Waarom nu deze titel?                                                                                                        De geschiedenis uit de Griekse mythologie over het Trojaanse paard vormde hier te lande de inspiratie voor het Turfschip van Breda. Strijders of strijdmaterialen worden onopgemerkt bij de tegenstander binnengebracht. In Trojan Horse maak je mee hoe het Trojaanse paard via teleportatie bij een mens wordt binnengebracht en de regie overneemt.

Het boek is uitgegeven bij uitgeverij Schrijverspunt en uiteraard in de eigen webshop van de uitgever te krijgen, maar ook andere verkoopkanalen via het internet, zoals Bol.com bieden het te koop aan. De prijs is € 17,95

 

Cocon

Misschien was ik nauwelijks zichtbaar toen ik aan de bouw van deze cocon begon.        Ik weet niet meer zeker of ik heel gerichte plannen had toen. Natuurlijk, het was voor de zoveelste keer weer het begin van alles dat komen ging. Mijzelf kennende denk ik echter dat ik eerder een soort van dromerige verlangens koesterde dan dat ik echt omlijnde plannen had.                                                                                                        Wel had ik uit de beide grondstoffenbanken bepaalde kenmerken meegenomen die mij handig en nuttig leken om bij me te hebben. Ook een hoop rommel trouwens, waarvan ik later meer last had dan me lief was. Eerlijk gezegd ging het allemaal nog al haastig. Het was op een avond, vroeg in de zomer, dat ik merkte dat er een kansje was om met de bouw te beginnen. Ik kan me eigenlijk niet eens meer goed herinneren hoe ik het wist. Er was ergens een dansfeestje, het is allemaal vaag hoor, waar ik was uitgenodigd. Nou ja, uitgenodigd was ik eigenlijk niet, maar ik dacht dat ik daarbinnen een bekende zag. Volgens mij merkte daar niemand op dat ik daar rond hing, want degenen die ik meende te kennen waren hele andere figuren. Nee, wacht, iemand had me gezegd dat het daar gezellig was en dat zij zelf ook gingen, maar toen ik daar aangekomen naar hen toe ging leken ze dat wel vergeten. Heel druk en intiem waren ze met elkaar. Later gingen ze naar buiten. Ze liepen een poos hand in hand langs het strand. Ach weet je, het waren eenvoudige luitjes. Hoewel, veel later heb ik wel gemerkt dat hij wel heel mooie kenmerken had. Zij was eigenlijk alleen maar lief, een beetje angstig maar lief.                                                                                                                Ik weet nog wel dat het een zachte avond was en dat ik toen hoopvol vlak achter hen aan in met hen mee liep. Je snapt natuurlijk dat ik mijn kans moest afwachten. Ja, je mag of je mag niet. Zo gaat het nu eenmaal altijd.

Nou ja, je moet goed begrijpen dat mijn manier van werken, of liever gezegd mijn manier van beginnen altijd weer van zo ontzettend veel factoren afhangt. Als je wist hoe vaak ik bijvoorbeeld voorafgaand aan die gelegenheid alleen al geprobeerd heb om ergens mee te kunnen doen en de gelegenheid te krijgen om te beginnen met de eerste voorbereidingen van de bouw van deze cocon – of van überhaupt een nieuwe cocon, dan zou je misschien tegen me zeggen: man, man, man, heb je dan nooit gedacht: waar begin ik in vredesnaam aan. Daar heb je op zich natuurlijk wel gelijk in, maar het gekke is dat ik nooit heb kunnen stoppen als ik eenmaal begonnen was.

Achteraf gezien was het ook niet helemaal een gelukkige keuze, nou ja, dat moment en dan die twee wel hoor, die waren prima, maar de hele wereld stond op het punt om in de brand te vliegen. Maar ja, ik was nou eenmaal begonnen en na tientallen keren het bos in gestuurd te zijn denk ik dan – en zo ben ik nog steeds hoor – : kom op, niet zeuren, nu doorpakken. Dat heb ik gedaan. Duidelijk, anders zat ik hier niet.

Ik denk er nog wel eens aan terug, wat een risico ik toen heb genomen.                          Zij had er in het begin helemaal geen erg in dat ik met de bouw was begonnen. Oh nee, ze dacht helemaal nergens aan, alleen aan hem. Ze vereerde hem gewoon, maar ik dacht: ik bemoei me er niet mee. Ik heb mijn werkplaats om te bouwen en als ik klaar ben zien we wel verder. Tja, als huisvesting schaars is en je vindt na heel veel teleurstelling en afwijzing eindelijk een plek om te bouwen, dan moet je niet te veel zeuren. Collega’s die een beetje de zelfde instelling hebben als ik hadden me vaak gewaarschuwd als ik ze tegenkwam. Dan zeiden ze: ‘als je ergens een bruikbare plek voor de bouw hebt gevonden, dan moet je niet te veel rotzooi maken en zeker niet gaan lopen zeuren, want voor je het weet hebben ze ineens genoeg van jouw bouwactiviteiten  en dan flikkeren ze je zo naar buiten.

Eén keer heb ik dat meegemaakt. Nou moet ik wel zeggen dat het grotendeels aan mezelf lag hoor, want ik stookte veel te hard, maar ik had ook niet erg zorgvuldig mijn voorraadbanken uitgezocht. Nou ja, ondoordacht hè, zo ben ik eigenlijk vaak nog wel. Maar ik kan je wel vertellen dat het een afschuwelijke ervaring was die ik mijn ergste vijand niet zou gunnen. Je ligt ineens met je half afgebouwde cocon op de koude stenen. Zeer pijnlijk. Weliswaar maar even, want je loopt natuurlijk weg en je gaat op nieuw op zoek naar twee geschikte – en liefst wel een beetje stabiele voorraadbanken maar, eerlijk gezegd, niet onmiddellijk.  Zo’n ervaring op de koude stenen maakt je toch terughoudend, mij tenminste. Ik weet wel dat ik toen een hele tijd dacht: ‘nou, dan maar niet,’ weet je wel. ‘Ze zoeken het maar uit.’ Ja, dat denk je dan. Maar zo werkt het niet. Je moet! Het zit in je. Soms weet je niet eens waarom.

Deze keer wist ik dat trouwens wel. Mijn vorige cocon was een hele mooie donkere. Ik had het prima naar mijn zin daarbinnen. Maar er was een stelletje afgunstelingen, een overmacht eigenlijk en die ramden mijn mooie cocon kapot. Ik had er nog jaren plezier van kunnen hebben. Je begrijpt natuurlijk dat ik eigenlijk woedend onmiddellijk op zoek ging naar twee geschikte voorraadbanken. Waarschijnlijk is dat ook de reden geweest dat ik minder kieskeurig te werk ben gegaan dan wenselijk was.

De bouw verliep voorspoedig en toen ik klaar was voer ik in mijn nieuwe cocon de buitenwereld in. Het was een prachtige feestelijke zondag en ik dacht: ‘ziezo, ondanks mijn wat haastige keus, toch een goed begin aan mijn leven in deze cocon. Zoals gewoonlijk verwachtte ik dat mijn twee voorraadbanken in hun eigen cocons mij samen een beetje op weg zouden helpen. Dat hadden ze ook graag gewild. Maar zoals ik daarstraks al zei, de wereld stond op het punt in de brand te vliegen. Mijn sterkste voorraadbank vertrok om de brand te helpen blussen. Toen hij vijf jaar later terug kwam was hij ernstig beschadigd, onberekenbaar. Oh, hij was ook wel aardig en inspirerend, maar zijn onberekenbaarheid maakte hem vaak angstaanjagend, voor mij in elk geval.

Vreemd is dat ik door de jaren heen ben gaan denken dat ik mijn cocon ben en niet meer dan dat. Diep van binnen weet ik natuurlijk wel beter. Als ik achterom kijk en ik zie al die cocons die ik heb gebouwd. Elke keer weer vol goede moed, overmoed eigenlijk vaak. Elke keer raakte die cocon weer in verval, soms al na een paar jaar en een enkele keer na bijna een eeuw in de tijd te hebben verbleven.

Ik weet natuurlijk niet hoe het jou vergaat. Mijn huidige cocon is vrij degelijk. Hoewel ik er wel bij moet zeggen dat de twee die mij in deze cocon als voorraadbank zagen heb ik niet anders dan materiaal van een zeer bedenkelijke kwaliteit kunnen leveren. De oudste van de twee heeft haar cocon al jaren geleden moeten achterlaten en de jongste heeft ook niet veel geluk met haar cocon: pijn, benauwdheid. Nee slecht materiaal. Een enorm positief is ze wel en klagen doet ze ook niet.                                                          Als ik misschien mijn keus voor mijn eigen twee voorraadbanken zorgvuldiger had gemaakt… Nou ja, laat ik me dat nou maar niet te veel aantrekken. Per slot van rekening hebben ze mij toch ook al dan niet zorgvuldig gekozen. Niet mijn verantwoordelijkheid. Ja, dat zeg ik nou wel, maar zo voelt het niet.

Ach, weet je, ik denk dat ik nog een poosje heb om binnen deze cocon mijn eigen werkelijkheid te maken. Het voelt allemaal nog vrij stevig. Maar één ding weet ik zeker: Als mijn huidige cocon het ooit begeeft, dan stap ik heel rustig uit en dan ga ik eens een keer heel zorgvuldig nadenken wat ik wil. Niet zomaar wat pakken omdat het toevallig langs komt. Geduldig zijn en weloverwogen keuzes maken, weet je.                              Misschien heb ik dat deze keer eindelijk geleerd.

Jan

Het moet meer dan twintig jaar geleden zijn, maar soms moet ik nog wel eens aan Jan denken.                                                                                                                                Hij speelde banjo en slagwerk en hij zong. Met zijn zware doorrookte en door whisky verder prachtig geïntoneerde vocale rasp zong hij bijvoorbeeld op onnavolgbare wijze het mooie dixielandnummer “Rosetta’’.                                                                              Voor Jan was de muziek een tweede thuis, waaraan hij vaak de voorkeur gaf boven het huis waar hij woonde, maar waar hij al sinds heel lang niet meer vond wat hij nodig had.

Eigenlijk was Jan in de allereerste plaats vader, en dan een vader van het soort waarmee de boze buitenwereld maar beter geen ruzie kon maken, want met zijn commandotraining en BVD-achtergrond was hij een vervaarlijk tegenstander.

Ooit was Jan getrouwd geweest met een vrouw die hem vier kinderen schonk, maar die hem daarnaast voortdurend op allerlei manieren belazerde. Toen het Jan allemaal te veel en te machtig werd en het mens bij hem weggelopen was met medeneming van letterlijk alle huisraad, zorgde hij ervoor dat hij zo ongeveer de eerste vader in Nederland was die van de rechter zijn kinderen kreeg toegewezen.

Tja, en toen was Marijke gekomen. Ze kwam als huishoudster en om te helpen de kinderen op te voeden. Ze was lerares en wat kinderen betreft wel wat gewend.              Uiteindelijk trouwde Jan maar met haar omdat ze – zoals hij het uitdrukte – dat wel verdiende. Maar eigenlijk werd het nooit echt wat tussen Jan en Marijke. Altijd, als hij over Marijke sprak zei hij: ‘weet je, ze is een fantastische moeder voor de kinderen en ik zal haar nooit in de steek laten, want dat verdient ze niet. Maar ze is zo verdomde saai.

Jan werkte bij een grote krant. Toen hij zestig werd mocht hij in de VUT. Hij had een huisje gekocht in Frankrijk, in de buurt van de plek waar zijn zoon en diens vrouw op tamelijk armelijke wijze met een schapenboerderij de kost trachtten te verdienen. Jan was daar vele malen naar toe gereden om te helpen met het verbouwen van de boerderij en wat verder de hand te doen vond.

Het huisje in Frankrijk stond klaar en de jonge opvolger van de zwarte labrador Tjoin, had er ook veel zin in.                                                                                                          Vlak voor Jan echt zou vertrekken reed hij zich op de grote weg kapot.

Jan werd begraven in Den Haag, op Okkenburg. Ik ben niet naar de begrafenis gegaan, lafaard die ik ben, want als ze daar – wat stellig te verwachten was – mooie jazz hadden gespeeld, was ik nooit meer opgehouden met huilen.

Jan was van ons kwintet eigenlijk de Godfather. Toen onze blinde saxofonist bij zijn nymfomane vriendin weg liep om met een andere vriendin verder te gaan waren er urenlange verantwoordingsgesprekken met Jan geweest. Er moest net zo lang gepraat worden tot Jan erachter kon staan en het begreep.

Toen ik mijn tweede huwelijk voor gezien hield, omdat ik eindelijk de vrouw van mijn leven had gevonden, kondigde Jan aan dat hij kwam praten en ik verzeker je dat ik me daar toen behoorlijk zenuwachtig over maakte. Na een avond lang en stevig bomen kregen we zijn zegen.                                                                                                          Voor mij betekende dat, dat ik het goed had gedaan, want Jan kon niet leven met mensen die valse rotstreken uithaalden.

Van vrienden die wel naar zijn begrafenis waren gegaan heb ik later gehoord dat er wat klassieke muziek was gedraaid. Vermoedelijk vond Marijke het passender. Jan was na het vertrek uit huis van alle kinderen inmiddels toch niet meer met haar samen.              Klassieke muziek! Jan moet hebben liggen vloeken, daar in die kist.                              Zo verdomde saai.

Bacteriofagen 3

Twee keer heb ik hier nu een stukje gepubliceerd over bacteriofagen. Misschien herinner je je nog wel dat ik beschreef dat het hier gaat om de natuurlijke vijanden van bacteriën – en dan natuurlijk meer in het bijzonder van die bacteriën die ons ziek maken. Die natuurlijke vijanden zijn virussen die één soort bacterie doden. Toegegeven, het is een heel gezoek voor je het goede virus gevonden hebt.

Gisteravond was er weer een uitzending onder de titel: ‘De Nieuwe Dokters’, waar dit onderwerp weer aan de orde kwam. Nu is het wel zo dat die titel voor een televisieprogramma de indruk maakt veel nieuws te zullen bieden en voor de meeste mensen is dat ook zo. Ik heb dus maar zitten kijken ondanks het feit dat ik de meeste info al had.

In een eerder programma dat door dezelfde presentatrice werd gebracht was het onderwerp ‘bacteriofagen’ ook al aan de orde geweest. Deze keer werden twee patiënten meegenomen naar een kliniek in Tbilisi, de hoofdstad van Georgië, een van de vroegere Sovjetrepublieken. De reden om juist deze twee patiënten te volgen was dat er hier door onze eigen artsen niets meer voor hen kon worden gedaan. Ze leden aan zware bedreigende infecties waarop geen enkel antibioticum nog vat kon krijgen. De bacteriën die de infecties veroorzaakten waren resistent geworden.                            Maar waarom nu toch in vredesnaam helemaal naar Tbilisi?

Nou, dat zit zo. Een kleine honderd jaar geleden werd aan onze kant van de wereld de penicilline ontdekt door Alexander Flemming. Dat was een geweldige vondst, want in de eerste wereldoorlog waren vele duizenden gewonden op de slagvelden bezweken aan de infecties die het gevolg waren van hun verwondingen. De penicilline en de later daarop volgende nieuwere antibiotica hadden het voordeel dat er heel veel schadelijke bacteriën aan stierven. Helaas hadden deze middelen ook het nadeel dat veel goede bacteriën – die in onze darmen leven en die werk voor ons doen waar ons lichaam zelf niet toe in staat is – ook het loodje legden. Ongewenste bijwerkingen noemen we dat. Maar omdat we niets anders hadden om onze infecties te bestrijden namen we dat voor lief. Ja, je moest toch wat, nietwaar?

Hoe dan ook, Big Farma maakte zich meester van de antibiotica. Natuurlijk hadden ze al snel in de gaten dat bacteriën heel intelligente verdedigingssystemen hebben. Ze leren namelijk heel snel hoe ze zich tegen antibiotica moeten verweren. Dat soort antibioticum werkte dan niet meer. De oude voorraden werden dan door Big Farma in de derde wereld landen gedumpt. Dan bracht het in ieder geval nog wat geld op. Vervelend was dan wel dat ook daar nog andere gevaarlijke bacteriën resistent werden. Maar ach, grote financiële belangen, begrijp je. Voor ons, hier in het welvarende deel van de wereld hadden ze dan wel weer een nieuw antibioticum ontwikkeld. Maar ja, nu werkt er eigenlijk bijna geen enkel antibioticum meer. Meer dan waar ook ter wereld leer je hier dat zelfs de kleinste wezentjes in de natuur, de bacteriën, Big Farma te slim af zijn. Van antibiotica kunnen we nu zeggen: het was een mooie droom zolang het duurde. Er zijn door Big Farma miljarden mee verdiend, maar het is voorbij.

We blijven echter met één klein probleempje zitten. De Big Farma jongens zijn er nog niet aan toe om toe te geven dat ze met de antibiotica op een doodlopende weg zitten. Het zou hen sieren als ze dat wel deden en gracieus opzij stapten. Maar toegeven dat je iets niet kunt schijnt heel moeilijk te zijn, vooral als je heel rijk bent.

Maar goed, voor de genen die de uitzending gezien hebben vertel ik niets nieuws, maar er gingen een paar mannen naar Tbilisi, naar die heel bijzondere kliniek waar ze met bacteriofagen werken, want antibiotica hebben ze daar nooit gehad weet je. Ze genezen daar heel succesvol de meest smerige infecties met die virusjes die ze overal uit de natuur halen en waaraan eigenlijk weinig ontwikkelingskosten zitten. Honderden hebben ze er intussen. Die ene man liep de hele dag te krimpen van de pijn en slikte dan ook voortdurend pijnstillers. Hij had een bacteriële ontsteking van de prostaat. Antibiotica hielp helemaal niet. Met gebruikmaking van de juiste bacteriofagen is hij nu genezen. Uiteraard zijn hier na zijn terugkomst nog de nodige onderzoeken aan hem verricht die zijn genezing hebben bevestigd. Dan was er nog een man. Ze zeiden het niet, maar ik vermoed dat hij een diabetespatiënt was. Hij had een smerige ontsteking aan zijn voet. Het werd steeds erger en er was besloten dat die voet maar moest worden geamputeerd. Nou, je begrijpt, dat wilde hij niet. Ook deze man kwam in de kliniek in Tbilisi zijn ontstoken voet werd weer en gezonde voet. Gelukkig konden we als televisiekijkers het hele verhaal meebeleven, want de presentatrice was met een Tv-ploeg mee gereisd en voerde daar allerlei verhelderende gesprekken.

Daar in Georgië zijn de mensen die verantwoordelijk zijn voor wat er in die kliniek gebeurt allemaal artsen. Net als bij ons zijn ze op de universiteit opgeleid. Verder is het zonneklaar dat hun methode zeer goed werkt. Hier, waar de antibiotica niet meer werken en waar de nood eigenlijk dwingt tot doortastend handelen, heeft medicaland – vast en zeker onder druk van Big Farma – besloten dat er heeeel rustig onderzocht mag worden wat er nu waar is van dat bacteriofagen verhaal.

In Georgië wordt de methode al bijna honderd jaar toegepast. En volgens mij zijn die artsen daar minstens zo goed opgeleid als hier. Maar toch wordt er zand in de machine gegooid. In plaats van te zeggen: dit hebben we echt heel erg nodig, kom hier maar vlug een kliniek opzetten, dan kunnen wij hier gemakkelijker leren wat jullie allemaal al zo lang weten.

Weet je, ik had dit stukje “Arrogantie” willen noemen, maar dat heb ik nog even binnen gehouden. Maar wat vind jij nou. Hoe moet ik dat nou noemen. We zien iets dat heel veel doodzieke mensen kan helpen. Er is bijna een eeuw ervaring mee en er is heel veel overtuigend bewijs. Het is in vergelijking met de westerse geneeskunde ook nog eens goedkoop. Het zal mogelijk het aantal chronische en dus dure patiënten flink kunnen doen afnemen. En wat zien we? Zogenaamde zorgvuldigheid die maakt dat het nog veel te lang gaat duren voor die prachtige geneeswijze hier naast alles wat we al hebben een waardige plaats krijgt.                                                                                      Dus ik vraag het nog maar eens: hebben we nu te maken met arrogantie van wij kunnen alles beter of zijn de verantwoordelijke jongens gewoon zo stik jaloers dat ze er plat voor gaan liggen om het maar zo lang mogelijk tegen te houden. Ik weet het antwoord niet hoor. Zeg jij het maar.

Het eigen risico voor de zorg, list en bedrog.

Als het doorgaat moet iedereen die gebruik maakt van medische hulp, iedereen die een zorgverzekering heeft, daarvoor volgend jaar € 400,- bijbetalen. Dit jaar was het al € 385,- maar er komt mogelijk doodleuk vijftien euro bij. Dat is een verhoging van dat eigen risico van bijna 4%. Ongetwijfeld zullen de premies die de verzekeraars van ons vragen ook wel weer om hoog gaan.

Redelijk zou zijn als de verhoging van de zorgkosten min of meer gelijke tred zou houden met de eventuele inflatie. Ik heb het even opgezocht, de gemiddelde inflatie (geldontwaarding) bedraagt voor dit jaar 1,63%. Daardoor veroorzaakte prijsstijgingen zijn natuurlijk veel lager dan wat de zorgjongens ons nu weer flikken. En wat ik me nu afvraag is hoe dat nou komt dat die zorgkosten zoveel harder stijgen dan alle andere kosten, als dat tenminste echt waar is. Vervolgens vraag ik me af hoe het komt dat wij ons dat met de ogen in wanhoop ten hemel geslagen zo gemakkelijk door de strot laten duwen.                                                                                                                                 Het antwoord op de laatste vraag denk ik trouwens wel te weten: angst.                           Hoezo angst?                                                                                                                     Nou heel simpel, als je eenvoudig mens bent en eenvoudig denkt – en dat doen de meeste mensen – dan denk je: ‘de zorg kunnen we niet missen. De mensen van de verzekeringen zeggen allemaal dat de prijzen omhoog moeten, maar heel vaak kan ik toch niet de medicijnen krijgen die de dokter heeft voorgeschreven. Dan moet ik maar een goedkoper merk slikken dat ergens in Verweggistan is gemaakt, maar daar krijg ik dan weer last van. Huh? Ik begrijp het geloof ik niet.’

Tja, die verzekeraars. Ten aanzien van deze bedrijfstak hanteer ik altijd de volgende stelling: Verzekeraars zijn kooplieden in angst. Altijd houden ze je voor wat er gebeurt als dit, als dat, als zus, als zo. Altijd zijn dat gebeurtenissen, rampen kun je wel zeggen, waarvan iedereen hoopt ze nooit mee te maken. Met een rampscenario dat voor het merendeel van het volk aannemelijk klinkt kun je veel geld verdienen.

Maar goed, stel dat de verzekeraars min of meer gewetensvolle lieden zijn, dan nog zijn het handelshuizen die altijd in het eigen belang en dat van hun aandeelhouders moeten proberen zoveel mogelijk winst te maken. Dat is ook de reden dat ze nu alle huisartsen zwaar in de tang hebben. Die arme huisarts komt dagelijks in situaties waar de verzekeraar hem belet te doen wat hij geleerd heeft dat goed en nodig is.

De verzekeraars noem ik daarom de goed verdienende tussenhandel, die zich bemoeit met zaken waarvan hij onvoldoende kennis heeft, maar waarmee hij zich om uitsluitend financiële redenen bemoeit, met alle kwalijke gevolgen van dien.

Dan komen we bij de geneesmiddelen industrie, de farmacie. Die kunnen gemakkelijk hun prijzen zelf bepalen. Vaak gebeurt het dat de handelsprijs van een geneesmiddel honderden malen de werkelijke kostprijs is. Bovendien, moet je echt weten, wereldwijd is de invloed van de Amerikaanse Food & Drug Administration (FDA) heel groot als het erom gaat welke geneesmiddelen op de markt worden toegelaten. Van dat deel van de Amerikaanse markt is bekend dat hier de vriendjespolitiek en eigenbelang veruit de belangrijkste drijfveren zijn.

Nu heb ik twee bronnen benoemd die een belangrijke factor zijn bij het uit de pas lopen van de zorgkosten. Maar er is er nog een en met enige spijt moet ik zeggen dat we dat zelf hebben laten gebeuren.                                                                                             Als je ergens verantwoordelijk voor bent en het gaat fout, je doet iets verkeerd, je hebt niet goed opgelet, je wist het niet echt precies hoe het moest, nou ja, noem maar op, dan komt er een moment dat je wordt aangesproken op je fouten. Dat is natuurlijk heel vervelend. Per slot van rekening maak je niet expres fouten.                                             De zorg kent dit soort problemen beter dan welk ander gebied ook. Je weet wel; dokter maakt foutje, patiënt dood, of voor de rest van zijn leven invalide.

Het dragen van verantwoordelijkheid is best moeilijk als je er alleen voor staat. Dan is het namelijk altijd jouw schuld als er iets mis gaat. Daar hebben ze nu in de zorg een oplossing voor gevonden, die als je beter kijkt eigenlijk een schijnoplossing is. Nee, juich nou niet, het is namelijk een oplossing waar geen enkele patiënt baat bij heeft. In tegendeel. Voor de zorg aan de patiënt blijft er door die oplossing steeds minder over voor de echte zorg.                                                                                                           Maar die o zo moeilijk te dragen verantwoordelijkheid die wordt opgelost met duur betaalde adviseurs en managers. Die adviseurs en managers steken geen poot uit naar de patiënten, maar ze krijgen wel elke maand grote sommen geld binnen. Ze noemen dat salaris, dan lijkt het alsof ze het verdienen. Klauwen met geld kost het managers – en adviseurs apparaat in alle ziekenhuizen en andere zorgorganisaties.                           Voor de mensen die het echte werk moeten doen blijft er dan veel minder over en… oh ja, voor ik vergeet het te zeggen, de mensen die het echte werk doen zijn nog steeds verantwoordelijk voor hun eigen fouten. Het is alleen een stuk lastiger geworden om er de vinger op te leggen.

Samenvattend, waardoor stijgen de zorgkosten zo onevenredig snel:

  1. Winstbejag (farmacie, verzekeraars)
  2. Bedrog (farmacie)
  3. Angst voor verantwoordelijkheid (ziekenhuisleiding en zorgorganisaties)

Het zit allemaal zo slim in elkaar dat het net lijkt alsof het niet anders kan. Toegegeven, de oplossing is moeilijk, maar ook duidelijk. Wij zouden een landsbestuur moeten hebben dat de moed heeft om heel veel mensen die dat betreft te dwingen te stoppen met datgene te doen wat niet nodig is. In plaats van manager of adviseur zijn kunnen ze misschien wel nuttig werk doen in de zorg…                                                                     Of nee, zoals gewoonlijk idealiseer ik natuurlijk weer. De handen van die mensen staan natuurlijk helemaal verkeerd. Ze zijn helemaal niet gewend om echt werk te doen. Dat kunnen ze natuurlijk helemaal niet.                                                                                     Nou ja, omscholen dan maar, toch? Ik zie het al voor me zo’n omscholingscursus onder de titel: Van een ander laten doen naar zelf eindelijk je luie klauwen eens leren gebruiken. Dat wordt zweten jongens. Maar wel lachen, nou ja, wij dan hè.

De heilige vrijheid van meningsuiting leidt tot doden en gewonden.

Het wordt langzamerhand behoorlijk onduidelijk in deze wereld.                                       Het verspreiden van giftige – en doorgaans ook nog onware en indoctrinerende informatie door de zogenaamde haat-imams kan niet worden gestopt. Wij hebben vrijheid van meningsuiting.  Je mag zeggen wat je wilt. Je mag met je opruiende, haat zaaiende betoog de geest van onwetende jonge mannen zodanig verwarren dat ze werkelijk gaan geloven dat ze een goede daad verrichten en de toekomst van de wereld zeker stellen als ze iedereen die niet slaafs en ziekelijk gehoorzaam de extreme islam aanhangt doden, zodoende de Aarde reinigend van, ja, van wat eigenlijk.

Na alles wat er gebeurd is zou ik toch een lans willen breken om het begrip ‘handelen’ eens nader te definiëren. Het is in onze wetgeving namelijk redelijk duidelijk wat maatschappelijk als handelen is toegestaan en wat niet.

In onze wet is een aantal handelingen strafbaar gesteld: geweld, diefstal, smokkel. Verboden daden, zou je kunnen zeggen. Onze geheime diensten zoeken zich blind naar mogelijke voorbereidingen van jihadistisch geweld. Maar die voorbereidingen beginnen bij dat opruiende gezwets van die haatimam.                                                   Wat nu als we het spreken van zo’n figuur eens aanduiden als een handeling. Per slot van rekening is (s)preken zijn vak. Hij verdient er zijn brood mee.

Ja, ik hoor het geschreeuw al. De heilige vrijheid van meningsuiting. Want als spreken onder voorwaarde een strafbare handeling zou zijn – en waarom zou spreken niet als een handeling kunnen worden opgevat – het is tenslotte iets wat een mens doet – en je mag nou een keer niet alles doen wat er maar in je gekke kop opkomt. Dat zou er namelijk toe kunnen leiden dat spreken strafbaar kan worden als het erop gericht is mensen aan te zetten tot subversief dan wel jihadistisch of wel maatschappij ontwrichtend gedrag.

Wat moet er nu veranderen? Het spreken van een haatimam zou moeten worden opgevat als onderdeel van de voorbereiding van terroristische aanslagen.                     Waarom?                                                                                                                           Ach, misschien heb ik ongelijk hoor, maar ik denk dat de simpele zielen die door die haatimams volgepompt zijn met de absolute noodzaak om iedereen die het zogenaamd ware geloof niet aanhangt om zeep te helpen uit zichzelf niet op dat idee zouden komen.

Haatimams indoctrineren die simpele, vaak onvolwassen jongens dat ze martelaren en helden kunnen worden door niet moslims te doden. Nou ja zeg, als je zestien of zeventien bent, dan is held en martelaar worden toch geweldig.                                     En die imams zelf? Nou, die blijven alleen maar praten, lekker op de achtergrond, want praten mag. Hier wel in ieder geval.                                                                                 ‘Ik doe toch niks?’ zeggen ze met een schijnheilige grijns. ‘Ik zeg alleen wat mijn mening is.’

Maar ach, wat zit ik het hier allemaal weer lekker beter te weten. Misschien is het wel veel beter als we zelf ook niet zo vreselijk veel in vrijheid onze mening uiten als het over een ander gaat. Je weet tenslotte maar nooit of goed voorbeeld soms toch doet volgen…

Sip

Zo vaak heb ik dat gevoel in mijn leven gehad, zo ontzettend vaak, maar nooit eerder heb ik begrepen wat er gebeurt. Het is een vreemd leeg gevoel. Ik voel het eigenlijk heel lichamelijk.                                                                                                                 Misschien ken jij het al lang en misschien weet jij wat er dan gebeurt, maar eigenlijk verwacht ik dat niet. Daarom schrijf ik er nu over.                                                             Zulke kleine, ja bijna nietige oorzaken kunnen dat gevoel bij me oproepen.

Laat ik maar eens beginnen met het gevoel te beschrijven.                                             Om te beginnen voel ik me een beetje ontdaan, niet erg hoor, nee, een beetje.               Ik staar voor me uit of ik doe een suffig spelletje op mijn tablet.                                       Ik heb heus wel wat beters te doen weet je, maar ik kom niet in beweging, niet van binnen tenminste.                                                                                                             Waarschijnlijk kan ik deze toestand het best omschrijven als een soort onthutstheid. Ja, nu ik erover nadenk, dat is  eigenlijk een beter woord.

Nu wil je misschien eindelijk wel eens weten wat er gebeurd is, waardoor ik in deze toestand ben geraakt. Misschien stel ik me aan hoor… maar nee, ik ga het toch opschrijven. Al was het alleen maar omdat ik denk dat sommige mensen die dit lezen bij zichzelf zullen denken: ‘ja, gut, nou je het zo omschrijft, dat herken ik wel, dat heb ik soms ook.’                                                                                                                           Nou, goed dan. Ik had een afspraak gemaakt. Iemand zou langs komen. We zouden een gesprek hebben. Die persoon worstelde eigenlijk met allerlei tegenstrijdige gevoelens en had blijkbaar behoefte aan een klankbord. Dat kan ik best aardig, al zeg ik het zelf. Bovendien had ik de ontmoeting ook voorbereid, een A-viertje aantekeningen gemaakt, ook om mee te geven. Best wel een beetje moeite gedaan eigenlijk.

Er moet gisteravond al een sms zijn binnen gekomen, maar die zag ik pas een minuut of vijf nadat de tijd van de afspraak al verstreken was. Niet goed opgelet. Ja, dat ook.     Maar nu zat ik dus een hele tijd voor me uit te kijken. Het gaat niet door.                         En ineens zei ik hardop: ‘Wat doe ik nou, wat is dit, waarom heb ik dit gevoel.             Maar ineens drong het tot me door.                                                                                     Ik treur.                                                                                                                                 Zo voelt dat dus.

Langdurige mishandeling.

Het wetboek van strafrecht:

Artikel 302

  1. Hij die een ander opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toebrengt, wordt, als schuldig aan zware mishandeling, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.
  2. Indien het feit de dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Hierboven staat het officiële artikel uit het wetboek van strafrecht dat handelt over – en voor de rechtspraak richting verschaft over wat als mishandeling moet worden gezien en welke straf de rechter ten hoogste kan opleggen in geval het oordeel ‘ schuldig aan mishandeling, dan wel zware mishandeling’ is.                                                                     Onbesproken in dit artikel is de vraag of de mishandeling  – wat zeker mogelijk is – met goede bedoelingen, uit onwetendheid of – wat heel vaak voorkomt – uit winstbejag plaatsvond.

Eigenlijk zou ik willen pleiten voor een uitbreiding van het begrip mishandeling. Ik zou dan een categorie toegevoegd willen zien betreffende een gebied dat nu valt onder voedselveiligheid en derhalve onder de vele voorschriften die te vinden zijn in de warenwet en waar het beslist minder streng toegaat dan bij de rechtspraak.

In mijn blog onder de titel Eerlijk(e) waar besprak ik de onwenselijkheid van de zeer gangbare toevoegingen in bereide voedingsmiddelen: E621 en E631.                                 Wat het effect is van de bovengenoemde toevoegingen valt gemakkelijk te vergelijken met andere gebruik bevorderende stoffen zoals nicotine, drugs en alcohol. Het zijn stoffen met een verslavingseffect. Het effect van deze stoffen is namelijk dat het signaal dat de maag zou moeten krijgen als er voldoende is gegeten onderbroken wordt. De zak chips moet leeg en meer dan dat. Deze twee stoffen in bereide voedingsmiddelen maken dat de gebruiker gulzig blijft eten.

Grote welvaartsziekten (ja, ja, zo wordt het genoemd, hoewel dat kant noch wal raakt) zijn adipositas = vetzucht en diabetes = suikerziekte met alle gevolgen van dien. De kosten voor de volksgezondheid lopen rampzalig op.

Let nu toch op mensen. De voedingsmiddelenindustrie kan zijn gang gaan en allerlei troep die we niet nodig hebben aan onschuldig ogend voedsel toevoegen zodat we er meer van gaan eten dan goed voor ons is. Zij steken de winsten in hun al behoorlijk gevulde zakken. Wij betalen jaarlijks groeiende en langzamerhand wurgende zorgkosten.               Wanneer staan nu eindelijk die maatschappelijk bewuste juristen op die langdurige mishandeling ten eigen bate door niet noodzakelijke toevoegingen in ons voedsel in het wetboek van strafrecht krijgen. Misschien komen we dan eindelijk zover dat de voedingsindustrie veroordeeld wordt tot het betalen van de helft van de totale ziektekosten premies van het hele land. Misschien is dat wel een geldboete van een nieuwe categorie, de zesde. Dan houden ze vanzelf op met die rotzooi in ons eten te stoppen om ons maar meer en meer te veel te laten eten.

Ik stel me voor dat het nieuwe, toegevoegde, wetsartikel betreffende mishandeling dan als volgt luidt:

  1. Hij die grote groepen mensen uit persoonlijk gewin zware gezondheidsschade toebrengt zal worden beschouwd als veroorzaker van ten hoogste de helft van de kosten voor de volksgezondheid in dit land. Hij zal als schuldig aan zware mishandeling worden gestraft met de betalingsplicht van deze kosten, subsidiair een boete van de nieuwe, zesde categorie. Bij herhaling van hier bedoeld misdrijf zal het bedrijf van de veroordeelde voorgoed van de markt worden geweerd, gesloten en van overheidswege gesloopt.

Ach kijk, ik zit hier natuurlijk als heel klein mannetje wild om me heen te trappen tegen dat wat ik zie als schandelijk en gevaarlijk onrecht. Natuurlijk worden de grote industrieën niet aangepakt. De lobby, laksheid en niet te vergeten schijterigheid zullen er nog jaren voor zorgen dat alles blijf zoals het is. Maar weten jullie nog het kabaal in de hele pers over dat mannetje met die kanker kliniek die zich foute troep in zijn vingers had laten duwen en die toen ook nog op een heel domme en eigenlijk misselijk makende manier een patiënt in nood de deur uit had geduwd zodat het niet zou lijken dat het zijn schuld was wat er met die patiënt gebeurde.                                                                                                                 Weten jullie het nog?                                                                                                               Die patiënt ging dood. De wereld was te klein. Barbertje moest hangen en deed dat ook. Iedereen opgelucht. De anti kwakzalverij jongens voorop.                                                     Maar wanneer gaat er nu eens iets echt goeds gebeuren aan de veiligheid van bereide voedingsmiddelen. Want, echt waar hoor, als je jong bent is het leuk en lekker met die zakken chips en die pizza’s en die cola op de bank voor de buis. Maar als je oud bent en ziek van het jarenlange gebruik van die rotzooi dan duren de dagen lang en het blijft de rest van de tijd regenen.