Helpen? Doe maar niet.

Veruit de meeste internationale hulp heeft een zekere mate van eigenbelang in zich. Dat eigenbelang gaat dan op den duur meer prevaleren dan oorspronkelijk bedoeld en voor je het weet hebben we weer te maken met al dan niet koloniale uitbuiting.                            Het klinkt misschien wat eigenbelangelijk en dat is het ook. Wij, de aardmensen zijn namelijk op die manier begonnen. Ja, daar kijkt u van op nietwaar. Goed, laat me het zo uitleggen: voor de mens zijn gestalte kreeg, homo erectus, waren er homoniden, mensapen dus. Al meer dan honderd jaar wordt er tevergeefs gezocht naar de tussenvorm, de overgangsvorm, waarin we zouden kunnen herkennen dat die aap-achtigen enigszins menselijk geworden zou zijn. Vaak is er ook wel iets gevonden dat daarop lijkt, maar dat is dan bijvoorbeeld een enkel exemplaar en niet een hele groep die als soort aangemerkt kan worden.

De tot nu toe op grote schaal ontkende en zelfs belachelijk gemaakte theorie is die waarin de hier levende homoniden, een geschikt deel ervan in elk geval, door buitenaardsen gebruikt zou zijn om genetisch te verbeteren door gen-manipulatie. Toch is het erg vreemd dat de ontwikkeling van onze soort in zo korte tijd heeft plaats gehad, terwijl de ontwikkeling bij de soorten die we nu als homoniden kennen eigenlijk nog steeds niet heeft plaatsgevonden. Met andere woorden, de natuurlijke ontwikkeling duurt veel langer. Ik ben dan ook van mening – en daarin sta ik lang niet alleen – dat er bij de ontwikkeling van onze soort is ingegrepen.

Wat ik nu ga vertellen heb ik niet van mijzelf. Allerlei boeken en overleveringen vertellen het verhaal van het volk, de Anunnaki, dat hier kwam om goud te zoeken dat om hun eigen redenen voor hun eigen planeet, Niburu, nodig was. Verteld wordt ook dat ze hier zo’n veertigduizend jaar hebber rondgelopen. Dat ze op een gegeven moment niet meer zelf het goud uit de bodem wilden halen en dat de meest wetenschappelijke, Enki, van hun toen door middel van genetische manipulatie, maar met gebruikmaking van hun eigen vrouwen als draagmoeders, de hier aanwezige homoniden hebben verbeterd. Met andere woorden, wij zijn gemaakt, anders was het nooit zo snel gebeurd. Toen het eenmaal gelukt was en toen er uiteindelijk meisjes en jongens waren hebben een aantal van hun in onze ogen reusachtige mannen zich vergrepen aan de mensen meisjes. Dat staat dan weer in de Bijbel: Genesis zes vers twee. Dat daar ook kinderen van kwamen die vermeld zijn als de geweldigen is hier een aardige extra vermelding.

Twee belangrijke namen komen in het verhaal van de Anunnaki naar voren: Enki, de man die de leiding had bij onze ontwikkeling en Enlil, de tamelijk kort aangebonden leider die oorspronkelijk helemaal niet had gewild dat er ook vrouwtjes mensen kwamen. Hij werd echter overtuigd met het argument dat het anders veel te lang zou duren voordat er voldoende werkers voor de goudmijnen waren.

Nou ja, we weten dat het allemaal uit de hand is gelopen. Op een gegeven moment waren wij in de ogen van Enlil met veel te veel en deden bovendien allerlei seksuele dingen met dieren die in de ogen van de Anunnaki absoluut contraproductief waren. Kort en goed: Enlil besloot dat het afgelopen moest zijn. Hij ging de hele mensen populatie vernietigen. Dan moet je denken aan allerlei plagen als dodelijke ziekten en, niet te vergeten, de zondvloed. De apen die er natuurlijk nog waren moesten dan zelf maar zien dat ze na enkele miljoenen jaren muteren ook een soort mensen zouden worden. Hij had echter buiten de trots van een van de medewerkers van Enki gerekend. Wij kennen hem uit de Bijbel als Noach. Hij heette natuurlijk anders, maar dat doet er niet toe. Deze man vond het zonde en jammer om de inmiddels toch al een paar duizend jaar bestaande mensen zo maar weer te vernietigen. Hij bedacht een plan om in elk geval voldoende mensen te redden om het genetische resultaat zeker te stellen. Enlil moet dat knarsetandend van woede hebben gadegeslagen. Maar goed. In dat o zo illustratieve vers drie in Genesis zes zegt God, die in werkelijkheid Enlil heette, dat hij niet tot in de eeuwigheid zou blijven strijden met de mens, maar dat de dagen der mensen geteld zouden zijn op honderden twintig jaren. Wij, de mensen konden dus in het aller gunstigste geval honderden twintig jaar leven. Dat klopt ook en het lijkt heel wat, maar die Anunnaki die ons hadden gekweekt met gebruikmaking van hu eigen DNA konden zelf een paar duizend jaar oud worden. Wij werden dus afgescheept met een onacceptabele beperking. Nou ja, daar moet je in de encyclopedie het verhaal over telomeren maar eens op nalezen, een klein aanhangseltje van het DNA dat bij hun steeds vernieuwde en bij ons niet. Eigenlijk een rotstreek wat ik hen nog steeds kwalijk neem. Trouwens, een tot nu toe ongepubliceerd boek van mij: “Eternal Mitosis”, gaat daarover.

Zoals je nu waarschijnlijk wel begrepen hebt was de hulp die wij van de Anunnaki kregen eigenlijk puur eigenbelang. Eerlijk gezegd zie ik het overgrote deel van de ontwikkelingshulp die hier op Aarde gegeven wordt zich geheel volgens datzelfde principe gaan. Wat zit er voor ons in als we daar hulp geven. Dat is echter geen hulp, dat is gewoon handel gericht op winst. En dan zeg ik: ‘helpen? Doe maar niet’.