De appel die nog maar steeds nooit ver van de boom valt

Als je dan eindelijk wat meer gegevens hebt gevonden over de huidige mensheid, het ontstaan van in ieder geval de overheersende soort, het zogenaamde Kaukasische – of blanke ras dan komen we als snel tot de bijna onontkoombare conclusie dat die grote en zeer geleerde buitenaardse mensen, de Anunnaki, wier vrouwen zich – na ongetwijfeld uitgebreid palaver – lieten gebruiken als draagmoeders voor een nieuw menselijk ras van mindere kwaliteit zich er zonder enige twijfel van bewust geweest moeten zijn dat het resultaat van hun intelligente inspanningen nooit beter geweest kan zijn dat een inferieure ondersoort, bedoeld – initieel althans om slavenwerk voor de scheppers te doen. Ongetwijfeld zijn aan het creëren van de Aardmens wel genetische experimenten vooraf gegaan die meestal onvruchtbaar nakomelingschap tot gevolg hadden. Als bekendste overblijfselen van dit streven kennen we muilezels en muildieren. Onverwoestbaar sterke doch onvruchtbare lastdieren. Niet onlogisch zou zijn als de Anunnaki, het buitenaardse volk dat ons creëerde met een aantal genetische dierproeven begon, waardoor al die fabeldieren ontstonden, alvorens te beginnen aan het genetisch vormen van een menselijke ondersoort dat hen tot slaaf met een behoorlijk verstand kon dienen. Ik wil erop wijzen dat een theorie als deze gezien in het licht van de huidige wetenschap onmogelijk als totale onzin kan worden weggezet. Wetenschappelijk kan het allemaal al bijna.

Zeer ten onrechte denken wij doorgaans dat de fabeldieren met een mensenhoofd en een dierenlichaam, de sfinx, de centaur, de weerwolf enz. aan de fantasie van talentvolle vertellers zijn ontsprongen. Veel logischer is waarschijnlijk aan te nemen dat de verhalen die over dit soort schepselen handelen waarnemingen waren van eenvoudige mensen die absoluut niet konden begrijpen wat ze waarnamen, op de zelfde manier waarop veel godsdiensten hun voedingsbodem vinden in wonderverhalen, ongetwijfeld doorverteld en min of meer met overtuiging overgedragen aan toehoorders betreffende in hun ogen onbegrijpelijke wonderen die gewoon wonderen leken omdat de verhalenvertellers onvoldoende kennis bezaten om te zien dat het slechts om technische verrichtingen ging. In dat verband heb ik in een eerdere blog wel het woord “cargo religion” geïntroduceerd.

De verhalen in het Bijbelse Oude Testament maken vaak gewag van strijd en gruwelijkheden. Ook wordt vaak gesproken over God als een bewuste persoon met strenge regels en een strakke discipline waar het ging om gedragsregels. Veel van deze regels die, zo lijkt het althans in de Bijbel, opgesteld waren speciaal voor het Joodse volk, betreffen regels voor de voeding, de hygiëne en de seksualiteit. Zo blijkt zonneklaar uit het Oude Testament dat homofilie en bestialiteit voor de mens absoluut no go waren. De rücksichtsloze wrede – en nietsontziende manier waarop met gebruikmaking van zware atoomwapens tegen een ongewapende en derhalve weerloze bevolking de resultaten van deze “zonden” vernietigd moesten worden, die in de ogen van de schepper het hele experiment Aardmens dreigden te doen mislukken maakte wel duidelijk dat bij de vorming van onze soort in ieder geval van liefdevolle en geduldige zachtheid geen sprake was.

‘En God schiep de mens naar zijn beeld en gelijkenis,’ staat in het begin van het Bijbelse scheppingsverhaal. Welnu, de verhalen die in de op dat begin volgende hoofdstukken te lezen zijn tonen een driftige en wrede en wraakzuchtige god naar wiens beeld en gelijkenis wij geschapen werden en met wiens karaktereigenschappen wij derhalve werden toegerust.

Ik stel voor dat we ophouden met ons te verbazen over de oorlogszucht en de wreedheid van de mens en dat we in verloren ogenblikken maar eens gaan mijmeren over de vraag of we het de moeite waard vinden de enige mens over wie wij de meeste macht hebben, ons zelf, te veranderen en afstand te doen van de aloude goddelijke eigenschappen die ons slechts hielpen bij het overleven ten koste van anderen.

Niet per definitie helemaal zonder gevaar. Dat wel natuurlijk

DIMCOL

Nog een uitvinding van deze eenvoudige natuurgenezer. Nou vooruit dan maar.

Over colloïdaal zilver en het gebruik ervan is ooit een boek geschreven zie illustratie.

Waarom trok dit boek nu zo uitdrukkelijk mijn aandacht? Ik denk om de volgende reden. Op het gebied van de overdraagbare infecties heeft BigFarma ruimschoots de zakken gevuld sinds Alexander Flemming in 1928 de penicilline uitvond. Het bleek dat van de penseelschimmel een bacteriedodend middel kon worden gemaakt dat logischerwijze de naam penicilline kreeg, een geneesmiddel waarmee al snel heel veel infecties konden worden bestreden die anders gemakkelijk dodelijk hadden kunnen verlopen. Denk maar aan de tuberculoze die vroeger in ons land een slachting aanrichtte.

Ach ja, de penicilline, ik herinner me het nog heel goed. Het werd geleverd in een soort ampullen in de vorm van een wit poeder. De arts of verpleegster moest er dan fysiologisch zout of gedestilleerd water aan toevoegen en dan de melkwitte vloeistof optrekken in de injectie spuit alvorens de heilzame, genezende injectie toe te kunnen dienen.

Helaas was mijn behandelende arts er ruim een week te laat mee begonnen, waardoor ik levenslang met een chronische beenmerg ontsteking heb moeten lopen. Maar goed, dat lag niet aan de penicilline, maar aan de slordigheid van de dokter.

Driemaal daags kreeg ik toen in dat zieken huis een injectie, waardoor de ontsteking eindelijk rustiger werd en ik na drie maanden naar huis kon.

Jammer genoeg zag BigFarma, toen al hevig belust op winst een groot belang in dit prachtige middel. Zoveel belang dat het wereldwijd te pas en te onpas werd gebruikt, waardoor veel bacteriën die er aanvankelijk mee bestreden konden worden zich ertegen leerden verdedigen of, zoals men het medisch noemt: immuun voor werden.

Eerde schreef ik wel eens verwijtend over BigFarma, een wereldwijd vertakte organisatie waar altijd de winst voorop staat, in plaats het belang van de volksgezondheid. Men ging voort met het ontwikkelen van middelen welks namen vaak op “cilline” eindigen en die vallen onder de geneesmiddelen groep “antibiotica”. Zo zijn er veel varianten op basis van oxaalzuur ontstaan. Het probleem waar BigFarma door de jaren heen graag op inspeelde was dat het merendeel van de kennelijk intelligente natuur van heel veel ziekmakende bacteriën er voor zorgde dat de antibiotica niet meer het bedoelde effect hadden. Niet alleen ontmoedigend, maar ook levensgevaarlijk. Nu zijn we helaas zover dankzij deze gewetenloze jacht op winst dat bijna alle antibiotica weinig effect meer hebben.

Vandaar dat ik nu een stuk schrijf over een heel oud middel dat op een nieuwe manier wordt bereid en dat zo eenvoudig is dat wie dat wil het gemakkelijk thuis kan maken en op die manier een heel effectief middel tegen bacteriën, virussen en schimmels heeft dat ook nog eens weinig kost. Ga er overigens maar vanuit dat de officiële kanalen die uiteraard allemaal worden beheerst door BigFarma zullen ontkennen dat dit middel belangrijk is nee, eerder zullen ze het middel bestempelen als belachelijke kwakzalverij. Kinderachtig toch?

Ik heb het hier over colloïdaal zilver. Voor de uitvinding van de penicilline werd er in de geneeskunde ook zilver gebruikt bij de bestrijding van ontstekingen. Er werd dan zilver heel fijn gemalen en met water vermengd. Het nadeel was echter dat die heel fijne zilverdeeltjes toch zwaarder waren dan water en binnen vrij korte tijd naar de bodem zakten. De waarde van zilver voor hygiëne was al lang bekend. Voedsel in zilveren schalen en gebruikt met zilveren bestekken bleef langer vrij van bederf. Het moderne colloïdaal zilver wordt echter anders bereid, maar het blijft eenvoudig. Je hebt er echter een klein beetje gereedschap voor nodig.

Niet heel kostbaar. Je hebt er een adapter met een uitgangsspanning van 40 a 50 volt voor nodig, een paar mooi rechte stukken zuiver zilverdraad van 20 a 25 cm die vlak naast elkaar worden gehouden doordat ze door een plastic kroonsteentje lopen en die met zg. krokodillenbek klemmetjes met de adapter in het stopcontact verbonden zijn. Hang die zilverdraden maar in een glas met gedestilleerd – of gedemineraliseerd water. Je ziet dan aan de ene zilverdraad waterstofbelletjes ontstaan en aan de andere – het lijkt of er een heel ijle walm afkomt, maar dat zijn zilverionen, zilverdeeltjes met de zelfde elektrische lading. Daardoor blijven ze mooi in de vloeistof zweven, omdat ze elkaar afstoten.

Maar goed, je kunt ook gewoon colloïdaal zilver kopen bij verschillende producenten.

De werking van colloïdaal zilver in vergelijking met antibiotica en waarom de werking van zilver nooit verloren gaat.

Bacteriën hebben geen handen en voeten en ook geen mond. Het zijn levende cellen met een huid (membraan), maar net als alle levende wezens moeten ze eten en hun afval kwijt. Nou, voor ons is dat afval vaak het probleem, want het komt als ze in ons lichaam zitten in ons bloed of andere lichaamsvloeistoffen en is doorgaans giftig, toxine noemen we dat.

Bacteriën hebben een elektrische lading op hun membraan. Het voedsel dat ze uit hun omgeving aantrekken heeft een tegengestelde lading en wordt door huidporiën naar binnen getrokken. Hun afvalstoffen hebben de zelfde lading en wordt daardoor door diezelfde huidporiën naar buiten verplaatst. Nu komen de zilverionen in de buurt. Dat is geen voedsel maar heeft wel de zelfde elektrische spanning als voedsel. Die zilverionen blijven op het membraan zitten en nemen daardoor de spanning weg. Het membraan van de bacterie wordt daardoor neutraal. Dat is zeer in het nadeel van de bacterie, want hij kan nu geen voedsel meer binnenhalen en hij kan ook zijn afval niet meer naar buiten werken. Dan is er maar één oplossing, hij gaat dood en wordt door ons lichaam met alle andere uitscheidingsproducten afgevoerd.

Maar wat doen dan die antibiotica. Nou ja, die doen een chemische aanval op het membraan van de bacterie. In het begin lukt dat en sterven de bacteriën. Maar bacteriën zijn chemisch heel intelligent. Ze kunnen de samenstelling van hun membraan chemisch aanpassen. Net als wij zijn het levende wezens en ze kunnen zich verdedigen tegen chemische aanvallen, want ze willen blijven leven, net als wij.

Maar waarom kunnen ze zich dan niet tegen dat zilver verdedigen. Dat zilver valt niet aan. Dat zilver lijkt op voedsel, voedsel dat ze niet lusten en dat daarom op de buitenkant blijft liggen en daarmee hen eigenlijk verstikt.

Wat ik tot nu toe heb beschreven is algemene kennis daar zit niets van mijzelf bij. Maar ik heb dit stukje de titel DIMCOL meegegeven.

Je kunt natuurlijk colloïdaal zilver innemen (niet te veel, daarover later) en je kunt het bij oppervlakkige infecties op je huid smeren. De meeste mensen zullen niet zo snel naar de injectie spuit grijpen of geen inhalator voor longproblemen ter beschikking hebben. Hoe krijg je dan die zilverionen onder je huid?

Ergens op mijn weblog bij de pagina’s vind je het DMSO boek. Ik zie heel vaak dat mensen erin lezen. Welnu DMSO (dimethylsulfoxide) is een natuurlijke stof die uit hout wordt gewonnen en die een bijzondere eigenschap heeft. Het is een stof die door je huid heen naar binnen gaat. Als je een beetje in je handen smeert (zorg dat ze schoon zijn) dan proef je binnen een paar tellen een knoflookachtige smaak in je mond. Dat komt van de zwavel die erin zit. Wat er nog meer op de huid zit wordt opgelost door de DMSO en mee naar binnen genomen. Toen ik dat wist dacht ik: Ik neem colloïdaal zilver en doe daar een beetje DMSO doorheen, dan wordt het zilver dwars door de huid mee naar binnen genomen.

En wat is er nou zo leuk? Dat klopt, dat gebeurt ook.

Het mengsel 95% colloïdaal zilver en 5%DMSO heb ik DIMCOL genoemd en het werkt prima tegen allerlei infecties. Nou ja, het heeft maar één probleem. Het smaakt niet lekker.

Kijken of ik daarvoor nog eens iets kan uitvinden.

Kleine waarschuwing over zilver. Bij normaal gebruik is er niets aan de hand en is zilver alleen maar antibiotisch en derhalve beschermend. Als je er echter elke dag een halve liter van drinkt is het nog steeds niet echt gevaarlijk, maar je hebt kan dat je een afwijking oploopt die vroeger wel werd gezien bij mensen die in de zilvermijnen werkten. Die ziekte heette Agyria en die mensen kregen een blauwe huid. Ziek werden ze er overigens niet van, maar een blauwe huid…gut hoe heetten dat kleine volk je nou toch weer?

Inverse Voice Therapy (IVT

Op een keer stond een vriend op een zondagavond voor mijn deur. Uiteraard liet ik hem binnen. Hij begon een enthousiast verhaal te vertellen. Hij was in dit weekend in Londen geweest en had daar een workshop bijgewoond van een mevrouw, Sharry Edwards, die een wel heel ongebruikelijk verhaal vertelde. Als zij mensen in haar directe omgeving kreeg waarmee iets mis was hoorde zij een heel hoge toon. Verontrust was ze met dit verschijnsel naar een KNO specialist gegaan, maar die wist na onderzoek niet anders te vertellen dan dat zij een buitengewoon scherp gehoor had en dat haar gehoor toeliet dat zij veel hogere tonen kon horen dan de gemiddelde mens. ‘Maakt u zich geen zorgen, gaat u maar naar huis,’ was de boodschap die ze meekreeg. Dat deed Sharry Edwards. Ze was er echter niet gerust op en kwam later bij dezelfde specialist terug met de vraag of hij het merkwaardige gehoor toch nog eens wilde onderzoeken want dat ze bij verschillende mensen toch verschillende tonen hoorde. Nu was deze specialist een beetje een ongeduldige man met een hoge bloeddruk. Na een nieuw onderzoek zei hij dan ook dat ze zich er maar niets van aan moest trekken en dat er wel meer onverklaarbare dingen gebeurden. ‘Trouwens zei hij nog, wat hoort u dan bij mij?’

Daar begon het hele bijzondere verhaal van Sharry Edwards, want met haar bijzonder heldere stem zong zij de toon die zij in de nabijheid van de arts hoorde. De arts leunde achterover in zijn stoel en zei: ‘Ga daar eens mee door.’

Na een poosje riep de arts zijn assistente en zei: ‘meet mijn bloeddruk eens’. De verrassing was groot toen bleek dat in de korte tijd dat Sharry Edwards die toon had gezongen de bloeddruk van deze KNO arts significant gedaald was. Sharry Edwards kreeg toen door dat ze een bijzondere gave bezat waarmee ze misschien wel mensen kon genezen.

Het eerste duidelijke bewijs waarover ze vertelde betrof een man die met ernstige COPD en daardoor uiterst kortademig in een rolstoel zat. Sharry Edwards maakte een bandopname van de toon die ze bij hem hoorde te zingen, wel enkele octaven lager, waarnaar hij dagelijks luisterde. Drie maanden later kon de man weer in zijn tuin werken. Hierna breidde de succeslijst van deze bijzondere vrouw zich begrijpelijkerwijze uit, waarvan de workshop die mijn vriend had gevolgd een belangrijk getuigenis betekende.

Toen mijn vriend mij dit verhaal vol enthousiasme vertelde en mij bovendien de paper die Sharry Edwards geschreven had ter hand stelde begon ik in de dagen die erop volgden het verhaal aandachtig te lezen. En zoals ik al eerder schreef, als ik in aanraking kom met werkwijzen of methoden die voor mensen genezing kunnen betekenen krijg ik altijd het ietwat jaloerse gevoel: Dat wil ik ook kunnen. Ik liep echter direct tegen een groot probleem aan: Ik had niet zo’n bijzonder gehoor. Dat heb ik trouwens nog steeds niet. Maar misschien kon ik iets bedenken om een diagnosemethode te ontwerpen die in ieder geval op klank, dus geluid berustte. Eén ding was mij al direct duidelijk, het geheim van deze toch wonderbaarlijke geneeswijze moest te maken hebben met het persoonlijke geluidspatroon van de persoon die behandeld werd, nou ja, de patiënt zal ik maar zeggen. Hoe het lichaam van een overigens zwijgende patiënt een hoge toon als een soort noodkreet uitstuurt die ver boven de gehoorgrens van normaal horende mensen ligt was en is me niet duidelijk en een techniek om een dergelijke toon uit de omgevingsruis te filteren had ik ook niet direct voorhanden, hoewel ik moet toegeven dat iets dergelijks voor onderzoekers met een hogere elektronische begaafdheid dan ik misschien best mogelijk kan zijn. Mijn weg was echter een andere die uitgaat van een eigen these.

Stel, dacht ik, dat lichamelijke aberraties, storingen in de gezondheid, in het normaal functioneren van de organen van invloed zijn op de klank van de gewone spraakstem. En stel dat die invloed te zien is in het feit dat bepaalde frequenties enigszins worden gedempt. In technische zin is dat in elk geval gemakkelijk uit te zoeken. Wat heb ik daarvoor nodig.

Vaak ben ik heel blij dat ik veel verschillende vrienden heb die van allerlei dingen meer verstand hebben dan ik. Ik leerde namelijk dat er computerprogrammatuur bestaat waarmee geluidsopnames geanalyseerd kunnen worden. Dat er een spectrum analyse gemaakt kan worden, een zogenaamde FFT (Fast Fourrier) analyse. En dat je dan kunt zien hoe sterk of zwak alle frequenties (toonhoogten) voorkomen. Daar heb je bijvoorbeeld het programma WaveLab, wat een vrij duur programma is, maar gelukkig kun je hetzelfde doen met een goedkoper programma dat SigVieuw heet en dat ook heel betrouwbaar werkt.

Wacht, misschien is het voor de duidelijkheid handig als ik zo’n spectrum laat zien:

Dit is, zoals iedereen gemakkelijk kan zien, niet bepaald een mooi regelmatig patroon.

Om de grafiek te kunnen begrijpen is misschien enige uitleg nodig: De getallen van 100 tot en met 1100 in de onderkant gaan over de frequentie, het aantal trillingen per seconde die we uitdrukken in Hertz (Hz). De getallen aan de verticale zijlijn geven de geluidsterkte of volume aan, meestal uitgedrukt in Decibel (Db). Op deze manier kunnen we dus mooi zien hoe sterk elke frequentie in de stem doorklinkt. Overigens heet een dergelijke spectrumanalyse een Fast Fourrier Transformatie (FFT)

Wat deze grafiek heel mooi laat zien is dat er in het volume drie grote clusters zijn: van 200 tot 400 Hz, de tweede van 400 – tot ongeveer 720 Hz en een derde van 720 tot 1100 Hz.

Eigenlijk is de eerste groep het geluid dat het duidelijkst hoorbaar is in de stem. De andere twee groepen worden aangemerkt als hogere harmonische tonen of ook wel boventonen die in feite het typische eigen karakter aan de stem geven waaraan we ook gemakkelijk iemand kunnen herkennen.

Ik laat dit beeld zien, omdat deze mogelijkheid die ik heb met behulp van een computerprogramma, Sigview in dit geval juist zoiets kan doen als wat Sharry Edwards kan doen met haar speciale gehoor, hoewel ik dan wel eerst moest uitzoeken welke betekenis of betekenissen aan dit soort grafieken moest geven. Daarvoor had ik twee belangrijke dingen nodig: een aantal proefpersonen en een voorlopige theorie.

Met die proefpersonen had ik een beetje geluk, dat wil zeggen: ik had er om te beginnen één, Maar dat was ook meteen een heel enthousiaste. Hij was oud en hij had zo ernstig last van longemfyseem dat hij dag en nacht extra zuurstof nodig had. Volgens zijn eigen zeggen had hij deze klacht ook eerlijk verdiend want nagenoeg zijn hele volwassen leven had hij twee pakjes sigaretten per dag gerookt. Niet zo verwonderlijk overigens, want hij was een niet onverdienstelijke jazzpianist in de tijd dat het nog vrij ongewoon was als je in kroegen waar jazz gespeeld werd helder de overkant van de lokaliteit kon zien in plaats van wazig door de rook van allerlei tabaksproducten. Peer heette hij. Om privacy redenen noem ik niet zijn naam.

Een bevriende sound ingenieur leerde mij Hoe ik zo’n spectrum als boven afgebeeld moest maken en beoordelen. Ik vroeg Peer of hij misschien, gezien zijn benarde zuurstofsituatie mijn proefpersoon wilde zijn en tot mij vreugde stemde hij daarmee in.

Met een digitale audiorecorder van het type dat de mensen van de omroepen ook voor hun reportages gebruiken ging ik naar zijn appartement en maakte een korte spraakopname van hem. Met deze opname ging ik naar mijn bevriende ingenieur die mij hiep de opname om te zetten in een geluid waarvan ik dacht dat het hem kon helpen. Ik had namelijk inmiddels besloten wat ik in dat spectrum opmerkelijk vond.

Als je nog even naar dat plaatje kijkt dan zie je dat in de drie genoemde clusters de toppen die frequenties tonen die eigenlijk pal naast elkaar liggen heel diepe dips zitten. ‘Nu’, dacht ik zonder een spoor van bewijs trouwens, ‘dit moet het zijn; het kan niet anders dan dat die zwakke frequenties in de stem verband houden met de mankementen van de mens wiens stem het hier betreft.

Van de geluidstonen die bij die frequenties in de dips hoorden maakten we een geconstrueerde klank. In het geval van Peer waren dat drie tonen. We maakten er een CD van die ik bij Peer bracht. Ik vroeg hen deze CD zo vaak mogelijk te draaien, maar niet zo luid dat het storend zou zijn. Peer zei dat hij het geluid best dragelijk vond en dat het hem deed denken aan het geluid van een draaiende wasmachine.

Later hoorde ik van hem dat hij nog een extra CD speler had en dat hij daarop lekkere jazz draaide, maar dat de wasmachineklank, zoals hij dat noemde de hele dag aan stond, maar toen ik dat hoorde was er al veel gebeurd.

Ik weet nog dat mijn vrouw en ik met vakantie in Zuid-Spanje waren en dat plotseling mijn mobiel afging. Het was Peer. Hij zei: ‘Ik moet je iets bijzonders vertellen, het gaat mij veel beter, ik heb veel minder vaal zuurstof nodig, ik ben veel minder benauwd.’

‘Ben je al bij je longarts geweest?’ vroeg ik. Nee, daar ging hij van de week naar toe, maar hij wilde mij eerst het nieuws vertellen.

Zijn longarts bleek van de oude stempel te zijn die meende dat het kwam doordat Peer nieuwe pillen had gekregen, maar dat kon het niet zijn volgens Peer, want die Pillen had hij al een poos en ze deden voordien niks.

Peer was in de stad waar hij woonde redelijk bekend vanwege zijn bemoeienissen met Jazz en jazzconcerten. Hij had het nodig gevonden de plaatselijke krant een uitgebreide brief te schrijven, een ingezonden stuk eigenlijk, over zijn ervaringen met mijn klanktherapie. Een zelfde brief had hij overigens ook al aan zijn longarts geschreven, maar die had niet gereageerd.

Die brief in de krant hiep trouwens wel, want binnen een week had ik drie Hilversumse radiostations aan de telefoon die allemaal wilden weten wat dat was wat ik “Inverse Voice Therapy (IVT), noemde en een week of twee later zat ik op zaterdagochtend aan tafel bij George Frölich in het programma Cappuccino. Nog een week later was ik gebeld door enkele tientallen mensen waarvan ik uiteindelijk twintig proefpersonen overhield die ik een aantal jaren allemaal aan huis ben blijven bezoeken om stemopnamen te maken en met behulp daarvan therapie Cd’s voor hen te maken.

Veel werk, maar het leverde mij een bruikbare therapie op die ik eigenlijk, nu ik oud begin te worden het liefst aan iemand of aan meerdere mensen met echte belangstelling kosteloos zou willen overdragen, evenals mijn eerder beschreven tranentherapie.

Begrijp, als je geïnteresseerd bent het volgende. Mij vijfenveertigjarige praktijkervaring als natuurgeneeskundig therapeut heeft me geleerd dat deze therapieën werken. Gel voor dure wetenschappelijke onderzoeken met dubbelblind controles heb ik nooit gehad. Patenten zijn er niet, maar daar staat tegenover dat ik heel blij zou zijn als ik deze geesteskinderen van mij goede en actieve adressen zou kunnen geven.

2. Tears a key to a remedy

Dat was de Engelse titel van een boekje dat ik schreef en dat oorspronkelijke werd uitgegeven door Ankh Hermes in Deventer onder de titel: Laat Je Tranen De Vrije Loop, een titel waarmee ik initieel niet zo heel blij was, omdat hij niet – zoals de Engelse titel – compact samenvatte waarover het ging. ‘Tranen De Sleutel Tot Een Remedie’ had ik voorgesteld. De uitgever dacht daar anders over en dan moet men zich als debuterende schrijver dan maar in schikken.

Als ik het in goede en verantwoorde termen voor de alternatieve collega’s had willen benamen, dan was de titel waarschijnlijk als volgt geworden: Een effectieve vorm van ‘eigen preparaat therapie met tranen als bronmateriaal.

Eigenlijk was ik op het idee gekomen omdat ik gelezen had dat de Duitse Heilpraktiker soms ‘eigen Blut’ und ‘eigen Harn’, eigen bloed en eigen urine gebruiken om een uitscheiding verhogend op de persoon toegesneden geneesmiddel te maken, daarbij de bereidingswijze van de homeopathie toepassend. Met andere woorden, het bloed kan belast zijn met meer afvalstoffen dan het lichaam op natuurlijke wijze zelf kan uitscheiden. Deze techniek doet de uitscheidingsorganen harder werken. Dat geldt evenzeer bij het gebruik van urine als basismateriaal.

Eigenlijk is het iedereen bekend dat ons trouwe en o zo doelmatige lichaam zich altijd tamelijk krachtig probeert te ontdoen van stoffen die storen. Heb je iets verkeerds gegeten of ergens een voedselvergiftiging opgelopen dan is er de krachtige uitscheiding via diarree. Bij een ontsteking van de slijmvliezen in het ademhalingsapparaat, zoals bij griep of verkoudheid, gaan we vaak neus snuiten, slijm ophoesten enzovoort. Allemaal uitscheidingsactiviteiten. En daarover nadenkend dacht ik: huilen is eigenlijk diarree van een blijkbaar overbelast zenuwstelsel.

Omdat ik wist dat tranen ook een uitscheidingsproduct zijn namelijk van de prikkeltransport middelen die ons zenuwstelsel gebruikt, de zogenaamde neurotransmitters, meende ik te moeten bewijzen dat er op de wijze van de Duitse “eigen preparaat therapie” een geneesmiddel bereid zou kunnen worden door die neurotransmitters of neuropeptiden zoals ze ook wel worden aangeduid te gebruiken die in de tranen gevonden worden. Ik had geluk, want in mijn praktijk meldde zich een vrouw die bijna bezweek onder verdriet door emotionele verwaarlozing in haar kindertijd. Ze kon al een hele poos niet meer werken en woog nog maar achtenveertig kilo. Intuïtief wist ik dat ik één mogelijkheid had om haar te helpen. Terwijl ze aan een stuk door zat te vertellen over haar jeugd en de pesterijen omdat ze een scheel oog had en hoe haar ouders alleen maar met zichzelf  bezig waren was ze gaan huilen en stroomden de tranen langs haar gezicht. Ik pakte een pipetflesje uit de voorraadlade, draaide de dop met de pipet eraf en ving zoveel mogelijk van haar tranen op. Natuurlijk had ik haar wel verteld dat ik iets met haar tranen wilde doen voor haar. Toen het huilen eindelijk ophield bereidde ik een homeopathische verdunning voor haar en gaf haar die in dat flesje mee. De precieze bereidingswijze zou te ver voeren om in dit artikel te beschrijven, maar die staat uiteraard precies beschreven in het boekje waar van ik hier een foto bijsluit.

Deze vrouw belde mij een paar dagen later op en vertelde dat ze na het innemen van het afgesproken aantal druppels van mijn preparaat als een blok in slaap was gevallen en na een uur drijfnat van het zweet was ontwaakt. Werkelijk een schitterend uitscheidingsproces zei ik haar. Na dit prachtige begin van een genezing was ze nog enkele malen bij mij terug geweest met nieuwe tranen die zij zelf had opgavangen. Ook mochten we constateren dat ze na jaren van treurnis en ziekte aan het herstel was begonnen. De laatste keer dat ik haar zag woog ze een gezonde vijfenzestig kilo, was weer levenslustig aan het werk. Zij was de eerste patiënte die ik met deze door mij bedachte methode behandeld had. Later heb ik dat uiteraard veel vaker gedaan. Door de jaren heen in mij gebleken dat ik geen effectievere methode had kunnen bedenken om zelfs het ergste traumatische oud zeer te doen verdwijnen.