Mijn dochter Karin die zichzelf later Katinka noemde was ongeveer anderhalf jaar. Zoals veel ouders deed ik het spelletje met haar waarbij de armen gespreid worden. De daarbij uitgesproken tekst kan enigszins variëren. Meestal klink dan: ‘Wie komt er in mijn hokkie?’ waarop de betreffende peuter zich dan in de gespreide armen werpt. Kortom een poging om aan de knuffelbehoefte te voldoen. In mijn geval liep het echter anders. Mijn tekst was ook anders. Ik zei: ‘Van wie ben je dan?’ in de verwachting dat kindje Karin zich dan in mijn uitgespreide armen zou werpen, al of niet zeggende: ‘van Pappa’. In mijn geval bleef de kleine Karin echter stokstijf staan en sprak woorden die mijn hele leven in mijn hoofd zijn blijven rondgaan. Ze zei: ‘Ik ben van mij zelve’, woorden die zonder enige twijfel waar waren, maar die uit de mond van een anderhalf jarig kindje toch de indruk wekten van een oude dame te komen en wel uit een tijd toen onze taal nog ietwat anders werd uitgesproken. Uit onze eigen tijd komend zou het antwoord van dit kindje: ‘Ik ben van mezelf’, of ‘Van mij’, geklonken hebben. De keuze van het woord ‘zelve’ verbijsterde mij en deed me denken dat mijn kindje misschien een gereïncarneerde oude ziel was. Maar goed het leven gaat verder. Ik was in die tijd niet zozeer met zielsverhuizing of reïncarnatie bezig. Bovendien waren er andere veel ernstiger zorgen. Karin, die zichzelf vanaf haar tiende jaar Katinka noemde, had een moeilijk ziek leven en overleed op zesendertigjarige leeftijd aan taaislijmziekte (Cistic Fibrosis). Haar leven heeft veelvuldige en vaak ook lange ziekenhuisopnames gekend, evenals dat van haar jongere zusje, Annemieke, die aan dezelfde erfelijke afwijking leed en die door betere medicatie dan wel drieënvijftig jaar heeft mogen leven. Wat ik evenwel ook nooit zal vergeten is de uitspraak van Katinka op haar sterfbed in het Utrechtse UMC. Ze zei: ‘Ik had dit leven als CF patiënt niet willen missen’. Pas toen wist ik het zeker. Ik dacht: je hebt vast al heel vaak geleefd, nu begrijp ik ook die merkwaardige uitspraak die je tot mijn verbijstering op anderhalf-jarige leeftijd deed: ‘ik ben van mij zelve’. Jij bent gewoon bezig met een bijna wetenschappelijke nauwkeurigheid een groot aantal uiteenlopende levenservaringen op te doen in vele levens. In de tijd die haar gegeven was deed Katinka wetenschappelijk medisch onderzoek en schreef in die hoedanigheid mee aan publicaties betreffende DNA-recombinant onderzoek, in die tijd nog met behulp van gistcellen.
Vanmorgen werd ik na het ontwaken mij opnieuw bewust van die ene zin van mijn kind die altijd door mijn hoofd is blijven spelen: ‘Ik ben van mij zelve’, en ik dacht aan mijn eigen herinneringen aan eerdere levens die van tijd tot tijd in flarden door mijn geest gaan. Profane levens waren het. Bepaald geen levens om trots op te zijn, vooral het laatste leven hier vlak voor niet, waarin ik in mijn herinnering als zevenentwintig jarige geweldpleger in een gevangeniscel door mijn medegevangenen met een zwaar voorwerp de hersens in geslagen werd. Ik denk nu dat ik het er vast wel naar had gemaakt. Als ik nu echter in dit leven achteromkijk naar de kinderen die ik met mijn eerste vrouw heb gehad, waarbij de eerste dood geboren werd en de daarop volgende meisjes allebei tijdens mijn inmiddels zesentachtig jarige leven zijn ontvallen, dan moet ik denken dat alle levenservaringen onmogelijk in een enkel leven kunnen passen en dat mijn levens ongetwijfeld in een lange reeks zijn verlopen en dat voor elke daad van liefdeloosheid betaald moet worden. Ja, ik weet het, het gaat altijd door, maar wie niet horen wil moet maar voelen.