Ik was vermoedelijk nog hoofd van een basisschool in Weesp toen dit boek, Ik ben oké, jij bent oké van psychiater Thomas Harris mijn aandacht trok. De school waar ik werkte in Weesp, een kleine provincieplaats, was een echte volksschool. Er konden ook, zelfs in die tijd voor de mobiele telefoons en dergelijke, soms ernstige onenigheden ontstaan onder met name de jongens. Om mijn schoolhoofdelijke taken naar behoren te kunnen vervullen was ik een dag in de week vrijgesteld van lesgeven aan een klas en kon ik in mijn kantoor me bezig houden met de extra taken die het schoolhoofd nu een maal boven op de lestaak te vervullen heeft. Daar had je bijvoorbeeld het organiseren van een buitenschoolse excursiedag voor elke klas apart – dat waren er dus zes – en de administratie en inkoop van de leermiddelen, het onderhouden van de contacten met het gemeentebestuur, doorgaans via de afdeling onderwijs bij de gemeente. Vaak kwam er echter het bijwonen van bepaalde gemeenteraadsvergaderingen in de avonden bij. Advies werd er van mij verwacht bij de nieuwbouw van scholen in een nieuwe wijk. Al met al had ik een druk bezet leven, waarin ook het contact met de andere collega schoolhoofden een rol speelde en dat vaak ook na schooltijd of in de avonden zijn beslag kreeg.
De aard van de bevolking van mijn school was, laat ik het voorzichtig uitdrukken, toch vaak een beetje in de sfeer van: ‘ik heb gelijk en als je het niet met me eens bent kun je klappen krijgen’. Vechtpartijtjes kwamen voor maar de grootste belhamels hadden wel ontzag voor pure kracht. Ach, in dat verband herinner ik me nog een op het eerste gezicht onbetekenende gebeurtenis. Er was een onderwijzer die breed geschouderd en verder nog al stevig was. Volgens de jongens, die hem onder elkaar Arie noemden, was hij heel sterk. Op een dag, waar de boefjes van de school om heen stonden deed ik iets, waarvan ik wist dat ik het kon winnen. Met die onderwijzer ging ik daar een potje armworstelen, een krachtproef die uiteraard in welwillende vriendschap verloopt. Ik ben altijd heel sterk in mijn armen geweest en dat wedstrijdje won ik dan ook. Ik herinner me nog levendig dat ik de belhamels toen met ontzag zich hoorde verwijderen en hoe ze tegen elkaar zeiden: ‘jesus hé, hij is nog sterker as Arie’. Tja in sommige gemeenschappen kun je op die manier ook je gezag bevestigen. Mijn persoonlijke voorkeur is echter altijd uitgegaan naar het werk van die psychiater Harris en zijn verhaal: ik ben oké, jij bent oké.
Als ik nu na al die jaren – het waren de zeventiger jaren van de vorige eeuw dat ik de bovenmeester van dat Weesper schooltje mocht zijn – nog eens over mijn schouder naar ons gezamenlijk verleden kijk, dan zie ik politiek en maatschappelijk geen andere houding dan: ‘ik ben oké en jij bent niet oké’. Of ik nu kijk naar onze nationale politieke haarkloverijen of ik beschouw het grotere verband in Europa tegenover Rusland en de dodelijke strijd die Oekraïne geheel dreigt te verwoesten, het is allemaal Wij zijn oké, wij hebben gelijk en zij zijn niet oké, zij hebben ongelijk. Het levert helaas een ongelijke strijd op die al vele duizenden levens heeft geëist en die uiteindelijk wel moet eindigen in een verongelijkte conversatie met zwaar geblutste koppen waaruit tenslotte zonneklaar zal blijken dat die ander, die vijand, die tegenpartij op zijn eigen manier al die tijd ook oké was, waarbij we tot onze schande moeten bekennen dat ook deze keer de oorlogsstokers weer uitsluitend op eigen gewin uit waren en dat we ons weer allemaal hebben laten bedriegen. Wanneer gaan we dit nou eens eindelijk leren. Dan leven we langer, gezonder en tevredener.