Daarnet keek ik naar een filmpje op YouTube. Een Amerikaanse professor werd geïnterviewd door een heel enthousiaste verslaggever over het onderwerp “mitochondriën” en ik dacht: dit is nou typisch een onderwerp dat het overgrote merendeel van de mensen op Aarde waarschijnlijk helemaal niets zegt.
Nou, het zal je niet zijn ontgaan, wanneer je vaker mijn blogs leest, dat ik heel vaak schrijf over juist dat soort onderwerpen. Dus ik dacht: weet je wat, ik ga schrijven over mitochondriën op een niet wetenschappelijke manier, maar juist op een filosofische manier. Niet dat ik de wetenschappelijke manier niet belangrijk vind, natuurlijk wel. Ik weet echter dat andere mensen, echte wetenschappers dat veel beter kunnen dan ik, gewoon omdat het daar gaat om feitenkennis. Goed, laat ik eerst dan maar het kleine beetje dat ik weet over mitochondriën even overzichtelijk neerleggen:
Mitochondriën horen bij de zogenaamde organellen, kleine aparte levensvormen met een eigen DNA die in nagenoeg al onze lichaamscellen leven. Eigenlijk zou ik in de vorige zin het woord “aparte” hebben moeten onderstrepen, zo bijzonder zijn ze, die mitochondriën.
Om een duidelijke vergelijking te maken moet ik zeggen dat de lichamen waarin wij leven vanaf de oorsprong bestaan uit een baas en een dienaar, een Heer en een knecht, een kapitein en een machinist. Ja, zo zou je het kunnen zeggen.
Het leven op onze planeet is ooit een keer ontstaan. Daarover zijn veel theorieën, maar erg veel absolute duidelijkheid over het allereerste begin is er niet, Daar moeten we het doen met aannames. Als we dan echter gaan kijken naar de periode vlak na dat begin, dan zien we dat er in de zeeën eencellige wezentjes zijn. De conclusie die door veel onderzoekers wordt ondersteund is dat in elk geval de warmbloedige dieren, waartoe wij natuurlijk ook behoren, niet uit slechts één enkel eencellig wezentje in die oersoep in de oceaan kan zijn ontstaan.
Er waren vele eencelligen die we tegenwoordig gist – of schimmelcellen zouden noemen, maar die produceren maar heel weinig energie. Warmbloedige dieren zoals wij hebben wel twintig maal zoveel energie nodig, alleen al om onze lichaamstemperatuur constant op 36 graden te houden.
De veronderstelde geschiedenis van hoe dat dan in die oersoep in de oceaan is gegaan is dan als volgt: Er is een gistcel en er is een celletje dat instaat is veel energie te genereren. Dat laatste celletje kruipt nu naar binnen bij die gistcel. Die kan daardoor ineens veel meer energie maken.
Maar omdat ik hierboven al schreef dat het een filosofisch verhaal zou worden moet ik nu toch even de koers verleggen. Ik weet werkelijk niet of ik nu bij op deze manier in elkaar geschoven eencelligen kan spreken van een bedoeling, maar als we er ons bewust van zijn dat wij tenslotte uit een soort verzamel en vermeerderingsneiging van oorspronkelijke eencelligen voortgekomen zijn, dan zou je toch bijna geneigd zijn om te denken dat er vanaf het prille begin een soort overkoepelend bewustzijn bezig is geweest met een duidelijk doel voor ogen. Dat doel, voor zover we het tot nu toe kunnen overzien was ons tot stand brengen, waarbij ik wel duidelijk wil opmerken dat het einddoel van dat oorspronkelijke bewuste plan mij in elk geval nog lang niet voor ogen staat. Ik heb werkelijk geen idee wat het doel van dat universele bewustzijn is waanneer ik in elk geval met enig historisch besef kan vaststellen dat de natuur de neiging vertoont wezens steeds verder te ontwikkelen en steeds gecompliceerder te maken.
Toch kom ik nu weer terug bij die twee eerste eencelligen die met het oog op toekomstige energetische mogelijkheden zich tot één cel verenigden, waarbij de ene, oorspronkelijke gistcel het doel gehad moet hebben de leiding te nemen en de andere niets mooiers in het bestaan wist dan te dienen.
Wel, die eerste cel is wat we nu kennen als Ik, de mens. Die laatste is wat we nu zien, bij honderden in nagenoeg al onze cellen als de energie makers en leveranciers, de mitochondriën. Die celletjes hebben een eigen achtvormig DNA. Ze mopperen nooit over hun ondergeschikte rol, maar eigenlijk vind ik wel dat wij als oorspronkelijk bazige gistcellen ons wel bewust moeten zijn dat wij, parasieten op deze wereld als we nu eenmaal zijn, maar eens een dankbaar voorbeeld zouden moeten nemen aan al die onvermoeibare zelfstandige wezentjes die bij miljarden ons leven mogelijk maken: de mitochondriën.