Buiten mijn lijf

De eerste keer dat het gebeurde was de oorzaak voor mij bijna fataal. Ik was in de auto op weg naar een interview, zoals ik bijna elke dag doe, toen het gebeurde.                 Gek is dat ik nog steeds moeite heb om het me precies te herinneren. Achteraf is me verteld dat ik weliswaar officieel de veroorzaker van het ongeluk was, maar dat ik het onmogelijk had kunnen voorkomen. Het was inderdaad een voorrangskruising, zoals het proces verbaal stelde. En inderdaad had ik voorrang moeten verlenen aan de Porsche die mij op hoge snelheid ramde toen ik de kruising opreed. Het was een kruising binnen de bebouwde kom waar de maximumsnelheid, net als overal, vijftig kilometer per uur is.

Die Porschebestuurder bleek grote haast te hebben gehad, want hij raakte mijn oude Renault Twingo met een snelheid van honderddertig kilometer per uur, zoals later uit de berekeningen bleek. Dus toen ik de kruising op reed had ik hem zeker niet kunnen zien aankomen. Misschien had ik hem kunnen horen als ik mijn portierraam open had gehad, maar dat had ik niet, want het regende dat het goot.                                       Heel vaag kan ik me de klap herinneren. Ik voelde… ja, dat was een heel eigenaardig gevoel, het deed in elk geval geen pijn. Ik zweefde buiten mijn autootje op wat een meter boven de grond leek. Nog altijd ben ik verbijsterd over die gewaarwording. Ik had zoiets nooit eerder meegemaakt.                                                                              Eerlijk gezegd kan ik me niet herinneren dat ik me ooit zo prettig heb gevoeld als op dat moment. Het was een soort tintelende gewaarwording. Toch was er meer dan voldoende reden om me ontzettend ongerust te maken of zelfs in paniek te raken, ga maar na. Ik zag hoe mijn lichaam in mijn bijna dubbel gevouwen autootje naar de rechterkant was geramd. Ik was met stoel en al gewoon weggeslagen. Ik zag hoe er bloed uit mijn hoofd stroomde. Maar intussen was ik doodkalm. Wat trouwens ook zo raar was, ik herinner me dat haarscherp: ik keek naar mijn verfrommelde lichaam in dat dubbelgevouwen autootje en ik dacht… nee, ik wist heel zeker: dit is verdomd vervelend, maar het komt wel weer goed.                                                                    Toen zag ik die vent in die Porsche of liever van die Porsche, hij lag vijf meter verderop op de straat. Blijkbaar had hij zijn gordel niet gedragen. Tijdens de botsing was hij door zijn eigen voorruit geslingerd, tegen mijn dakrand en nu lag hij met een gebroken nek vijf meter verderop op het asfalt in een flinke plas bloed. Gek is dat ik meteen wist wat er met hem aan de hand was. En wat trouwens ook zo wonderlijk was? Ik zie die vent opstaan. Nee, niet zijn lichaam. Het was eigenlijk net alsof hij opstond uit bed. Hij kwam omhoog uit dat bloedende, verkreukelde lichaam van hem.                                            Ik ging naar hem toe. ‘Gaat het?’ vroeg ik. Hij keek me aan en ik zal de blik in zijn ogen nooit vergeten. Hij grijnsde: ‘ze hebben me mooi niet te pakken gekregen.’              ‘Nee,’ zei ik, ‘en dat zal ook nooit meer gebeuren.’                                                         Hij staarde me met grote ogen aan. ‘Wat bedoel je?’ vroeg hij aarzelend.                      Ik wees naar zijn bloedende kapotte lichaam op het asfalt. Ik zag zijn ogen groot en angstig worden.                                                                                                           ‘Nee!’ riep hij, ‘dat kan niet… ik moet…’                                                                        Wat hij vond dat hij moest kon ik niet meer horen want in een oogwenk werd hij doorzichtig en kon ik hem niet meer waarnemen.                                                        Intussen waren blijkbaar de hulpdiensten gearriveerd. Ik zag hoe het verfrommelde lichaam van de Porscherijder in een zwarte zak werd gedaan en afgevoerd en hoe ze vervolgens begonnen mijn zwaargehavende lijf uit het autootje te zagen. Daarna is het allemaal vaag.                                                                                                                   In het ziekenhuis ben ik bijgekomen. Alles deed me pijn, maar wonderlijk genoeg was er niets gebroken. Wel had ik een flinke hoofdwond en zat mijn lijf vol schaafwonden en bloeduitstortingen.                                                                                                              Wekenlang heb ik daarna nog moeilijk bewogen. Alles deed pijn, maar dat ging over.   In de maanden daarna was ik voortdurend bezig met mijn herinneringen aan die wonderlijke gebeurtenis. Het beeld dat ik voortdurend zag van die man die uit die Porsche was geslingerd en die ik uit zijn lichaam had zien opstaan en hoe ik hem binnen enkele seconden had zien vervagen toen het tot hem doordrong dat zijn lichaam daar op het asfalt niet meer toegankelijk was. De totale ontreddering in zijn ogen.

Het heeft me nadien eigenlijk nooit meer losgelaten. Begrijp me niet verkeerd hoor, ik ben er niet somber of depressief van geworden, in tegendeel. De hele gebeurtenis heeft me enorm gefascineerd en eigenlijk is mijn leven daardoor cruciaal veranderd. Stel je maar eens even voor: ineens had ik ervaren hoe de bestuurder, ik dus, ook glashelder kon waarnemen na dat ik – in mijn geval tijdelijk – uit mijn voertuig, mijn lichaam, was geslagen. Mijn hele kijk op de werkelijkheid werd in een klap oneindig veel groter. Later las ik in een boek dat ik vroeger nooit gelezen zou hebben, omdat ik zulke boeken altijd zweverige meuk noemde, dat ik een zogenaamde bijna dood ervaring had gehad. Heel apart hoor.

Dat ongeluk is nu twee jaar geleden. Wat bij me is gebleven is het gevoel van vrijheid, de euforie die ik ervoer toen ik daar, zoals ik eerder zei, ongeveer een meter boven de grond zweefde en ondanks dat ik mijn lichaam in dat autootje zag toch buiten mijn lichaam helder kon waarnemen. Nee, ik zeg het eigenlijk niet goed. Eerlijk gezegd is het ook moeilijk te begrijpen en daarom ook moeilijk uit te leggen. Mijn waarnemingen, daar buiten mijn lichaam waren helder, veel helderder dan ik gewend was. Wat ik zag was ook niet datgene waarop ik mijn blik richtte, nee, ik zag tegelijkertijd alles om mij heen. Ik weet dat het raar klinkt, maar niet alleen zag ik alles om me heen, maar ook hoorde ik. Ik hoorde bijvoorbeeld alles wat de mensen van de hulpdiensten tegen elkaar zeiden. Nee, niet door elkaar, maar heel geordend alles tegelijk. Ook wist ik heel precies wat er aan mijn lichaam in die verkreukelde auto beschadigd was en dat het wel weer goed zou komen. Dat alles nam ik waar met een gevoel van blijdschap zoals ik nooit had gekend. Er was geen spoor van onrust en er was het feestelijke besef dat mijn leven goed was. Dat gevoel is bij mij gebleven. Het is niet meer zo sterk als in het begin, maar het is nooit meer weggegaan. Ik denk dat je je moeilijk kunt voorstellen hoe deze gebeurtenis mijn leven heeft veranderd als je het niet zelf ooit hebt meegemaakt.

Toch denk ik dat de herinnering, ondanks de heftigheid die ermee gepaard ging, op den duur wel vervaagd zou zijn als mij niet andere wonderlijke dingen zouden zijn overkomen. Het gebeurde ongeveer drie weken nadat ik het ziekenhuis had verlaten, nadat ze mij daar voor de zekerheid een nachtje in observatie hadden gehouden. Ik was intussen wel weer in staat om te lopen zonder dat iedereen aan mijn bewegingen kon zien dat alles nog pijnlijk was. Na het ongeluk had ik een week niet gewerkt. Ik ben journalist bij een plaatselijk krantje en mijn hoofdredacteur vond het geen goed idee als ik mensen ging interviewen met een grote pleister op mijn hoofd. Van die tijd heb ik dankbaar gebruik gemaakt om mijn herinneringen aan het ongeluk nauwkeurig op te schrijven. Na die week ben ik weer gewoon aan het werk gegaan. Het was druk want er waren in de stad een aantal brutale inbraken gepleegd, waar de politie op geen enkele manier vat op kon krijgen. Niemand had iets gemerkt of gezien. De dieven hadden hun werk met grote precisie gedaan en nauwelijks schade veroorzaakt, behalve dan wat ze hadden gestolen natuurlijk. Iedereen stond voor een raadsel.

Op een avond had ik met een paar collega’s van verschillende nieuwsmedia een biertje zitten drinken. Dat doen we meestal elke week in onze vaste stamkroeg. Natuurlijk spraken we over die merkwaardige professioneel uitgevoerde inbraken, waarbij de daders geen spoor hadden achter gelaten. Tegen het einde van de avond kwam er ineens een wonderlijk idee in mij op. Ik zei: ‘als die dieven met hun blote handen hadden gewerkt, dan zouden er ongetwijfeld vingerafdrukken of DNA sporen zijn achtergebleven, maar er is niets gevonden. Maar stel nu eens dat er een techniek zou bestaan waarmee je alles zichtbaar kon maken wat er op die inbraakplaatsen gebeurd is. Stel nou eens dat wanden en de voorwerpen een soort fotografische imprint behouden van wat er langs is gelopen.’                                                                        Mijn collega’s begonnen te lachen. ‘Had jij laatst niet vreselijk je hoofd gestoten?,’ riep Gerard Kraan, een radio collega.                                                                                 Iedereen bulderend lachen natuurlijk. Ik hinnikte maar een beetje schaapachtig mee, maar van harte ging het niet. Ik had namelijk het gevoel dat wat ik zei op een bepaalde manier toch niet helemaal onzin was.                                                                            Het was laat genoeg. Iedereen betaalde zijn rekening en we gingen naar huis. Ik woon dicht bij die kroeg en kom altijd te voet, want ik wil geen enkel risico lopen dat ik mijn rijbewijs kwijt raak door achter het stuur te stappen met drank op.

Het regende behoorlijk toen ik naar huis liep. Ik voelde me vreemd toen ik daar door de regen liep. Hoe zal ik het zeggen. Het was alsof ik een soort hol voorwerp was waarbinnen iets los heen en weer schoof. Ik voelde me verder wel goed en ik dacht: misschien had ik die laatste drie biertjes beter niet kunnen drinken, maar ach, het zal morgen wel weer over zijn. Ik kwam thuis, kleedde me uit en ging naar bed. Ik was een heel klein beetje duizelig, maar dat heb ik wel vaker als ik net iets te veel gedronken heb, dus ik maakte me geen zorgen. Maar toen ik eenmaal in bed lag begon het. Ik lag plat op mijn rug en ik had het gevoel dat ik heen en weer schoof. Mijn lichaam lag stil, maar ik schoof toch heen en weer, boven mijn hoofd uit en onder mijn voeten uit. Het ging langzaam maar gestaag. Het was alsof ik inwendig in een heel langzame schommel zat: van boven naar beneden en weer naar boven en weer naar beneden. Ik balde mijn vuisten en trok mijn voeten een klein stukje op. De schommel stond stil. Een bijzondere ervaring, dacht ik. Toch voelde ik me een beetje onrustig. Als ik niet heel toevallig op het idee was gekomen om mijn vuisten te ballen en mijn knieën een stukje op te trekken dan was dat geschommel de hele nacht doorgegaan, dacht ik. Dat kleine beetje onrust in mijn geest maakte dat ik het gevoel had dat ik me wilde omdraaien en weglopen. In gedachten draaide ik me om, zwaaide mijn benen over de rand van het bed en ging zitten.                                                                                                          Tot mijn verbijstering was dat ook precies wat er gebeurde. Ik keek opzij, zag mijn hoofd op het kussen liggen. Ik keek om me heen waar ik wist dat het donker was, ik had het licht toch uitgedaan. Maar ik zag alles helder, alsof het in mijn slaapkamer heel zonnig was. De eerste keer tijdens het ongeluk gebeurde alles zo plotseling dat ik te verrast was om me te verbazen. Nu was dat anders. Nu beleefde ik alles heel bewust. Ik deed het zelf. Ik was gaan zitten op de manier zoals ik dat elke ochtend doe als ik uit bed stap, maar wat ik nu voelde was zo vreemd, zo onwerkelijk. Naar links kijkend zag ik mijn hoofd op het kussen liggen, naar rechts kijkend wist ik mijn benen onder het dekbed. Ik bewoog mijn handen naar mijn gezicht en sloot mijn ogen. Het bleef licht. Alles in mijn zonnige nachtelijke slaapkamer bleef zichtbaar. Wel voelde ik – en zag ik de handen voor mijn gezicht, maar ik keek er dwars doorheen.

Zo vanzelfsprekend ontspannen als ik de eerste keer bij het ongeluk was geweest, zo gespannen voelde ik mij nu. Nu had ik het gevoel dat ik maar even tevreden moest zijn met deze beleving, het gevoel dat ik iets heel waardevols aan het ontdekken was en dat ik dat stapje voor stapje moest doen. Rechtop gaan zitten en me een kwartslag draaien zodat ik op de rand van mijn bed zat moest voor deze eerst keer dat ik bewust buiten mijn lichaam was maar voldoende zijn. Plotseling voelde ik me heel moe. Ik ging weer liggen. Het was ineens weer donker om me heen. Het gevoel van de aanraking met het bed, met het dekbed dat over mij heen lag was weer terug. Ik moet dadelijk in slaap zijn gevallen.

Rond zes uur in de ochtend werd ik wakker uit een onrustige en verwarde droom.     Intuïtief begreep ik dat wat er in de afgelopen nacht gebeurd was moest worden opgeschreven. Mijn ervaringen mochten niet verloren gaan. Eigenlijk vanzelfsprekend. Ik ben journalist, zoals ik eerder zei en ik ben gewend om nauwkeurig te noteren wat ik belangrijk vind. En dit was belangrijk. Het feit dat ik bewust gedeeltelijk los van mijn lichaam was gekomen was bijzonder genoeg voor verder onderzoek. Ik zeg ‘gedeeltelijk’, want ik realiseerde me dat ik rechtop komend en mijn benen buiten het bed zwaaiend toch nog steeds met mijn bekken in mijn fysieke lichaam zat. Nu bekroop mijn een ongeduldige nieuwsgierigheid. De vraag die ik gedurende die hele dag aan mezelf stelde was: is het mogelijk bewust uit mijn lichaam te treden en buiten mijn lichaam helder en nauwkeurig waar te nemen? En de tweede vraag die zich daarbij onmiddellijk aan mij opdrong was: is het dan ook mogelijk om me in die uitgetreden toestand naar believen te verplaatsen? Waaraan ik niet dacht was de mogelijke impact die al deze zeer ongebruikelijke exercities op mij zou kunnen hebben. Later zou ik daar op een verrassende manier achter komen.

Omdat ik een heel onregelmatig leven leidt is het er tot nu toe niet van gekomen om me te binden. Niet dat ik dat niet wil hoor. Ik heb best een paar leuke vriendinnen waarmee ik af en toe wel eens een nachtje samen ben. Maar ook zij zijn niet uit op permanente verbintenissen. We zijn allemaal, hoe zal ik het zeggen, ‘te druk bezig met de dagelijkse dingen,’ is misschien de beste omschrijving. Vrij en ongebonden zijn past het best bij ons. Een ding is me overigens door de jaren heen wel duidelijk geworden: als je alleen leeft doe je er verstandig aan op alle denkbare manieren je grenzen te leren kennen; zeker als je gezond wilt blijven. Zo heb ik gemerkt dat alcohol iets is voor af en toe, zeker niet voor elke dag. Roken heb ik nooit gedaan. Als kind vond ik het al stinken. Maar even terugkomend op de alcohol, ik heb gemerkt dat ik bij meer dan vier glazen eigenlijk altijd de volgende dag een behoorlijke kater heb. Eén, of maximaal twee glazen maken mij echter heel ontspannen, maar ook heel helder. Die ervaring, dat stukje zelfkennis kwamen me goed van pas bij de experimenten die ik ging doen bij mijn pogingen mijn bewustzijn buiten mijn lichaam te beleven.

Het was een dinsdagavond in oktober. Het einde van een zwaarbewolkte regenachtige dag. Die dag had ik twee buitenafspraken gedaan. Een met de voorzitter van een plaatselijke voetbalclub over een heel vervelend schop-incident dat die zondag in het eerste elftal had plaatsgevonden en waarbij een speler van de tegenpartij in het ziekenhuis was opgenomen. Over het algemeen ben ik niet zo’n sportfanaat, maar de uitwassen verslaan vind ik om verschillende redenen wel interessant. Per slot van rekening ontstaat veel ellende op onze wereld doordat mensen zich niet kunnen beheersen. Nadat ik mijn verslagje thuis kort had uitgewerkt was ik nog net op tijd aanwezig bij de opening van een nieuw winkelcentrum in de stad. Geen moeilijke dingen om over te berichten. Voor ik naar huis ging haalde ik bij de poelier een gegrild kippetje en bij de supermarkt een kant-en-klare salade. Niet al te ongezond en zeker geen zware maaltijd, want daarvan word ik altijd loom en slaperig.

Ik zette mijn verslagjes op de mail naar de krant.                                                          Het was zes uur. Tijd voor het televisie nieuws. Ik zette mijn maaltijd op zo’n schoottafeltje om voor de TV te kunnen eten, want het nieuws mag ik natuurlijk niet missen.                                                                                                                       Behalve de gebruikelijke ellende van over de hele wereld was er ook een bericht van alweer een meesterkraak. Deze keer ging het om een juwelierszaak in het centrum van onze eigen stad. De zaak beschikte over de modernste en meest uitgebreide elektronische beveiliging. Het meest verbijsterende was dat er geen enkele onderbreking van de camera’s was geweest. Het systeem had voortdurend zijn werk gedaan en toch waren alle zwaar bewaakte juwelenkasten en zelfs de kluizen leeg gehaald. De politie stond voor een raadsel en ik was zeer geïntrigeerd.

Een wonderlijk intuïtief gevoel vertelde me dat ik de oplossing zou kunnen vinden door te gaan kijken. Een beetje wezenloos zat ik daar met mijn half opgegeten gegrilde kippetje op het schoottafeltje naar de TV te kijken.                                                         Gaan kijken? Maar hoe dan, dan zagen ze me toch? Veel te gevaarlijk. Bovendien, waar zou ik dan moeten gaan kijken. De juwelierszaak waar het gebeurd was had de politie al grondig onderzocht. Ook in dit geval was er melding van gemaakt dat er geen sporen waren gevonden. Nu weet ik uit ervaring dat de politie in heel veel zaken niet het achterste van zijn tong laat zien, zeker niet als het een ingewikkelde zaak betreft.

Terwijl ik zat te peinzen dat ik eigenlijk wel wilde weten wat ze misschien toch hadden ontdekt bij de politie, dacht ik plotseling aan die keer dat ik in de nacht half uit mijn lichaam was opgestaan. Nou ja, ik had me natuurlijk niet van mijn lichaam durven verwijderen. Ik was blijven zitten. Het bleef me intrigeren, omdat ik het gevoel had dat ik dingen zou kunnen waarnemen, op plaatsen waar een mens normaliter niet kan komen. Ik probeer het gewoon nog een keer, besloot ik. En dan blijf ik niet zitten uit angst, maar ik probeer op te staan en ik probeer me te verplaatsen.

Die avond ging ik vroeg naar bed met het vaste plan met mijn waarnemend bewustzijn buiten mijn lichaam te komen. Ik ging naar mijn slaapkamer, kleedde me uit en trok een t-shit en een boxer aan voor de nacht en ging op mijn rug in bed liggen. De schommelbeweging moest ik voelen. Ik herinnerde het me weer. Maar wat ik ook probeerde, niets in mij wilde op en neer schommelen. Vervelend was dat nu. Ik wist toch zeker dat het zo de eerste keer ook was gegaan. Zeker anderhalf uur probeerde ik ingespannen mijn binnenste in beweging te laten komen ten opzichte van mijn lichaam. Hoe ik ook mijn best deed, er gebeurde helemaal niets. Vermoeid draaide ik me tenslotte om zodat ik op mijn zij kwam te liggen en vrijwel direct in slaap viel om de volgende morgen met katterig, teleurgesteld gevoel wakker te worden. Ik had gedacht iets te kunnen dat weinig mensen kunnen en ik had vreselijk mijn best gedaan om het te laten lukken, maar het ging niet, het wilde niet lukken. Ik moest iets verkeerde doen of laten.

Er was die dag veel werk te doen. Ik moest me maar over mijn teleurstelling heen zetten want er waren afspraken en laat in de middag een redactievergadering. Ik stond op, kleedde me aan, at een paar boterhammen, dronk een paar koppen koffie waardoor het katterige gevoel weer wat minder werd. Het was druk gedurende de rest van de dag en eerlijk gezegd dacht ik er ook niet meer aan. Niet ongewoon voor mij trouwens: als iets niet tamelijk snel lukt er gewoon niet meer aan denken. Mijn vader, die nog van de oude stempel was geweest, zei altijd dat ik de weg van de minste weerstand koos, wanneer overduidelijk uit mijn schoolrapport bleek dat ik niet zo heel erg mijn best had gedaan. En nu weet ik heus wel dat een groot aantal problemen in het leven beter worden opgelost als je er je best voor doet, maar nu stond ik op het punt om te ontdekken dat je best doen niet altijd goed is nee, sterker nog, soms moet je juist niet je best doen, maar geduldig en ontspannen afwachten. Ergens, ik weet niet eens meer waar, las ik zo’n tegeltjeswijsheid. Ik had hem nog nooit eerder gelezen en ik kreeg er een beetje een raar gevoel bij. Ik snapte ook niet wat ermee werd bedoeld. Er stond:

Als je doet doe je te weinig

                       Als je bent ben je genoeg

Op het eerste gezicht vond ik het een raadselachtige spreuk. Eerlijk gezegd een beetje zo’n wijsneuzerige opmerking van de zwevende betweter. Als ik doe, doe ik helemaal niet te weinig, kom nou. Ik werk grondig en volledig. Dagelijks doe ik mijn uiterste best om goede en heldere verslagen af te leveren. Ik snapte dus helemaal niet waar die spreuk op sloeg, maar na een poosje begon het me toch een beetje te dagen. Het ging helemaal niet zozeer over mijn dagelijks werk, maar over de manier waarop ik met mezelf omging. Ik had telkens weer in mijn bed gelegen en ontzettend mijn best gedaan, om het zo maar te zeggen, om mijn geest los van mijn lichaam te laten komen. Maar hoe ik ook mijn best deed, het lukte niet. Mijn best doen was blijkbaar niet de manier. Hoe was dat dan de eerste keer gegaan toen het wel lukte. Ik was toen een beetje dronken en als ik een beetje dronken ben dan ben ik niet geconcentreerd en heel ontspannen. Deze gedachte stelde me direct al voor een dilemma. Ik weet namelijk dat het gebruik van alcohol niet goed is en ik vind dan ook niet dat alcohol een middel moet zijn om mij in een gewenste toestand te brengen.

Ik vraag me trouwens af waarom ik bijna als een bezetene op zoek ben naar een manier om die buitenlichamelijke toestand te bereiken en te controleren. Eigenlijk weet ik het wel. De herinnering aan het gevoel dat ik in die toestand had vlak na die aanrijding heeft een enorme aantrekking op mij. Het was een ervaring waarin ik me voor het eerst van mijn leven compleet en gelukkig voelde op een manier die met niets anders te vergelijken was.

Maar er is meer dat ik zeker meen te weten. In de buitenlichamelijke toestand kan ik meer zien, me van meer bewust worden. Dan kan ik misschien dingen oplossen, raadselachtige misdrijven doorzien en begrijpen… Hier stokte mijn gedachtegang. Ineens begreep ik de spreuk: ‘Als je doet doe je te weinig. Als je bent ben je genoeg.   Ik was maar bezig met presteren. Ik moest zo nodig de grote held worden die op mysterieuze wijze via de astrale wereld misdaden oplost. Dat is doen! Het begon me te dagen. Ik was bijna nooit tevreden met wat ik deed, met wat ik presteerde. Het was nooit goed genoeg. Altijd was ik ontevreden over mezelf. Om mij heen moest daarentegen iedereen denken dat ik altijd goed werk deed, terwijl ik het voor mijn eigen gevoel vaak zeer matig was. Als je vader je jaar in jaar uit heeft gezegd dat je er altijd de kantjes afloopt dan ga je dat op den duur echt geloven. Mooi, dat begint me nu ineens duidelijk te worden. Wat ik ook doe, ik vind zelf altijd dat ik te weinig doe. Daar moet ik het dus niet van hebben als het over mijn pogingen gaat om in de buitenlichamelijke, astrale wereld bewuste ervaringen op te doen. Eigenlijk speelde ik steeds vaker met de gedachte om het maar op te geven. Toegegeven, een teleurstellende gedachte, maar in dat opzicht ook zeker niet de eerste in mijn leven. Dit is iets dat ik wel vaker denk. Om het schuldgevoel een beetje te temperen formuleer ik de gedachte dan meestal een beetje anders. Ik denk dan: we willen toch allemaal een beetje meer zijn dan we zijn, een aanname veralgemeniserende veronderstelling die het minder erg moet maken.

Eindelijk tot de conclusie gekomen dat ik maar eens op moest houden met mijn innerlijke gedram ging ik die avond vroeg naar bed. Ik las nog een half uurtje in een vrij spannende detective die ik alleen in bed lees. Het klinkt misschien raar voor een journalist, maar als ik niet in bed lig lees ik uitsluitend kranten en af en toe een tijdschrift. Boeken lees ik alleen in bed.                                                                            Na een half uur werden mijn ogen zwaar. Ik legde het boek weg en deed het bedlampje uit, maar ik bleef nog een poosje half rechtop zitten in de houding waarin ik altijd lees, met een extra kussen in mijn nek. Zo moet ik in slaap gevallen zijn.

Midden in de nacht werd ik met een schok wakker. Een paar felle lichtflitsen verlichtten de kamer gevolgd door een donderende klap. Ineens stond ik naast mijn bed. Ik dacht dat mijn raam wagenwijd open stond. Het onweerde en het zou vast weldra gaan regenen. Ik stond op en liep naar het raam. Het raam was dicht. Een vreemd gevoel bekroop mij. Ik draaide me om en bewoog me weer in de richting van mijn bed. Een blik op mijn bed maakte me duidelijk dat ik er nog in lag. Ik lag rustig te slapen. Wonderlijk was dat ik mijn lichaam door het dekbed heen kon zien. Peinzend bleef ik staan. Geen enkele moeite had ik gedaan. Waarschijnlijk door de schok van de paarklappen onweer was ik uit mijn lichaam getreden. Ik stond daar, volkomen kalm, midden in mijn helder lichte slaapkamer, alsof het midden op de dag was.

Plotseling werden mijn gedachten getrokken naar de spoorloze inbraken. Ik dacht: ‘wie kan in staat zijn om zulke volmaakte inbraken te plegen.                                              Ineens stond ik in een magazijn waar allerlei apparaten in de schappen lagen. Twee mannen stonden in een hoek van het vertrek met elkaar te praten. Ik kon ze letterlijk verstaan.                                                                                                                         ‘We moeten in ieder geval zorgen voor onregelmatigheid,’ zei de ene man.                    ‘Wat bedoel je?’ vroeg de ander.                                                                                     ‘Nou, om te beginnen moet het apparatuur van verschillende merken zijn.’                   ‘Ja, nou snap ik wat je bedoelt. We doen service aan verschillende merken beveiligingsspulletjes en alleen bij de apparaatjes die er geschikt voor zijn kunnen we ons eigen remote apparaatje aanpassen, zodat we er zelf ook nog bij kunnen.’ Hij begon te lachen. Zijn maat knikte echter met een ernstig gezicht. ‘Ja, klopt, maar bovendien moeten we er al een aantal keren de halfjaarlijkse controle hebben gedaan, omdat ze ons dan kennen en weten dat het goed zit. Trouwens wel slim van je om die beeldopnames zo mooi naadloos door te laten lopen.’                                               ‘Ach,’ zei de ander, ‘zo moeilijk was dat nou ook weer niet. We zijn maximaal tien minuten binnen en ik laat de beeld en geluidopnames gewoon een kopie van een kwartiertje daarvoor opslaan. Kwestie van knippen en plakken.’

Ik stond geen twee meter van hen verwijderd, maar ze zagen mij niet. Ik liep naar de twee mannen toe en stak mijn hand uit op een plaats waar ik meende dat ze stonden. Mijn hand voelde niets, maar de man die ik probeerde aan te raken keek plotseling nerveus opzij.                                                                                                                  ‘Je weet toch zeker dat er hier niemand is,’ zie hij.                                                        ‘Kijk eens op je klok man,’ zei de ander, wat denk je, om elf uur ’s avonds.’

Ik wist nu bijna genoeg. Ik wilde nog proberen erachter te komen wat de naam van deze beveiligingsfirma was. Dwars door de muur van het magazijn gaand stond ik in het kantoor. Er stonden een paar bureaus en er lag op een ladekast in een hoek een stapel glossy brochures. Natuurlijk moest daar ook de naam van het bedrijf op staan. Ik ging bij het stapeltje staan en trachtte te lezen wat erop stond. Buitengewoon vreemde gewaarwording, dacht ik. Ik kon werkelijk geen letter lezen of begrijpen wat er op de brochure stond. Wel zag ik de rustige tinten waarin de voorpagina was uitgevoerd. Ik moest er toch achter kunnen komen hoe deze club heette. Ik spande me in en deed mijn best om tekst op de pagina te lezen.

Mijn ogen gingen open. Ik staarde in mijn donkere slaapkamer. Verbijsterd ging ik overeind zitten. Was dit een droom of had ik echt de twee slimme inbrekers ontdekt. Ik ging zitten en greep het bloknoot en de pen die altijd naast mijn bed liggen. Dit moest onmiddellijk genoteerd worden. Het belangrijkste was misschien wel de kleurcombinatie van de brochure van die beveiligingsfirma. Dat was mijn enige houvast. Alles wat ik me herinnerde schreef ik op inclusief het uiterlijk van de twee mannen die ik wonderlijk genoeg bijna fotografisch scherp voor me zag. Het bloknoot en de pen moeten na het opschrijven uit mijn handen gegleden zijn, want toen ik de volgende dag rond half acht wakker werd lagen ze naast mijn bed op de grond.

Wat moest ik in hemelsnaam met dit verhaal. Ik kon moeilijk de politie bellen en vertellen dat ik toch zo’n vreselijk interessante droom had gehad. Tijdens mijn ontbijt las ik de ochtendkrant. Een artikeltje op pagina vier handelde nog over de inbraken.

Ik besloot dat ik er hoe dan ook achter moest zien te komen welke beveiligingsclub het was geweest waar ik astraal had rondgekeken, maar hoe?                                        Toen herinnerde ik mij de kleurcombinatie van de brochure die ik had zien liggen.

Achter mijn computer opende ik achtereenvolgens de sites van beveiligingsfirma’s.         Bij de derde die ik opende was het raak. De openingspagina van de site zag er precies zo uit als de voorpagina van de brochure die ik had gezien. Deze keer kon ik de naam van de firma uitstekend lezen.                                                                               Opbellen naar de politie of mailen was geen optie. Ze zouden me vierkant uitlachen, maar het telefoonnummer van “Meld Misdaad Anoniem” was een uitstekende optie.

Een week later meldde het acht uur journaal dat de politie er door een anonieme tipgever in geslaagd was de buitengewoon geraffineerde inbraken bij juweliers op te lossen en dat ook het grootste deel van de buit was terug gevonden

Advertenties