23 april 1946

Zes jaar was ik. Gedurende het laatste oorlogsjaar was ik met mijn moeder en haar zus Truus vanuit ons evacuatiedorp, Schagerbrug, terug gelopen naar Den Helder.

Waarom we geëvacueerd waren geweest dat besefte ik natuurlijk niet. Later hoorde ik dat mijn geboorteplaats vanwege het feit dat daar de marinehaven was meer dan zeshonderd keer gebombardeerd werd, zowel door de geallieerden als door de Duitsers. Als kind van anderhalf – want zo oud was ik toen we weg moesten – heb je daar geen weet van. Wat ik nog wel weet is dat oom Klaas, de jongste broer van mijn moeder, die voor een kolenboer werkte, op een zonnige herfstdag met een bakfiets bij oma voor de deur stond. Op de bakfiets waren de belangrijkste meubeltjes van mijn moeder zodanig opgestapeld dat er bij het linker voorwiel een klein plekje open was. Daar werd ik in gezet. Oom Klaas deed er met die zware bakfiets ongeveer de hele dag over om tenslotte aan te komen bij wat “de noodwoning Veul” genoemd werd, maar wat in werkelijkheid de ontruimde timmermanswerkplaats was van timmerman Veul. Er stond een salamanderkacheltje dat met hout kon worden gestookt en waarop mijn moeder eten kookte. Achter het gebouwtje was een langgerekt weiland dat de lijnbaan werd genoemd en waarvandaan ik met veel lawaai en vuur dingen de lucht in zag gaan dat, naar ik later begrepen heb V1-raketten waren die op Engeland terecht moesten komen.

Dat was het beging van mijn oorlogsbeleving. Gedurende de ruim drie-en-een-half jaar dat we geëvacueerd waren zijn we nog wel een paar keer verhuisd, herinner ik me.

Waarom juist toen herinner ik me niet, maar in 1944, vlak voor de hongerwinter gingen we terug naar Den Helder om verder bij opa en oma Slot in de Van Hoogendorpstraat te verblijven. Mijn moeder kreeg een baantje bij slagerij Krienen, die natuurlijk voor de bezetter moest werken, maar waarvandaan ze vaak de kaantjes van het uitgebakken vet meekreeg. Een ware traktatie vonden we dat. En verder was er natuurlijk de gaarkeuken aan de Prins Hendriklaan, waar ik als vijfjarig manneke heen werd gestuurd met een klein emmertje waarin dan soep werd gedaan. Nou ja soep… De bezetter wist kennelijk dat aardappelpitten  veel vitamine C bevatten want daarvan was de soep in het emmertje gekookt. Overigens had ik aan mijn ellebogen en knieën broodschurft. Blijkbaar was ik allergisch voor het bloembollenmeel waarvan ons brood gebakken werd. Mijn moeder moest steeds weer oude lappen zien te vinden om tot verband te verscheuren. Tot dat mijn opa zei: ‘je moet dat kind met die schurft in de zon laten lopen. Dat was een wijze raad en gelukkig was het zonnig en de broodschurft verdween.

Dan is er een dag in september 1945 als ik op een ochtend heel vroeg wakker schrik. Er is tumult in het huis. Iedereen, oom Klaas, oom Dik, tante Tet, oom Freek, opa, oma zit in de kamer, behalve mijn moeder. Zij heeft de voordeur geopend en ik zie zittend op de tweede tree van de trap in de gang hoe een matroos van een vrachtwagen springt die voor onze deur staat. Ik zie hoe die matroos mijn moeder begint te zoenen en ik voel dat er iets gebeurt waar ik buiten sta en ik heb me op dat moment in mijn hele kleine leventje nog nooit zo alleen gevoeld. Die matroos blijkt mijn vader te zijn die eindelijk uit de oorlog is teruggekeerd.

Tot dat moment ben ik elke dag naar de hoek van de straat gelopen om te kijken of er al een matroos aankwam met rood haar. Ik wist dat mijn vader rood haar had. Soms kwam er dan een Duitse matroos langs met enigszins rossig haar. Ik rende dan juichend naar huis om te vertellen dat mijn vader eraan kwam, zulks tot diepe ontroering van de hele familie.

Ja en dan is plotseling niet kleine Petertje, maar de net teruggekeerde Piet het absolute centrum van alle aandacht. Ik was alle aandacht gewend en niet alleen dat. Als ik iets niet wilde maakte ik dat duidelijk door te huilen of een lelijk gezicht te trekken. Mijn vader was een marineman en bij de marine kende men de insubordinatie met de ogen, een lelijke kop trekken dus en dat was strafbaar. Mij leverde het in elk geval de allereerste draaien om mijn oren op, wat mij en trouwens ook mijn moeder grote angst opleverde. Ik was nog nooit geslagen.

Ach, de arme Piet van Oosterum, mijn vader, was door alle bijna veertig patrouilles met een utility klasse duikbootje als een van de weinige overlevenden van de duikbootoorlog in de Middellandse zee lichamelijk en geestelijk ernstig beschadigd. Na de oorlog heeft het zelfs twintig jaar geduurd eer hij over de rampen en de angsten die hij had doorstaan kon spreken. Uiteraard, dat kon ook niet anders, had hij eigenlijk meer dan genoeg aan zichzelf. Over mij sprak hij als ‘dat apparaat’. Er was een eigenlijk onoverbrugbare afstand. Dat bleef zo tot de gedenkwaardige datum 23 april 1946, een dag voor de verjaardag van mijn moeder.

We hadden nog heel weinig en er was ook heel weinig verkrijgbaar. Als mijn moeder de was moest doen, dat werd bij oma het wasbord geleend. Ik moest dat dan halen. Zo ook op 23 april 1946. Ik was de Nieuwstraat waar we woonden uitgelopen, kleinstukje Jan in’t Veldstraat, heel klein stukje Stakmanbossestraat met op de hoek de slagerij van Petter en dan daar achter de steeg in van de Van Hoogendorpstraat tot ik bij de poort van oma was. Bij oma in de keuken kreeg ik het grote metalen wasbord. Het kon maar net onder mijn arm. En dan de zelfde weg in omgekeerde volgorde terug. Dan ging ik achterom want de poort van het achtertuintje was altijd open.

Dan kon mijn moeder beginnen aan de kookwas uit de wasketel die ze de avond tevoren samen met mijn vader op een laag pitje op het gasfornuis had gezet.

Die dag vroeg ik mijn moeder of ik nog even buiten mocht spelen. Het mocht als ik niet te ver weg ging want als ze me riep moest ik binnenkomen. Ik wilde naar mijn vriendje Wimmie Snoerwang, die aan de overkant woonde.

Aan het begin van onze Nieuwstraat was garage Noordermeer. Mijn oom Dik werkte daar als monteur. De hele straat stond aan onze kant doorgaans vol met geparkeerde auto’s.

Heel veel verkeer was er in die tijd nog niet, maar Willem Gersen, vishandelaar, had juist in de ijsfabriek van Van der Vaart in de Brouwerstraat een lading ijsbrokken in het laadbakje van zijn kleine vrachtwagentje gehaald en was op weg naar de visafslag. Natuurlijk had hij een zeil over het ijs gelegd want het was een mooie zonnige dag en ijs smelt dan en dan heb je er niets meer aan. Willem had haast. Vermoedelijk reed hij ook wel iets te hard en op tijd remmen toen dat kleine jongetje dat ik was de straat wilde oversteken dat ging niet meer. Het manneke kon zich nog juist van schrik omdraaien zodat Willems bumper zijn rechterbeentje vlak boven de knie zo’n klap gaf dat het brak. Ach wat deed dat kind dan ook op straat. Tussen al die auto’s had hij mij niet kunnen zien en ik dacht alleen maar aan mijn vriendje. Het klompje dat aan mijn rechtervoet had gezeten was tientallen meters verder terug gevonden. Het was blijkbaar met flinke snelheid neergekomen want er was een heel stuk uit de hiel geslagen.

Als ik bijkom uit mijn vrij lange bewusteloosheid zie ik dat de gordijnen in de voorkamer van ons huis, waar het bed van mijn ouders staat gesloten zijn. Ik lig op dat bed en mijn been doet pijn. Mijn knie is heel dik. De dokter is er, maar wat die heeft gezegd herinner ik me niet. Eerlijk gezegd herinner ik me het hele ongeluk niet, misschien maar goed, maar dat weet ik niet.

Wel weet ik nog dat mijn vader zei dat we naar het ziekenhuis gingen om een witte kous te halen. Dat zou echter dramatisch anders uitpakken. Drie maanden later verlaat ik het toenmalige Parkzicht ziekenhuis in Den Helder met een volkomen verminkte rechtervoet waaraan niets mankeerde toen ik het ziekenhuis in ging. Totale incompetentie van behandelende artsen was toen eigenlijk alleen maar jammer als je het slachtoffer was. Die voet die nu op mij tweeëntachtigste weer zweert heeft er in elk geval voor gezorgd dat ik alle positieve aandacht van mijn vader kreeg. O ja, hij was en bleef een driftige en vaak onbeheerste oorlogsvader, maar ik ben toch veel van hem gaan houden.

En die rechter voet. Ach weet je. Toen ik vijf was liep ik harder dat alle grote jongens in de straat. Ik moet een atletisch kereltje geweest zijn, net als mijn vader. Ongetwijfeld zou ik als zoon van een marineman na het behalen van mijn HBS-B diploma naar het Koninklijk Instituut voor de Marine zijn gegaan en marineofficier zijn geworden. Mijn verminkte voet heeft me genoopt andere wegen te kiezen en ik moet zeggen dat ik daar achteraf eigenlijk niet rouwig om ben.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.