Zekerheden?

Omdat steeds meer maatschappelijke problemen het gevolg lijken van verschillen in de opvattingen van religieuze mensen, wil ik het verschijnsel religie nog maar eens op mijn manier tegen het licht houden.

De hele wereld is voor een groot deel bevolkt met mensen die een van de grote godsdienstige richtingen aanhangen. Dat is, wanneer men er goed over nadenkt, eigenlijk heel vreemd. Omdat het echter zoveel mensen betreft moet het iets van doen hebben met de diepere aspecten van de menselijke natuur. Met andere woorden, uit het feit dat zoveel mensen een religie aanhangen moet de eerste conclusie zijn dat geloven kennelijk aan een behoefte of misschien wel aan een aantal behoeftes voldoet.

Zelf ben ik als kind vanaf mijn vierde – tot mijn twaalfde jaar godsdienstig geweest. Daarna wilde ik het niet meer, maar daarover later.

Als onaantastbare vastbeslotenheid zou ik sfeer willen omschrijven die ik opmerk als ik mij tussen religieuze mensen begeef. Daarbij kan ik me niet onttrekken aan de indruk dat een van de belangrijkste stimulerende effecten uitgaat van de gezamenlijkheid. Men komt bijeen in een gebedshuis met een groep mensen van wie men veronderstelt dat zij het zelfde gedachtegoed aanhangen. Er moet dan, zo veronderstel ik tenminste, een gevoel ontstaan dat verwoord kan worden als: zij zijn het met mij eens, ofwel, we denken er hier allemaal hetzelfde over. In werkelijkheid komt dat er bij religie op neer dat men aanneemt dat iedereen binnen de groep de zelfde onbewezen uitgangspunten aanhangt.

Resultaat? Ja natuurlijk is er resultaat. Het werkt, zoveel is duidelijk. Anders zou het verschijnsel godsdienst niet al tientallen eeuwen de menselijke samenleving sturen, maar ook vaak ontwrichten en helaas ook vernietigen.

De Christelijke godsdiensten, het katholicisme voorop, maar zeker ook de meeste protestantse richtingen alsmede de Islam houden nimmer op de aanhangers duidelijk te maken dat de individuele mens nietig is onder een almachtige God en van nature geneigd tot het kwaad. Van kinds af aan wordt deze opvatting aangeleerd op een manier waarbij het in twijfel trekken ervan ernstige schuldgevoelens oproept. Twijfelen en die twijfel uitspreken binnen een religieuze gemeenschap leidt steevast tot onaangenaamheden die de arme twijfelaar pijnlijk treffen.

Eigenlijk is het krijgen van een godsdienstige opvoeding het best te vergelijken met dressuur. Als resultaat behoort niet te worden getwijfeld aan de aangeleerde axioma’s op straffe van onaangename correctie.

Nu wil ik het even hebben over de inrichting van het religieuze ideeënrijk.

Christendom heeft – evenals het oudere jodendom en de jongere Islam – een man in de hoofdrol. Bij de Joden heet hij Jahweh, Bij de Christenen God en bij de Moslims Allah.

Van deze mannelijke almachtige wordt in elk van deze religies zonder een spoor van bewijs aangenomen dat hij alles geschapen heeft. Dat is zo immens veel dat niemand het zich meer kan voorstellen. Als je dan zonder vragen te stellen meegaat in die opvatting kom je vanzelf in de nietige en derhalve afhankelijke positie waarin elke grote religie je graag heeft. Als je namelijk het nooit bewezen idee aanhangt dat het universum, jij dus ook, geschapen is door de oneindig grote almachtige God, dan moet je wel tot de conclusie komen dat jijzelf een oneindig klein en nietig friemeltje bent en dat je die almachtige grote God moet eren en gehoorzamen.

Maar ja, hoe zit dat dan, wat wil die God dan, wat moet je dan doen en wat vooral niet?

Nou kijk, dat is een probleem dat voor jou als nietig friemeltje natuurlijk veel te ingewikkeld is. Daar zijn dan de dienaren binnen de organisaties van de grote wereldgodsdiensten voor. Zij zijn altijd bereid om je te vertellen hoe je moet leven en wat je daarvoor moet betalen. Want ja, God is natuurlijk oneindig groot en misschien ook wel goed, maar zijn grondpersoneel heeft toch graag een stevig gefundeerd economisch fundament. Per slot van rekening is dag in dag uit goed doen en vertellen hoe iedereen moet leven een heel werk.

Nou, qua organisatie heeft de katholieke kerk in onze westerse wereld het waarschijnlijk het slimst aangepakt. Natuurlijk heeft de kerk het goede met de mens voor, maar al doende is de kerk daar toch niet armer door geworden. Niemand buiten de kerk zelf weet eigenlijk hoe rijk de katholieke kerk is. Er wordt wel een voorzichtig geschat dat de economische waarde van dit vrome instituut, vermoedelijk in de duizenden miljarden euro’s loopt. Natuurlijk wordt er alleen geld uitgegeven als de doelen van de kerk daarmee gesteund worden. Per slot van rekening is het wel oer stom om je tegenstanders overeind te helpen.

Nou ja, er was vroeger natuurlijk dat flauwe praatje van als je op je linker wang werd geslagen… enzovoort, maar dat soort uitspraken zien we maar als voorbeelden van vroomheid waarmee je vroeger misschien wel kon wegkomen maar die in de moderne tijd echt veel te weinig opleveren.

Het zal mijn lezers, die het geduld hebben opgebracht het hele bovenstaande stuk te lezen, inmiddels wel duidelijk zijn dat ik weinig zie in religie en in kritiekloos geloven in het algemeen. In veel eerder stukjes die ik in dit weblog publiceerde kwam dat ook al naar voren. Ik wil dan ook eigenlijk afsluiten, zoals ik hierboven al schreef, met mijn eigen ervaringen als gelovig jongetje.

Het was in het laatste jaar van de tweede wereldoorlog toen ik met mijn moeder en een zuster van mijn moeder terug liep van ons evacuatieadres in het dorpje Schagerbrug naar Den Helder. Wij gingen te voet, want vervoer was er niet en ach, een afstand van ruim twintig kilometer moest toch ook voor mijn vierjarige beentjes, met aan weerszijden een volwassen hand om vast te houden, wel te doen zijn. Wij zouden tot zich een betere oplossing aanbood bij opa en oma in huis verblijven.

Opa had voor de oorlog een groot verhuisbedrijf gehad met wagens die nog door paarden getrokken werden. Dat bedrijf had hij zelf opgebouwd. Toen kwamen echter de auto’s en dus ook de vrachtauto’s het vervoer met paarden verdringen. Opa dorst niet, begreep het niet, raakte aan de drank. Heel het prachtige bedrijf heeft hij verzopen. Maar ja, er waren zes kinderen en er moest wel brood op de plank. Als rangeerder werkte hij bij de spoorwegen. Nog steeds dronk hij, maar op een dag werd zijn drinkmaatje wegens dronkenschap op het werk op staande voet ontslagen. Dat betekende in die tijd totale armoede, want geen enkel inkomen. Opa was zo geschrokken dat hij zich bekeerde en bij het Leger Des Heils aansloot. Voortaan was hij heilsoldaat en liep met de vlag voorop als het muziekkorps de straat opging.

Mij nam hij mee naar het zondagschooltje van het Leger.

Er was van alles wat ik mooi vond. Er werden mooie verhalen verteld en we zongen en we klapten en iedereen was blij en thuis werd er gebeden en gedankt bij de maaltijden. Later, de oorlog was al een paar jaar afgelopen, werd er voortdurend in het zondagschooltje een gevoelig beroep op ons kinderen gedaan om ons toch te bekeren en een jongsoldaat te worden. Bovendien kon je dan ook op een muziekinstrument leren spelen. Je kreeg les, je leerde muziek lezen. Nou, dat wilde ik allemaal wel. Dus op een zondag, na een dringende oproep van de kapitein achter de kansel ging ik naar voren en knielde aan de zondaarsbank. Heel apart hoor dat gevoel. Een soort kritiekloze overgave die ik in mijn verdere leven nooit meer heb gevoeld. Ik kreeg een bügel en muziekles. Het leek allemaal geweldig.

Mijn vader was een marineman. In de oorlog had hij zesendertig patrouilles van zes weken naar de Middellandse Zee gemaakt met een utility klasse onderzeebootje. Als streng katholiek opgevoede jongen was hij de dienst in gegaan, maar dat hij in die oorlog gedwongen was geweest een aantal Italiaanse geloofsgenoten van het leven te beroven door hun schepen te torpederen had zijn geloof in een rechtvaardige God definitief vernietigd.

Dus dat quasi vrome gedoe in dat legertje van amateur braverikken vond hij maar niks. En omdat ik erg tegen hem opkeek – ik ontmoette hem voor het eerst na de oorlog – zat ik al snel klem tussen Ons Lieveheertje en de echte werkelijkheid. Ik stopte met het Leger Des Heils, ik stopte met bidden.

Het kostte me drie jaar. Pas toen voelde ik me niet meer schuldig.Zo leerde ik, besefte ik veel later, dat menig paplepeltje gebruikt wordt om kleine kinderen onbewijsbare dingen te voeren die ze leren als waarheid aan te zien.

Nu, in mijn tachtigste levensjaar, besef ik steeds meer hoe godsdienst de menselijke geest zijn creativiteit ontneemt.

Weet je, je mag kinderen van alles leren, maar maak ze toch alsjeblieft niks wijs.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.