Woeker

Wat zou nu een goed criterium voor misdadige woeker zijn? Dat is een lastige vraag met een waarschijnlijk veel gecompliceerder antwoord dan ik hier kan bedenken. Ik ga het toch maar proberen.                                                                                                      De eerste gedachte die het woord woeker bij mij oproept is wildgroei. Wie in zijn tuin wel eens een zogenaamde bruidssluier heeft gehad weet wat ik daarmee bedoel. De plant, een heester is het eigenlijk, overgroeit alles waarvan je aanvankelijk dacht dat het er zo leuk om heen groeide. In dit geval zie je woeker in een ietwat dubbelzinnige betekenis. De bruidssluier geeft heel veel, groei en bloei, maar neemt ook te veel, ruimte. Woeker is in dit geval eigenlijk wildgroei. In het geval van de bruidssluier is dat onschuldig en hoogstens vervelend en bewerkelijk.

Als we echter te maken hebben met wildgroei, woeker dus, in ons lichaam, dan spreken we doorgaans van tumoren. Die kunnen in het gunstigste geval goedaardig – en daarmee niet uitzaaiend zijn of kwaadaardig en wel uitzaaiend. Net als bij de bruidssluier en trouwens ook bepaalde soorten klimop hebben we hier te maken met woekering die we niet willen, moeilijk te beheersen wildgroei.

In feite is het bovenstaande waarschijnlijk bij iedereen bekend. Natuurlijk is de woekering die we maar al te vaak tegenkomen bij zieke mensen en ook bij dieren en die we kennen onder de verzamelnaam ‘kanker’ voor velen een schrikbeeld. Misschien is het ook wel zo dat heel langzaam een aantal oorzaken aan het licht komen die erop kunnen wijzen dat onze manier van leven en ons milieu verantwoordelijk zijn voor sommige vormen van deze gevreesde ziekte.

Sommige filosofen maken een vergelijking die te maken heeft met de relatie tussen het individu en de samenleving waarvan het individu deel uitmaakt. In dat verband stellen ze dan dat een individu op een bepaalde manier ziek kan worden en dat een hele samenleving ook op soortgelijke wijze ziek kan worden. Je zou ook kunnen zeggen dat het totaal van de ziekten van het individu samen de ziekte van de samenleving vormt. Kort gezegd: de ziekten van de mensen zijn de ziekten van de samenleving. Wat ik eigenlijk wil zeggen is dat een samenleving waarin mensen kankers ontwikkelen, wildgroei, woekering, tumoren, die samenleving ontwikkelt als totaliteit ook die wildgroei, die woekering, die kanker. Ja, en als we het nu toch over ziekte hebben, dan hebben we het meteen over medische zorg en over het ontwikkelen van geneesmiddelen. Kijk, daar wilde ik het vandaag nu eens met je over hebben.

Onze eigen individuele ziekteprocessen zijn natuurlijk vaak afschuwelijk, maar het is toch niet de kwaadaardige woekering waarover ik hier wil schrijven. De kwaadaardige woekering, die onze middelen uitput, die ons in toenemende mate belet om een prettig en bevredigend leven te hebben, die voortdurend ten eigen bate gebruik maakt van de gevaarlijke meststof, “angst” en van zeer kleine maar toch prikkelende hoeveelheden van de doorgaans valse pijnstiller, “hoop”. Dit is het op alle mogelijke manieren op slinkse wijze geïmplementeerde programma van de wereldwijde farmaceutische industrie, die langzaam maar zeker als een kankergezwel de hele medische zorg opvreet. Razendsnel stijgen de kosten voor de gezondheidszorg. Niet omdat de salarissen van verplegenden en verzorgers zo sterk stijgen. Ook niet omdat de dokters ineens zulke krankzinnige honoraria vragen. Dat is het allemaal niet. De grote kostenstijgingen zitten in het onbeheersbaar hufterige woekergedrag van de Farmaceutische industrie. Een leger van juristen beschermt de patenten op nieuwe en al lang niet meer zo nieuwe middelen. En ze zijn duur, veel te duur. Er zijn gevallen bekend waarin meer dan honderd keer de kostprijs wordt gevraagd. En ministers van volksgezondheid moeten beleefd en eerbiedig bij die industrie gaan soebatten of het misschien ook ietsje minder kan.

Zoals overal hebben we ook in de zorg navolgers. Zij kijken met onverholen afgunst naar de krankzinnige winsten van de farmaceutische industrie en denken: ‘de kosten gaan toch al omhoog. Laten wij er nog een klein beetje bovenop doen. Dat merken ze niet. De sukkels die het moeten betalen zijn toch al gewend aan het feit dat het steeds duurder wordt in de zorg.’

En wat zie je dan? Er worden peperdure nieuwe ziekenhuizen gebouwd, hele grote. Daarin heb je natuurlijk een leger aan managers nodig om de wanstaltig grote organisaties aan elkaar te koekenbakkeren. Allemaal hebben ze weinig verstand van zorg. Allemaal steken ze ook eigenlijk geen hand naar patiënten uit. En allemaal gaan ze met een vorstelijk salaris naar huis.                                                                                En als het dan allemaal onbetaalbaar wordt?                                                                  ‘Tja, jeetje, wat vervelend nou,’ zeggen de managers dan, bedachtzaam over hun kin wrijvend. ‘Wij zitten hier nu wel lekker rustig te vergaderen, maar we moeten ook een kostenbesparende oplossing bedenken.’ En dan gebeurt het wonder in managers land. Er staat ineens een manager op en hij zegt: ‘Nou, dan sturen we toch gewoon een heleboel verplegend en verzorgend personeel naar huis. Kom op zeg, dan moeten ze maar een beetje efficiënter werken.’ De voorzitter knikt goedkeurend en zegt: ‘een heel goed idee. Eerlijk gezegd heb ik zelf ook even met die gedachte gespeeld.’                      Er klinkt instemmend gemompel en de manager die zojuist het goede idee lanceerde gaat verder met het app-gesprekje dat hij met zijn vriendin aan het voeren was, voordat hij, geïrriteerd om de storing maar wat riep.

Gechargeerd beeld? Och, een beetje misschien.

Goed, ik heb op dit weblog al vaker grommerige teksten over dit onderwerp geschreven. Ik moet maar eens zeggen wat ik vind dat er moet gebeuren ten aanzien van de verschillende kostenposten. Niet dat ik de verbeelding heb dat de uitvoerende – en dus belanghebbende – krachten zich iets van mij zullen aantrekken. Maar altijd denk ik: misschien ontketen ik een volksbeweging die alle idioot uit zijn krachten gewoekerde rotzooi in de zorg met de staart tussen de benen naar huis stuurt. En als dat, wat te verwachten is, niet gebeurt, dan houd ik nog altijd voor mezelf vol dat ik het moet blijven proberen, want dat niet schieten sowieso mis is.

Goed, dan nu mijn aandachtspuntjes:

  1. De farmaceutische industrie. Ze vragen schandelijke prijzen voor hun overigens lang niet altijd volmaakte producten. Oplossing: zoveel mogelijk goedkoop namaken en onderwijl een blijvend wereldwijde oproep doen de schandelijkheid van hun motieven te erkennen en hen aan de schandpaal te zetten. Processen in verband met patenten traineren en steeds alle juridische flauwekul naar buiten brengen, zodat iedereen de ware aard van Big Farma kan zien.
  2. Het bouwen van nieuwe – en steeds grotere ziekenhuizen stoppen. In het onderwijs is al jaren bekend dat steeds grotere scholen geen beter onderwijs opleveren, in tegendeel. Voor ziekenhuizen geld hetzelfde. Kleiner is overzichtelijker. Geen managers nodig en daardoor een betere werksfeer. Ook een grote bron voor kostenbesparing is te vinden in het feit dat bij de bouw altijd de corruptie meespeelt. Dat is een van de ergste vormen van kapitaalvernietiging.
  3. Zorgverzekeraars mogen geen invloed kunnen uitoefenen op het voorschrijfgedrag van artsen. Ook moeten het allemaal organisaties zonder winstoogmerk worden. Het feit dat zorgverzekeraars nu voor een groot deel de inkoop van medicijnen en de levering aan de apotheken bepalen werkt corruptie, maar vooral ook onzorgvuldigheid in productie in de hand. Hier mag zeker het belang van de aandeelhouder niet spreken.

Nou, dit was het dan weer voor vandaag. Ik zou willen zeggen: als je invloed kunt uitoefenen om verbetering en vermenselijking in de zorg te bevorderen en als je kunt helpen die krankzinnige geneesmiddelprijzen aan de kaak te stellen, zodat de hele wereld kan zien dat het eigenlijk boeven zijn die de markten beheersen. Houd je dan vooral niet in.

Gentest vóór zwangerschap

Ik weet niet of jij regelmatig de krant leest. Ik wel in ieder geval. De behoefte om op de hoogte te blijven van wat er in de wereld om mij heen gebeurt voel ik elke dag. Dat leidt er onder meer toe dat ik twee kranten lees. Wij ruilen namelijk met buren in ons straatje. Ik breng daar de Telegraaf in de bus, zodra ik alles wat ik weten wil heb gelezen en mijn buurman stopt met de zelfde motivatie de Gooi en Eemlander bij mij in de bus.

Vanmorgen stond er op de voorpagina van de Telegraaf weer een vette kop: Gentest vóór zwangerschap. Dat trok onmiddellijk mijn aandacht. Mensen die mij kennen weten dat mijn oudste dochter, Katinka, in 2000 overleden is na zesendertig jaar voortdurende strijd tegen de taaislijmziekte en met mijn jongste dochter, Annemieke, die weliswaar al vijfenveertig is, gaat het ook niet fantastisch.

In de krant lees ik dat er nu zes huisartsen een aanvullende opleiding hebben gevolgd om genetisch onderzoek te doen, waarbij negentig genen kunnen worden onderzocht die betrokken kunnen zijn bij zeventig ernstige erfelijke aandoeningen. Ongetwijfeld zullen vele huisartsen volgen, want het bezoek aan de huisarts is natuurlijk veel laagdrempeliger dan het consulteren van de specialist op het gebied van genetica die doorgaans achter de statige façade van het academisch ziekenhuis zijn werk doet. Ook zal het ongetwijfeld veel goedkoper zijn.                                                                            Let wel, het is de bedoeling dat stellen met een kinderwens zich laten testen alvorens ze tot een hoopvolle zwangerschap besluiten.

Een wirwar van gedachten overvalt mij nu. Nog maar kort geleden kwam er vanuit de christelijke hoek zwaar protest. Wanneer uit het onderzoek van de vrucht in de baarmoeder bleek dat het een CF (taaislijmziekte) kindje zou worden, moest toen het recht op abortus zwaar bevochten worden. Voor bepaalde groepen in de christelijke samenleving ligt een dergelijke ingreep namelijk heel gevoelig. Deze gelovigen gaan er namelijk van uit dat, wanneer er uit de liefdevolle verbintenis tussen twee echtelieden een zwaar gehandicapt kindje geboren wordt, dan is dat niet een teken van ongewenste speling van de natuur, een afwijking van hoe het hoort te zijn, nee, zij zien dat anders. Zij zeggen dan: ‘Het is Gods wil dat jullie een gehandicapt kindje krijgen. God wil je op de proef stellen. Dat ongewild mismaakte of ongezonde kindje in de baarmoeder moet geboren worden en niet opgeruimd om plaats te maken voor nieuw en beter toegerust leven.

Ik heb nooit goed begrepen hoe die lieden altijd zo precies weten waarmee God jou om zijn moverende redenen opscheept. Er zijn geen feiten bekend over rechtstreekse contacten met die theoretisch Allerhoogste. Daarom houd ik het er maar op dat ze elkaar braaf napraten in een ietwat dwingende vorm van sociale controle.

Maar nu, kijk nu dan toch wat er gebeurt. Nu kan je voor dat je samen besluit een kindje te maken naar de dokter gaan om daar te laten uitzoeken wat God eigenlijk stiekem voor je in petto had als grote – maar vooral onaangename verrassing in je prille huwelijksgeluk.                                                                                                                    Ik heb ze uit die eerdergenoemde hoek nog niet horen schreeuwen dat het absoluut verboden moet worden om in Gods programmaboekje te kijken om te zien welke misplaatste practical jokes hij je had toebedacht, maar waarschijnlijk zal er wel weer enig gepruttel volgen.

Een ander probleem zie ik echter ook aankomen. Gaandeweg zullen er minder kinderen geboren worden die veel ouderlijke – maar ook medische zorg behoeven. Op het eerste gezicht zou je dan denken dat we hier te maken hebben met een enorme verlichting in de zorgkosten. Nee, spring nou niet meteen juichend uit je stoel. De zorgpremies gaan echt nooit meer omlaag en ik snap eigenlijk ook al waarom. Wij, ja wij allemaal zijn nog geboren met allerlei onverwachte, ongewenste, hinderlijke en vaak ook gaandeweg invaliderende onvolmaaktheden. Die ouders van ons zijn nooit genetisch onderzocht. Anders liepen er van ons waarschijnlijk een heel stel minder op deze aardbodem rond. Wij vormen voorlopig de grootste zorgkostenpost.

Ik zie het al helemaal voor me, de toekomst. Heel langzaam sterven wij, de genetisch onvolmaakten uit. De nog voortplantende jongere onvolmaakten worden in de toekomst scherp in de gaten gehouden. Onvolmaakt nageslacht wordt niet geduld. Het zal rustig worden op onze wereld. Wel hoop ik dat ook snel het gen zal worden ontdekt en uitgeroeid waaruit warhoofdigheid, machtswellust en eigenbelang voortkomen.

Beetje jammer voor de zorgmaatschappij is het allemaal wel, want zorg hebben we dan niet meer van anderen nodig. Kunnen we allemaal zelf.

Leuk vooruitzicht toch? Of is “ik heb helemaal niemand nodig” nu juist de meest ultieme vorm van egoïsme?

 

 

Autosleutel

Autosleutel.

Enige jaren geleden kocht mijn vrouw een andere auto, een Hyundai I20 bij de dealer in Hilversum. Er waren twee sleutels bij. Je kent ze wel, die moderne sleutels. Als je op een knop drukt klapt de baard naar buiten… wat? Nee, hij hoeft niet geschoren hoor. De baard is het wonderlijk gevormde metalen stripje dat je in het contactslot steekt. Die baard klapt dus naar buiten. Maar ja, dan moet de auto nog open. Daartoe zitten op de platte zijkant van de sleutel drie knopjes. Een om de deuren te openen, een om ze weer te sluiten en ook nog een om het hatchback deurtje aan de achterzijde apart te openen. Klein beetje onzinnig, maar vooruit maar.

Twee sleutels kregen we erbij, de officiële – en de reservesleutel. Die laatste ging natuurlijk aan mijn sleutelbos, want het is best handig als ik er ook een heb. Als we ver weg gaan rijd ik meestal. Ook gebruik ik haar auto vaak als het regent, want haar auto staat altijd voor de deur en de mijne een eind verderop.

Nu kan het zijn doordat het in mijn sleutelhoesje nogal druk is, want ik houd volgens mij een deel van mijn gezag in stand door heel veel sleutels bij me te hebben. Hoe dan ook, bij die reserve sleutel van de Hyundai die aan mijn sleutelbos zit raakte het rubberen kapje over de drukknopjes kapot. Ik kon de auto nog wel openen en sluiten, maar dan moest ik een stokje of een balpen gebruiken om op het onder de oppervlakte liggende knopje in het geheime binnenwerk van de sleutel te drukken.                    Lastig, vond ik. Mijn vrouw vond dat ook. Ze zei toen trouwens ook: ‘snap je nou waarom ik niet al die sleutel in zo’n sleutelhoesje bij elkaar wil hebben? Er gaat altijd iets stuk. Dat zie je nou maar.’                                                                                            En ik zei: ‘nou ja, zo erg is het nou ook weer niet. Ik ga wel even naar die Hyundai garage in Hilversum, waar we die auto hebben gekocht, en ik vraag om een nieuwe sleutel.

De man van de garage vertelde me met een ernstig gezicht dat een nieuwe sleutel driehonderd en nog wat euro kostte. Dat leek mij wat veel en na overleg met mijn vrouw besloten we het dan voortaan maar met één sleutel te doen. Beetje lastig, dat wel. In het begin heb ik een keer of tien met mijn eigen sleutels bij haar auto gestaan om tot de conclusie te komen dat ik weer naar binnen moest om haar sleutelbosje te halen.

Toch bleef het gevoel dat het allemaal onhandig was een beetje knagen. Maar ja, meer dan driehonderd euro voor een nieuwe sleutel is me toch te bar. Ik besloot maar eens op het internet te kijken of het misschien ergens anders een pietsie goedkoper kon.  Tja, dat had ik een poosje eerder moeten doen. Wat denk je? Verschillende bedrijven bieden een nieuwe sleutel voor onze Hyundai I20 aan voor… dit geloof je toch niet? Twintig euro.                                                                                                                        Ik belde een van die bedrijven om te vragen hoe dat zat. ‘Nou,’ zei die man van dat bedrijf, ‘we zetten de baard en het printplaatje in een nieuwe behuizing en klaar is Kees.’                                                                                                                                ‘Zo,’ dacht ik, ‘dat scheelt wel erg veel.’ Maar weet je wat? Ik ga die Hilversumse garage die Hyundai verkoopt nog een tweede kans geven. Misschien hebben ze intussen ook gemerkt dat het wel een beetje goedkoper kan.                                            Heel precies weet ik het belachelijke bedrag niet wat ik van de Hyundai man te horen kreeg. Het was iets van driehonderdzestig euro. Ik vroeg natuurlijk uit de stellige overtuiging dat ik belazerd werd waarom dat zo duur was. ‘Ja,’ zei hij, ‘het is niet alleen maar een nieuwe sleutel. Hij moet ook worden ingelezen op de auto, want anders heeft u leuk een nieuwe sleutel, maar gaat de auto er niet mee open.’                                     Ik heb maar gezegd dat ik dan maar geen nieuwe sleutel wilde. Ik denk trouwens dat hij met dit flauwekul verhaaltje niet vreselijk vaak meer wegkomt.                                    Misschien weet hij het niet van die baard en dat printplaatje.