De werkelijkheid?

Laat ik maar beginnen met te zeggen dat mijn werkelijkheid de enige is die ik ken. Dat vind ik eigenlijk direct al een leuke binnenkomer. Iedereen die dit leest kan nu al meteen van het begin af denken dat ik niet de verbeelding heb dat ik over de werkelijkheid van iedereen schrijf. Stiekem denk ik dat natuurlijk wel, maar ik leg er niet de nadruk op. Het gaat anders zo belerend klinken en dat wil ik niet. Dat zal de lezer wel merken bij het verder lezen.                                                                                                                      Overigens denk ik natuurlijk wel dat het zinnetje: “Mijn werkelijkheid is de enige werkelijkheid die ik ken,” door iedereen kan worden  uitgesproken in de volle overtuiging dat het waar is. Dat laatste is eigenlijk de enige reden dat ik zo overmoedig ben om te denken dat ik wel weet hoe het met de werkelijkheid zit.                                Die eerste zin brengt namelijk de fundamentele eenzaamheid van de unieke persoonlijke werkelijkheid tot uiting. Ja, zeg het maar eens hardop: ‘mijn werkelijkheid is de enige werkelijkheid die ik ken.’ Zo op het eerste gezicht klinkt dat triestig, troosteloos misschien zelfs, maar het tegendeel is waar.                                                                      Wel moet ik er onmiddellijk bij zeggen dat het mij lange tijd heeft gekost om tot dit inzicht te komen. En ook is het me tot nu toe niet gelukt om in mijn nabijheid weerklank te vinden voor mijn gedachten over de werkelijkheid. Waarschijnlijk heb ik ook niet de behoefte om zo krachtig overtuigend te zijn dat ik volgelingen zou krijgen die mijn ideeën uitdragen en overal als de heilige waarheid verkondigen. Daar ben ik trouwens niet rouwig om. Volgelingen vormen namelijk een massa die moet worden meegesleept en volgens mij werkt dat meeslepen enorm vertragend op de voortgang. Mijn vader, die een marineman was, leerde mij een mooie uitdrukking die zegt: Een konvooi vaart zo snel als het langzaamste schip. Dat moet je er dus voor over hebben om volgelingen te hebben. Vraag het maar aan alle religies. Traagheid, onveranderlijkheid, alle hakken in het zand. Tja, anders word je voor inconsequent gehouden, onberekenbaar, onbetrouwbaar. Misschien klinkt het raar, maar om bijvoorbeeld een religie in stand te houden moet je in feite bereid zijn om niet te veel na te denken. Als je namelijk echt veel nadenkt, dan verander je vaak van inzicht. Tja, als je dat doet, dan gaan je volgelingen al gauw zeggen: ‘Ja zeg, hoe zit het nou? Vandaag zeg je dit en morgen dat. Je moet wel zeker weten wat de waarheid is, anders kunnen we niet volgen.    Want weet je, dat is wat ik gemerkt heb dat de meeste mensen graag willen: zeker weten wat ze moeten geloven.                                                                                          Zelf uitzoeken en tenslotte vinden wat je als waarheid kunt beschouwen? Veel te moeilijk! Trouwens, we hebben al genoeg te doen om het dagelijks leven een beetje leefbaar te houden. Op zoek naar de waarheid achter het leven? Ach, daar hebben mensen voor die ervoor hebben doorgeleerd, toch?

Ontmoedigend? Nee hoor, voor mij niet, ik kan jaren met iets dat mij boeit bezig zijn zonder dat ik daarvoor de aanmoediging van erkenning of instemming krijg. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat ik het niet leuk zou vinden instemming te krijgen. Daarvoor moet ik echter blijkbaar iets doen dat ik tot dusver heb nagelaten, over het hoofd gezien, niet nodig vond… Of nee, het zit anders. Ik had de ideeën in mijn hoofd nog niet zodanig op een rijtje dat ik het ook kan opschrijven, uitleggen eigenlijk.

Maar volgelingen, nee, die wil ik niet hoor. Ik bedoel, je mag me best vertellen dat je het met me eens bent of grotendeels met me eens bent maar… Geen volgelingen in elk geval. Elke keer zou ik me moeten omkeren om steeds weer uit te leggen wat ik al eerder had uitgelegd. Vervelend hoor, zonde van de tijd. Nee, ik heb een beter idee: ik schrijf het hier één keer op.                                                                                                Lees het, pas het aan naar je eigen idee. Roep me vooral niet ter verantwoording als je het niet met me eens bent. Dat is al zo vaak geprobeerd. Dat helpt niet. Ik blijf toch mijn eigen gedachtelijn volgen.

Hoe dan ook, eerst ga ik een op het eerste gezicht absurde stelling neerschrijven, om vervolgens moeite te doen de houdbaarheid ervan te bevestigen of met spijt moeten vaststellen dat het onzin is.

1e stelling: Ik ben mijn totale eigen werkelijkheid, mijn eigen universum. Alles wat ik op welke wijze dan ook waarneem veroorzaak ik zelf, ben ik zelf. Die totale werkelijkheid heet ‘mijn bewustzijn, bevindt zich in mijn bewustzijn, is daarvan een overheersend deel.’

1e tegenargument: hoe kan ik nu staande houden dat ik mijn hele werkelijkheid ben als ik toch duidelijk waarneem dat mijn werkelijkheid, de plaatsen waar ik me bevindt, hoe ik mij voel, met wie ik in contact kom, ben, blijf, steeds weer min of meer toevallig lijkt te ontstaan zonder dat ik daarop enige invloed lijk te hebben?                                              Het kan toch niet mogelijk zijn van seconde tot seconde mijn hele werkelijkheid te maken? Ja, kom op zeg, mijn hele lichaam zeker ook!

1e reactie: mijn lichaam is de eerste en meest nabije werkelijkheid die ik ervaar, waarbinnen ik de voortdurende indruk heb te bestaan. Daarin huist bijvoorbeeld mijn waakbewustzijn waarmee ik kan waarnemen wat er om mij heen lijkt te gebeuren en wat er aan verschijnselen tot mijn waakbewustzijn doordringt aangaande de processen binnen mijn lichaam.

Als ik nu mij even beperk tot die lichamelijke processen en reacties, dan kan ik al spreken van bijna honderd procent van de bewustzijnsinhoud. Nee, ik bedoel niet dat heel kleine beetje waakbewustzijn; dat ik denk, zie, hoor, voel, proef, ruik, weet. Nee, ik doel op die mogelijk miljarden levensprocessen die ik automatisch uitvoer en waarmee ik mijzelf in een min of meer stationaire toestand houd, die ik mijn leven noem, een gigantisch complex van processen dat zich in een voortdurend ondeelbaar nu afspeelt. Dat lichaam van mij is nog geen miljoenste seconde volkomen gelijk aan de miljoenste seconde daarvoor: fysiologie weet je wel, stofwisseling, gaswisseling, spijsvertering, hormonale processen, neurologische processen, alles voor meer dan negenennegentig procent automatisch, maar ik doe het blijkbaar wel want anders gebeurt het niet.

Het stukje waakbewustzijn is ten opzichte van het gigantische deel van mijn totale automatische bewustzijn dat buiten mijn bemoeienis al die processen uitvoert slecht een snippertje, één enkel draadje van enkele centimeters tussen alle textiel op Aarde.  Ja, zo ligt die verhouding denk ik wel.                                                                                Het lijkt allemaal vanzelf te gebeuren maar… mijn lichaam doet dat allemaal… ergo: ik doe dat allemaal, want ik ben natuurlijk ook mijn lichaam.  Mijn tamelijk stuntelig waakbewustzijn heeft er gelukkig slechts zijdelings minimale invloed op, namelijk slechts uit de praktische overweging dat er ook vrij nauwkeurig fysiologisch op stemmingen en aanvoer van spijs en drank moet worden gereageerd.

2e stelling: Ik kan niet buiten mijn bewustzijn treden. Dat lichaam dat ik ook ben met alle processen die mijn onbewuste bewustzijn uitvoert, samen met mijn waakbewustzijn met alle gewaarwordingen die ik al dan niet bewust registreer vormt de buitengrens van mijn werkelijkheid. Weliswaar heb ik van kinds af aan geleerd dat er een binnenwereld (ikzelf) en een buitenwereld (de zogenaamde objectieve werkelijkheid) is, maar dat zijn in feite alleen maar opgedrongen afspraken die vanzelfsprekend leken en die ik daarom maar jarenlang voor waar heb gehouden.

Wij, in onze prachtige luxe westerse samenleving hebben waarschijnlijk allemaal geleerd dat er buiten ons de wereld is. Daaraan zijn we gewend. Ook zijn we eraan gewend dat we er van overtuigd zijn dat er aan die buitenwereld door ons niets kan worden veranderd, anders dan door werken, samenwerken, kortom inspanning.            Toch ben ik van mening dat dit soort overtuiging een beetje naïef is: Ik kan het niet, dus kan het niet. Daar komt de gedachtegang op neer.                                                            Waarschijnlijk is het reëler om te denken: ‘ik kan het nog niet, dus weet ik niet of het kan.’

Eeuwenlang hebben we ervaring met verwachtingsvol naar buiten kijken, althans, dat denken we. We zien de wereld buiten ons, de andere mensen, de andere landen, de sterren, de planeten, het universum vol van in onze ogen onbegrijpelijke gebeurtenissen. De manier waarop we hiernaar kijken geeft ons het gevoel dat we heel klein, heel nietig en misschien eigenlijk ook heel onbelangrijk zijn. Nu, dit laatste is de meest dodelijke overtuiging voor onze verdere ontwikkeling. Denk even na als je zo vriendelijk wilt zijn: jij vindt dus dat je klein en nietig bent, dat het er helemaal niet toe doet wat je probeert te betekenen, dat de wereld wel doorgaat zonder jou. Nee, sterker nog, je weet het zeker.                                                                                                      Weet je wat ik me dan afvraag? Ik vraag me dan af of iemand die zelf vindt dat ie onbetekenend, nietig, onbelangrijk in de totale kosmos is, of zo iemand dan nog wel een reden heeft om te proberen het beste van zijn leven te maken.                                  Ik denk van niet.

Laatst had ik een heel wonderlijke droom. Ik zat of stond en rondom mij heen, echt aan alle kanten gebeurde er van alles. Het was alsof ik midden in een bol naar een film keek die op de hele binnenkant van de bol werd geprojecteerd, want ineens zag ik dat ik inderdaad naar de binnenkant van een bol zat te kijken en dat de binnenkant een soort projectiescherm geplakt was. Ergens, waar ik net bij kon zat een hoekje los, als of het niet goed was vastgeplakt. Ik begon eraan te trekken, want ik wilde weten wat erachter zat. Ik trok net zolang tot ik dat hele projectiescherm rondom me heen had weggetrokken. En weet je wat ik toen zag? Die bol waarin ik in het midden zat en waar dat projectiescherm tegenaan geplakt had gezeten, dat was een spiegel. Van alle kanten keek ik naar mezelf.                                                                                              Toen dacht ik: vlug rechtop gaan zitten en dat schrijfblok en die pen naast mijn bed pakken en opschrijven wat ik net droomde, want ik droomde mijn persoonlijke waarheid die ik je nu al een hele tijd aan het vertellen ben.

Die bol waarin ik zit is mijn bewustzijn. Die projecties dat zijn mijn waarnemingen. Alles moet ik zelf veroorzaken. Ik ben waarnemer en projector, let maar op, alle manieren van waarnemen zijn werkwoorden, dingen die je doet. Je hoort, je ziet, je voelt, je proeft, je ruikt, je weet. Allemaal activiteiten die alleen werkelijkheid voor je opleveren als je ze doet. Nee, je doet die dingen niet bewust, dat weet ik wel, maar dat geldt evenzeer voor die miljoenen fysiologische handelingen die je binnen je lichaam verricht om je lichaam te onderhouden en te laten functioneren en, natuurlijk, om die paar waakbewuste belevingen mogelijk te maken.

Lang geleden toen ik oud genoeg was om niet meer alleen aan plezier te denken struikelde ik over een dilemma: Als er iets mis gaat met je hoofd kun je misschien wel bewusteloos raken, maar buiten je bewustzijn kun je niet bewust zijn. Daarom kun je eigenlijk niet bewijzen dat er buiten je bewustzijn iets is, want je moet altijd die werkwoorden in jezelf opstarten om beeld, geluid, gevoel, geur, smaak, kennis gewaar te worden. Doe je dat niet, dan is er niets.

‘Ja maar,’ roep je nu, ‘als ik lig te slapen dan gaat de werkelijkheid buiten mij toch gewoon verder? Als ik wakker wordt is er toch intussen van alles veranderd. De tijd is doorgelopen het is ochtend geworden. De wereld met de hele werkelijkheid gaat toch gewoon door terwijl ik slaap, dat merk ik toch gewoon elke morgen als ik wakker wordt?Het is zo verleidelijk om uit te gaan van een binnenwereld die we “ik” noemen en een buitenwereld die we “de objectieve werkelijkheid” noemen.                                                Als ik dat echter doe, dan gebeurt er van alles waarvan ik kan zeggen dat ik er niets mee te maken heb. Zo gebeuren er in dat geval ook voortdurend dingen die ik vaak vervelend vind en waarvan ik de schuld bij een ander leg. Als iets voor mij heel goed gaat kan ik dan volhouden dat ik het fantastisch heb gedaan en mezelf op de schouders kloppen. Als het fout gaat is dat natuurlijk nooit helemaal mijn schuld.                              Ook zijn er, als ik op die manier naar de werkelijkheid kijk, om mij heen altijd tamelijk veel mensen die ik vervelend vind of waaraan ik zelfs een hekel heb en die ik het liefst iets vervelends zou zien overkomen. Ach, eigenlijk de gebruikelijke manier van denken van bijna iedereen. Bedenk ook maar eens dat succes vele vaders heeft en mislukking slechts één: een ander, ik niet hoor!

Deze strak volgehouden visie op de werkelijkheid is feitelijk de fundamenteel egoïstische visie, waardoor we steeds weer zowel inde macro-wereld als in onze eigen kleine microwereld moeten leven met spanning en onbehagen met maar af en toe iets prettigs.

Ga ik nu beweren dat er geen werkelijkheid buiten ons is?                                                Nee, ik denk er niet over. Ik beweer iets heel anders. Ik beweer dat ik niet – en niemand overigens – kan bewijzen dat er zoiets als een objectieve werkelijkheid buiten ons is.      Waar het om gaat is waarmee we werken, die verschijnselen in ons waakbewustzijn die voortkomen uit het in gang zetten van die waarnemingswerkwoorden, waardoor wij beeld, geluid, gevoel, geur, smaak en kennis krijgen.

Laten we nu, tegemoet komend aan onze levenslange gewoonte, aannemen dat er verschijnselen buiten ons zijn die wij met die werkwoorden in ons eigen bewustzijn tot een persoonlijke werkelijkheid maken. Dan zul je het met mij eens moeten zijn dat die hele bewustzijnsinhoud van mij – en van jou – een eigen maaksel is. De waarneming die ik van een ander heb is niet meer of minder dan wat ik in mijn bewustzijn van die ander heb gemaakt. Dat geldt trouwens voor alle anderen en al het andere. Alle anderen en al het andere zijn creaties die ik in mijn bewustzijn heb gemaakt. Het zijn volledig integrale delen van mij.

Dan ben ik nu, na dit hele verhaal, aangekomen bij een belangrijke vraag die ik aan je stellen wil. Eerlijkheidshalve moet ik erbij zeggen dat ik bij het stellen van deze vraag ervan uit ga dat je geen continue neiging tot zelfdestructie hebt.                                        Goed, dat gezegd zijnde, dan nu de vraag: Als je nu begrepen hebt dat alle anderen en al het andere alleen maar alle anderen en al het andere in jou zijn, je eigen creatie, deel van jou zelf, ga je dan die ander in jou schade toe brengen, pijn doen, slecht behandelen, verwaarlozen? Of begrijp je nu eindelijk dat je dan bezig bent een wezenlijk deel van jezelf te beschadigen?                                                                          Want dat zou natuurlijk wel ongeveer het aller stomste zijn wat je kunt doen, toch?

Wat wilde je nu nog weten?                                                                                                Of je dan altijd zoetsappig lief voor alles en iedereen moet zijn?                                        Nee hoor, dat zou pas echt tot domme verwaarlozing voeren.                                          Zie je leven maar als een tuin, waarin je liefdevol het onkruid moet wieden.                    Oh ja, kleine waarschuwing: het onkruid komt steeds weer terug, gelukkig.                      Niet definitief doden hoor. Wat voor jou onkruid is, is voor een ander zijn dagelijks brood.