Spagaat

Vanmorgen las ik weer het stukje van Bert Dijkstra.                                                               Ik moet erkennen dat de man doorgaans zo kort door de bocht redeneert dat elke nooit nadenkende populistische flapdrol hem dagelijks bulderend lachend gelijk moet geven.       En dat is jammer en schadelijk.                                                                                               Altijd is het weer de betuttelende… nou ja, wie dan ook: de overheid, iemand die erg zijn best doet om iets in de maatschappij te veranderen. Het maakt eigenlijk niet uit. Je hoeft maar een slechte gewoonte van een bevolkingsgroep in woord en daad aan te pakken, of daartoe een goed bedoelde poging te doen, of Bert haalt je figuurlijk over zijn fileer setje.

Heel lang is het al bekend dat alcohol en het zich ontwikkelende menselijk brein niet samengaan. Dat kun je jammer vinden, omdat je alcoholische dranken zo lekker vind. Nou ja lekker…, het gaat natuurlijk om het effect, het ontremmende effect. De lichte dronkenschap die een schijn – vrijheidsgevoel creëert geeft natuurlijk het beoogde effect. Lekker heeft natuurlijk met smaak van doen en een smaakvolle dronkenschap ben ik nog niet tegengekomen.

Nu leven we in een klein land met relatief veel inwoners. Onze welstand hangt eigenlijk uitsluitend af van onze vindingrijkheid, want met vlijt alleen kom je er echt niet.                 Ja, daar heb je het nou. Die vindingrijkheid wordt ernstig aangetast, wanneer je allerlei stomme – en contraproductieve dingen doet in de tijd dat je hersenen zich tot een volwassen brein ontwikkelen. Alcohol is daarbij vijand nummer één.

Kijk nou eens, Bert, gemakkelijk is het natuurlijk niet om klotskoppen van een slechte gewoonte af te helpen. Wat zeg je? Dat we ze niet kunnen dwingen.                                     Daar heb je wel een punt, maar dat kan onmogelijk een reden zijn om niet te proberen hun gedrag te veranderen.

Dat mannen als jij, Bert, elke poging om deze bedreiging voor onze toekomst aan te pakken, belachelijk maken, brengt ons in een spagaat.                                                           Wat kies ik: nu lekker stom zuipen en brallen of een betere kans voor dit kleine eeuwig kissebissende volkje om te overleven, op den duur…

Tja, moeilijke keus hoor.

 

Advertenties

Vet?

Alweer Bert?
Het stukje hieronder ging ook al over hem. Trouwens, nu ik goed kijk lijkt het ook wel een beetje een alinea uit het zelfde hoofdstuk.
Bert Dijkstra heeft kennelijk tegenwoordig in de krant oprispingen over eten. Ja, waarover kun je in deze tijd van het jaar anders oprispen, nietwaar?
Deze keer heeft Paul Rosenmöller het maar weer eens bij het verkeerde eind, nou ja, volgens Bert dan.
Paul probeert de laatste tijd namelijk op landelijk niveau zijn bewogenheid met de samenleving te manifesteren door acties te initiëren tegen jeugd obesitas.
Lijkt mij wel een goed idee, want uit de Amerikaanse ervaringen met veel te dikke kinderen weten we inmiddels wel dat ze op ramkoers liggen met een toekomstig gezond leven – en trouwens ook met nog enigszins beheersbare kosten voor de volksgezondheid. En dat Billie Turf syndroom neemt hier ook hand over hand toe.
Bert fulmineert in zijn oprisping over de kosten die de ijverende Paul maakt ten laste van de staatskas.
Oké Bert, je hebt het vast allemaal nagerekend voor je de brompot weer opentrok. Misschien heb je dan ook wel uitgerekend wat al die volgevreten jeugdige wrakken onze staatskas allemaal gaan kosten als ze boven de pakweg dertig komen en zich van de ene diabetes gerelateerde kwaal in de andere kauwen.
Kijk Bert, Paul Rosenmöller schiet misschien wel eens mis, misschien zelfs wel vaker dan leuk is. Maar je weet natuurlijk wel dat niet schieten altijd mis is.
Ja, natuurlijk weet je dat, want jij schiet doorgaans met spek.

De kruimeltjes die nu plotseling ook brood blijken te zijn.


Bijna dertig jaar geleden begonnen wij met ons huurbemiddelingskantoor  in het Gooi
CASARENT was hier toen het enige bureau. Pogingen om makelaars te  benaderen en te interesseren voor wat we deden strandden steevast. Met niet beëdigde amateurs wenste men geen zaken te doen. Vanaf het begin lieten wij de huurder, die ons opdracht gaf om woonruimte aan te huren, betalen voor onze diensten. Dat we daardoor een flink aantal vaste verhuurders als toeleveranciers hadden was mooi meegenomen.
Verhuurders blij, want wij kregen woningzoekenden binnen die geïnteresseerd waren in hun onroerend goed, veelal beleggingen. Ons hoefden ze niet te betalen en wij ook blij omdat we objecten te verhuren hadden. Kortom, een eerlijk verhaal, waarvan we tot op de dag van vandaag nooit zijn afgeweken.
Het ware mooie tijden met vaste posities. Ieder bleef in zijn eigen wijk. De makelaars in de verkoop, wij in de verhuur.
Goede tijden waren het trouwens. De makelaars verkochten het een na het andere object. Vaak werd er overboden; de objecten waren niet aan te slepen. De bomen groeiden tot in de hemel. Langzaam maar zeker kwam er zelfs schuchtere toenadering tussen de makelaars en ons, het uiteraard veel mindere verhuurvolkje. Hier en daar werd er ook wel samengewerkt, want ja, makelaars kregen soms ook wel met verhuur van doen. Maar ach, dat kostte veel tijd en het leverde weinig op.

Op een slechte dag gebeurde het echter dat de immer gulzige Amerikaanse hypotheek verkopers zoveel hadden verkocht dat bijna niemand meer kon betalen wat hij ten onrechte te leen had gekregen.
Het gevolg was dat het hele huizen kaartenhuis, gebaseerd op voornamelijk hoop en misplaatste verwachtingen, ineen stortte.
Tja, daar zat de makelaar toch even lelijk op zijn neus te kijken. Had – ie verdorie net een nieuwe BMW 7serie gekocht en zijn kantoor voor de derde keer in twee jaar laten verbouwen, maar hij verkocht geen huis meer. Dat moest aan iemand anders liggen.
Boos keek hij om zich heen. Er moest toch geld te verdienen zijn met huizen… Maar wacht, een boosaardig lichtje verscheen in zijn ogen, tezamen met een heel goed plannetje.
Daar had je nota bene dat mindere volkje, die huizenverhuurdertjes. Die verdienden geld met onroerend goed. En dat, terwijl hij, de echte makelaar al een tijdje niet meer elke dag naar de bankrekening dorst te kijken. Dat moest maar eens afgelopen zijn.
Hij had een geniaal plan. Hij schreef in zoveel mogelijk kranten dat de verhuurbureaus vals speelden, dat ze van twee kanten vingen, van twee walletjes aten dus. Ja, dat kostte hem niet zoveel moeite om dat te verzinnen, want dat deed hij zelf namelijk stiekem ook vaak.
Dat was meteen een mooie afleidingsmanoeuvre, want plotseling ging de politiek natuurlijk ook de kant van die malafide verhuurjongens opkijken. Hij, de makelaar was immers al een hele poos te zielig om aan te pakken.

Wat braaf – en oppassend Nederland nu al een poosje over het hoofd – of erger nog – door de vingers ziet is dat een groep rijke jongens, die nu de wind eventjes niet mee heeft, het kennelijk nodig vindt om een hardwerkend andere groep in een aanverwante branche zwart te maken en het brood uit de mond te stoten. Want ja, kruimeltjes blijken nu toch ook brood te zijn.
Ach, eigenlijk is het allemaal te misselijk om over te praten.